(095) Toelichting Paraplubestemmingsplan Landschapselementen Buitengebied
Tekst van het document
D397951
Bestemmingsplan | Toelichting
Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied Gemeente Brummen
Datum: 5 oktober 2022 Projectnummer: 200340 ID: NL.IMRO.0213.BPBG700087-va01
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding en doelstelling Paraplubestemmingsplan Ligging plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
3 3 3 4 5
2
Planbeschrijving
6
2.1 2.2
Landschapstypen van de gemeente Brummen Beschrijving per landschapselement
6 11
3
Beleidskader
15
3.1 3.2 3.3 3.4
Nationaal beleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
15 16 19 20
4
Milieu- en omgevingsaspecten
22
4.1 4.2 4.3
Bodem Natuur Archeologie
22 22 23
5
Wijze van bestemmen
26
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
26 26
6
Uitvoerbaarheid
27
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
27 27
Bijlage Bijlage 1: Nota van beantwoording zienswijzen
1 1.1
Inleiding Aanleiding en doelstelling De gemeente Brummen kenmerkt zich door haar natuur- en landschapswaarden. In diverse beleidsstukken, waaronder de Toekomstvisie 2030 en het Landschapsbeleidsplan, wordt de ambitie uitgesproken om deze waarden te versterken. In het Landschapsbeleidsplan geeft de gemeente onder meer aan landschapsversterkende initiatieven op agrarische percelen te willen bevorderen. De realisatie van landschapselementen binnen een agrarische bestemming in het buitengebied is echter niet altijd toegestaan op grond van de geldende bestemmingsplannen. Om de realisatie van passende landschapselementen te stimuleren, wenst de gemeente een paraplubestemmingsplan op te stellen voor het buitengebied. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Met dit paraplubestemmingsplan zal op basis van een gebiedsindeling in landschapstypen geregeld worden welke landschapselementen in ieder landschapstype bij recht kunnen worden toegestaan zonder dat voor ieder afzonderlijk initiatief een juridisch-planologische procedure dient te worden doorlopen.
1.2
Paraplubestemmingsplan Dit bestemmingsplan is een paraplubestemmingsplan of zogenaamde thematische herziening. Dat is een bijzondere variant op een gewoon bestemmingsplan. Een bestemmingsplan herziet of ‘vervangt’ normaal gesproken het voorheen geldende bestemmingsplan. Daarbij voorziet het nieuwe bestemmingsplan dan in een volledig juridisch-planologisch kader door middel van een verbeelding met bestemmingen en bijbehorende regels. Dit paraplubestemmingsplan heeft echter een ander doel en een andere werking. Het doel van dit bestemmingsplan is uitsluitend het vastleggen van een juridisch-planologische regeling ten aanzien van landschapselementen in het buitengebied van de gemeente Brummen. De opzet van het paraplubestemmingsplan is daarom zodanig dat alle ‘onderliggende’ bestemmingsplannen én regelingen van kracht blijven. De herziening bestaat uitsluitend uit het toevoegen van een uniforme regeling ten aanzien van landschapselementen aan de bestemmingsplannen binnen het plangebied. Voor het overige blijven de vigerende bestemmingsplannen dus gewoon gelden.
1.3
Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend paraplubestemmingsplan betreft het buitengebied van de gemeente Brummen. De uiteindelijke regeling van dit paraplubestemmingsplan heeft daarentegen enkel betekenis voor de gronden met een agrarische bestemming. De gronden van het provinciaal inpassingsplan ‘N345 Rondweg De Hoven/Zutphen’ behoren niet tot het plangebied.
3
1.4
Geldende bestemmingsplannen Dit paraplubestemmingsplan is van toepassing op alle geldende plannen in het buitengebied van de gemeente Brummen met daarin een agrarische bestemming. Het gaat daarbij om de navolgende bestemmingsplannen.
Plan
Vaststelling
IMRO-code
Paraplubestemmingsplan Archeologie
15-10-2020
NL.IMRO.0213.BPBREEPARCH20000-va01
Buitengebied 2008 17-12-2009 BP Buitengebied 2010; Windheuvelstraat 7 Brummen 26-5-2011 Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening Ringlaan ongenummerd (nabij de Mozartstraat) 22-9-2011
NL.IMRO.02130000BPBG700000VA01-
Dijkverlegging Cortenoever
30-5-2013
NL.IMRO.0213.BPBG700004-va01
Dijkverlegging Voorsterklei Bestemmingsplan Buitengebied, wijziging Hoevesteeg 1 te Tonden
30-5-2013
NL.IMRO.0213.BPBG700006-va01
18-12-2012
NL.IMRO.0213.BPBG700007-va01
Voorsterweg 163 Buitengebied 2008, Dependance gemeentewerf Brummen Beschermingszone bestrijdingsmiddelen
24-11-2011
NL.IMRO.0213.BPBG700008-va01
26-1-2012
NL.IMRO.0213.BPBG700009-va01
25-12-2012
NL.IMRO.0213.BPBG700010-va01
Buitengebied 2008, Dwarsweg 1
26-6-2014
NL.IMRO.0213.BPBG700011-va01
Kikvorsenstraat 7
28-2-2013
NL.IMRO.0213.BPBG700015-va01
Buitengebied 2008, Hoofdstraat 58
9-10-2012
NL.IMRO.0213.BPBG700016-oh01
Buurtweg 42
28-3-2013
NL.IMRO.0213.BPBG700017-va01
Eerbeekseweg 29
23-10-2012
NL.IMRO.0213.BPBG700018-va01
Zutphensestraat 199 Brummen
30-5-2013
NL.IMRO.0213.BPBG700019-va01
Knoevenoordstraat 62
1-5-2013
NL.IMRO.0213.BPBG700021-va01
Eerbeek, Dierenseweg 4 Bestemmingsplan Cortenoeverseweg 107
19-2-2015
NL.IMRO.0213.BPGB700022-va01
22-5-2014
NL.IMRO.0213.BPBG700024-va01
Soerense Zand Zuid 29
27-11-2014
NL.IMRO.0213.BPBG700026-va01
Buitengebied, Cortenoeverseweg 105 Verlegging gasleiding Voorsterklei, gemeente Brummen
16-10-2014
NL.IMRO.0213.BPBG700027-va01
3-9-2015
NL.IMRO.0213.BPBG700028-va01
't Looweg 2
13-5-2014
NL.IMRO.0213.BPBG700029-va03
Buitengebied 2008, Pongeweg 4-6
18-9-2014
NL.IMRO.0213.BPBG700030-va01
Fietspad 'Oude Bandijk, Cortenoever'
25-6-2015
NL.IMRO.0213.BPBG700031-va01
Smeestraat 21-23
26-3-2015
NL.IMRO.0213.BPBG700032-va01
Hommelstraat 7 Empe
21-5-2015
NL.IMRO.0213.BPBG700033-va02
Natuuruitbreiding
26-5-2015
NL.IMRO.0213.BPBG700034-va01
Baankstraat 3b
6-10-2014
NL.IMRO.0213.BPBG700036-va01
Weg naar het Ganzen Ei 7-9
2-12-2014
NL.IMRO.0213.BPBG700037-va01
Vosstraat/Hoevesteeg
12-5-2015
NL.IMRO.0213.BPBG700038-va01
NL.IMRO.0213.BPBG700001-va01
NL.IMRO.0213.BPBG700002-va02
4
Plan
Vaststelling
IMRO-code
Voorstondensestraat 34
3-9-2015
NL.IMRO.0213.BPBG700039-va02
Langedijk 1, Tonden
26-11-2015
NL.IMRO.0213.BPBG700041-va01
Breukink, Cortenoeverseweg 119-125
31-3-2016
NL.IMRO.0213.BPBG700042-va02
Buitengebied 2008, Vosstraat 20
8-9-2016
NL.IMRO.0213.BPBG700044-va01
Pongeweg 2 Hall
4-2-2016
NL.IMRO.0213.BPBG700045-va01
Weg door de Plas
6-9-2018
NL.IMRO.0213.BPBG700047-va01
Knoevenoordstraat 59 Brummen Dijkverlegging Cortenoever, Cortenoeverseweg 88 Gasleiding buitengebied noordoost Brummen
10-10-2016
NL.IMRO.0213.BPBG700048-va01
21-7-2016
NL.IMRO.0213.BPBG700049-va01
23-2-2017
NL.IMRO.0213.BPBG700050-va01
Buitengebied, Lendeweg 2a
28-6-2018
NL.IMRO.0213.BPBG700051-va01
Vinkenweide, Brummen
28-6-2018
NL.IMRO.0213.BPBG700054-va01
Rhienderensestraat 9 Brummen
11-12-2018
NL.IMRO.0213.BPBG700055-va01
Buitengebied Hallsedijk 53-55
23-5-2019
NL.IMRO.0213.BPBG700056-va01
Fietspad Hallsepad, Brummen
19-12-2019
NL.IMRO.0213.BPBG700057-va01
Den Texweg 2-4
4-2-2020
NL.IMRO.0213.BPBG700058-va01
Empese en Tondense Heide
5-3-2019
NL.IMRO.0213.BPBG700060-va01
Hoevesteeg 3
5-1-2021
NL.IMRO.0213.BPBG700061-va01
Voorstondensestraat 14 te Hall
17-10-2019
NL.IMRO.0213.BPBG700063-va01
De Voortweg 11, Tonden
15-10-2019
NL.IMRO.0213.BPBG700064-VA01
Heemstedeweg 2, Eerbeek
7-10-2019
NL.IMRO.0213.BPBG700065-va01
Buitengebied, Den Broekweg 3
17-3-2020
NL.IMRO.0213.BPBG700066-va01
Breestraat 3
24-6-2021
NL.IMRO.0213.BPBG700068-va01
Plagweg 20 en IJsselstraat 6 Empe
2-9-2021
NL.IMRO.0213.BG700069-VA01
Buitengebied 2008, Pongeweg 4 en 6
15-10-2020
NL.IMRO.0213.BPBG700071-va01
Buitengebied, Baankstraat 5b
17-11-2020
NL.IMRO.0213.BPBG700072-va01
Plagweg 16
27-5-2021
NL.IMRO.0213.BPBG700073-va01
Weg door de Plas ong.
18-3-2021
NL.IMRO.0213.BPBG700074-va01
Hoevesteeg 27a Tonden Buitengebied Brummen, landschapsen natuurversterking vier percelen
17-02-2022
NL.IMRO.0213.BPBG700076-va01
30-3-2021
NL.IMRO.0213.BPBG700078-va01
Brummen, Knoevenoordstraat 37
31-8-2021
NL.IMRO.0213.BPBG700079-va01
Leuvenheim, Landgoed de Wildbaan
20-01-2022
NL.IMRO.0213.BPBG700082-va01
Empe, Sintelweg 2
19-04-2022
NL.IMRO.0213.BPBG700088-va01
1.5
Leeswijzer In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante ruimtelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten en de overige relevante ruimtelijke aspecten. Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van de juridisch-technische aspecten van de opgenomen regeling. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5
2
Planbeschrijving De gemeente Brummen kenmerkt zich door haar diverse landschap: van de Veluwe in het westen tot aan de uiterwaarden van de IJssel in het oosten. Deze diversiteit onderschrijft en waardeert de gemeente onder meer in het Landschapsbeleidsplan. Het beleid gaat uit van een zestal landschapsgebieden met ieder eigen kenmerken en karakteristieken. Deze gebieden met de bijpassende landschapselementen worden in paragraaf 2.1 en 0 nader besproken. Op dit moment is het in het buitengebied niet altijd mogelijk om op grond van de geldende bestemmingsplannen landschapselementen te realiseren op agrarische gronden. Om de realisatie van passende landschapselementen in het buitengebied mogelijk te maken en te stimuleren wordt met voorliggend paraplubestemmingsplan een juridische regeling getroffen om de realisatie van passende landschapselementen in het buitengebied bij recht toe te staan. Hiermee krijgen de eigenaren van agrarische percelen meer mogelijkheden om landschapsversterkende initiatieven te realiseren.
2.1
Landschapstypen van de gemeente Brummen In het Landschapsbeleidsplan 2008 heeft de gemeente Brummen ervoor gekozen niet te streven naar een uniform landschap. De gemeente Brummen kiest ervoor om de nadruk te gaan leggen op de overheersende ruimtelijke karakteristiek van een deelgebied. Daar waar toch bijzondere, landschappelijke verschillen binnen een deelgebied behouden of hersteld zouden moeten worden is een differentiatie binnen het betreffende deelgebied opgenomen. Het Landschapsbeleidsplan 2008 geeft per deelgebied een globaal streefbeeld weer. Het uitgangspunt is dat landschapselementen in agrarische gebieden bij recht worden toegestaan, mits sprake is van passende landschapselementen, zoals in deze paragraaf en paragraaf 0 beschreven.
Kaart met daarop de diverse landschapstypen in Brummen (Bron: gemeente Brummen).
6
Het landschap van de gemeente Brummen is onder te verdelen in zes deelgebieden met ieder een eigen karakteristiek; − De Veluwe; − De Veluweflank; − De Ontginningen; − De Landgoederen; − De Oeverwal; − De Uiterwaarden. De Veluwe Karakteristiek & visie Het deelgebied Veluwe kenmerkt zich door haar hoge ligging op de stuwwal, een zandige bodem met een zeer diepe grondwaterstand. Dit deelgebied ligt aan de rand van het Veluwemassief en is voor een groot deel begroeid met naaldbossen en gemengde bossen. De natuurwaarden van het deelgebied hangen nauw samen met de natuurwaarden van de Veluwe als geheel. Door de afwisseling van bos, heide, graslanden, natte en droge delen, ruimte en rust is de Veluwe van grote betekenis voor flora en fauna. Het deelgebied zelf heeft relatief weinig natuurwaarde doordat het vrijwel geheel uit productiebos van naaldhout bestaat. Het gebied bestaat verder uit rechtlijnige wegen en kavels en is de oorsprong van de spreng Eerbeeksche Beek. Een belangrijk doel voor dit deelgebied is het vergroten van de natuurwaarden. Dit kan door het bos om te vormen naar gemengd- of loofbos. Daarnaast is het wegnemen van barrières, zoals hekken en rasters, voor veel diersoorten van groot belang.
Landschapselementen De focus in dit deelgebied ligt op het omvormen van naaldbos naar gemengd- en loofbos (in paragraaf 0 volgt een uitgebreide omschrijving van de diverse landschapselementen). Nieuwe aanplant bestaat daarbij uit loofbomen zoals eik, beuk, berk en lijsterbes. Tussen de bomen kan hulst of taxus worden aangeplant. Om meer structuurrijke bosranden te realiseren kan een mantel van meidoorn, Gelderse roos, hondsroos, hazelaar, vuilboom, taxus, hulst, krent en kamperfoelie worden aangeplant. De Veluweflank Karakteristiek & visie Het deelgebied Veluweflank is zeer divers en bestaat uit meerdere delen; het bosgebied en opgaande monumentale beplantingen rondom Eerbeek, het kampenlandschap rond Hall en de natte heide- en broekontginningen ten noorden en zuiden van Eerbeek. Het kampenlandschap rond Hall is kleinschalig en besloten, met een onregelmatig verkavelingspatroon. Het heide- en broekontginningslandschap is open en rationeel verkaveld. Het doel voor dit deelgebied is de eenheid van het landschap te vergroten door landschapselementen toe te voegen en daardoor de kleinschaligheid en beslotenheid te versterken.
7
Landschapselementen Om deze doelstellingen te behalen wordt ingezet op het realiseren van een specifiek aantal soorten landschapselementen namelijk; − Laanstructuren langs wegen; − De aanplant en versterking van bossen (voornamelijk aan de zuidzijde van Eerbeek); − Houtsingels; − Vogelbosjes en geriefhoutbosjes; − Struweelhagen; − Knip- en scheerheggen; − Erfbeplanting. De Ontginningen Karakteristiek & visie Het deelgebied Ontginningen (heide- en broekontginningslandschap) kenmerkt zich door een rationele verkaveling in een vlak landschap. Het landschap kent veelal een hoekig verkavelingspatroon en lange rechtlijnige structuur van wegen en lanen. Het grondgebruik bestaat uit overwegend grasland. Het gebied heeft een groot aantal west-oost stromende beken zoals de Zilversebroekbeek, Voorsterbeek en de Veldbeek. Daarnaast komen er nog verscheidene onverharde wegen voor. Kenmerkend is de beperkte hoeveelheid beplantingselementen. Het landschap kent een meer ‘open’ karakter, in tegenstelling tot de Veluwe(flank). Een belangrijk doel om de herkenbaarheid van het landschap te versterken en de ecologische waarden te vergroten is om kavelgrensbeplanting en laanstructuren te ontwikkelen.
Landschapselementen Om deze doelstellingen te behalen wordt ingezet op het realiseren van een specifiek aantal soorten landschapselementen namelijk; − Laanstructuren langs wegen; − Houtsingels; − Singels; − Vogelbosjes en geriefhoutbosjes; − Struweelhagen; − Knip- en scheerheggen; − Erfbeplanting. De Landgoederen Karakteristiek & visie Het deelgebied Landgoederen bestaat uit een zone van bossen, natuur, landgoederen en agrarische gronden. Het gebied is van grote landschappelijke en ecologische waarde. Het deelgebied Landgoederen loopt door tot aan de noordgrens van de gemeente Brummen, omdat in het verleden deze landgoederen en bosgordel vrijwel ononderbroken doorliep tot ver voorbij de gemeentegrenzen. De landgoederen zijn gebleven, maar een behoorlijke hoeveelheid bos, vooral aan de noordgrens van de gemeente is verdwenen.
8
Net als deelgebied Ontginningen heeft ook deelgebied Landgoederen een rechtlijnige oostwest - noordzuid gerichte structuur. De wegen met lanen, beken en boscomplexen lopen van west naar oost, de kavelgrenzen, kavelbeplantingen en onverharde paden van noord naar zuid. Het agrarisch grondgebruik bestaat ook in dit deelgebied voornamelijk uit grasland. Dit deelgebied kent een hoge grondwaterstand en natte omstandigheden door kwel vanaf de Veluwe. De kwelgebieden, vochtige bossen en weideranden zijn van belang voor bijzondere flora. De doelstellingen voor dit deelgebied bestaan hoofdzakelijk uit structuurversterkende maatregelen in relatie tot boscomplexen. Het versterken en realiseren van boscomplexen en natuurwaarden van deze bossen hebben prioriteit. Daarbij dient de cultuurhistorische betekenis van de landgoederen benadrukt en versterkt te worden, wordt ruimte geboden aan natte natuur en wordt het patroon van laan-, erf- en kavelbeplantingen versterkt. Landschapselementen Om deze doelstellingen te behalen wordt ingezet op het realiseren van een specifiek aantal soorten landschapselementen namelijk; − Laanstructuren; − Loofbossen; − Houtsingels; − Vogelbosjes en geriefhoutbosjes; − Struweelhagen; − Knip- en scheerheggen; − Erfbeplanting. De Oeverwal Karakteristiek & visie De Oeverwal is de overgang tussen het licht glooiende dekzandgebied en de uiterwaarden van de IJssel.
De IJssel heeft in het verleden sedimenten afgezet langs de rivier. Deze sedimenten vormen een hogere zone in het landschap; de oeverwal. Karakteristiek voor de oeverwal is de iets hogere en drogere ligging in het landschap, waardoor het vaak vroeg bewoonde gebieden zijn. Zo ook in Brummen. Zowel de kern Brummen als de kleine kernen liggen op (de rand van) de oeverwal; op de overgang van hoog naar laag en van droog naar nat. Bij de bewoningsgeschiedenis van de oeverwal hoort ook het beeld van open akkercomplexen rondom de dorpen en een hoofdwegenpatroon die de noord-zuid richting van de oeverwal volgt. De lagere, natte gronden op de oeverwal waren in gebruik als grasland en waren vaak verdeeld met behulp van kavelbeplanting. De kavel- en wegenpatronen zijn op de oeverwal onregelmatig en bochtig en nog goed herkenbaar. Ook onverharde wegen zijn karakteristiek. Door de ruilverkaveling is veel van het oorspronkelijke karakter van de oeverwal verdwenen. De kavels zijn groter en regelmatig en de kavelbeplanting ontbreekt veelal. Doordat de druk op de oeverwal door stedelijke ontwikkeling groot is, wil de gemeente zich richten op het behoud en versterken van de bestaande en herstel van vroegere landschappelijke kenmerken.
Het uitgangspunt daarbij ligt op het open houden van de akkercomplexen en het verdichten van het overige landschap door de toevoeging van lanen, erf- en kavelbeplantingen.
9
Landschapselementen Om deze doelstellingen te behalen wordt ingezet op het realiseren van een specifiek aantal soorten landschapselementen namelijk; − Houtsingels; − Vogelbosjes en geriefhoutbosjes; − Struweelhagen; − Knip- en scheerheggen; − Erfbeplanting. De Uiterwaarden Karakteristiek & visie Het deelgebied Uiterwaarden bestaat uit zowel het huidige buitendijkse gebied als de ingepolderde uiterwaarden van de IJssel. Het is rivierkleigebied. De binnendijkse gebieden verschillen sterk met de buitendijkse gebieden. Binnen de ingepolderde uiterwaarden zijn de gronden voornamelijk in gebruik als akker of weidegrond. De kavels zijn groot en er zijn nog maar weinig karakteristieke kavelbeplantingen aanwezig. Het gebied is open en functioneel van karakter. Patronen van wegen en kavels zijn onregelmatig en bewegen mee met de loop van de rivier. Bebouwing staat verspreid langs de wegen. Buitendijks is het uiterwaardenlandschap nog zeer karakteristiek. Het beeld wordt bepaald door grasland, oude geulen van de IJssel, een glooiend reliëf van richels en geulen, karakteristieke meidoornhagen, kleine bosjes en moerasgebieden. De beken zijn opgenomen in het sloten en geulenpatroon. Aanwezige landschapselementen zijn aanwezig in de vorm van heggen en bosjes. In de uiterwaarden ligt de focus vooral op natuurontwikkeling en waterberging.
Om het landschap aantrekkelijker te maken wordt ingezet op de aanplant van heggen om zo het historische patroon weer herkenbaar te maken. Landschapselementen Om deze doelstellingen te behalen wordt ingezet op het realiseren van een specifiek aantal soorten landschapselementen namelijk; − Heggen; − Erfbeplanting. De aanleg van landschapselementen als heggen en erfbeplanting kunnen afhankelijk van de vormgeving, locatie en oriëntatie nadelige effecten hebben op het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam de IJssel. Om deze reden is het belangrijk voorgenomen plannen en de uitwerking daarvan te bespreken met de waterbeheerder (Rijkswaterstaat).
10
2.2
Beschrijving per landschapselement In voorgaande paragraaf zijn aan de deelgebieden landschapselementen gekoppeld. In deze paragraaf wordt een korte beschrijving gegeven van de diverse landschapselementen. Gemengd- en loofbos Nieuwe aanplant van loofbos bestaat uit loofbomen zoals de Quercus robur (Zomereik), Fagus sylvatica (Gewone beuk), Betula pendula (Ruwe berk) en Sorbus aucuparia (Wilde lijsterbes). Tussen de bomen kan Ilex aquifolium (Gewone hulst) of Taxus baccata (Venijnboom) worden aangeplant. In het geval van aanplant van gemengd bos kan Pinus sylvestris (Grove den) worden toegevoegd. Om meer structuurrijke bosranden te realiseren kan een mantel van Crataegus monogyna (Eenstijlige meidoorn), Viburnum opulus (Gelderse roos), Rosa canina (Hondsroos), Corylus avellana (Gewone hazelaar), Rhamnus frangula (Vuilboom), Ilex aquifolium (Gewone hulst), Taxus baccata (Venijnboom), Amelanchier lamarckii (Amerikaanskrentenboompje) en Lonicera (Kamperfoelie) worden aangeplant. Houtsingels Een houtsingel is een brede landschappelijk afscheiding, vaak tussen weilanden, die bestaat uit bomen en struiken. Een houtsingel is een lijnvormig landschapselement van 4 tot maximaal 20 meter breed. Houtsingels lijken veel op houtwallen. Bij een houtwal is er sprake van een opgeworpen wal, waar de beplanting op staat.
Voorbeeld van een houtsingel (Bron: gemeente Brummen).
Een houtsingel bestaat uit de beplantingssoorten; − Boomvormers: Quercus robur (Zomereik), Betula pendula (Ruwe berk) en Sorbus aucuparia (Wilde lijsterbes) en; − Struikvormers: Crataegus monogyna (Eenstijlige meidoorn), Acer campestre (Veldesdoorn), Viburnum opulus (Gelderse roos), Rosa canina (Hondsroos), Corylus avellana (Gewone hazelaar), Rhamnus frangula (Vuilboom), Ilex aquifolium (Gewone hulst), Vogelkers (Prunus Padus).
11
Incidenteel kunnen de volgende soorten extra worden aangevuld: − Prunus avium (Zoetekers); − Malus sylvestris (Wilde appel); − Tilia x europea (Hollandse linde). Singels Een singel kan bestaan uit een elzensingel of wilgensingel. Een singel staat vaak op een slootkant en vraagt om vochtiger omstandigheden. Een elzen- of wilgensingel kan op twee verschillende manieren beheerd worden. Als vrij uitgroeiende elzensingel, waarbij de elzen uitgroeien tot een volwassen boom. Of als knotboom, waarbij elke 6 tot 10 jaar de takken worden afgezet. De plantafstand bedraagt 5 a 6 meter. Soorten: − Elzensingel: Alnus glutinosa (Zwarte els); − Wilgensingel: Salix alba (Schietwilg).
Voorbeeld van een elzensingel (Bron: gemeente Brummen).
Vogelbosjes en geriefhoutbosjes Een vogelbosje is een bosje dat voornamelijk uit struiken bestaat en niet groter is dan 500 m². Het gemiddelde oppervlakte van een vogelbosje is circa 200 m². De soorten die in het bosje aangeplant worden zijn vooral besdragende struiken als de meidoorn, Gelderse roos en lijsterbes om vogels aan te trekken. Een vogelbosje wordt gebruikt als broedplaats en schuilplaats door zowel vogels als klein zoogdieren. Daardoor voegt een vogelbosje veel toe aan de ecologische diversiteit op en rondom het erf. Geriefhoutbosjes zijn vaak vrijliggende elementen in het landschap. Dergelijke bosjes liggen vaak op overhoekjes tussen de weilanden. Een geriefhoutbosje is vaak groter dan 500 m² en werd vroeger aangeplant om in geriefhout, hout voor dagelijks gebruik, te voorzien. Een geriefhoutbosje was vroeger vaak een monocultuur van bijvoorbeeld eik, es, wilgen of elzen.
12
Voorbeeld van een vogelbosje (Bron: gemeente Brummen).
Voorbeeld van een geriefhoutbosje (Bron: gemeente Brummen).
Struweelhagen Een struweelhaag is een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken, die vrij uit mogen groeien. Zo ontstaat een weelderige haag in tegenstelling tot een geknipte haag. Een struweelhaag bestaat vaak uit soorten als de Crataegus monogyna (Eenstijlige meidoorn), Prunus spinosa (Sleedoorn) en Rosa canina (Hondsroos).
Voorbeeld van een struweelhaag (Bron: gemeente Brummen).
13
Knip- en scheerheggen Een knip- en scheerheg is een lijnvormig landschapselement langs kavelgrenzen (niet op of langs het woonerf), met aaneengesloten begroeiing van inheemse struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren. Deze heggen bestaan uit soorten als Crataegus monogyna (Eenstijlige meidoorn), Acer campestre (Veldesdoorn), Prunus spinosa (Sleedoorn).
Voorbeeld van een knip- en scheerheg (Bron: gemeente Brummen).
Erfbeplanting Erfbeplanting komt traditioneel gezien in vele verschijningsvormen voor. Het kan hierbij gaan om: − Houtsingels; − Hoogstamfruitboomgaard met soorten als de appel, peer, pruim, kers of noot; − Hagen rond de voor- of moestuin: Fagus sylvatica (Gewone beuk), Carpinus betulus (Haagbeuk) of Ligustrum vulgare (Wilde liguster); − Hagen rond of bij de hoogstamfruitboomgaard: Crataegus monogyna (Eenstijlige meidoorn) of Acer campestre (Veldesdoorn); − Solitaire bomen: Quercus robur, Tilia x europaea (Hollandse linde), Aesculus hippocastanum (Witte paardekastanje) en Juglans regia (Okkernoot).
14
3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plangebied ligt wat betreft het plandeel uiterwaarden in de nationale hoofdstructuur ‘grote rivieren’.
Hier hoort het volgende nationale belang bij: ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Dit nationale belang ziet op waterveiligheid en de beschikbaarheid van voldoende zoet water. Het Rijk is verantwoordelijk voor het integrale beheer van het hoofdwatersysteem en, samen met de waterschappen, verantwoordelijk voor de bescherming van Nederland tegen overstromingen. Ter bescherming van het nationaal belang gelden er regels. Volgens artikel 2.4.3 van het Barro zijn nieuwe bestemmingen in een rivierbed toegestaan, als sprake is van: − een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; − geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; − een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; − een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Tevens dient te worden vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd.
15
Dit plan maakt geen nieuwe functies in het rivierbed mogelijk aangezien de agrarische bestemming behouden blijft. Daarnaast wordt met dit plan geen verruiming van de bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt. Wel zullen middels dit plan landschapselementen bij recht worden toegestaan. Wat betreft de uiterwaarden geldt dat hier heggen en erfbeplanting mogen worden gerealiseerd op agrarische percelen, ten behoeve van de in de uiterwaarden voorkomende landschapswaarden en de natuur. Gesteld wordt dat de waterhuishoudkundige gevolgen van dit project minimaal zijn. Hieruit volgt dat het project vanuit waterhuishoudkundig oogpunt inpasbaar is. Door de ligging in een stroomvoerend deel van het rivierbed is daarnaast artikel 2.4.4 van het Barro van toepassing. Op grond van dit artikel zijn onder andere activiteiten toegestaan in het kader van de verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen. Gesteld wordt dat met dit plan bijgedragen wordt aan de ontwikkeling van natuur door de realisatie van de genoemde landschapselementen. Dit plan is niet in strijd met de regels die zijn geformuleerd ten behoeve van de bescherming van de nationale hoofdstructuur ‘grote rivieren’. Verder valt het plan niet binnen de reikwijdte van onderwerpen uit de SVIR en het Barro. Het plan is hierdoor niet strijdig met de SVIR en het Barro. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. 16
− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
Toetsing Met dit plan wordt bijgedragen aan de ambities ten aanzien van de biodiversiteit en het woon- en leefklimaat, zoals vermeld in de provinciale omgevingsvisie. In de omgevingsvisie wordt gesteld dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt dan natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. De provincie ziet kansen door de veehouderij, land- en tuinbouw en natuur slimmer te verbinden. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van passende landschapselementen bij recht toegestaan. Zo kunnen er bosjes en heggen worden gerealiseerd, die van betekenis kunnen zijn voor planten en dieren, als bijvoorbeeld schuil-, nest- en foerageergebied. Zodoende wordt met dit plan (indirect) bijgedragen aan de biodiversiteit in Gelderland. Wat betreft het woon- en leefklimaat wordt in de provinciale omgevingsvisie gesteld dat de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang is. Het behoud en het versterken van cultuurhistorische waarden vormt een groot onderdeel hiervan. Door passende landschapselementen bij recht toe te staan wordt bijgedragen aan de karakteristieken van de diverse landschapstypen. Hierdoor worden cultuurhistorische waarden behouden en versterkt.
Groene Ontwikkelingszone (GO) en Gelders Natuurnetwerk (GNN) Delen van het buitengebied van Brummen behoren tot de Groene Ontwikkelingszone en het Gelders Natuurnetwerk. De GO bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met het GNN en daar functioneel mee samenhangen en waarin wordt ingezet op versterking van die samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Met de ontwikkeling van de GO en het GNN wordt onder andere gestreefd naar ecologische verbindingen en het voorkomen van
17
barrièrewerking van infrastructuur. De voorgenomen landschapselementen kunnen een bijdrage leveren aan het behoud en het versterken van de kernkwaliteiten van de GO en het GNN doordat deze zorgen voor een afwisseling in het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt onder meer bijgedragen aan de aanwezigheid van biotopen voor reptielen en amfibieën. Natte landnatuur Delen van het plangebied zijn in de omgevingsvisie aangewezen als beschermingszones natte landnatuur. De natte landnatuur levert een belangrijke bijdrage aan de ecologische diversiteit van Gelderland. Daarom wil de provincie de natte landnatuur als onderdeel van het GNN duurzaam in stand houden en zo mogelijk versterken. Dit betekent onder andere dat de provincie de waterhuishoudkundige omstandigheden op orde wil brengen en houden. Ter bescherming van de natte landnatuur zijn beschermingszones aangewezen. Voor de Natura 2000-gebieden worden de beschermingszones uit de beheerplannen gehanteerd. De bescherming van de natte landnatuur door deze beschermingszones richt zich op activiteiten van bedrijven en particulieren. Voor de beschermingszones nemen de waterschappen drainage en beregeningsbeleid op in hun beheerplannen en keuren. Voor ruimtelijke veranderingen in deze zones heeft de provincie regels in de Omgevingsverordening opgenomen.
In de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van een hydrologische beschermingszone geen functies mag toestaan die significant nadelige effecten hebben op natte landnatuur. De beoogde ontwikkeling maakt uitsluitend landschapsversterkingsmaatregelen mogelijk. Er is daarom geen sprake van een significant nadelig effect, waardoor het plan op dit punt niet in strijd is met de Omgevingsverordening. Nationaal Landschap Daarnaast behoren delen van het plangebied tot het Nationaal Landschap. In de provinciale omgevingsverordening is gesteld dat een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal Landschap alleen bestemmingen mogelijk maakt die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, als bedoeld in bijlage 6 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten. Raadpleging van de bijlage wijst uit dat delen van de gemeente Brummen behoren tot het Nationaal Landschap De Veluwe deelgebied Zuidelijke IJsselvallei. De Zuidelijke IJsselvallei wordt gekenmerkt door de overgang van stuwwal (Veluwemassief) met besloten boslandschap via halfopen dekzandlandschap naar open rivierenlandschap (IJssel).
Het betreft een kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap en hiermee samenhangend een grote afwisseling van talrijke landgoederen, grondgebonden landbouw (met name weidebouw), bos, en beken die van de flank afstromen. Onderhavig initiatief kan bijdragen aan de kernkwaliteiten van de Zuidelijke IJsselvallei door de aanplant van vrij uitgroeiende hagen, struwelen en houtsingels. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld de bestaande agrarische gronden worden voorzien van een groene omzoming, passend bij het mozaïeklandschap ter plaatse (zie ook paragraaf 2.1). Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
18
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030 – Visie op het niet-bundelingsgebied De Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 is in november 2009 vastgesteld door de gemeenteraden van Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen. In deze visie staan de gemeenschappelijke ambities voor de lange termijn tot 2030 voor het gebied buiten de grote stedelijke kernen Zutphen, Deventer en Apeldoorn en het landelijke gebied daartussen. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. Behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw, staan centraal. Om deze centrale doelstelling concreet te maken, zijn de volgende vijf strategische keuzen geformuleerd: − duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; − natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; − regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; − stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; − toevoegen van centrum-stedelijke en landelijke woonmilieus.
De visie zet in op de volgende zaken: − het versterken van de groene kernkwaliteit: veerkrachtig watersysteem in een robuust landschap; − het versterken van de rode kernkwaliteit: een netwerk van vitale kernen; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (I): landbouw als core business; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (II): toerisme en recreatie als troefkaart; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (III): vitaliteit door variatie. Toetsing Onderhavig plan staat de realisatie van passende landschapselementen op agrarische percelen bij recht toe. Hiermee krijgen de eigenaren van agrarische percelen meer mogelijkheden om landschapsversterkende initiatieven te realiseren. Er wordt bijgedragen aan de biodiversiteit en de kernkwaliteiten van het landschap. Zo vormen hagen vaak een schuilplaats voor veel vogels en kleine zoogdieren en vergroten daardoor de landschappelijke en ecologische variatie. Ook geriefhoutbosjes zijn landschappelijk van groot belang. Ze doorbreken de vlakke horizon en zorgen voor afwisseling in het landschap. Daarnaast zorgen ze voor een versterking van de kernkwaliteiten van het landschap c.q. platteland. Dit tezamen maakt dat de beoogde ontwikkeling aansluit bij de ambities uit de regionale structuurvisie. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.
19
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ Op 25 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Brummen de Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ vastgesteld. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn in drie thema’s onderverdeeld: − Ruimte voor papier en landgoederen: Papier en landgoederen zijn de kernwaarden die Brummen uniek maken. Deze kernwaarden krijgen alle ruimte. Niet alleen fysiek en bedrijfsmatig, maar op zoveel mogelijk terreinen worden deze kernwaarden binnen de gemeente versterkt. Bijvoorbeeld in de recreatiesector, maar ook in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Eerbeek is een papierdorp en dat wil de gemeente meer laten zien, lokaal en regionaal, maar ook nationaal en internationaal. Daarnaast worden cultuurhistorie, creativiteit en kunst in de gemeente gestimuleerd en gekoesterd. Om de recreatieve potentie van Brummen verder uit te bouwen wordt het netwerk voor de wandelaar, fietser en ruiter verbeterd. − Samen gezond wonen, werken en leven: De gemeente Brummen wil een aantrekkelijke gemeente zijn voor zowel jong en oud als voor bestaande en nieuwe inwoners. Daarbij hoort een gemeente waar men prettig kan wonen en werken.
Het kleinschalige dorpsleven waar rust en vriendelijkheid heersen en sprake is van een sterke sociale samenhang, zijn daarbij van belang. De identiteit, die wordt gekoesterd, moet worden behouden en versterkt. − Op groene voet met groene vingers: Er wordt ingezet op een groen en klimaatneutraal Brummen, waarbij zelf wordt voorzien in de energie, energiesystemen slim worden gekoppeld, hemelwater wordt geborgen en gebruikt en de biodiversiteit wordt versterkt. De natuur en het landschap zijn kernwaarden van de identiteit van Brummen. Ze vormen de historische basis en maken deel uit van het woongenot, vormen de trekker voor recreanten en toeristen en staan aan de basis van de ontwikkeling van de papierindustrie en de landgoederen. Het landschap en de natuur moeten daarom behouden blijven. Maar ook hier geldt dat er geen stolp op het buitengebied moet worden gezet. Er wordt vernieuwd met respect voor dat wat er is. Toetsing In de toekomstvisie wordt gesteld dat de natuur en het landschap van Brummen kunnen worden beschouwd als de kernwaarden van de identiteit van de gemeente. Doordat met voorliggend plan meer mogelijkheden worden geboden om landschapsversterkende maatregelen te realiseren op agrarische percelen wordt ruimte geboden om deze kernwaarden verder te versterken.
3.4.2
Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 In het Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 zijn de verschillende landschapstypen die de gemeente Brummen rijk is nader uitgewerkt. Karakteristiek voor het grondgebied van de gemeente Brummen is de opbouw van het landschap in verschillende landschapstypen die elkaar van oost naar west opvolgen. Per deelgebied zijn doelen ontwikkeld.
20
Toetsing De basis en opzet van dit plan is terug te vinden in het Landschapsbeleidsplan. Op basis van de daarin beschreven karakteristieken is bepaald welke landschapselementen in welk landschapstype passend zijn. Dit is verder uiteengezet in hoofdstuk 2 en vormt de basis voor de gekozen regeling in dit plan.
3.4.3
Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ De gemeenteraad van de gemeente Brummen heeft op 28 september 2006 de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente Brummen er over 25 jaar uit zou moeten zien. De ruimtelijke ontwikkelingsvisie omvat een lange termijnvisie (Strategische visie tot 2030) en de korte termijnvisie (periode 2005 tot 2015). Samen vormen ze de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op Groen'. In de strategische visie tot 2030 zet men in op synergie met de omliggende gemeenten. Dit kan volgens de gemeente het beste bereikt worden door aan te sluiten op de onderscheidende kwaliteiten. Dé identiteitsdrager van de gemeente Brummen is de groene kwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook ingezet te worden op de versterking van de groene kwaliteiten. Toetsing Voorliggend plan draagt (indirect) bij aan het landschap en de groene kwaliteiten van Brummen, door het bij recht toestaan van passende landschapselementen op agrarische percelen. Hiermee krijgen de eigenaren van agrarische percelen meer mogelijkheden om landschapsversterkende initiatieven te realiseren, hetgeen in lijn is met de ontwikkelingsvisie (een versterking van de groene kwaliteiten). Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.
21
4
Milieu- en omgevingsaspecten In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan legt uitsluitend de mogelijkheid vast om op agrarische percelen passende landschapselementen te realiseren. Omdat met dit plan geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden en milieuactiviteiten mogelijk worden gemaakt c.q. toegestaan zijn aspecten als geluid, milieuhinder, externe veiligheid, parkeren et cetera voor voorliggend plan niet van toepassing. Een uitgebreide toets aan de reguliere haalbaarheidsaspecten is daarmee niet noodzakelijk. Wel kan de realisatie van landschapselementen van invloed zijn op de aspecten bodem, archeologie en natuur.
4.1
Bodem Algemeen Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moet in verband met de uitvoerbaarheid een reëel beeld aanwezig zijn van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt moeten zijn voor de beoogde functies, of binnen de exploitatie van het plan geschikt te maken zijn voor de beoogde functies. Toetsing Met voorliggend bestemmingsplan wordt eigenaren van agrarische percelen de ruimte geboden om bij recht landschapselementen aan te leggen. Bij de vaststelling van dit paraplubestemmingsplan is voor de individuele locaties geen toets noodzakelijk van de kwaliteit van de bodem. Indien bij de aanleg van een landschapselement grondwerkzaamheden worden verwacht, dient vooraf op basis van de dan geldende wet- en regelgeving op locatieniveau een bodemtoets te worden uitgevoerd op aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem en zo nodig dienen maatregelen te worden getroffen. Bij afvoer en toepassing van grond dient rekening te worden gehouden met de dan geldende regelgeving in het Besluit Bodemkwaliteit of de Omgevingswet. Ook moet rekening worden gehouden met het hiervoor opgestelde gemeentelijk beleid dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit paraplubestemmingsplan.
Indien bij de aanleg van een landschapselement grondwerkzaamheden plaatsvinden dient op locatieniveau een bodemtoets te worden uitgevoerd.
4.2
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een nega-
22
tief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing De Wet natuurbescherming legt vast dat iedereen rekening dient te houden met natuurwaarden. Ook bij de aanleg van landschapselementen geldt dat hier rekening mee moet worden gehouden. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, dient de uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk beperkt te worden, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten. Men mag ervan uitgaan dat de initiatiefnemers zich houden aan de regels vanuit de Wet natuurbescherming, waardoor met dit plan geen nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden verwacht.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Voor het grondgebied van de gemeente Brummen is op 15 oktober 2020 het ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’ door de gemeenteraad vastgesteld. Gesteld wordt dat bij de realisatie van landschapselementen moet worden voldaan aan de eisen zoals geformuleerd in dit Paraplubestemmingsplan Archeologie. Dat betekent dat bij bepaalde bodemingrepen, afhankelijk van de omvang en diepte (zie navolgende afbeeldingen), een archeologisch onderzoeksrapport moet worden overgelegd waarmee wordt aangetoond dat archeologische waarden niet worden aangetast. Hiervoor is een vergunningenstelsel in het ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’ opgenomen. Navolgende afbeelding geeft inzicht in de situering van de archeologische verwachtingswaarden in de gemeente Brummen.
23
Beleidskaart bij gemeentelijk archeologiebeleid Brummen (Bron: gemeente Brummen).
In de navolgende tabel is aangegeven welke dubbelbestemming bij welke categorie behoort evenals de daarbij behorende vrijstellingsgrenzen voor het verrichten van archeologisch onderzoek. Deze regels blijven onverminderd van toepassing bij de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Indien de vrijstellingsgrenzen worden overschreden zal een initiatiefnemer een vergunning moeten aanvragen en eventueel benodigd onderzoek moeten aanleveren. Derhalve vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
24
Overzicht archeologische verwachtingszones, vrijstellingsgrenzen en bijbehorende dubbelbestemming (Bron: gemeente Brummen).
Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
25
5 5.1
Wijze van bestemmen Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruikgemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2
Dit bestemmingsplan Voorliggend paraplubestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische regeling ten behoeve van de realisatie van passende landschapselementen in de gemeente Brummen. Hiermee gaat voor alle geldende plannen, zoals vermeld in paragraaf 1.4, dezelfde regeling voor landschapselementen gelden. Het paraplubestemmingsplan heeft alleen betrekking op de regeling voor landschapselementen en beoogt geen wijziging aan te brengen in de overige regels van de vigerende plannen. Dit betekent concreet dat voorliggend bestemmingsplan vastlegt, dat het ter plaatse van de gebiedsaanduiding voor ieder landschapstype mogelijk wordt om bij recht de bijbehorende landschapselementen te realiseren. In de regels van het bestemmingsplan zijn eveneens definities opgenomen van de landschapselementen. De inhoud van de regeling is in lijn met de beschrijvingen uit hoofdstuk 2 van deze toelichting. Als landschapselementen conform de opgestelde regels worden aangelegd is het aanvragen een omgevingsvergunning niet noodzakelijk. De opgenomen vergunningplicht uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ is dan niet van toepassing.
26
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. De kosten voor de gemeente betreffen het opstellen van dit paraplubestemmingsplan. Het hiervoor benodigde budget is gereserveerd. Dit bestemmingsplan bevat geen aangewezen bouwplan (artikel 6.12 Wro jo. 6.2.1.). Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet aan de orde. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het bestemmingsplan voorgelegd aan de relevante bestuurlijke partners. Alleen de provincie Gelderland heeft een reactie gegeven op het plan. De provincie geeft daarbij aan positief tegenover het plan te staan. Het plan sluit naadloos aan op de ambities van de provincie om de kwaliteit van het landschap en de biodiversiteit in het buitengebied te vergroten.
6.2.2
Zienswijzen Het bestemmingsplan heeft met ingang van 28 januari 2022 voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder heeft in deze periode zienswijzen in kunnen dienen. In de als bijlage opgenomen ‘Nota van beantwoording zienswijzen’ zijn de binnengekomen zienswijzen samengevat en van een antwoord worden voorzien. Tevens is terug te vinden welke wijzigingen in het vast te stellen bestemmingsplan zijn doorgevoerd.
27
Bijlage 1: Nota van beantwoording zienswijzen
Z065699/D397919 Zaaknummer Onderwerp
: Z065699 : Nota van beantwoording zienswijzen “Paraplubestemmingsplan Landschapselementen Buitengebied”
Algemeen Overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerp “Paraplubestemmingsplan Landschapselementen Buitengebied”, met de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van 28 januari 2022 voor de duur van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen, met de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. In reactie op het gerectificeerde bestemmingsplan zijn 3 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn in samengevatte vorm weergegeven, waarna puntsgewijs inhoudelijk gereageerd is en waarbij is aangegeven of het betreffende deel van de zienswijze heeft geleid tot wijziging of aanvulling van het bestemmingsplan.
Blz. 2
Behandeling zienswijzen Formele aspecten: Van de volgende indieners is met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze ontvangen: Indiener 1: Indiener 2: Indiener 3:
Documentnummer D376801, ontvangen op 24 februari 2022 Documentnummer D376973, ontvangen op 25 februari 2022 Documentnummer D377325, ontvangen op 3 maart 2022
De door indiener 1 en indiener 2 ingediende zienswijze is binnen de gestelde termijn binnengekomen, zodat deze tijdig zijn ingediend. De door indiener 3 ingediende zienswijze is op 3 maart 2022 enkel digitaal binnengekomen. De indiener is daarom gewezen op het feit dat de gemeente Brummen geen mogelijkheid tot het indienen van een digitale zienswijze heeft opengesteld in bestemmingsplanprocedures. Indiener 3 is daarom in de gelegenheid gesteld alsnog binnen de redelijke termijn van 2 weken per post haar zienswijze in te dienen. Dit is gebeurd waardoor ook voor deze zienswijze sprake is een tijdige indiening. Overeenkomstig artikel 3.30, tweede lid jo. artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van het bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat zienswijzen omtrent het ontwerp door een ieder naar voren kunnen worden gebracht. Een beoordeling van belanghebbendheid is om die reden niet aan de orde. Hierna worden de zienswijzen samengevat weergegeven en van een reactie voorzien.
Blz. 3
Inhoudelijke behandeling
Nr. 1 A
Samenvatting zienswijze Indiener 1 – D376973 De soorten beplanting die met dit ontwerpbestemmingsplan mogelijk gemaakt worden, zijn niet op de verbeelding en in de regels verankerd. Indieners wijzen op het risico tot aanplant van soorten die niet inheems zijn en stellen dat het essentieel is dat dit vastgelegd wordt in het bestemmingsplan.
B
Indieners stellen dat ook het aanplanten van inheems plantgoed vastgelegd moet worden in het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Daarbij wordt gewezen op het voorbeeld van de aanplant van Sleedoorn. Indieners wijzen op het risico dat aan te planten soorten kruisen met inheemse soorten met onbedoelde en ongewenste neveneffecten.
Reactie
Aanpassing
In de begripsbepaling is per landschapstype ingegaan op welke soorten toegestaan zijn. Daarmee is dus wel sprake van verankering. In de toelichting is inderdaad in hoger detailniveau per landschapselement en type uitgewerkt welke soorten wenselijk zijn. De suggestie om dit in de regels toe doen komt het plan ten goede en wordt daarom als zodanig ook in de begripsbepaling aangevuld. Wel wordt hierbij opgemerkt dat het niet de bedoeling is dit parapluplan een dwingend karakter mee te geven. Het is vooral bedoeld om inwoners en gebruikers van agrarische gronden in het buitengebied de mogelijkheid te geven landschapselementen aan te planten die een bijdrage kunnen leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Indieners halen Sleedoorn aan. Van die soort is bekend dat de Zuid Europese variant vroeger in het jaar bloeit. De stelling dat het aanplanten van die soort in zekere zin zinloos is voor inheemse soorten in de gemeente is daarmee ook juist. Het expliciet opnemen van streekeigen inheemse soorten zal naar verwachting niet voorkomen dat er incidenteel toch -bijvoorbeeld deze variant van Sleedoorn- wordt aangeplant. Daar is simpelweg niet op te handhaven. Als gemeente zien wij het als onze taak onze inwoners en gebruikers van het buitengebied hierover te informeren. Daarmee hopen we zoveel mogelijk te voorkomen dat er niet gewenste of niet waardevolle soorten worden aangeplant.
Het volledig vastleggen hiervan heeft niet onze voorkeur omdat het
Soorten uit de toelichting toevoegen in de relevante delen van de begripsbepaling zodat planologisch juridisch beter vastligt welke soorten per landschapstype en element gewenst zijn.
Blz. 4
C
Er wordt niet gesproken over poelen terwijl die in het algemeen als landschapselement worden gezien en deze kunnen in tijd van klimaatverandering extra nuttig en ook nodig zijn. Indieners zien het parapluplan als een kans om de aanleg van poelen te faciliteren.
D
Over houtsingels merken indieners op dat zij het voorbehoud bij de Zoete Kers niet begrijpen, omdat dit een streekeigen boom is die in houtsingels voorkomt. Ook missen indieners de Vogelkers hier.
E
Indieners vinden de opmerking in de toelichting dat het parapluplan niet strijdig is met het Paraplubestemmingsplan Archeologie te kort door de bocht. Zij stellen daarom voor expliciet aandacht te besteden aan om te kijken of aanpassing / vrijstelling mogelijk of noodzakelijk is. Ook wijzen indieners op mogelijke strijdigheid met het paraplubestemmingsplan Archeologie, in het kader van de grote oppervlakte van houtsingels.
karakter van het bestemmingsplan daarmee te dwingend is. Het is de insteek aanplant van gewenste soorten en het aanbrengen van andere voorbeelden van landschapselementen aan te moedigen en te vereenvoudigen. Het meenemen van poelen in dit plan is overwogen maar is vanwege de opbouw en aard van dit bestemmingsplan achterwege gelaten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het aanleggen van een poel niet waardevol kan zijn voor de flora en fauna en biodiversiteit van het buitengebied. Op grond van bestaand beleid zijn er mogelijkheden een poel aan te leggen. Er wordt daarom niet gekozen dit mee te nemen in de onderhavige bestemmingsplanprocedure. (Prunus Avium) Zoete Kers is een later toegevoegde soort die niet veel voor kwam. De soort komt van oorsprong voor in zuid Nederland. Daardoor is gekozen voor wat terughoudendheid. De suggestie om ook de (Prunus Padus) Vogelkers op te nemen is heroverwogen en als wenselijk beoordeeld. Deze soort wordt op verzoek van indieners dus toegevoegd aan de gewenste struikvormers in houtsingels. Aan de relatie met het paraplubestemmingsplan Archeologie dat binnen de gemeente Brummen van kracht is, is aandacht besteed in de toelichting. Dit is uitvoerig besproken met de regioarcheoloog, die heeft bevestigd dat het paraplubestemmingsplan Archeologie onverminderd van toepassing blijft, bij vaststelling van het onderhavige paraplubestemmingsplan.