(085) Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. 32
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1 Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2 Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 7.3.2
Motivering De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Daaruit volgt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU.
7.3.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
7.4
Geur
7.4.1
Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).
33
Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. Om binnen de provincie Gelderland toekomstige knelpunten op het gebied van geur te voorkomen heeft de provincie haar eigen geurbeleid opgesteld. Het Gelders beleid met betrekking tot geur vanuit inrichtingen is vervat in de Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017. Dit geurbeleid geldt voor industriele bedrijven waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen geurcontouren raken het provinciale belang, dat mede gericht is op het in stand houden van voldoende milieugebruiksruimte voor de inrichtingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Vanuit dit belang heeft de provincie aangegeven dat binnen de vergunde contouren van 1,5 OU/m3 in beginsel geen woningen en vergelijkbaar geurgevoelige bestemmingen mogen worden toegevoegd.
De provincie baseert zich hierbij op de Interne werkwijze Industriële geur & Ruimtelijke Ordening in Gelderland van 13 september 2007. Om te bepalen in hoeverre de geur in Eerbeek tot hinder leidt is in 2015 een Telefonisch Leefbaarheidsonderzoek (TLO) uitgevoerd. Uit het TLO blijkt, dat er in Eerbeek sprake is van relevante geurhinder door de geur van de papier- en kartonindustrie. In onderstaande afbeelding is een kaart weergegeven van het onderzoeksgebied. Op de kaart zijn op basis van de gecumuleerde vergunde geurcontouren (vastgesteld door de Omgevingsdienst Veluwe IJssel) van de papierindustrie in Eerbeek (Folding Boxboard Eerbeek B.V. en DS Smith) 6 zones weergegeven met een oplopende vergunde geurbelasting. Deze zijn gecombineerd met de ruimtelijke ontwikkelingen die in het bestemmingsplan ‘Eerbeek’ mogelijk worden gemaakt.
34
Weergave van het onderzoeksgebied van het TLO. De globale ligging van het projectgebied is met een rode stip aangegeven (bron: Telefonisch Leefbaarheidsonderzoek).
Op basis van het TLO kan een indicatie gegeven worden waar het eventueel onder voorwaarden aanvaardbaar kan worden geacht om woningen toe te voegen in Eerbeek voor wat betreft geurbelasting: − Zone 6: meer dan 10% ernstige hinder. Geen nieuwe geurgevoelige objecten aanvaardbaar. Dit mede vanwege de beoordeling volgens 'GES-methodiek' (gezondheidseffectscreening) dat 10% ernstige hinder een 'onvoldoende' scoort. − Zones 4 en 5: minder dan 10% ernstige hinder, maar meer dan 12% hinder in totaal (hinder+ernstige hinder). Nieuwe geurgevoelige objecten zijn aanvaardbaar, mits gecompenseerd dan wel per saldo naar een zone met lagere geurbelasting verplaatst (vanuit een hoger belaste zone). − Zones 1, 2 en 3: hinderpercentage (hinder + ernstige hinder) van minder dan 12%. Aanvaardbaar om nieuwe geurgevoelige objecten toe te voegen.
35
In samenspraak met de provincie zijn op basis van de hinderzones die in het LTO naar voren zijn gekomen geurcontouren vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Eerbeek’. Gekozen is voor een indeling in twee milieuzones: − Milieuzone - geurzone 1 betreft de hiervoor genoemde TLO-zone 6. Hier is sprake van een zodanige mate van hinder en ernstige hinder, dat het toevoegen van woningen of daarmee vergelijkbaar geurgevoelige objecten moet worden voorkomen. Vervanging en vernieuwing van bestaande woonbebouwing blijft mogelijk. − Milieuzone - geurzone 2 betreft de hiervoor genoemde TLO-zones 4 en 5. Hier is enige bescherming tegen mogelijke geurhinder noodzakelijk. Met de juiste compenserende maatregelen is het mogelijk om nieuwe geurgevoelige objecten toe te voegen. Hierbij is gekozen voor het instrument van de omgevingsvergunning voor binnenplanse afwijking. Bij woningen waarbij de geurbelasting per saldo afneemt kan worden afgezien van compenserende maatregelen. Wel zal een voorwaardelijke bepaling gelden, dat een woning pas kan worden opgeleverd als zeker is gesteld dat een andere hoger belaste woning aan de woningvoorraad wordt onttrokken. 7.4.2
Motivering Het zuidelijke gedeelte van het projectgebied ligt binnen de aanduiding ‘milieuzone - geurzone 1’ van het bestemmingsplan ‘Eerbeek’. Binnen dit deel van het projectgebied worden geen geurgevoelige objecten gerealiseerd. Ook is hier geen bouwvlak aanwezig. De locatie waar de woningen worden toegevoegd ligt in de aanduiding ‘milieuzone - geurzone 2’. Dit betekent dat voor het toevoegen van woningen voorwaarden gelden. Het gaat om de volgende voorwaarden: − er compenserende maatregelen getroffen worden die bestaan uit het verplaatsen van geurgevoelige objecten uit de aanduiding 'milieuzone - geurzone 2' en buiten de aanduiding 'milieuzone - geurzone 1' of; − er technisch compenserende maatregelen ter beperking van geuroverlast worden getroffen aan het geurgevoelige object. In voorliggend project zijn de geurzones overgenomen en is aanvullend vastgelegd dat de benodigde technische maatregelen getroffen moeten worden. Hier wordt bij het verlenen van een vergunning voor de bouwactiviteit aan getoetst. Concreet betekent dit dat de woningen worden voorzien van een balansventilatie met een koolstoffilter. Hierdoor zijn er bij de bouw van de woningen voldoende compenserende maatregelen getroffen om geuroverlast te voorkomen.
7.4.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
36
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
7.5.2
Motivering In voorliggende situatie worden geen nieuwe functies en activiteiten mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Verder zijn er in de omgeving geen activiteiten aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Om die reden is een nadere beschouwing van dit aspect niet aan de orde.
7.5.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect trillingen.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. 37
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de wijzigingsbesluit is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 7.6.2
Motivering In voorgaande paragrafen met betrekking tot de diverse milieuaspecten is geconcludeerd dat in het projectgebied sprake is van een gezonde leefomgeving voor wat betreft gezondheidsbescherming. Dit is in een memo goed woon- en leefklimaat 4 nader beoordeeld. In de memo is een beoordeling aan de hand van de gezondheidseffectscore (GESscore) toegepast. Aan de hand van deze beoordeling kan worden gesproken van een matig (achtergevel) tot onvoldoende (voorgevel) woon- en leefklimaat. De onvoldoende is afkomstig van wegverkeerslawaai. De geluidmaatregelen welke zijn besproken in het akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai verminderen de geluidbelasting zodanig dat er sprake is van een algeheel matig woon- en leefklimaat. In ieder geval dienen er ten gevolge van het omgevingsgeluid gevelmaatregelen te worden getroffen om de binnenwaarde van 33 dB te behalen; hierdoor wordt een acceptabel binnenklimaat gegarandeerd. De woningen kunnen daarmee worden gerealiseerd in een gezonde leefomgeving.
7.6.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
7.7
Klimaatadaptatie
7.7.1
Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) 4
SAB (2024). Memo goed woon- en leefklimaat Eerbeek, Stuijvenburchstraat 147. Projectnummer 230244.01. 25 november 2024.
38
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris.
Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen.
Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid.
39
Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
− In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1 Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2 In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: b waterveiligheid; c wateroverlast; d droogte; en e hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. 7.7.2
Motivering In voorliggende situatie wordt een bestaand gebouw in het centrum van Eerbeek herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Als gevolg van deze transformatie
40
wordt geen (openbaar) groen toegevoegd danwel verwijderd. Wel worden de woningen aardgasloos ontwikkeld en er worden zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Daarnaast worden extra woningen toegevoegd in een reeds bebouwd gebied. Hierdoor hoeft geen gebruik gemaakt te worden van buitenstedelijke nog onbebouwde gronden. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met klimaatadaptie. 7.7.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect klimaatadaptatie.
41
8 Bescherming van de natuur 8.1
Algemeen
8.1.1
Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het projectgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.
Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
8.1.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied 42
plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
8.2
Toetsing Middels een quick flora en fauna 5 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het projectgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het projectgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het projectgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan volgt dat de Natura 2000-gebieden ‘Veluwe’, ‘Landgoederen Brummen’ en ‘Rijntakken’ op, respectievelijk, circa 1,2, 2,4 en 6,5 kilometer afstand van het projectgebied liggen. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie 6 uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er in de aanleg- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn dus geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het projectgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het project dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
Soortenbescherming In en rondom het projectgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het projectgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Omgevingswet, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke 5
6
Buiting Advies BV (2023). Quickscan flora en fauna Stuijvenburchstraat 147, Eerbeek. Projectnummer: 2023-221. Oktober 2023. SAB (2022). Onderzoek stikstofdepositie. Stuijvenburchstraat 147. Projectnummer: 230244. 4 december 2024.
43
ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het projectgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Op basis van deze quick scan is niet uit te sluiten dat huismussen gebruik maken van het gebouw als voortplantingsplaats. Daarom is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de huismus benodigd. Dit kan onder andere gedaan worden door het lichten van dakpannen, wat goed mogelijk is in een overzichtelijke situatie als deze. Pannen lichten mag enkel en alleen in de periode tussen 15 september en 1 maart, waarbij geen sprake mag zijn van vorst. Dit onderzoek is uitgevoerd onder begeleiding van een ecologische deskundige op het gebied van huismussen. Daarnaast is een oplegnotitie ‘toets aan actuele wet- en regelgeving’ 7 opgesteld om de validiteit van de onderzoeken onder de Omgevingswet aan te kunnen tonen.
Hierin wordt geconcludeerd dat door het feit dat het projectgebied in 2025 is onderzocht op de aanwezigheid van nestelende huismussen, alle juridische consequenties in het kader van soort- en gebiedsbescherming in beeld zijn gebracht. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit of -natuur aangevraagd te worden. Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Wel kan voor de kap van individuele bomen een kapvergunning noodzakelijk zijn in het kader van de gemeentelijke bomenverordening.
8.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect natuur.
7
Natuurbank Overijssel (2025). Oplegnotitie toets aan actuele wet- en regelgeving. Kenmerk: 7588A. Datum: 20-5-2025.
44
9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1
Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Aangezien er met voorliggend project geen werkzaamheden en ingrepen worden uitgevoerd die de bodem kunnen verstoren wordt er geen onderzoek nodig geacht naar de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. De ter plaatse geldende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelmatig’ wordt in voorliggende Bopa behouden, waarmee mogelijke archeologische waarden in het projectgebied beschermd blijven indien er in de toekomst wel werkzaamheden in het projectgebied onder het maaiveld worden uitgevoerd.
9.3
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
45
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: − ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; − verplaatsing van beschermde monumenten; − gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; − aantasting van de omgeving van een beschermend monument; − aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; − conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Uit raadpleging van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur kaart van de provincie Gelderland volgt dat er in en direct rondom het projectgebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Daarnaast is het projectgebied niet aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument zoals omschreven in de gemeentelijke Erfgoedverordening. Dit maakt dat eventuele aanwezige cultuurhistorische waarden in en rondom het projectebied niet worden aangetast.
9.4
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie.
46
10 M.e.r.-beoordeling 10.1
Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
10.2
Motivering Voorliggend project voorziet in de netto toevoeging van twee woningen door middel van de sloop- en nieuwbouw van de verdieping van een pand in het centrum van Eerbeek. De detailhandelsfunctie op de begane vloer blijft hierbij ongewijzigd. Met dit project vindt geen uitbreiding plaats van het areaal met stedelijke functies en zijn per saldo niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten. Gelet op de aard (wonen) en omvang (netto 2 woningen) van dit plan is er daarom geen sprake van een activiteit zoals genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit.
10.3
Conclusie Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
47
11 Economische uitvoerbaarheid 11.1
Algemeen In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
11.2
Kostenverhaal Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
11.3
Situatie projectgebied Het voorliggende project wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het project verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit project is hiermee voldoende aangetoond.
48
12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 12.1
Participatie en overlegpartners Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Het overleg met bestuursorganen kan beperkt blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze Bopa motivering zullen de binnengekomen reacties worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
49
13 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties 13.1
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? In voorliggende motivering is het project toegelicht om het bestaande pand aan de Stuijvenburchstraat 147 te Eerbeek te moderniseren. Hiertoe wordt de begane grond gerenoveerd en onder meer voorzien van een nieuwe entree. De verdieping wordt gesloopt en vervangen door twee verdiepingen. De bovenverdiepingen van het pand worden ingericht als wooneenheden. Op de eerste verdieping zullen twee woningen worden gerealiseerd. Op de tweede verdieping zal nog een derde woning worden gerealiseerd. Per saldo levert dit twee extra wooneenheden op. Met deze ontwikkeling wordt woonkwaliteit toegevoegd aan het centrum van Eerbeek. Op deze manier wordt er een passende en duurzame invulling gegeven aan een verouderd gebouw op een gunstige locatie. Uit uitgevoerde onderzoeken volgt dat voldaan kan worden aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Al met al wordt zowel vanuit beleidsmatig perspectief, maar ook vanuit een integrale afweging en beoordeling van alle aspecten behorende bij de fysieke leefomgeving, aangesloten bij het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
50
51