CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(085) Ruimtelijke onderbouwing

Besluitvormende raadsvergadering 23 april 2026, gemeente BrummenBij agendapunt: Buitenplanse omgevingsplanactiviteit Stuijvenburchstraat 14714.248 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

477940

Eerbeek, Stuijvenburchstraat 147 Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit Gemeente Brummen

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling

10 maart 2026, projectnummer 230244.01

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

6

7

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging van het projectgebied

5

1.3

Huidig planologisch regime

6

1.4

Leeswijzer

8

Huidige en gewenste situatie

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Het voornemen

10

2.3

Infrastructuur en openbare ruimte

11

Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden

13

3.1

Wettelijk kader

13

3.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

13

3.3

Landschappelijke en of stedenbouwkundige waarden

14

Beleidskader

15

4.1

Rijksbeleid

15

4.2

Provinciaal beleid

16

4.3

Gemeentelijk beleid

19

Omgevingsveiligheid

23

5.1

Algemeen

23

5.2

Situatie in en bij het projectgebied

24

5.3

Conclusie

24

Beschermen van de waterbelangen

25

6.1

Beleid Waterschap

25

6.2

Wateraspecten

26

6.3

Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied

27

6.4

Conclusie

27

Beschermen van de gezondheid en het milieu

28

7.1

Geluid

28

7.2

Bodemkwaliteit

31

7.3

Luchtkwaliteit

32

8

9

7.4

Geur

33

7.5

Trillinghinder

37

7.6

Gezondheid

37

7.7

Klimaatadaptatie

38

Bescherming van de natuur

42

8.1

Algemeen

42

8.2

Toetsing

43

8.3

Conclusie

44

Archeologie en cultuurhistorie

45

9.1

Wettelijk kader

45

9.2

Archeologie

45

9.3

Cultuurhistorie

45

9.4

Conclusie

46

10 M.e.r.-beoordeling

47

10.1

Algemeen

47

10.2

Motivering

47

10.3

Conclusie

47

11 Economische uitvoerbaarheid

48

11.1

Algemeen

48

11.2

Kostenverhaal

48

11.3

Situatie projectgebied

48

12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49

12.1

Participatie en overlegpartners

49

13 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties 13.1

50

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Bijlagen Bijlage 1: Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer, spoorverkeer en gezoneerde industrie Bijlage 2: Memo milieubelastende activiteiten Bijlage 3: Memo goed woon- en leefklimaat Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Oplegnotitie toets aan actuele wet- en regelgeving Bijlage 5: Onderzoek stikstofdepositie

4

50

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Aan de Stuijvenburchstraat 147 in de kern Eerbeek is een winkelpand gevestigd. De bovenverdieping van dit pand wordt gebruikt als woning. Het voornemen bestaat om de begane grond te blijven gebruiken als winkel en de bovenverdieping voor drie appartementen. Het gebruik als winkel past binnen het geldende bestemmingsplan ‘Eerbeek’ van de gemeente Brummen. De ontwikkeling past niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Daarom wordt van het omgevingsplan afgeweken door middel van een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de Bopa.

1.2

Ligging van het projectgebied Het projectgebied ligt aan de Stuijvenburchstraat in het centrumgebied van de kern Eerbeek in de gemeente Brummen in de provincie Gelderland. De Stuijvenburchstraat heeft een directe aansluiting op de N787. In de naastgelegen panden zijn op de begane grond veelal centrumfuncties aanwezig. Op de verdiepingen zijn hoofdzakelijk woningen aanwezig. Rondom de centrumfuncties zijn woningen en bedrijven gesitueerd. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het projectgebied weergegeven.

Globale ligging van het projectgebied in de kern Eerbeek (rode cirkel) (bron: pdok.nl).

5

Globale begrenzing van het projectgebied (rode contour) (bron: pdok.nl).

1.3

Huidig planologisch regime In het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege zijn de geldende bestemmingsplannen van de gemeente Brummen opgenomen. Voor voorliggend projectgebied is het bestemmingsplan ‘Eerbeek’ van de gemeente Brummen vigerend, welke door de gemeenteraad is vastgesteld op 3 september 2020. Binnen dit plan is aan de locatie de bestemming ‘Centrum - 1’ met de functieaanduiding ‘horeca’ toegekend. Door het paraplubestemmingsplan Archeologie, welke is vastgesteld op 15 oktober 2020, kent het gehele projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie middelhoge verwachting’. In de navolgende afbeelding is een uitsnede van het vigerend planologisch regime opgenomen.

6

Verbeelding vigerend juridisch-planologische situatie met projectgebied globaal rood omkaderd (bron: pdok.nl).

De op basis van het bestemmingsplan ‘Eerbeek’ als ‘Centrum-1’ bestemde gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis. Hierbij geldt dat woningen alleen zijn toegestaan op de verdiepingen en alleen het reeds aanwezige aantal woningen op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan is toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'horeca' is horeca in de categorieën 1, 2 en 4 toegestaan, waarbij alleen horeca in de categorie 1 en 2 is toegestaan op de begane grond. Tevens geldt ter plaatse van het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie middelhoge verwachting’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. Ten aanzien van het oprichten van bebouwing geldt ter plaatse van de middelhoge archeologische verwachting dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 en dieper dan 40 cm de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

Verder gelden op de locatie het bestemmingsplan ‘Mantelzorgwoning’, welke is vastgesteld op 15 oktober 2015 en het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ welke is vastgesteld op 19 oktober 2018. In het bestemmingsplan ‘Mantelzorgwoning’ zijn regels opgenomen om mantelzorgwoningen te kunnen faciliteren. In het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ is een nieuwe parkeerregeling vastgelegd.

7

Ter plaatse van het projectgebied gelden tevens de regels uit de bruidsschat, welke onderdeel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan. Het voorliggende plan maakt geen milieubelastende activiteiten mogelijk, waardoor er geen strijd ontstaat met de instructieregels uit het Bkl. De regels uit de bruidsschat voor bouwwerken, open erven en terreinen zijn wel van toepassing voor een woningbouwplan. Deze regels staan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet in de weg. De gemeente heeft geen lokale verordeningen die van belang zijn voor het projectgebied.

1.4

Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’. Hoofdstuk 10 gaat in op de m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 11 en hoofdstuk 12 bevatten de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie.

8

2 Huidige en gewenste situatie 2.1

Huidige situatie Het projectgebied betreft een pand bestaande uit twee lagen en een kap aan de Stuijvenburchstraat 147 in het centrum van Eerbeek. Het pand maakt onderdeel uit van de winkelstraat van Eerbeek. Via het Beekpad is de achterzijde van het perceel bereikbaar. Het pand is in de huidige situatie in gebruik als winkelpand. Op de eerste verdieping van het pand is een bovenwoning aanwezig. De bovenwoning is toegankelijk via een trappenhuis naast de entree van de woning.

Globale begrenzing projectgebied weergegeven met het rode kader (bron: pdok.nl).

Stuijvenburchstraat 147 met de huidige detailhandel op de begane grond (bron: Google streetview).

9

2.2

Het voornemen Het voornemen bestaat om het bestaande pand te moderniseren. Hiertoe wordt de begane grond gerenoveerd en onder meer voorzien van een nieuwe entree. De verdieping wordt gesloopt en vervangen door twee verdiepingen. Hiermee wordt qua aard en opzet aangesloten bij de ontwikkeling aan de Stuijvenburchstraat 143. In de toekomstige situatie blijft de begane grond van het pand aan de Stuijvenburchstraat 147 in gebruik ten behoeve van detailhandel. Dit gebruik past binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan ‘Eerbeek’.

Stedenbouwkundige impressie van de voorzijde van het projectgebied met daarbij de Stuijvenburchtstraat 147 aangegeven met een rode pijl (Bron: Architektenbureau Jansen Eerbeek).

De bovenverdiepingen van het pand worden ingericht als wooneenheden. Op de eerste verdieping zullen twee woningen worden gerealiseerd. Op de tweede verdieping zal nog een derde woning worden gerealiseerd. Per saldo levert dit twee extra wooneenheden op. Om dit mogelijk te maken zal de maximale goothoogte van 9 meter met circa één meter worden overschreden. De verdiepingen zullen toegankelijk zijn via een lift en een trappenhuis aan de achterzijde van het gebouw. Hierdoor zijn de woningen ook geschikt voor senioren of invalide bewoners. Het zal gaan om woningen in het betaalbare huursegment.

10

Stedenbouwkundige impressie van de achterzijde van het projectgebied in de toekomstige situatie (Bron: Architektenbureau Jansen Eerbeek).

2.3

Infrastructuur en openbare ruimte

2.3.1

Algemeen Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt onder andere ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het projectgebied.

2.3.2

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 1 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt.

1

CROW, publicatie 744, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen.

11

Binnen het projectgebied worden in totaal drie woningen gerealiseerd in het centrum van de kern Eerbeek. Ook zal één woning worden verwijderd. Worst-case is het verwijderen van één woning niet meegenomen in de berekening van de verkeersgeneratie. De kern Eerbeek kan worden gezien als weinig stedelijk/centrum in de zin van de CROW-publicatie. De woningen die worden toegevoegd worden geclassificeerd als huurappartementen, vrije sector >100m2. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie doorgerekend op basis van de kencijfers die het CROW aan dit woningtype heeft toegekend.

Appartementen

Kencijfer

Aantal woningen

Verkeersgeneratie

5,5

3

16,5

Overzicht verkeersgeneratie op basis van CROW-publicatie 744 De toename van het aantal verkeersbewegingen is zeer gering. De verwachting is daarom dat deze zonder problemen op kunnen gaan in het heersende verkeersbeeld. Parkeren Op het projectgebied zijn de parkeerregels uit het bestemmingsplan ‘Eerbeek’ van toepassing. Hierin zijn de parkeernormen voor de gemeente Brummen opgenomen. Voor het projectgebied is het gebied ‘Centrum’ en de functie ‘Woning, goedkoop’ aangehouden. In onderstaande tabel is op basis van deze normen de totale parkeerbehoefte in de toekomstige situatie berekend. Functie:

Kencijfer

Aantal woningen

Parkeerbehoefte

Huur /etage / mid-

1,2

3

3,6

den/goedkoop Overzicht parkeerbehoefte op basis van de Parkeernota 2007 van de gemeente Brummen De toegenomen parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgevangen. Aan de achterzijde van het projectgebied zijn parkeermogelijkheden aanwezig ten behoeve van het huidige gebruik van het pand. Er zal middels een parkeerbrugconstructie voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd worden. 2.3.3

Overige aspecten (fiets- en wandelroutes, nutsvoorzieningen, toegankelijkheid openbare ruimte etc.) Met voorliggend initiatief wordt geen nieuw beslag gelegd op de (openbare) ruimte. De huidige structuren blijven behouden en de beoogde woningen zullen net als de huidige woning ter plaatse aansluiten op de openbare ruimte.

2.3.4

Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en het bieden van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan de kaders voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 12

3 Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden 3.1

Wettelijk kader In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over: − Kustbescherming; − Waddenzee en Waddengebied; − Cultureel erfgoed en werelderfgoed; − Landelijke fiets- en wandelroutes; − Ladder voor duurzame verstedelijking. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.

3.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1

Algemeen De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de Ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: − de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; − bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de Ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’.

13

Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.2.2

Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van netto twee extra woningen in het centrum van Eerbeek. In lijn met jurisprudentie is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet voor dit project te worden doorlopen. Uit onder meer de toets aan het gemeentelijk woonbeleid volgt dat de behoefte van de ontwikkeling niet ter discussie staat.

3.3

Landschappelijke en of stedenbouwkundige waarden Het voornemen sluit aan bij landschappelijke en stedenbouwkundige waarden ter plaatse van het projectgebied en de directe omgeving. Zo wordt qua aard en schaal aansluiting gezocht bij de bestaande bebouwing in de omgeving en wordt veel groen in het projectgebied gerealiseerd. Verder zijn er geen landschappelijke of stedenbouwkundige waarden van Rijksbelang, zoals werelderfgoed, in of direct rondom projectgebied aanwezig.

14

4 Beleidskader 4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 Duurzaam economisch groeipotentieel; 3 Sterke en gezonde steden en regio’s; 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1 Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.

Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3 Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Motivering Gelet op het feit dat er met voorliggend project wordt voorzien in het toevoegen van twee duurzame en toekomstbestendige woningen, die passen binnen de ambities van de gemeente en waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het projecttgebied centraal staan, is dit project in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.

15

4.1.2

Instructieregels Rijk (Amvb’s) Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. In het besluit staan: − instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten: het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed, maar ook inhoudelijke randvoorwaarden voor de programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterprogramma’s, de actieplannen geluid en de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. − omgevingswaarden: het Bkl bevat o.a. omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. − regels voor omgevingsvergunningen: dit betreft de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning.

− monitoring en informatie: dit gaat over de regels over monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens, kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving. Motivering In voorliggende situatie raakt dit project geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist. In navolgende hoofdstukken wordt nader stilgestaan bij de verder relevante instructieregels voor voorliggende ontwikkeling.

4.1.3

Conclusie Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de beleidsambities en -doelstellingen en de ter plaatse geldende regels vanuit de Rijksoverheid.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en

16

overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − energietransitie: van fossiel naar duurzaam; − klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer; − circulaire economie: sluiten van kringlopen; − biodiversiteit: werken met de natuur; − bereikbaarheid: duurzaam verbonden; − vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio; − woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. Motivering Met betrekking tot de woon- en leefomgeving streeft de provincie naar duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Hierbij sluit het aanbod aan woningtypen en woonmilieus aan bij de diversiteit van de woningvraag. Dit betekent voor iedereen een duurzame passende woning, waarbij de bestaande bebouwde omgeving optimaal wordt benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen.

Daarnaast wordt alle nieuwbouw aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. Het voorliggende project voorziet in de realisatie van 3 woningen op de eerste en tweede verdieping van een bestaand bouwwerk in het centrum van Eerbeek. De woningen worden volgens de nieuwste BENG-normen gerealiseerd. Op deze manier wordt de locatie op een gedegen manier voorzien van een duurzame en toekomstbestendige nieuwe invulling. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met het gegeven uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 4.2.2

Omgevingsverordening Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels 17

die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Beleidsregels geur bedrijven Het projectgebied ligt binnen de geurcontour van papierfabrieken die ten zuiden van het projectgebied gelegen zijn. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen geurcontouren raken het provinciale belang, dat mede gericht is op het in stand houden van voldoende milieugebruiksruimte voor de inrichtingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Vanuit dit belang heeft de provincie aangegeven dat binnen aangegeven vergunde contouren van 1,5 OU/m3 in beginsel geen woningen en vergelijkbaar geurgevoelige bestemmingen mogen worden toegevoegd. Het provinciale geurbeleid is in het bestemmingsplan ‘Eerbeek’ vertaald en zijn mogelijkheden opgenomen om toch nieuwe woningen toe te voegen. In paragraaf 7.4 wordt nader op het geurbeleid van de provincie Gelderland ingegaan. Motivering Voor voorliggende ontwikkeling is een aantal aspecten uit de provinciale omgevingsverordening relevant. Deze worden navolgend toegelicht. Beschermen van landschap De provincie wil de landschappelijke waarden binnen de provincie behouden, beschermen en in stand houden.

Daarom moet volgens artikel 5.33 bij iedere ontwikkeling rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. In voorliggende situatie maakt het projectgebied onderdeel uit van de Gelderse streek IJsselvallei. Gelet op de stedelijke setting van het projectgebied zijn veel van de landschappelijke kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen niet direct te herleiden en van toepassing op deze situatie. Met deze ontwikkeling wordt immers een nieuwe invulling gegeven aan een stedelijke locatie in Eerbeek, waardoor voor deze ontwikkeling geen aanspraak hoeft te worden gemaakt op gronden waar de landschappelijke kwaliteiten en waarden nog sterk vertegenwoordigd zijn. Op die manier wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de kenmerkende kwaliteiten die de locatie heeft binnen de streek. Wonen In artikel 5.64 van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgelegd dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als deze passen binnen de regionale woonagenda. Voor de gemeente Brummen blijkt uit de regionale woonagenda dat aan het einde van 2022 nog ongeveer 1.058 woningen benodigd zijn om aan de regionale opgave tot 2030 te kunnen voldoen. Geacht wordt dat nog voldoende woningen benodigd zijn en dat de netto toevoeging van twee woningen bijdraagt aan het behalen van deze opgave.

18

Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In de beschrijving worden in ieder geval de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte betrokken. Daarnaast moet de opgestelde beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap. Het aspect klimaatadaptatie wordt nader besproken in paragraaf 7.7. 4.2.3

Conclusie Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de provinciale beleidsambities en -doelstellingen en ter plaatse geldende regels.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ Op 25 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Brummen de Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ vastgesteld. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn in drie thema’s onderverdeeld: − Ruimte voor papier en landgoederen: Papier en landgoederen zijn de kernwaarden die de gemeente Brummen uniek maken. Deze kernwaarden krijgen alle ruimte. Niet alleen fysiek en bedrijfsmatig, maar op zoveel mogelijk terreinen worden deze kernwaarden binnen de gemeente versterkt. Bijvoorbeeld in de recreatiesector, maar ook in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Eerbeek is een papierdorp en dat wil de gemeente meer laten zien, lokaal en regionaal, maar ook nationaal en internationaal. Daarnaast worden cultuurhistorie, creativiteit en kunst in de gemeente gestimuleerd en gekoesterd. Om de recreatieve potentie van Brummen verder uit te bouwen wordt het netwerk voor de wandelaar, fietser en ruiter verbeterd. − Samen gezond wonen, werken en leven: De gemeente Brummen wil een aantrekkelijke gemeente zijn voor zowel jong en oud als voor bestaande en nieuwe inwoners. Daarbij hoort een gemeente waar men prettig kan wonen en werken.

Het kleinschalige dorpsleven waar rust en vriendelijkheid heersen en sprake is van een sterke sociale samenhang, zijn daarbij van belang. De identiteit, die wordt gekoesterd, moet worden behouden en versterkt. − Op groene voet met groene vingers: Er wordt ingezet op een groen en klimaatneutraal Brummen, waarbij zelf wordt voorzien in de energie, energiesystemen slim worden gekoppeld, hemelwater wordt geborgen en gebruikt en de biodiversiteit wordt versterkt. De natuur en het landschap zijn kernwaarden van de identiteit van de gemeente Brummen. Ze vormen de historische basis en maken deel uit van het woongenot, vormen de trekker voor recreanten en toeristen en staan aan de basis van de ontwikkeling van de papierindustrie en de landgoederen. Het landschap en de natuur moeten daarom behouden blijven. Maar ook hier geldt dat er geen stolp op het

19

buitengebied moet worden gezet. Er wordt vernieuwd met respect voor dat wat er is. Motivering De toekomstvisie zet in op het zijn en blijven van een aantrekkelijke gemeente voor zowel jong en oud. Daarbij dient veel aandacht uit te gaan naar de kleinschaligheid van het dorpse leven en de sterke sociale omvang. Voorliggende ontwikkeling voorziet in een kwaliteitsimpuls in de kern van Eerbeek. In het project krijgt een bestaand (winkel)pand een kwaliteitsimpuls. Hierbij wordt de bestaande woning op de verdieping vervangen door in totaal drie woningen. Hierbij wordt ook aandacht besteedt aan levensloopbestendigheid. De woningen zijn namelijk alleen bereikbaar via een lift. Daarmee wordt er een toekomstgerichte, duurzame ontwikkeling gerealiseerd die inspeelt op de beschikbaarheid van levensloopbestendige woningen nabij voorzieningen. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij de ambities van de toekomstvisie. 4.3.2

Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ De gemeenteraad van de gemeente Brummen heeft op 28 september 2006 de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente Brummen er 25 jaar later uit zou moeten zien. De ruimtelijke ontwikkelingsvisie omvat een lange termijnvisie (Strategische visie tot 2030) en de korte termijnvisie (periode 2005 tot 2015). Samen vormen ze de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op Groen'. In de strategische visie tot 2030 zet men in op synergie met de omliggende gemeenten. Dit kan volgens de gemeente het beste bereikt worden door aan te sluiten op de onderscheidende kwaliteiten. Dé identiteitsdrager van de gemeente Brummen is de groene kwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook ingezet te worden op de versterking van de groene kwaliteiten. Motivering Op het gebied van wonen bevat de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ geen concrete beleidskaders of ambities. Wel wordt aangegeven dat de gemeente Brummen voor iedereen inzet op het waarmaken van een goed leven, waarbij inwoners een duurzame omgeving hebben die betekenisvol is. Daarbij vormen Eerbeek en Brummen de hoofdkernen voor de voorzieningen in de gemeente. In deze kernen moeten voldoende voorzieningen voor de inwoners aanwezig zijn.

Omdat in voorliggende situatie een kwaliteitsimpuls wordt gegeven aan het centrum van Eerbeek past de ontwikkeling binnen de kaders en doelstellingen van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie.

4.3.1

Visie Centrum Eerbeek en Eerbeekse Beek Op 25 november 2021 heeft de gemeenteraad besloten om deel 1 van de visie, de structuurvisie, vast te stellen. Met uitzondering van paragraaf 2.3. ‘Ruimte voor wonen’ en de doorwerking hiervan op de structuurkaarten. De mogelijkheden voor planologisch nieuwe woningen in en om het centrum worden onderzocht samen met de provincie en de papierindustrie en wordt mede bepaald door de milieuaspecten 20

die samenhangen met de papierindustrie. In de structuurvisie worden de vitaliteit van het centrum van Eerbeek en het prominent in beeld brengen van de Eerbeekse beek vanaf de Veluwe tot in het centrum als hoofddoelen gesteld. Voor het centrum bestaat de ambitie om deze meer compact en vitaal te maken. De Stuijvenburchstraat speelt hierin een prominente rol. Als belangrijke ontwikkelingen worden de veranderingen in de retailsector en de wens om in en om het centrum van Eerbeek te wonen genoemd. In de structuurvisie wordt één oplossingsrichting voor deze vraagstukken geboden. Toetsing Voorliggend project sluit aan bij de ambitie uit de visie om het centrum van Eerbeek vitaal te houden. Ook wordt invulling gegeven aan de vraag naar geschikte woningen in en om het centrum van Eerbeek. Een deel van de woningen is bereikbaar met een lift, waardoor deze een levensloopbestendig karakter hebben. Al met al sluit voorliggende ontwikkeling aan bij het gestelde in de visie. 4.3.2

Woonagenda 2019-2023 gemeente Brummen In de woonagenda van de gemeente Brummen wordt de koers voor het woonbeleid uitgezet. De Woonagenda geeft de ambitie aan en vormt de wettelijke basis voor de Prestatieafspraken met de corporatie en de gemeentelijke ‘toezichtstaken’. Verder is de woonagenda het kader voor de woningbouwprogrammering. De gemeente Brummen verwacht nog 700 woningen toe te voegen tot 2027. Het doel van de woonagenda is om iedereen prettig te laten wonen in de gemeente Brummen en om woonwensen -behoeften van inwoners zoveel mogelijk te realiseren binnen de gemeente. De woonagenda verwacht een bijdrage te kunnen leveren aan de volgende opgaven: − Betaalbaarheid en beschikbaarheid; − Wonen, zorg en welzijn, in combinatie met vergrijzing; − Duurzaamheid, met focus op de bestaande woningvoorraad; − Leefbaarheid. Motivering De woningen worden gerealiseerd in het centrum van de kern Eerbeek en voorzien van een lift. De ontwikkeling betreft drie woningen in de vorm een drie appartementen. De appartementen zijn geschikt voor oudere bewoners omdat ze toegankelijk zijn via een lift en in de nabijheid liggen van de voorzieningen in het centrum van de kern Eerbeek. De woningen zijn beoogd in het betaalbare huursegment.

Daarmee wordt er een toekomstgerichte, duurzame ontwikkeling gerealiseerd die inspeelt op de beschikbaarheid van betaalbare, levensloopbestendige woningen in de gemeente Brummen..

4.3.3

Beleidskader Duurzaam Ontwikkelen (concept) De gemeente Brummen is een groene gemeente. De gemeente wil 1.250 woningen tot en met 2030 bouwen. Op dit moment verandert het klimaat. Dit maakt het nodig om woningen duurzaam te bouwen en gebieden duurzaam te ontwikkelen. Om de 21

doelen van duurzaamheidsthema’s te bepalen is het beleidskader duurzaam ontwikkelen opgesteld. De afgesproken doelen van dit beleid voor duurzame gebiedsontwikkeling is een afweging tussen duurzaamheid, haalbaarheid en betaalbaarheid. Dit geldt voor de gemeente, ontwikkelaar en ook de woningbouwstichting. In dit beleidskader staan vijf thema’s: energie en binnenklimaat, klimaatadaptatie, groen en ecologie, circulariteit en mobiliteit. Ook staan in dit beleidskader de drie ambitieniveaus die de gemeente gebruikt. Deze zijn: moeten, kunnen en willen. Voor elk thema gelden de drie ambitieniveaus: −

niveau één is moeten. Dit is de verplichte basis waarop de gemeente minimaal toetst;

−

niveau twee is kunnen. Dit bepaalt wat er bovenop de wettelijke basis in de markt al kan. Dit noemen we de ‘need-to-haves’;

−

niveau drie is willen. Dit noemen we ‘nice-to-haves’. Dat zijn zaken die technisch misschien wel kunnen, maar echt extra moeite vragen.

Motivering Voorliggende ontwikkeling voldoet in ieder geval aan niveau 1 voor alle duurzaamheidsthema’s. Verder wordt met de ontwikkeling geen beslag gelegd op groene, onverharde ruimte, waardoor geen bestaande groene kwaliteiten verloren gaan. Ook wordt gezorgd voor een sluitende waterbalans, omdat het verhard oppervlak als gevolg van de ontwikkeling niet zal toenemen. Geacht wordt dat met voorliggend project voldoende rekening is gehouden met de thema’s uit het beleidskader duurzaam ontwikkelen. 4.3.4

Conclusie Onderhavig project is in lijn met het gemeentelijk beleid.

22

5 Omgevingsveiligheid 5.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden.

Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het

23

planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

5.2

Situatie in en bij het projectgebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden er met dit project nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Raadpleging van de digitale risicokaart van Atlas Leefomgeving laat zien dat in de omgeving enkele buisleidingen aanwezig zijn. Voorliggend projectgebied ligt echter buiten het invloedsgebied van deze buisleiding. Op circa 1,7 kilometer afstand van het projectgebied bevindt zich het bedrijf Veco, waarvoor in de AtlasLeefomgeving een placeholder voor het gifwolkaandachtsgebied is opgenomen. Voorliggend projectgebied ligt echter ruim buiten deze placeholder. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het project hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect omgevingsveiligheid.

Risicobronnen in de omgeving van het projectgebied (globaal blauwe ster) (Bron: Atlasleefomgeving.nl).

5.3

Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.

24

6 Beschermen van de waterbelangen Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

6.1

Beleid Waterschap Waterschapsbeleid – Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit project is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen.

Het Programma Water en Riolering 2023-2027 De riolen die nu aangelegd worden blijven nog tientallen jaren liggen, daarom moeten nu goede keuzes gemaakt worden. Daarom wordt gehandeld vanuit onderstaand toekomstperspectief op de waterketen, stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Waterketen De zorg voor de waterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid beschermd blijft en schade aan het milieu wordt voorkomen. Hiervoor bestaat reeds een omvangrijk stelsel aan riolering, dat goed beheerd wordt. Waar nodig worden nieuwe voorzieningen aangelegd.

25

Stedelijk afvalwater Om te voorkomen dat meer afvalwater ontstaat, wordt afvalwater zoveel mogelijk gescheiden van schoon water. Hiervoor wordt de trits ‘schoonhouden-scheiden-zuiveren’ gevolgd. Het waterschap haalt bij de zuiveringsinstallatie(s) steeds meer reststoffen uit het (afval)water om deze opnieuw te gebruiken als grondstof. Ook wint het waterschap energie terug uit het afvalwater. Met de huidige riolering en het uitvoeringsbeleid wordt bijgedragen aan het goed functioneren van de zuiveringsinstallatie. Hemelwater Gemeente, waterschap en perceeleigenaar hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor het hemelwater. Bij de verwerking van hemelwater wordt de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ gevolgd. Het heeft de voorkeur om water vast te houden in het gebied waar het is gevallen, en daar te infiltreren naar het grondwater. Daar waar dit niet kan, wordt regenwater bij voorkeur in waterpartijen of bovengronds geborgen. Bij de aanleg van verhard oppervlak wordt rekening gehouden met het uitgangspunt dat ook extreme buien moeten kunnen worden opgevangen; Daarom wordt uitgegaan van een robuuste aanleg, zodat niet over enkele jaren geconstateerd wordt dit onvoldoende is. Grondwater Het doel is om grondwater zoveel mogelijk op een natuurlijke manier te laten functioneren. Het grondwatermeetnet in de gemeente Brummen geeft inzicht in de grondwaterstanden.

Er wordt ingezet op het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van een te hoge of te lage grondwaterstand voor de bebouwing in de gemeente. De risicogebieden zijn hiervoor in beeld gebracht en maatregelen worden genomen waar deze doelmatig zijn. Veelal betekent dit dat pas maatregelen genomen worden als er ook andere maatregelen in de openbare ruimte plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld bij vervanging van de riolering en aanleg van regenwaterriolen. Naast grondwateroverlast krijgt de gemeente ook steeds meer te maken met de gevolgen van verdroging en lage grondwaterstanden. Voor onder andere droogtebestrijding dient bij alle omgevingsvergunningsplichtige activiteiten, ook in het buitengebied, water vastgehouden en geïnfiltreerd te worden.

6.2

Wateraspecten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze

26

waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.3

Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied Voorliggend project voorziet in het vervangen van de verdiepingen ter behoeve van de realisatie van enkele woningen. Het projectgebied is en blijft vrijwel volledig verhard. Het voornemen heeft naar verwachting geen gevolgen voor de waterhuishouding. De woningen kunnen worden aangesloten op de bestaande riolering. Hier is voldoende capaciteit voor. De verhardingssituatie in het projectgebied verandert niet. De ontwikkeling raakt daardoor geen belangen van het waterschapsbeleid.

6.4

Conclusie Het besluit voldoet aan de kades voor het aspect water.

27

7 Beschermen van de gezondheid en het milieu 7.1

Geluid

7.1.1

Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Grenswaarde in Lden (dB)

Geluidbronsoorten

Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Standaardwaarde in Lden (dB)

Nieuwe geluidgevoelige gebouwen

aanpassing bron

50

60

65

53

70

70

55

65

70

50

55

60

40 Lnight

45 Lnight

50 Lnight

Aanleg of

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd

28

gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. 7.1.2

Motivering Met voorliggend project is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen de onderzoekszone van verschillende (spoor)wegen en een gezoneerd industrieterrein. Daarom is een akoestisch onderzoek geluid wegverkeer, spoorverkeer en gezoneerde industrie 2 uitgevoerd. Geluid door (spoor)wegen In het akoestisch onderzoek zijn de Stuijvenburchstraat, Coldenhovenseweg, Illinckstraat en Smeestraat onderzocht. Wat betreft de spoorlijn Apeldoorn-Dieren geldt dat het beperkte treinverkeer er toe leidt dat het niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder en deze spoorlijn niet verder is onderzocht. Uit het onderzoek volgt dat uitsluitend als gevolg van de Stuijvenburchstraat de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB Lden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 58 dB Lden en vindt plaats op de noordgevels van de (beoogde) appartementen op de eerste verdieping. De grenswaarde wordt niet overschreden. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van landschappelijke, civieltechnische en stedenbouwkundige aard. Maatregelen aan de gevel zoals balkons met scherm, serres, vliesgevels of loggia’s kunnen de geluidbelastingen wel nog verder verlagen. Omdat het een inbreidingslocatie betreft is deze geluidbelasting acceptabel zolang de binnenwaarde van 33 dB kan worden gewaarborgd.

2

SAB (2024). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer, spoorverkeer, gezoneerde industrie Eerbeek, Stuijvenburchstraat 147. Projectnummer 230244.01. 4 december 2024.

29

Gezoneerd industrieterrein Als gevolg van het nabijgelegen gezoneerde industrieterrein wordt de norm van 50 dB(A) voor het etmaal vanuit de (hier nog geldende) Wgh overschreden. De grenswaarde wordt niet overschreden. De hoogste overschrijding bedraagt 51 dB(A) en vindt plaats op de zuidgevel op de tweede verdieping. Voor alle woningen zijn echter ook gevelgeluidbelastingen waarneembaar die de norm van 50 dB(A) niet overschrijden, en omdat maximaal is getoetst op enige afstand van de voorgenomen gevel is het mogelijk dat in werkelijkheid geen hinder wordt ervaren. Bron- en overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren. Deze geluidbelasting is acceptabel zolang de binnenwaarde van 33 dB wordt gewaarborgd. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Voor onderhavig plan is voor het gehele gebouw een hoogste gecumuleerde alsmede gezamenlijke geluidbelasting waarneembaar van 58 dB Lden,. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt gehaald voor de nieuwe woningen. De gecumuleerde en gezamenlijke waarden per woning staan in de onderstaande tabel aangegeven.

Hierbij is reeds rekening gehouden met het geplande afgeschermde balkon op de tweede verdieping en 10 dB demping door gebouwen van het industrielawaai aan de noordgevel.

Woning verdieping 1 west verdieping 1 oost verdieping 2

Kenmerk

Hoogste gecumuleerde ge-

Hoogste gezamenlijke

toetspunt

luidsbelastingen in dB Lden

geluidsbelastingen in dB Lden

1.1

58

57

1.2

58

58

1.15 1.11

54 52

51 52

Vast te leggen gezamenlijk geluid in het omgevingsplan (bron: SAB). De overschrijdingen van de standaardwaarde door wegverkeer en van de normen vanuit de Wgh door het gezoneerde industrieterrein kunnen niet geheel worden voorkomen met behulp van maatregelen. Een hoogste gezamenlijke waarde van 58 dB Lden voor het gehele gebouw moet worden toegestaan in het omgevingsplan. Daarnaast is een aanvraag hogere grenswaarde van 51 dB(A) voor het gezoneerde industrieterrein benodigd. Voor beide moet de binnenwaarde van 33 dB met een bouwakoestisch onderzoek gewaarborgd worden. Geluid door activiteiten In de omgeving van het projectgebied zijn meerdere activiteiten toegestaan die mogelijk hinder veroorzaken op de beoogde woningen. Daarom is een memo milieubelastende activiteiten 3 opgesteld. Uit een inventarisatie van omliggende

3

SAB (2024). Memo milieubelastende activiteiten Stuijvenburchstraat 147 te Eerbeek. 230244.01. 21 november 2024.

30

percelen met hinderveroorzakende functies volgt dat voldaan kan worden aan de principes van deze bijlage van de VNG-publicatie waardoor deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd ten gevolge van de functies in de directe omgeving. Op grotere afstand zijn daarnaast bedrijventerreinen gelegen. De planlocatie valt binnen de ‘geluidzone – industrie’ van een van deze bedrijventerreinen (C); een akoestisch onderzoek dient mogelijk bestaande nadelige akoestische milieueffecten uit te sluiten. Voor de andere milieuaspecten alsmede alle milieueffecten van de andere bedrijventerrein in de omgeving zijn nadelige milieueffecten uitgesloten en kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. 7.1.3

Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.

7.2

Bodemkwaliteit

7.2.1

Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; − beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; − evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; − duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: − Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. 31

− Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. − Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. − Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 7.2.2

Motivering Voorliggend project voorziet in de netto toevoeging van twee woningen door middel van de sloop- en nieuwbouw van de verdieping van een pand in het centrum van Eerbeek. De detailhandelsfunctie op de begane vloer blijft hierbij ongewijzigd. Er bestaat daarom geen aanleiding voor aanvullend bodemonderzoek, omdat reeds is aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie wonen en verder geen significante bodemingrepen zijn voorzien.

7.2.3

Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect bodemkwaliteit.

7.3

Luchtkwaliteit

7.3.1

Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: − er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; − het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; − het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16778480/2