(082) Planmotivering
Tekst van het document
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 7.2.2
Situatie plangebied
Door De Klinker Milieu Adviesbureau is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het rapport staat in Bijlage 3. Hieronder staan de conclusies uit het rapport. Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: de bodem op de locatie bevat in de resten baksteen. Tevens is in de bodem van een deel van het terrein puingranulaat aangetroffen; de bovengrond is plaatselijk een verhoogd gehalte PAK (10 van VROM) aangetroffen. In bovengrond 27
over de gehele locatie wordt geclassificeerd als landbouw/natuur; in het ondergrondmengmonster MMOG1 is een verhoogd gehalte aan kobalt, PAK (10 van VROM), nikkel en minerale olie gemeten. De grond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse industrie; de overige ondergrondmengmonsters worden geclassificeerd als bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur; in de bodem ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank is een verhoogd gehalte minerale olie aangetroffen. De bodem wordt geclassificeerd als bodemkwaliteitsklasse industrie; in de puinlaag onder de verharding is geen asbest aangetroffen; in het puinpad is een licht verhoogd gehalte asbest aangetoond. De concentratie asbest ligt ruim onder de ½ interventiewaarde (waarde voor nader onderzoek). Het terrein is naar het inzien van De Klinker Milieu Adviesbureau op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. 7.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.
Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 7.3.2
Situatie plangebied
Om te beoordelen of het voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. De NIBM-tool gaat uit van de toename in verkeersbewegingen als gevolg van een ontwikkeling. Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2. Voor het vrachtverkeer is daarnaast uitgegaan van een toename van 5% (worst-case).
28
Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBM-tool weer.
Afbeelding 7.2: Berekening bijdrage luchtkwaliteit (Bron: NIBM-tool) Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging. 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. 29
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden 7.4.2
Situatie plangebied
Veehouderijen Voor diersoorten waarvoor geen emisiefactor is vastgesteld geldt vanuit de bruidsschat een vaste afstandsnorm van 50 meter. In paragraaf 7.1.2.3 is een tabel opgenomen met de meest nabijgelegen milieubelastende functies. Hiervan zijn twee agrarische bedrijven die rundvee houden. De afstand tussen deze bedrijven en het plangebied is ruim meer dan 50 meter. Bij het agrarisch bedrijf aan de Vosstraat 27 wordt rundvee gehouden. De afstand tussen het bedrijf en het plangebied is circa 460 meter. Hiermee wordt dus ruim voldaan aan de benodigde minimale afstand. Voor het agrarisch bedrijf aan de Vosstraat 24 geldt dat deze ook diersoorten houdt die geen vastgestelde emissiefactor hebben. Dit plan voegt echter geen nieuwe geurgevoelige objecten toe: de woningen in het plangebied zijn ook onder het huidige planologisch regime geurgevoelige objecten. De vaststelling van dit plan levert dan ook geen extra beperkingen op voor het agrarisch bedrijf aan de Vosstraat 24. Daarnaast kan gelet op de afstand tot het plangebied (ca. 550 meter) gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tot slot geldt voor het bedrijf op het erf van de Vosstraat 23 dat geen sprake is van het houden van dieren. Mestopslag Op het erf van de Vosstraat 23 zijn kuilvoerplaten aanwezig ten behoeve van het opslaan van mest van paarden.
De capaciteit bedraagt meer dan 3 m3. Conform artikel 5.120 Bkl moet de opslag oop miniimaal 50 meter liggen van een geurgevoelig gebouw (buiten bebouwingscontour). De dichtstbijzijnde woning (Vosstraat 23a) ligt op 52 meter van de kuilvoerplaten, zie onderstaande afbeelding.
30
Afbeelding 7.3: Afstand kuilvoerplaten en woning Vosstraat 23a (Bron: PDOK, bewerkt)
In de regels is een bepaling opgenomen dat de mestopslag op minimaal 50 meter van woningen moet plaatsvinden (niet zijnde de dienstwoning Vosstraat 23). Ten aanzien van geur vormt dit dus geen belemmering voor vaststelling van voorliggende wijziging van het omgevingsplan. 7.4.3
Conclusie
In de regels is een bepaling opgenomen dat de mestopslag op minimaal 50 meter van woningen moet plaatsvinden (niet zijnde de dienstwoning Vosstraat 23). Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.5
Trillingshinder
7.5.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 31
7.5.2
Situatie plangebied
Het plangebied ligt op ongeveer 2,3 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Van trillingshinder is dan ook geen sprake. 7.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd.
Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 7.6.2
Spuitzonering
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000). De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek
32
onderzoek. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. 7.6.3
Situatie plangebied
Algemeen In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Ook draagt het voornemen 'niet in betekenende mate' bij aan luchtverontreiniging. De chiropractiepraktijk voor paarden en honden draagt bij aan de gezondheid van dieren. Hoewel gezondheid van dieren niet in de Omgevingswet is opgenomen wordt gesteld dat de beoogde situatie wenselijk is vanuit het oogpunt van gezondheid. Spuitzonering De agrarische gronden in het plangebied worden niet gebruikt voor het verbouwen van gewassen. In de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan is een aanduiding opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitsluit (zie ook paragraaf 13.3). Op perceel sectie N nummer 269 wordt gras verbouwd en op perceel sectie N nummer 367 wordt gras en maïs verbouwd. Bij het verbouwen van gras is sprake van weinig driftrisico, omdat laag bij de grond wordt gespoten. Dit geldt ook voor maïs, omdat alleen bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt in de periode (circa 8 weken) tussen zaaien en volledige grondbedekking. Hierbij is dus ook weinig driftrisico. Verder wordt opgemerkt dat ook niet-chemische bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn en dat ook kan worden gewerkt met mechanische onkruidbestrijding.
Voor zover relevant is geen sprake van uitbreiding van de (voormalig) agrarische bedrijfswoningen en bijbehorende tuinen. 7.6.4
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.7
Duurzaamheid
7.7.1
Algemeen
Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart. 7.7.2
Situatie plangebied
Zoals eerder beschreven zorgt het voornemen niet voor bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte. Het voornemen doet dan ook geen afbreuk aan het aspect duurzaamheid. 7.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
33
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 8.1.2
Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking. 8.1.3
Situatie plangebied
Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op circa 5 meter afstand van het Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen'. Gemeten vanaf het erf bedraagt deze afstand circa 70 meter. Tussen het erf en het Natura 2000-gebied ligt een weiland. Mogelijke directe effecten op het Natura 2000-gebied bestaan uit geluidhinder en lichthinder. Een indirect effect is de depositie van stikstof als gevolg van het voornemen. De beoogde functies van het erf zijn wonen en bedrijf. Voor zover het wonen betreft kan worden gesteld dat er geen sprake is van directe effecten met significante negatieve impact op het Natura 2000-gebied. De chiropractie voor dieren zorgt voor enige verkeersbewegingen. De auto's staan geparkeerd op ongeveer 120 meter afstand tot het Natura 2000-gebied. Daarnaast is er een bomenrij/houtsingel aanwezig op het erf. Lichtuitstraling van koplampen op het Natura 2000-gebied wordt hierdoor beperkt 34
en geluid van de motor en dichtslaan van portieren enigszins gedempt. Overigens vinden de bedrijfsactiviteiten alleen overdag plaats. 's Avonds en 's nachts leidt het bedrijf tot geen enkele directe effecten. Gesteld wordt dat de directe effecten overdag geen significante negatieve gevolgen hebben. De paardrijbak kan ook directe invloed hebben op het Natura 2000-gebied. De paardrijbak wordt verlicht aan de oostzijde. De lichtstraal is op de bak gericht, dus van het natuurgebied af. Aan de westzijde van de paardrijbak zijn geen lampen. Voor zover relevant wordt de paardrijbak hoofdzakelijk overdag gebruikt en staan de lampen dus weinig aan. Het gebruik van de paardrijbak leidt niet tot significante negatieve gevolgen. Naast de directe effecten is ook de mogelijke depositie van stikstof van belang. Hiervoor heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening (stikstofberekening) uitgevoerd. Het rapport staat in Bijlage 4. Hieronder staat de conclusie opgenomen. AERIUS-berekening Bij het voornemen vinden geen bouwwerkzaamheden plaats, waardoor er geen sprake is van een aanlegfase. Daarom is alleen de gebruiksfase berekend. Uit de berekening van de gebruiksfase van het voornemen volgt dat per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. GNN-gebieden Het plangebied grenst aan de zuid- en oost-zijde aan GNN-gebied. Het voornemen zorgt niet voor areaalvermindering van het GNN-gebied en er worden ook geen groenstructuren doorsneden. Gelet op de hierboven beschreven beperkte directe effecten kan worden geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Houtopstanden Voor voorligged plan worden geen houtopstanden aangetast of bomen gekapt.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
35
8.2.2
Situatie plangebied
Zoals eerder beschreven zijn voor het voornemen geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte nodig. Zo is er ook geen sprake van het slopen van gebouwen of kappen/verwijderen van relevante groenstructuren. Om inzichr te krijgen in de gevolgen van een activiteit voor beschermde soorten kon gebruik worden gemaakt van de Effectenindicator. De Effectenindicator gaf generieke informatie over mogelijke effecten van een activiteit. Aanlegactiviteiten (bijv. kappen van bomen, graafwerkzaamheden) zijn niet van toepassing. Voor gebruiksactiviteiten zijn in de Effectenindicator alleen activiteiten opgenomen met een relatief grote effecten, zoals gaswinning, landbouw of visserij. Het voorliggend TAM-omgevingsplan maakt de planologische mogelijkheden om een agrarisch bedrijf uit te oefenen ongedaan. Gezien de aard en omvang van de gebruiksactiviteiten in het plangebied kan worden gesteld dat het voornemen geen negatieve invloed heeft op eventueel aanwezige beschermde dier- en plantsoorten. Door het uitsluiten van agrarische bedrijfsactiviteiten kunnen negatieve invloeden worden uitgesloten, waarmee het plan indirect een positieve bijdrage levert aan eventueel aanwezige beschermde dier- en plantsoorten.
8.3
Conclusie
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
36
Hoofdstuk 9 9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Bij het voornemen worden geen bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. Daarmee is archeologisch onderzoek niet nodig.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Het voornemen heeft zoals gezegd geen invloed op de fysieke ruimte (geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen). Daarnaast zijn er geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in of nabij het plangebied. Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden kent.
9.4
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
37
Hoofdstuk 10 10.1
M .e.r.-beoordeling
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
10.2
Situatie plangebied
Zoals eerder beschreven zijn er voor het voornemen geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte nodig. Voorliggende wijziging op het omgevingsplan ziet uitsluitend toe op een functiewijziging. De chiropractie heeft een BVO van minder dan 500 m2. Gelet op de aard en omvang van het voornemen wordt de conclusie getrokken dat hier geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieugevolgen als gevolg van het voornemen zijn in voorgaande hoofdstukken beschreven.
10.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
38
Hoofdstuk 11 11.1
Economische uitvoerbaarheid
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
11.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
11.3
Situatie plangebied
In dit geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemers en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemers komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
39
Hoofdstuk 12 12.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Initiatiefnemers hebben per brief de omwonenden geïnformeerd over het voornemen en de geadresseerden uitgenodigd voor een bijeenkomst. Op 6 juni waren de omwonenden aanwezig in het plangebied en kregen zij een rondleiding. Ook was er een presentatie waarin het voornemen werd besproken en de procedure werd uitgelegd. Tijdens de avond was alle ruimte om vragen te stellen. Er werden enkele vragen gesteld over het uitgevoerde stikstofonderzoek en de verkeersgeneratie van de chiropractie. De vragen zijn naar tevredenheid beantwoord.
12.2
Vooroverleg instanties
Provincie Gelderland: voor de ter inzage ligging van voorliggende wijziging op het omgevingsplan wordt het plan aan de Provincie Gelderland toegestuurd. De provincie heeft de volgende reactie uitgebracht: "Het plan mag onderbouwd worden met een zinsnede en er zal geen volledig versterkingsplan nodig zijn. Dit komt omdat het plan in GO gaat van de bestemming agrarisch bouwvlak naar niet-agrarisch bedrijfsterrein. Als het nieuwe bedrijfsterrein binnen milieucategorie 1 of 2 valt, heeft dit dezelfde impactwaarde als een agrarisch bouwvlak. Aangezien er ook geen bestaande natuurwaarde verloren gaan, zal de versterkingsopgave nul zijn." De chiropractie kan wordt aangemerkt als milieucategorie 1. Een versterkingsplan is dan ook niet nodig. Waterschap Vallei en Veluwe: uit de digitale watertoets komt de 'geen belang' procedure. Het waterschap hoeft dan niet van tevoren ingelicht te worden over het plan en geeft op voorhand een positief advies.
12.3
Zienswijzen
De wijziging van het omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
40
Hoofdstuk 13 13.1
Juridische verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
13.2
Opzet van de regels
13.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrecht en slotbepalingen. 13.2.2 Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie [naam van de locatie van het plan] en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan 41
van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22a.’ gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 13.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen.
Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Vosstraat 23-23a, Hall, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAMBG7000-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 13.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied.
Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 10): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 11): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten. Parkeeractiviteiten (Artikel 12): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen en regels over laden en lossen. De beoogde functie (chiropractie voor manuele therapie voor dieren) staat niet opgenomen in het gemeentelijk parkeerbeleid. Omdat het gaat om het behandelen van dieren is aangesloten bij de functie 'huisartsenpraktijk (-centrum)'. Overige regels (Artikel 13): Wanneer het aanvragen van een omgevingsvergunning nodig is, op basis van de regels uit hoofdstuk 2, zijn de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van toepassing.
42
13.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan. NB: Het omgevingsplan bevat in hoofdstuk 23 de slotbepalingen, dus die worden niet in een TAM-omgevingsplan opgenomen.
13.3
Verantwoording van de regels
Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2008”. De regels uit de diverse paraplubestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.1) zijn inhoudelijk overgenomen. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe.
Agrarisch - Agrarisch met landschapswaarden (Artikel 4) In het plangebied is binnen deze functie geen bouwvlak aanwezig. Daarmee is het uitoefenen van agrarische bedrijvigheid uitgesloten. In de regels is expliciet opgenomen dat het hobbymatig houden van dieren is toegestaan. Dit was als nevenactiviteit al toegestaan, maar is nu als primaire activiteit in de regels opgenomen. Door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten. Dit is noodzakelijk om de gezondheid van omwonenden te kunnen waarborgen. Bedrijf (Artikel 5) Gelet op het initiatief is aan de regels toegevoegd dat gronden binnen deze functie mogen worden benut voor een chiropractiepraktijk voor dieren. In de huidige situatie is dit gericht op paarden en honden, maar hiermee wordt ruimte gelaten om ook andere dieren te verzorgen. Met deze specificatie is het niet toegestaan om andersoortige dan wel zwaardere bedrijvigheid uit te voeren. Daarnaast is voor de mestopslag een regel opgenomen dat meer dan 50 meter moet worden aangehouden tot woningen van derden, niet zijnde de dienstwoning. Wonen (Artikel 6) De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime.
Waarde - Archeologie laag (Artikel 7), Waarde - Archeologie middelmatig (Artikel 8) en Overige zone beslotenheid/houtopstanden (Artikel 9) De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime.
43
44