CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(082) Planmotivering

Gemeenteraad 16 oktober 2025, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Vosstraat 23-23a Hall15.802 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

467722

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Vosstraat 23-23a Hall

Inhoudsopgave

Toelichting

4

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 Huidig planologisch regime 1.4 Leeswijzer

4 4 4 4 6

Hoofdstuk 2 Huidige en gewenste situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Het voornemen 2.3 Infrastructuur en openbare ruimte

7 7 9 9

Hoofdstuk 3 Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden 3.1 Wettelijk kader 3.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.3 Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden

12 12 12 13

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid

14 14 15 17

Hoofdstuk 5 Omgevingsveiligheid 5.1 Algemeen 5.2 Situatie in en bij het plangebied 5.3 Conclusie

19 19 19 20

Hoofdstuk 6 Beschermen van de waterbelangen 6.1 Beleid waterschap 6.2 Wateraspecten 6.3 Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied 6.4 Conclusie

21 21 22 22 22

Hoofdstuk 7 Beschermen van de gezondheid en het milieu 7.1 Geluid door activiteiten 7.2 Bodemkwaliteit 7.3 Luchtkwaliteit 7.4 Geur 7.5 Trillingshinder 7.6 Gezondheid 7.7 Duurzaamheid

23 23 27 28 29 31 32 33

Hoofdstuk 8 Bescherming van de natuur 8.1 Gebiedsbescherming 8.2 Soortenbescherming 8.3 Conclusie

34 34 35 36

Hoofdstuk 9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1 Wettelijk kader 9.2 Archeologie 9.3 Cultuurhistorie 9.4 Conclusie

37 37 37 37 37

Hoofdstuk 10 M.e.r.-beoordeling 10.1 Algemeen

38 38 2

10.2 10.3

Situatie plangebied Conclusie

38 38

Hoofdstuk 11 Economische uitvoerbaarheid 11.1 Algemeen 11.2 Kostenverhaal 11.3 Situatie plangebied

39 39 39 39

Hoofdstuk 12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 12.1 Participatie 12.2 Vooroverleg instanties 12.3 Zienswijzen

40 40 40 40

Hoofdstuk 13 Juridische verantwoording 13.1 Inleiding 13.2 Opzet van de regels 13.3 Verantwoording van de regels

41 41 41 43

Bijlagen bij de toelichting

45

Bijlage 1

Inrichting plangebied

46

Bijlage 2

Uitkomst digitale watertoets

54

Bijlage 3

Bodemonderzoek

58

Bijlage 4

AERIUS-berekening

130

Regels

169

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3

(H. 22a paragraaf 1) Inleidende regels Toepassingsbereik Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen

170 170 171 176

Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

(H. 22a paragraaf 2) Functies en gebiedsaanwijzingen Agrarisch - Agrarisch met landschapswaarden Bedrijf Wonen Waarde - Archeologie laag Waarde - Archeologie middelmatig Overige zone - beslotenheid/houtopstanden

177 177 179 181 183 186 189

Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

(H. 22a paragraaf 3) Algemene regels voor activiteiten Anti-dubbeltelregel Planologische gebruiksactiviteiten Parkeeractiviteiten Overige regels

190 190 191 192 194

Hoofdstuk 4 Artikel 14

(H. 22a paragraaf 4) Overgangsregels Overgangsrecht

195 195

Vaststellingsbesluit

196

3

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voorliggende wijziging op het omgevingsplan heeft betrekking op de gronden aan de Vosstraat 23 en 23a in Hall (hierna: plangebied). In het plangebied zijn twee woningen aanwezig en een chiropractiepraktijk voor paarden en honden. Initiatiefnemers willen de planologische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie en het omgevingsplan wijzigen. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen: gemeente Brummen, sectie N, nummers 184, 199, 364, 366, 379 en 380. Afbeelding 1.1 laat de ligging van het plangebied zien. Het plangebied is links aangegeven met een rode ster en rechts met een rood kader. De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.

Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: OpenStreetMap)

1.3

Huidig planologisch regime

1.3.1

Geldend omgevingsplan

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Ter plaatse bestaat het omgevingsplan van rechtswege uit de volgende documenten: "Buitengebied 2008" (vastgesteld: 17 december 2009); "Beschermingszone bestrijdingsmiddelen" (vastgesteld: 25 oktober 2012); "Paraplubestemmingsplan Parkeren" (vastgesteld: 18 oktober 2018); "Paraplubestemmingsplan Archeologie" (vastgesteld: 15 oktober 2020); "Paraplubestemmingsplan bos-, natuur- en waterbestemmingen" (vastgesteld: 13 oktober 2022); "Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied" (vastgesteld: 23 maart 2023); "Omgevingsplan gemeente Brummen" (in werking vanaf 1 januari 2024). In dit geval kan het "Paraplubestemmingsplan bos-, natuur- en waterbestemmingen" buiten beschouwing worden gelaten, omdat binnen het plangebied deze bestemmingen niet voorkomen. Hierna wordt ingegaan op de regels van de geldende bestemmingsplannen. Omdat deze bestemmingsplannen zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'.

4

Voor de verbeelding van het geldend planologisch regime is met name bestemmingsplan "Buitengebied 2008" en "Paraplubestemmingsplan Archeologie" relevant. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van deze bestemmingsplannen opgenomen. Het plangebied is met de rode omlijning indicatief aangegeven.

Afbeelding 1.2: Geldend planologisch regime (Bron: Omgevingsloket) Hieronder worden de ter plaatse geldende bestemmingen verder beschreven. 'Agrarisch met landschapswaarden' De voor 'Agrarisch met landschapswaarden' aangewezen grond is met name bestemd voor agrarische doeleinden, agrarische bouwpercelen met bijbehorende erven alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden. Hieraan ondergeschikt zijn ook het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf en het op hobbymatige basis houden van dieren toegestaan. Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het bestaand aantal dienstwoningen geldt als maximum. Maximaal 50 m² van de oppervlakte van bebouwing mag worden gebruikt voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf mits deze activiteiten geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben. Nieuwvestiging en hervestiging van een intensieve veehouderij(tak), omschakeling naar intensieve veehouderijen alsmede de uitbreiding hiervan binnen het extensiveringsgebied, is niet toegelaten ter plaatse van de aanduiding 'Extensiveringsgebied'. Ter plaatse van de aanduiding 'Beslotenheid/Houtopstanden' is vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen tengevolge kunnen hebben verboden zonder aanlegvergunning.

Overige toegelaten functies In Bijlage M van bestemmingsplan "Buitengebied 2008" zijn lijsten opgenomen van toegelaten functies. Het voert te ver om alle functies hier te benoemen. De genoemde functies die zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch gebied - waardevol landschap' geldt als maximum. Ter plaatse van de aanduiding 'Landgoederenzone (EHS-natuur)' zijn minder functies toegestaan. Als voorbeeld is een dierenartspraktijk toegestaan als vervolgfunctie van een voormalig agrarisch bedrijf, met een maximumoppervlakte van 500 m2. 'Waarde - Archeologie laag' De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van 5

archeologische waarden. Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. Dit verbod geldt ook voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2. 'Waarde - Archeologie middelmatig' De voor 'Waarde - Archeologie middelmatig' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden. Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. Dit verbod geldt ook voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2. 'Overige zone - landgoederenzone' Bij het "Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied" is op het plangebied de aanduiding 'overige zone - landgoederenzone' van toepassing. Ter aanvulling op de regels die bij de agrarische bestemming gelden zijn diverse landschapselementen toegestaan. Voor de aanleg van deze landschapselementen is in afwijking van de regels uit bestemmingsplan "Buitengebied 2008" geen (omgevings)vergunning nodig. 1.3.2

Opheffen strijdigheid

In het plangebied zijn twee woningen aanwezig en een chiropractiepraktijk voor paarden en honden. Van een agrarisch bedrijf is geen sprake. De activiteiten zijn daarom niet in overeenstemming met de gebruiksregels van bestemmingsplan "Buitengebied 2008". Daarnaast is het gebruik van de weidegronden binnen het plangebied voor weiden van hobbymatig gehouden dieren als hoofdgebruik niet toegestaan. Het is daarom nodig de planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie door het omgevingsplan te wijzigen. Dit gebeurt door middel van een TAM-omgevingsplan. Dit staat hieronder verder beschreven. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek.

Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in Hoofdstuk 13 nader op ingegaan.

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In Hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in Hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. Hoofdstuk 10 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 bevatten de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 13 ingegaan op de juridische planverantwoording van het TAM-omgevingsplan.

6

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige en gewenste situatie

Huidige situatie

Zoals eerder genoemd ligt het plangebied aan de Vosstraat 23 en 23a in Hall. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Brummen. In de omgeving van het plangebied komen meerdere (voormalig) agrarische erven voor. Deze erven bestaan uit één of meerdere (bedrijfs)woningen en meerdere bijgebouwen die relatief dicht bij elkaar staan. Het erf in het plangebied is daar ook een voorbeeld van. Het omliggende landschap bestaat uit agrarische cultuurgronden (weilanden), onderbroken door houtsingels. Daarnaast bestaat het landschap uit verschillende bospercelen, die onderdeel zijn van het natuurgebied 'Landgoederen Brummen'. Initiatiefnemers hebben een document opgesteld waarin gedetailleerd de huidige situatie in het plangebied staat beschreven. Dit document is opgenomen in Bijlage 1. Hieronder staat een beknopte beschrijving van de inrichting van het plangebied. Bij de Vosstraat 23 horen de volgende functies en gebouwen: Gebouw A: Woning; Gebouw B: Gebouw voor medische zorg voor paarden en honden (chiropractie).

In het gebouw wordt maximaal 5 keer per jaar een workshop gegeven aan therapeuten en eigenaren van dieren (maximaal 20 mensen per workshop); Gebouw C: Bijgebouw voor het hobbymatig houden van 4 paarden; Gebouw D: Paardrijbak; Op het terrein is voldoende ruimte voor 10 parkeerplaatsen; Bij de Vosstraat 23a horen de volgende functies en gebouwen: Gebouw A: Woning met inpandige garage; Gebouw B: Bijgebouw (hobbyruimte/opslag/werkplaats). Toelichting bedrijfsactiviteiten De bedrijfsactiviteit in het plangebied is een chiropractiepraktijk voor paarden en honden. Een chiropractor gebruikt handmatige manipulatie en aanpassingen van de wervelkolom om de functies te verbeteren, pijn te verminderen en het natuurlijke vermogen tot genezing te bevorderen. Het is daarbij belangrijk om de juiste diagnose te kunnen stellen. Daarom moeten paarden buiten kunnen lopen. Dit gebeurt in de paardrijbak. Tussen de paardrijbak en gebouw B is een voormalige roundpen. De ondergrond is hier nog zand, maar van een tweede paardrijbak is geen sprake en is ook geen sprake geweest. Naast het geven van enkele behandelingen en workshops gebeurt het merendeel van de bedrijfsactiviteiten niet in het plangebied. Bij zieke dieren gebeurt de behandeling vaak bij de klanten, zodat die het dier niet naar het plangebied hoeven te vervoeren. Gemiddeld is sprake van 10 verkeersbewegingen in een week.

Onderstaande afbeelding is een luchtfoto van het voormalig agrarisch erf in het plangebied (rood kader) met daarin de verschillende gebouwen aangegeven. De gebouwen bij de Vosstraat 23 hebben blauwe letters, de gebouwen bij de Vosstraat 23a hebben groene letters. In afbeelding 2.2 staat een luchtfoto van het hele plangebied.

7

Afbeelding 2.1: Luchtfoto voormalig agrarisch erf (Bron: PDOK, bewerk t)

8

Afbeelding 2.2: Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK)

2.2

Het voornemen

Zoals al eerder is genoemd, zijn de bestaande activiteiten niet toegestaan op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied 2008". Initiatiefnemers willen dan ook de planologische situatie met de feitelijke situatie in overeenstemming brengen. Hiervoor worden geen bouwwerkzaamheden of andere grote veranderingen in de fysieke ruimte verricht. De chiropractiepraktijk voor paarden en honden is vergelijkbaar met de lichtste milieucategorie bedrijven (categorie 1). Deze wijziging van het omgevingsplan laat geen ruimte voor zwaardere bedrijvigheid (zie ook paragraaf 13.3). Tot slot voegt dit plan in planologische zin één woning toe. De woning aan de Vosstraat 23a is planologisch gezien nu een bedrijfswoning. Deze woning wordt met dit plan omgezet naar een reguliere burgerwoning.

2.3

Infrastructuur en openbare ruimte

2.3.1

Algemeen

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Van het aanleggen of veranderen van openbare ruimte is geen sprake bij dit voornemen. Dit aspect wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten.

9

2.3.2

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Voor de berekening van de parkeerbehoefte moeten de normen uit het "Paraplubestemmingsplan parkeren" worden gebruikt. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering', publicatie 744 (augustus 2024) van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Verkeersgeneratie De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; Stedelijke zone: buitengebied; Functie: koop, huis, vrijstaand. Voor de verkeergeneratie voor de andere gebouwen is informatie opgevraagd bij initiatiefnemers. Er is geen passende functie uit de CROW publicatie beschikbaar. Gemiddeld komen er 10 auto's per week, dit is omgerekend 2,86 bewegingen per etmaal. In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan.

Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het plan het volgende beeld: Functie

Verkeersgeneratie

Aantal wooneenheden Totale verkeersgeneratie Koop, huis, vrijstaand 8,2 2 16,4 Overige gebouwen 2,86 Totale verkeersgeneratie (naar boven afgerond) 20 De totale verkeersgeneratie in de gebruiksfase komt neer op afgerond 20 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Gesteld wordt dat de Vosstraat deze geringe verkeersgeneratie veilig en vlot kan verwerken. Parkeerbehoefte Voor het berekenen van de parkeerbehoefte moeten de parkeernormen uit het "Paraplubestemmingsplan Parkeren" worden gebruikt. Het plangebied ligt in het buitengebied, daarom worden de normen uit artikel 5.5 van het bestemmingsplan aangehouden. Voor de overige gebouwen is geen overeenkomende functie uit artikel 5.5 beschikbaar. Omdat sprake is van het behandelen van dieren, is hier voor de parkeernorm aangesloten bij de functie 'huisartsenpraktijk (-centrum)'. De norm geldt per behandelkamer. Van behandelkamers zoals in een huisartsenpraktijk is geen sprake. In het bedrijfsgebouw is sprake van één behandelruimte (Bijlage 1). Daarom wordt aangesloten bij de norm voor één behandelkamer. Op basis van de parkeernormen is sprake van de volgende parkeerbehoefte: Functie

Parkeernorm

Aantal Totale wooneenheden/behan parkeerbehoefte delkamers Koop, huis, vrijstaand 2,4 per woning 2 4,8 Overige gebouwen 3,25 per behandelkamer 1 3,25 Totale parkeerbehoefte (naar boven afgerond) 8,05 (9) Voor de beide woningen geldt een totale parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen. Voor de woningen geldt dat op eigen terrein (oprit) voldoende ruimte is voor de eigen parkeerbehoefte. Op het terrein is voldoende ruimte voor 10 parkeerplaatsen. Gezien de verwachtte verkeersgeneratie (10 auto's per week) en de parkeernorm uit het paraplubestemmingsplan wordt gesteld dat dit voldoende is voor de verwachte parkeerbehoefte.

10

2.3.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

11

Hoofdstuk 3 waarden 3.1

Landschappelijke en stedenbouwkundige

Wettelijk kader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over: Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking; De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.

3.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1

Algemeen

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'. Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

12

3.2.2

Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Op basis van onderstaande uitspraken blijkt dat er voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921); 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Voor bedrijven is 'in beginsel' sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij de toevoeging van een gebouw van minimaal 500 m2 bruto vloeroppervlak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De woning aan de Vosstraat 23a wordt omgezet van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Planologisch gezien wordt er dus één woning toegevoegd. Hiermee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast voegt voorliggend plan een bedrijfsfunctie toe. Het gebouw bedoeld voor chiropractie heeft een BVO van circa 386 m2. Ook hier is, gelet op de drempelwaarde, geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.

3.3

Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden

De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld van de gemeente. Op deze kaart is de gemeente verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk gebied zijn de landschapskenmerken en de waargenomen plant- en diersoorten beschreven. Het plangebied ligt in deelgebied 15: Landgoederen zone. Hieronder staan de landschapskenmerken van dit deelgebied. Hoewel typische landschapselementen beduidend minder aanwezig zijn dan in de huidige landgoederenzone, zijn er toch diverse belangrijke elementen te vinden in het gebied. Oude houtwallen, bomenlanen en hier en daar een boomgaard kleden het verder vrij open gebied aan. Poelen liggen verspreid door het gebied en enkele beken stromen tussen de landbouwpercelen door richting de IJssel. Bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit boerderijen, waarbij de inrichting van de boerenerven varieert van volledig ingericht op een bedrijfsfunctie, met geen of weinig ruimte voor groen, tot groene parels tussen de open landbouwgronden. Toetsing van het initiatief Voorliggend plan ziet alleen toe op een planologische wijziging. Bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte vinden niet plaats. Op het erf zijn tientallen bomen aanwezig en de tuinen van de woningen zijn voor een deel begrenst met hagen. De landschappelijke waarden in het deelgebied en het groen op het erf blijft met voorliggend plan behouden.

13

Hoofdstuk 4

Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het Europees, rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.

Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.2

Instructieregels Rijk (Amvb's)

Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van

14

woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 4.1.3

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid

Bij voorliggende ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in deze onderbouwing opgenomen ontwikkeling. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 is reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.

4.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 4.2.1

Omgevingsvisie

4.2.1.1 Algemeen De omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen. In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. 4.2.1.2 Situatie plangebied Op het plangebied zijn de volgende aanduidingen van toepassing: ‘Grote zonneparken onder voorwaarden mogelijk’, 'Windenergie mogelijk' en voor een deel van het plangebied 'Groene ontwikkelingszone'. Gelet op het voornemen zijn de onderwerpen wind- en zonne-energie niet relevant. Hieronder staat het beleid wat hoort bij de 'Groene ontwikkelingszone'. 15

De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. In de Groene ontwikkelingszone is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de Groene ontwikkelingszone, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. 4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Zoals eerder beschreven vinden er als gevolg van dit plan geen bouwwerkzaamheden plaats of andere veranderingen in de fysieke ruimte. Het plan tast daarmee de waarden van de Groene ontwikkelingszone niet aan. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie. 4.2.2

Omgevingsverordening

4.2.2.1 Algemeen De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Gelderland. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. 4.2.2.2 Situatie plangebied Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van toepassing: 'ammoniakbuffergebied', 'Gelderse streek IJsselvallei', 'glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied', 'nationale landschappen' en 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland'. Gelet op het voornemen zijn met name de regels voor 'ammoniakbuffergebied' en 'Gelderse streek IJsselvallei' relevant. Het gaat om artikel 5.38 en 5.82.

Artikel 5.38 - Beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei. Voor de beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage uit de Omgevingsverordening Gelderland. Artikel 5.82 - Niet-grondgebonden veehouderij in ammoniakbuffergebied Een omgevingsplan laat binnen een ammoniakbuffergebied: a. hervestiging van een niet- grondgebonden veehouderijbedrijf en nieuwvestiging of hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderijtak niet toe; en b. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak alleen toe als die uitbreiding niet leidt tot een toename van de emissie van ammoniak.

16

4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsverordening Zoals eerder beschreven vinder er als gevolg van dit plan geen bouwwerkzaamheden plaats of andere veranderingen in de fysieke ruimte. Het plan tast daarmee de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse streek IJsselvallei niet aan. Een versterkingsplan is dan ook niet nodig (zie ook paragraaf 12.2). Met het vaststellen van dit plan verdwijnt een agrarisch bouwvlak en kan dus geen niet-grondgebonden veehouderij meer worden opgericht. Gesteld wordt dat het plan daarmee bijdraagt aan het ammoniakbuffergebied. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening. 4.2.3

Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

4.3

Gemeentelijk beleid

Het gemeente beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema's gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de 'Toekomstvisie Brummen 2030'. 4.3.1

Toekomstvisie Brummen 2030

4.3.1.1 Algemeen De toekomstvisie maakt heldere keuzes voor de toekomst van Brummen en geeft daarmee een duidelijke koers aan richting 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. Het is een inspiratiekader, dat laat zien wat en wie Brummen wil zijn in 2030. Het is geen opsomming van beleidskeuzes voor de komende vijftien jaar. De richting is duidelijk. Hoe de gemeente daar komt, wordt de komende jaren ingekleurd door de gemeentelijke politiek, de gemeentelijke organisatie en de inwoners en ondernemers van Brummen 4.3.1.2 Bedrijvigheid in het buitengebied De prachtige natuur, het veelzijdige landschap en de landgoederen zijn kernwaarden van de identiteit van Brummen. Het buitengebied vormt daarmee een belangrijke pijler. De boer, de natuurbeheerder en de landgoedeigenaar zijn de belangrijkste beheerders van het buitengebied. Ingezet wordt op versterking van het buitengebied. Niet door stilstand, maar door vernieuwing met respect voor het oude. Het boerenbedrijf vormt het krachtige centrale punt in deze vernieuwing. De agrarische sector bestaat in Brummen vooral uit veehouderij. De Brummense veehouderij is een krachtige economische sector die beeldbepalend is in het buitengebied. De agrarische sector krijgt in Brummen de ruimte om zich te ontwikkelen.

Daarbij gaan ontwikkelruimte en vernieuwing hand in hand. De bescherming van cultuurhistorie (monumenten en archeologische vondsten), landgoederen, natuur en landschappen blijft verankerd in wet- en regelgeving. De ontwikkelruimte voor bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied hangt af van de relatie die zij hebben met het buitengebied. Nieuwe grootschalige niet-agrarische bedrijven horen thuis op een bedrijventerrein. Kleinschalige bedrijven in bijvoorbeeld de zorg, dienstverlening of creatieve sector zijn wel inpasbaar in bestaande gebouwen in het buitengebied, bijvoorbeeld op een landgoed of boerderij.

17

4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Toekomstvisie Brummen 2030' Voorliggend plan kent een bedrijfsfunctie toe aan het erf van de Vosstraat 23. Daarmee is planologisch gezien sprake van het toevoegen van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied. De bedrijfsfunctie is bedoeld om de bestaande chiropractie voor dieren planologisch 'bij recht' toe te staan. De praktijk is geen grootschalig bedrijf. In de praktijk worden honden en paarden behandeld, de praktijk heeft daarmee dus een relatie met het buitengebied. Tot slot is relevant dat er geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden: het bedrijf is gevestigd in een bestaand gebouw op het erf (zie paragraaf 2.1). Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de 'Toekomstvisie Brummen 2030'.

18

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsveiligheid

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen.

In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

5.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de kaart 'Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten' van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van bovengenoemde kaart met betrekking tot het plangebied (blauwe ster) en de directe omgeving weergegeven.

19

Afbeelding 5.1: Uitsnede kaart veiligheidsinformatie (Bron: Atlas van de leefomgeving) Het plangebied ligt op circa 540 meter van een buisleiding. Hiermee valt het plangebied ruim buiten het brandaandachtsgebied en de personen-risicocontour. Een verantwoording van het personenrisico is niet nodig. De buisleiding heeft een diameter van 8 inch en een werkdruk van 40 bar. De 1%-letaliteitsgrens ligt daarmee op 100 meter vanaf het hart van de buisleiding. Het plangebied ligt op ongeveer 540 meter afstand van de buisleiding, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is.

5.3

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

20

Hoofdstuk 6

Beschermen van de waterbelangen

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

6.1

Beleid waterschap

6.1.1

Blauwe Omgevingsvisie 2050

Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die het waterschap als leidende principes toepast in de BOVI 2050. De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatie. Het waterschap stelt dat een duurzaam watersysteem een belangrijke drager is van de ruimtelijk-economische ontwikkeling. Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in het gebied van Vallei en Veluwe. Daarom zet het waterschap zoveel mogelijk in op het schoon- en vasthouden van water en het terugbrengen van water in de bodem. Tot slot wil het waterschap graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met maatschappelijke partners (publiek en privaat), om gezamenlijk positief bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Het plangebied ligt in het deelgebied 'IJsselvallei en oostflank van de Veluwe'. Meer specifiek gelet op de ligging van het plangebied op de kaart behorend bij het deelgebied is het thema ‘Robuust beekdal' van belang.

Het oppervlaktewatersysteem van de toekomst is gebaseerd op het vasthouden, bergen en accepteren van water, en tegelijkertijd op het schoonhouden, scheiden en zuiveren van water in ons gebied. Samen met het diepe grondwatersysteem verbinden de beken en watergangen gebieden met watertekort en wateroverschot in ruimte en tijd. Sponswerking van de bodem is hiervan een integraal onderdeel. Het water krijgt de ruimte, langs de grote rivieren, kanalen, beken en ook in de haarvaten. Het waterschap wil Infiltratiecapaciteit en sponswerking van de bodem vergroten, inzetten op water vasthouden en beken weer zichtbaar maken. 6.1.2

Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027

Waterschap Vallei en Veluwe heeft een Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 opgesteld waarin staat beschreven wat de doelen zijn, vertaald in gebiedsgerichte gebiedsprogramma’s. Het waterschap streeft naar veiligheid tegen overstromingen en naar een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Daarnaast wil het waterschap in stedelijk gebied zoveel mogelijk water lokaal vasthouden en infiltreren door vergroening en verblauwing. In het BOP heeft het waterschap ook twee veranderopgaven vastgelegd: in 2050 circulair en energieneutraal zijn. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘IJsselvallei’. Gelet op de ligging van het plangebied op de bijbehorende gebiedskaart, ligt de nadruk op het vasthouden van water in een robuust beekdallandschap en een combinatie van circulaire, natuurinclusieve landbouw en beter vasthouden en schoonhouden van water (klimaatmantels).

21

6.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.hetwateradvies.nl). De uitkomst hiervan is opgenomen in Bijlage 2. Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Verder overleg met het waterschap is niet nodig. Het Waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies.

6.4

Conclusie

Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

22

Hoofdstuk 7

Beschermen van de gezondheid en het milieu

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid' behandeld.

7.1

Geluid door activiteiten

7.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

23

7.1.2

Situatie plangebied

De woningen aan de Vosstraat 23 en 23a worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. 7.1.2.1 Wegverkeerslawaai In het gemeentelijk omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden vanuit het Bkl voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de woningen in het plangebied weer ten opzichte van de Vosstraat.

Afbeelding 7.1: Ligging plangebied ten opzichte van de Vosstraat (Bron: Atlas van de leefomgeving)

24

De woning aan de Vosstraat 23 ligt op ongeveer 83 meter afstand van de Vosstraat en de woning aan de Vosstraat 23a ligt op ongeveer 113 meter afstand. In het Bkl worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw. Uitgangspunt is dat aan de standaardwaarde voor geluid moet worden voldaan (artikel 5.78t lid 1 Bkl). Voor gemeentelijke wegen is de standaardwaarde 53 dB. Zoals in afbeelding 7.1 te zien is heeft de Vosstraat een beperkte geluidsuitstraling. Voor de woningen geldt dan ook dat het geluid op de buitengevel naar verwachting minder is dan 45 dB. Gesteld wordt dat hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarden voor geluid uit het Bkl. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig. 7.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai Het plangebied ligt op ongeveer 2,3 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Hiermee wordt ruim voldaan aan de afstandsnormen uit het Bkl. Onderzoek naar railverkeerslawaai is niet nodig. Daarnaast ligt het plangebied niet in de nabijheid van een geluidgezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig. 7.1.2.3 Solitaire bedrijvigheid Om geluidhinder van solitaire bedrijvigheid te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl' (mei 2019).

Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval wordt voor het plan de systematiek van de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangehouden. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied en ligt niet nabij een drukke weg. Er wordt in dit geval dan ook uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij zowel het omgevingstype rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2

Richtafstanden 'rustige woonwijk' 10 m 30 m 50 m 100 m

Richtafstanden 'gemengd gebied' 0m 10 m 30 m 50 m 25

4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 Situatie plangebied

200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de functie toe? (interne werking). Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De chiropractie voor dieren is niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Gelet op de activiteiten is sprake van lichte bedrijvigheid. Als referentie kan de milieucategorie worden aangehouden voor een reguliere artsenpraktijk of kliniek: milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand tussen het gebouw waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden en de woning aan de Vosstraat 23a bedraagt ongeveer 20 meter. Andere reguliere woningen liggen op grotere afstand. Hiermee wordt dus voldaan aan de richtafstand. De woning aan de Vosstraat 23 blijft een bedrijfswoning.

Onder de bruidsschat gelden de waarden voor geluid, trillingen, geur en slagschaduw niet voor de eigen bedrijfswoning (voor geluid geldt artikel 22.58). Hiermee kan geconcludeerd worden dat het bedrijf past in de omgeving. Een paardrijbak geldt ook als milieubelastende functie en kent een richtafstand van 50 meter. De woning aan de Vosstraat 23 ligt op ongeveer 60 meter van de paardrijbak. De woning aan de Vosstraat 23a ligt op ongeveer 65 meter van de paardrijbak. Andere woningen liggen op grotere afstand. Hiermee wordt dus voldaan aan de richtafstand. Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Onderstaande tabel geeft de omliggende milieubelastende functies weer met de daarbij behorende richtafstanden voor geluid. Voor de werkelijke afstand is telkens gemeten vanaf de milieubelastende inrichting tot het plangebied. Adres Vosstraat 23* Vosstraat 27

Functie Richtafstand Werkelijke afstand Fokken en houden van 30 meter 460 meter rundvee Vosstraat 24 Fokken en houden van 50 meter 550 meter rundvee, pluimvee, overige dieren * Zoals hierboven beschreven vormt het bedrijf aan de Vosstraat 23 geen belemmering voor de woningen aan de Vosstraat 23 en 23a. Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat de omgeving de functie wonen toelaat.

26

7.1.3

Conclusie

Vanuit de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai, evenals geluidhinder van individuele bedrijven is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De milieubelastende functies (chiropractie voor manuele therapie voor dieren en paardrijbak) zorgen niet voor aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied en omliggende milieugevoelige functies. Daarnaast leiden de woningen in het plangebied niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16000850/2