CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(074) Toelichting bestemmingsplan Kampweg 46 Brummen

Besluitvormende raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente BrummenBij agendapunt: Bestemmingsplan Kampweg 46 Brummen23.381 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onderzoeksresultaten bodem

In de rapportage d.d. 28 juli 2021 met kenmerk 21039210 opgesteld door Kruse Milieu BV (opgenomen in bijlage 3 van de Bijlagen bij de toelichting) zijn de resultaten van het bodemonderzoek weergegeven. Hieruit blijkt dat de bodem plaatselijk houtskool- en baksteen houdend is en dat plaatselijk sporen van ijzeroer, kolengruis, slakken, glas en puin zijn aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met lood, zink en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met zink. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium gemeten. In de strook langs de Kampweg is de bovengrond licht verontreinigd met asbest. (1,8 mg/kg.ds). Het gewogen gehalte aan asbest ligt ruim onder de waarde voor nader onderzoek (50 mg/kg.ds). Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de geplande nieuwbouw, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico‘s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en beoogd toekomstige gebruik (wonen met tuin).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

25

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld 5.2.4

Conclusie

De bodemkwaliteit in het plangebied vormt op basis van het uitgevoerde onderzoek geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

26

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Brummen

Gemeente Brummen heeft op 11 april 2006 de beleidsvisie externe veiligheid ‘Externe veiligheid in de gemeente Brummen het ambitieniveau’ vastgesteld. Het ambitieniveau is voor bedrijventerreinen “ruimte voor bedrijven”, voor woonwijken geldt het ambitieniveau “Veilig wonen” en voor het buitengebied geldt het ambitieniveau “niets doen”. Bij deze ambitieniveaus zijn voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico de in de onderstaande tabel uitgangspunten geformuleerd: Ambitieniveau

Plaatsgebonden risico met kwetsbaar object binnen richtwaarde 10-5

Plaatsgebonden risico beperkt kwetsbaar object binnen richtwaarde

Groepsrisico oriënterende waarde

Niets doen

Niet toegestaan

Toegestaan onder voorwaarden

Keuze verantwoorden

Ruimte voor bedrijven

Niet toegestaan

Toegestaan onder voorwaarden

Richtinggevend

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

27

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld Veilig wonen

Niet toegestaan

Niet toegestaan

Geen toename groepsrisico en overschrijding oriënterende toegestaan

Situatie in het plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode marker) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: risicokaart.nl)

Zoals weergegeven in de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen. Provinciale weg N348 Het plangebied ligt op circa 355 meter van de provinciale weg N348. Conform de beleidsvisie van gemeente Brummen is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N348 beperkt tot de bevoorrading van enkele LPGtankstations en propaan tanks bij agrarische bedrijven. De vervoersintensiteiten van gevaarlijke stoffen over de N348 liggen ruim onder de drempelwaarden, zoals weergegeven in paragraaf 1.2.3 van de bijlage van de “Handleiding Risicoanalyse Transport” (HART). In deze paragraaf zijn drempelwaarden voor transportbewegingen van gevaarlijke stoffen, waaronder geen PR 10-6 aanwezig is opgenomen. Het transport van gevaarlijke stoffen over de N348 zal daarom niet leiden tot een PR 10-6 contour. De provinciale weg vormt geen belemmering voor het initiatief.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

28

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld Aardgasleiding Gasunie Op een afstand van circa 395 meter ten noordoosten van het plangebied loopt een aardgasleiding van de Gasunie. Het betreft een leiding met een maximale werkdruk van 40 bar en een diameter van 4 inch. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 50 meter. In voorliggend geval is het plangebied ruim buiten dit groepsrisico-aandachtsgebied gelegen en is het nader verantwoorden van het groepsrisico niet noodzakelijk. Op een afstand van circa 500 meter ten noordoosten van het plangebied ligt het bijbehorende gasdrukmeeten regelstation van de Gasunie. Voor deze inrichting geldt een maximale contourafstand van 15 meter. Aangezien het plangebied op ruime afstand van het gasdrukmeet- en regelstation is gelegen, zijn er geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid. LPG tankstation Op circa 440 meter ten noordwesten van het plangebied is een tankstation gevestigd. Hierbij zijn een LPGreservoir en een vulpunt aanwezig. Voor zowel het LPG-reservoir als het vulpunt is een maximale risicocontour van 25 meter opgenomen. Aangezien het plangebied niet binnen de contourafstand van het LPG-reservoir en het vulpunt is gelegen, zijn er geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid.

Opslag consumentenvuurwerk Verder ligt op circa 550 meter ten noordwesten van het plangebied een inrichting waar consumentenvuurwerk wordt verkocht. Voor deze inrichting is geen risicocontour opgenomen. Een nadere verantwoording is dan ook niet noodzakelijk. Spoorlijn Uit de risicokaart blijkt dat het projectgebied is gelegen op een afstand van circa 735 meter afstand van de spoorlijn Dieren – Zutphen. Uit de gegevens van de risicokaart volgt dat de spoorlijn buiten de plaatsgebonden risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied is gelegen. Daardoor vormen beide aspecten geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. In de navolgende tabel zijn de stofcategorieën die over de spoorlijn worden vervoerd met bijbehorend invloedsgebied beschreven. Tevens wordt per stofcategorie beoordeeld of de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied ligt. Aanwezige stofcategorieën

Invloedsgebied (m)

A B2 C3 D3 D4

460 995 35 375 >4.000

Projectgebied binnen het invloedsgebied (735 m) nee Ja Nee Nee Ja

Uit de voorgaande tabel blijkt dat het projectgebied binnen het invloedsgebied van de stofcategorieën B2 en D4 ligt. Gelet op het feit dat de ontwikkellocatie buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (200 meter zone) ligt, hoeft het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland moet in de gelegenheid gesteld worden om een advies uit brengen. Voorliggende paragraaf wordt voorgelegd aan de VNOG. Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobron dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a)

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

29

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld b) voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. Beheersbaarheid c.q. bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: 1.

Bestrijden rampscenario

Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk. Dit kan door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Aangezien het hier een bestaande spoorweg betreft met daarom heen al kwetsbare objecten kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is, tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn. 2.

Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren

Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van de ontwikkellocatie cruciaal. De brandweer kan snel via De Pothof, Engelenburgerlaan, Burgemeester de Wijslaan, Schoolstraat en Kampweg het plangebied bereiken in geval van een calamiteit. Ook via de route De Pothof, Engelenburgerlaan, Burgemeester de Wijslaan, Schoolstraat, Troelstralaan, Schaepmanstraat en Kampweg is het plangebied eenvoudig te bereiken. De inschatting is dat de eerste brandweerwagen binnen circa 5 minuten aanwezig kan zijn bij de calamiteit. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. Bij de Veiligheidsregio dient advies te worden ingewonnen of de bereikbaarheid en daarmee de opkomsttijden voldoende zijn gewaarborgd. Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen). Daarbij wordt beschouwd of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit van één van de twee scenario's. Het plangebied is in de huidige situatie bebouwd met een supermarkt.

Er mag vanuit worden gegaan dat in de huidige situatie voldoende aandacht is geschonken aan bluswatercapaciteit. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet. Binnen het plangebied moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op het spoor en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze toxische stof en weten hoe te handelen. Primair gaat NL-Alert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen. Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor het plangebied geldt dat er voldoende vluchtwegen aanwezig dienen te zijn om in geval van calamiteit te kunnen vluchten. Hierin zal worden voorzien. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

30

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.

Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in de kern Brummen, waar geen sprake is van een functiemenging. Rondom het plangebied komen voornamelijk woningen voor. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

31

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘Wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Echter worden de appartementen uitgerust met een warmtepomp. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet onderzocht worden wat de geluidsbelasting van deze installaties is op de gevels van de appartementen en de omliggende gevoelige bebouwing. Hierna wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. Akoestisch onderzoek warmtepompen Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de op het dak opgestelde warmtepompinstallaties ter plaatse van beoordelingspunt 10 op een hoogte van 7,5 m maatgevend is. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt bij toepassing van de beoogde installatie ““Panasonic WH-UD03JE5” ter plaatse van dit punt 37 dB.

Tot een geluidsvermogen per warmtepompinstallaties van 63 dB is de geluidsbelasting niet hoger dan 40 dB 1. Er wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de vereisten van het Bouwbesluit. Daarnaast is er tevens sprake van een goede ruimtelijke ordening.

1

Dit is inclusief een eventuele toeslag voor tonaal geluid en rekening houdende met een marge van 3 dB. BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

32

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie(s) als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling(en) hinder ondervindt van de bestaande functie(s) in de omgeving. Woningen worden in dit kader aangemerkt als een milieugevoelige functie. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich twee aantal milieubelastende functies. In de onderstaande tabel worden de functies welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de gevel van het appartementengebouw en het bouwvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie

Omschrijving Kinderopvang

Milieucategorie 2

Grootste richtafstand 30 meter

Daadwerkelijke afstand (circa) 230 meter

Kindcentrum Het P@rk Troelstrastraat 45-49 Dierenpark ‘t Goor Goeman Borgesiusstraat

Kinderboerderijen

2

30 meter

250 meter

Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan de richtafstanden van het kindcentrum en het dierenpark wordt voldaan. Hierdoor kan worden aangenomen dat er ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de functies in de omgeving niet beperkt in hun bedrijfsvoering. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1

Gebiedsbescherming

5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt op circa 620 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. In voorliggend geval is er een stikstofberekening uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de AERIUS-berekening wordt geconcludeerd dat voor de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j ten aanzien van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied ‘Rijntakken’ en op grotere afstand gelegen Natura-2000 gebieden. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

33

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld 5.6.1.2 Gelders Natuurnetwerk Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN. De gronden welke zijn aangemerkt als GNN liggen op circa 420 meter afstand vanaf het plangebied. Er is geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van geluidverstoring, verlichting of stikstofdepositie. Het GNN/GO wordt omgeven door stedelijk gebied van Brummen waar al sprake is van verlichting. Verder is het GNN/GO niet grondwaterafhankelijk, waardoor aantasting als gevolg van verdroging niet aan de orde. Gelet op vorenstaande en vanwege de lokale invloedsfeer wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect heeft op gronden die behoren tot het GNN. 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.6.2.2 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied is door de BJZ.nu een quickscan flora en fauna uitgevoerd, welke is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de voorkomende diersoorten niet af. Mogelijk nestelen er vogels of bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied, maar gebruiken het als (niet essentieel) foerageergebied. Om de voorgenomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren zullen de nog niet onderzochte gebouwen moeten worden onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen.

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september - februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Tot slot wordt opgemerkt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Aanvullend onderzoek vleermuizen Ter plaatse van het plangebied is door Ecochore Natuurtechniek een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Hierna wordt op de conclusie van het onderzoek ingegaan. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting. Tijdens het uitgevoerde vleermuisonderzoek zijn in het te onderzoeken gebouw geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld.

Ook kan het plangebied niet worden aangemerkt als essentieel foerageergebied of vlieggeleiding. Hierdoor zijn voor de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van vleermuizen geen aanvullende maatregelen en geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

34

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld Op de planlocatie zijn enkele natuuronderzoeken uitgevoerd. Samen geven deze onderzoeken een goed en volledig beeld van de aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten. Aan de hand van de bevindingen van de onderzoeken, de samenstelling van de aangetroffen soorten en de onderzoeksinspanningen, kan worden gesteld dat er geen strikt beschermde soorten met een essentiële binding met de planlocatie zijn gemist. Hierdoor kan het natuuronderzoek ten aanzien van vleermuizen als volledig worden beschouwd. Gezien de bevindingen van het uitvoerde vleermuisonderzoek zijn geen aanvullende maatregelen en is geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk. 5.6.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is getoetst aan de ‘Beleidskaart bij gemeentelijk archeologiebeleid Brummen’. Hieruit blijkt dat het plangebied ligt in een zone met een middelmatige archeologische (verwachtings)waarde. Laagland Archeologie heeft een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd aan de Kampweg 46 te Brummen, opgenomen in bijlage 8. Onderzoeksresultaten In het grootste deel van het plangebied is sprake van kronkelwaard-/nevengeulafzettingen met een nog redelijk intacte top. Uitzonderingen vormen boringen 3 en 5 waar de verstoring wat dieper reikt.

Rondom de overige boorpunten kunnen resten uit de Nieuwe Tijd verwacht worden. Deze zone is aangegeven op onderstaande advieskaart.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

35

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

Afbeelding 5.2

Advieskaart vervolgonderzoek (proefsleuven) (Bron: Laagland Archeologie)

Indien binnen het adviesgebied bodemverstoringen dieper dan 50 cm -mv plaatsvinden (de verstoring bedraagt minimaal 70 cm; het is gebruikelijk een veiligheidsmarge van minimaal 20 cm boven een mogelijk archeologisch niveau aan te houden). Optie daarbij is om archeologievriendelijk te bouwen. Daarbij worden funderingspalen geslagen of geschroefd, waarbij de palen in evenwijdige rijen worden aangebracht met een minimale onderlinge afstand van 2 m. Indien ontgraving beperkt kan blijven tot 50 cm -mv en volgens bovenstaande principes gebouwd kan worden, blijft de bodemverstoring beperkt en is geen nader onderzoek noodzakelijk. Indien dieper ontgraven wordt en/of bovenstaande bouwprincipes geen optie zijn, dan is vervolgonderzoek noodzakelijk. Aangezien archeologische resten uit de Nieuwe Tijd voor een belangrijk deel bestaan uit grondsporen, wordt geadviseerd vervolgonderzoek vorm te geven als proefsleuvenonderzoek. Daarbij wordt normaliter ongeveer 8 – 10 procent van het plangebied door middel van proefsleuven ontgraven conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor het proefsleuvenonderzoek dient een archeologisch Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld dat door het bevoegd gezag dient te worden goedgekeurd alvorens met het gravend onderzoek mag worden begonnen.

In het PvE worden enerzijds de archeologisch-wetenschappelijke belangen geborgd en anderzijds de belangen van de opdrachtgever in termen van tijd en geld. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Brummen, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de heer H.G. Pape-Luijten Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

36

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, in of nabij het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Ook kent het plangebied zelf geen cultuurhistorische waarden. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is. Middels een voorwaardelijke verplichting is het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek, conform het opgestelde en goedkeurde programma van eisen, geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Voorafgaand aan het roeren van de bodem dient een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te zijn. Voor het overige is er geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

37

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting. 5.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Verwezen wordt naar het besluit van het bevoegd gezag. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen uit te sluiten zijn en dat besloten kan worden dat er geen MER opgesteld hoeft te worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

38

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4

Waterschap Vallei en Veluwe

Het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe heeft op 25 november 2009 het Waterbeheerplan 2010-2015 vastgesteld en Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland hebben dit plan goedgekeurd bij besluit van 17 december 2009. Een belangrijk uitgangspunt in het beleid is het principe van niet afwentelen. Kort gezegd betekent dit dat met het oplossen van het ene probleem, geen nieuw probleem mag ontstaan. Dit geldt voor het waterbeleid én voor de daarmee samenhangende kosten. Indien nodig zal Waterschap Vallei en Veluwe (regen)water zo veel mogelijk bovenstrooms vasthouden, vervolgens (tijdelijk) bergen in zogenaamde retentiegebieden en pas daarna afvoeren naar elders. Bij de uitwerking van dit voornemen wil het Waterschap duurzaam omgaan met het watersysteem. Concreet betekent dit dat waterlopen breder en minder diep gemaakt worden, flexibel peilbeheer of het laten meanderen (slingeren) van watergangen. Ook is het beter regen-, grond- en oppervlaktewater schoon te houden, dan het later te moeten zuiveren. Maatregelen om schone en vuile waterstromen te scheiden hebben daarom de voorkeur. Bij daken en wegen kan gedacht worden aan het loskoppelen van de regenwaterafvoer van het rioleringsysteem. Eén van de belangrijkste taken van Waterschap Vallei en Veluwe is het beschermen van het beheersgebied tegen hoogwater.

Hoogwater mag niet afgewenteld worden op aangrenzende waterschappen of de IJssel en de randmeren. Het Waterschap zorgt dan ook voor veilige dijken waarbij de cultuurhistorie en natuurwaarden niet uit het oog worden verloren.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

39

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Voorliggend bestemmingsplan is ter vooroverleg aan het waterschap Vallei en Veluwe voorgelegd. Het resultaat van de uitgevoerde digitale watertoets is opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

40

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

41

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld •

7.2.4

Wijzigingsbevoegdheid: op welke onderdelen Burgenmeester en wethouders het plan kunnen wijzigen. Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

•

•

•

•

7.2.5

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 7) Dit artikel bevat algemene regels omtrent het bouwen van gebouwen grenzend aan een verkeersbestemming en watergang. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan te wijzigen. Algemene procedureregels (Artikel 10) Op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van een nadere eis ex artikel 3.6, lid 1 sub d, van de Wet ruimtelijke ordening, is een specifieke procedure van toepassing. Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

42

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ (Artikel 3) De voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd wegen, straten, paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie en voet- en rijwielpaden met de daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting, kunstwerken, straatmeubilair, ondergrondse afvalcontainers, waterlopen en waterpartijen, bovenen/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen van algemeen nut.

‘Wonen’ (Artikel 4) De niet openbare gronden uit het plangebied zijn bestemd als ‘Wonen’. Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor het wonen en tevens voor het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep met daarbij behorende tuinen en erven, voorzieningen van algemeen nut, parkeervoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en gebouwen, geen gebouwen zijnde. Ten aanzien van de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. De voorgenomen appartementengebouw is voorzien van een eigen bouwvlak met bijbehorende maatvoering eisen. Zo is in het bouwvlak bepaald hoeveel woningen in het bouwvlak zijn toegestaan en welke maximale bouwhoogten er gelden. In de specifieke gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek. ‘Waarde – Archeologie middelmatig’ (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologie middelmatig' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

43

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Brummen. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

44

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG EN INSPRAAK

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Gelderland

Het plan is in het kader van vooroverleg naar de provincie Gelderland toegezonden. De provincie heeft positief beoordeeld op de voorgenomen ontwikkeling. 9.1.3

Waterschap Vallei en Veluwe

Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is er sprake van waterschapsbelangen. Overleg met het waterschap wordt noodzakelijk geacht, het bestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg naar het waterschap toegezonden. 9.1.4

Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland

Het plan is in het kader van vooroverleg naar de veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland verstuurd. Er zijn vanuit de veiligheidsregio geen aanvullende opmerkingen op de voorgenomen ontwikkeling.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.

9.3

Zienswijzen

Overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” met kenmerk NL.IMRO.0213.BPBRKOM100024-on01, met de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van 17 oktober 2022 voor de duur van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen, met de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. In reactie op dit ontwerpbestemmingsplan zijn drie zienswijzen ontvangen. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan De zienswijzen zijn in samengevatte vorm weergegeven in bijlage 11 van deze toelichting, waarna puntsgewijs inhoudelijk gereageerd is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

45

Bestemmingsplan “Kampweg 46, Brummen” Vastgesteld

9.4

Participatie

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier is doorlopen. Participatie Naast de wettelijke vormen van inspraak zijn de belanghebbenden door de initiatiefnemers en gemeente geïnformeerd over de beoogde plannen. Hiervoor heeft er onder andere op 6 april 2022 een informatieavond plaatsgevonden met de direct omwonenden van de locatie Kampweg. Naderhand is een verslag gemaakt van de bijeenkomst met een samenvatting van de besproken punten en een beantwoording van openstaande vragen. Dit verslag is toegestuurd aan de deelnemers. Ook hebben er 1-op-1-gesprekken plaatsgevonden met woningcorporatie Veluwonen en een werkgroep van Bewonersvereniging Brummense Enk Oost i.o.

Tijdens de verschillende gesprekken hebben de initiatiefnemer en gemeente de plannen voor de locatie Kampweg 46 toegelicht. De toelichting van de plannen ging over de stedenbouwkundige opzet van het plan (aantal woningen, bouwhoogtes, type woningen), de erfscheidingen, parkeren, de planning van het bestemmingsplan en start van de bouw. De gesprekspartners hebben op de plannen kunnen reageren. Met name de omwonenden waren kritisch ten aanzien van stedenbouwkundige inpassing (hoogte van het gebouw met mogelijke gevolgen voor privacy en schaduwwerking). Ook zijn door de omwonenden zorgen geuit ten aanzien de invulling van het parkeren, de invulling van het ‘groen’ en eventuele geluidsoverlast als gevolg van mogelijke toepassing van warmtepompen. Naar aanleiding van de gesprekken met de belanghebbenden heeft initiatiefnemer besloten om een geluidsonderzoek naar de geluidsproductie door de warmtepompen uit te laten voeren (zie bijlage 4). Tevens zal een schaduwstudie worden gedaan waarmee eventuele overlast door schaduwwerking in beeld wordt gebracht. Verder zal de architect in zijn ontwerp, binnen de kaders van het stedenbouwkundig plan, zoveel als mogelijk door kleur- en/of materiaalgebruik en detaillering proberen rekening te houden met de opmerkingen van de belanghebbenden waardoor het gebouw niet massief oogt en de privacy van omwonden zoveel als mogelijk wordt gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

46

Kampweg 46, Brummen vastgesteld

Bijlagen bij de toelichting

BJZ.nu Bestemmingsplannen

63

Kampweg 46, Brummen vastgesteld

Bijlage 1

Ladderonderbouwing

BJZ.nu Bestemmingsplannen

64

Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

Kampweg 46, Brummen

Februari 2022

Status: definitief

Kampweg 46, Brummen Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

ONDERBOUWING LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING KAMPWEG 46, BRUMMEN

Onderzoek: Project: Datum:

Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking Kampweg 46, Brummen februari 2022

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Kampweg 46, Brummen Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING .................................................................................. 3 HOOFDSTUK 2 WETTELIJK KADER ......................................................................... 4 HOOFDSTUK 3 TOETSING VAN HET VOORNEMEN AAN DE LADDER ................................ 5 3.1 3.2 3.3 3.4

INLEIDING.................................................................................................................................................5 RUIMTELIJK VERZORGINGSGEBIED .................................................................................................................5 BEHOEFTE ................................................................................................................................................5 STEDELIJK GEBIED.......................................................................................................................................8

HOOFDSTUK 4 CONCLUSIE ................................................................................. 9

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Kampweg 46, Brummen Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op het perceel aan de Kampweg 46 in Brummen. Aan de Kampweg 46 in Brummen bevindt zich een bedrijfspand waarin een kringloopwinkel is gevestigd. Initiatiefnemer heeft het plan opgevat om de locatie aan de Kampweg 46 een duurzame vervolgfunctie te geven. Initiatiefnemer is voornemens om het perceel te herontwikkelen naar een woonlocatie met 15 appartementen. Het voornemen is de bestaande bebouwing te slopen en ter plaatse een appartementengebouwen met drie bouwlagen te realiseren. Ten noorden van het appartementengebouw worden 15 bergingen gerealiseerd. Verder worden er 24 parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt de rest van het perceel groen ingericht. In afbeelding 1 is een uitsnede van de gewenste situatie opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12651001/2