CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(073) Toelichting en regels

Besluitvormende raadsvergadering 12 oktober 2023, gemeente BrummenBij agendapunt: Bestemmingsplan Emperweg 4 (hamerstuk)20.533 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

416533

GEMEENTE BRUMMEN

Bestemmingsplan Emperweg 4 Empe

Vastgesteld

Augustus 2023

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

EDOK-RO

EDOK-RO Van Breugelplantsoen 81 3771 VN Barneveld  06 – 1395 0955 @ info@edok-ro.nl

Documenttitel

: Bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Datum

: 01-08-2023

Projectnummer

: 2022-BR-01

Gemeente

: Brummen

Webadres gemeente : www.brummen.nl

Plan gemaakt door

: EDOK-RO

Contactpersoon

: Dhr. E. Dokter

In samenwerking met : Dhr. H. Pullen (Bouwbedrijf Regeling)

2

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Inhoudsopgave

Vaststellingsbesluit

5

Toelichting

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

9 9 9 11 11 12

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde situatie

13 13 13

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid en regelgeving 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Water 3.4 Gemeentelijk beleid

17 17 18 19 21

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Algemeen 4.2 Bodem 4.3 Water 4.4 Erfgoed 4.5 Flora en fauna 4.6 Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Externe veiligheid 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Kabels en leidingen 4.12 Milieueffect rapportage

23 23 23 25 26 29 32 33 34 35 37 38 38

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Inleiding 5.2 Afstemming met andere (juridische) instrumenten 5.3 De bestemmingsmethodiek 5.4 Digitale verbeelding 5.5 Regels 5.6 Uitwerking in bestemmingsplan

41 41 41 41 41 41 43

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

45 45 45

Hoofdstuk 7 Procedure en overleg 7.1 Procedurestappen 7.2 Overleg omgeving 7.3 Zienswijzen

47 47 47 47

(vastgesteld)

3

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Bijlagen

49

Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

51

Bijlage 2

Nader bodemonderzoek

53

Bijlage 3

Saneringskosten

55

Bijlage 4

Watertoets

57

Bijlage 5

Quickscan natuurtoets

59

Bijlage 6

Stikstof onderzoek

61

Bijlage 7

Aanvullende natuurtoets

63

Bijlage 8

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

65

Regels

67

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

69 69 75

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Bestemmingsregels Groen Tuin Verkeer Wonen Waarde - Archeologie laag

77 77 79 81 83 87

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Algemene regels Anti-dubbelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels

91 91 93 95 97 99 101

Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

103 103 105

Bijlagen Bijlage 1

Lijst van kleinschalige beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis

107 109

Verbeelding

4

111

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Vaststellingsbesluit

(vastgesteld)

5

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

6

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Toelichting

(vastgesteld)

7

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

8

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op de locatie Emperweg 4 in Empe zit het voormalig garagebedrijf Nieuwland. Dit bedrijf is enkele jaren geleden gestopt. Initiatiefnemer heeft een verzoek ingediend om op deze locatie twee blokken van vier rijwoningen mogelijk te maken voor de doelgroep senioren en starters. Aangezien de 8 woningen niet mogelijk zijn, is dit bestemmingsplan opgesteld zodat de woningen mogelijk worden gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied aan de Emperweg is gelegen aan de noordkant van de woonkern Empe.

Figuur 1.1: Ligging in Empe

(vastgesteld)

9

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Het plangebied is gelegen nabij de Rijksweg en grenst voor een deel aan de Emperweg en voor een deel aan de Meeuwenbergweg.

Figuur 1.2: Luchtfoto met globaal plangebied (rode lijnen) en de directe omgeving Kadastrale gegevens Kadastrale gemeente

: Brummen

Sectie

:A

Nummers

: 2387, 2444 en 2445

Figuur 1.3: Uitsnede kadastrale kaart

10

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt bestemmingsplan 'Kleine Kernen', welk is vastgesteld op 28 maart 2013.

Figuur 1.4: Uitsnede geldend bestemmingsplan(plangebied rode lijnen) Het gehele plangebied heeft de bestemming 'Bedrijf'. Binnen deze bestemming zijn bedrijven mogelijk in de categorie 1 en 2. De maximum goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 6 en 8 meter. Daarnaast geldt nog de functieaanduiding: bedrijfswoning en bijbehorende maatvoering 'maximaal aantal wooneenheden: 2'. Acht reguliere woningen zijn volgens het geldende bestemmingsplan niet mogelijk.

1.4

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Emperweg 4, Empe" bestaat uit de volgende stukken:  toelichting;  verbeelding, schaal 1:1.000 (tek.no. NL.IMRO.0213.BPKKEMPE50006-va01)  regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.

(vastgesteld)

11

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

1.5

Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water wordt in dit hoofdstuk beschreven dat de ontwikkeling die voorliggend bestemmingplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de plansystematiek en de opzet van de regels. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In het laatste hoofdstuk van dit plan wordt ingegaan op het (voor)overleg, de inspraak en de procedure.

12

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het plan

Empe De kern Empe is gelegen aan de Rijksweg en de Emperweg. De Oude IJsselarm is bepalend voor de oorsprong van Empe. Hier ontstond enkele bebouwing met het grote pand Meeuwenberg als hoogtepunt. Bochten zijn nogal belangrijk voor Empe, getuige de bijzondere, historische boerderijengroep in de bocht aan de andere kant van de Emperweg. Empe heeft zich sindsdien uitgebreid tussen de twee bebouwingsconcentraties als een prototype van een wegdorp. De kern bestaat hoofdzakelijk uit woonpercelen met vrijstaande woningen of twee-onder-één-kapwoningen die gelegen zijn aan het lint. De kern heeft vanwege deze stedenbouwkundige lintopzet geen centraal gelegen hart. Aan de Trepkesweide zijn een aantal woningen gelegen achter de lintbebouwing van de Emperweg. De overige percelen grenzen voor het merendeel met het achtererf aan het landelijk gebied van Brummen.

2.1

Huidige situatie

Op het perceel bevinden zich een voormalige werkplaats van het garagebedrijf (250 m 2), voormalige brandstoftanks en vulpunt (50 m2) en een voormalig pompeiland + oliebenzineafscheider (150 m 2). Het buitenterrein van het garagebedrijf bedraagt 600 m2 en het overige terrein 1.100 m2.

Figuur 2.1: Foto's bestaande situatie

2.2

Beoogde situatie

Het plan gelegen aan de Emperweg 4 wordt omgeven door woningbouw en past hierdoor in de bestaande structuur van Empe. Doordat het garagebedrijf verdwijnt op deze locatie zal dit het woonen leefklimaat van de directe omgeving verbeteren. De acht betaalbare woningen zijn bestemd voor starters en senioren, daar waar een grote behoefte aan is. . In Empe zijn voornamelijk veel vrijstaande woningen op een ruim kavel aanwezig. De wens van het lokale bewonersinitiatief is woningen te realiseren voor ouderen voor wie de eigen woning en tuin te groot is maar wel graag in Empe willen blijven wonen. Door een andere type woning te bouwen dan waar de woningvoorraad voornamelijk uit bestaat, zal er naar verwachting doorstroming plaatsvinden.

(vastgesteld)

13

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe Tussen de twee rijtjes woningen, wordt in het groen een kronkelend wandelpad naar de achtergelegen buurt aangelegd. Door de aanleg van dit groene middengebied wordt verharding beperkt en de beleving voor de aangrenzende woningen en de omgeving verbeterd en ontstaat de mogelijkheid voor infiltratie De woningen worden ontworpen als 2 blokken van 4 rijwoningen bestaande uit 1-laag met een kap. Op de begane grond worden alle voorzieningen gerealiseerd. Eventueel op de eerste verdieping is de mogelijkheid om bijvoorbeeld extra slaapkamers te ontwikkelen, de tweede verdieping is een zolderruimte. Hieronder volgt de situering van woonblok 1 t/m 4 en 5 t/m 8.

Figuur 2.2: Overzicht woonblok 1 t/m 4 en 5 t/m 8

Woonblok 1 t/m 4

Figuur 2.3: Indicatieve 3D tekening woonblok 1 t/m 4 (vooraanzicht en achteraanzicht

14

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe Woonblok 5 t/m 8

Figuur 2.4: Indicatieve 3D tekening woonblok 5 t/m 8 (vooraanzicht en achteraanzicht) Door Architectenbureau WDG is een verkaveling ontworpen (zie figuur 2.5).

Figuur 2.5: Verkaveling ontworpen door Architectenbureau WDG Het parkeren vindt plaats binnen het plangebied. De parkeerplaatsen liggen deels haaks op de Emperweg en zijn deels bereikbaar via de Meeuwenbergweg (zie ook 4.10 Verkeer en parkeren) . Het gebied tussen de twee woonblokken wordt groen ingericht, met daar door heen slingerend een pad, waarop de entree's van de woningen zijn aangesloten.

(vastgesteld)

15

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

16

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijksbeleid en regelgeving

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio's;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen.

Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:  Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;  Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.

(vastgesteld)

17

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

3.1.3

Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.

Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Bij voorliggend plan worden 8 nieuwe woningen gerealiseerd op een locatie van een voormalig garagebedrijf. Hierdoor is sprake van inbreiding en dus van zorgvuldig ruimte gebruik. Dit zijn minder dan 11 woningen, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de behoefte van de ontwikkeling niet hoeft te worden aangetoond. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Algemeen Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan:  energietransitie;  klimaatadaptatie;  circulaire economie;  biodiversiteit;  bereikbaarheid;  economisch vestigingsklimaat;  woon- en leefklimaat. Woon- en leefklimaat Voor dit bestemmingsplan is de ambitie voor het woon- en leefklimaat van toepassing. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Zo worden de economische kracht en kwaliteit van leven in Gelderland versterkt, nu en in de toekomst. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij.

18

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In de groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen. 3.2.2

Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening Gelderland is het ruimtelijke beleid zoals dat in de Omgevingsvisie Gelderland is verwoord, deels verankerd. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De omgevingsverordening wordt regelmatig geactualiseerd. Voor onderhavig plan is gebruik gemaakt van de vastgestelde versie. Deze verordening is bindend voor de gemeente. Voor zover sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro kan geconcludeerd worden dat de medewerking aan de planrealisatie op een juiste wijze is afgewogen en dat voldaan wordt aan het gestelde in de Omgevingsverordening Gelderland. Geconcludeerd kan worden dat de aard van het bestemmingsplan zodanig is dat het provinciale beleid, anders dan vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, niet aan de orde is.

3.3

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis van welzijn en welvaart.

Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepsvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.

(vastgesteld)

19

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op:  heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte;  beheersbaar programma over de waterkeringen;  doelmatig beheer van de waterketen;  werkzaamheden slim combineren;  het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Waterplan provincie Gelderland In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaan uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provincie brede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water is voor bepaalde oppervlaktewateren vastgelegd of het een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewater is. Ook zijn voor die oppervlaktewateren ecologische doelen geformuleerd. Voor verbetering van de grondwaterkwaliteit zijn maatregelen opgenomen.

Waterbeheerprogramma waterschap Vallei en Veluwe Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn:  een veilig rivierengebied: verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepaste ruimtelijke inrichting door risicobeheersing (bijv. evacuatie);  anticiperen op klimaatveranderingen: een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijke gebieden en recreatie;  het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en slibverwerkingen. Keur waterschap Vallei en Veluwe De Keur is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van A- of B-waterlopen niet zonder toestemming van het waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang.

De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd, dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Blauwe Omgevingsvisie 2050 De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:  Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.  Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.  Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en

20

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe ondergrond. Blauw omgevingsprogramma 2022-2027 Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.  Waterveiligheid: Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.  Watersysteem: Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.  Wonen en zuiveren: Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.

 Circulaire economie: Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.  Energietransitie: Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op Groen'

De Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie 'Ligt op groen' fungeert als toetsingskader op hoofdlijnen voor (bouw)initiatieven en stuurt op kwaliteiten, ambities en doelen. Het doel van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie is sturing te geven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Brummen. De visie is het vertrekpunt voor de discussies over ruimtelijke vraagstukken die op grotere schaal spelen (regio, provincie, Rijk). De ruimtelijke ontwikkelingsvisie behelst een lange termijnvisie (Strategische visie tot 2030) en de korte termijnvisie (Ruimtelijke visie 2005 tot 2015). In de lange termijnvisie zijn de volgende keuzes gemaakt op het gebied van wonen:  De gemeente Brummen kiest er voor om voldoende woningbouw voor de lokale woningbehoefte te realiseren en concentreren deze woningbouw bij de kernen Brummen en Eerbeek. Dit draagt bij aan het draagvlak van de voorzieningen.  Indien op den duur blijkt dat er behoefte is aan een regionale opvangtaak voor woningbouw in de gemeente Brummen, dan zal de gemeenteraad op dat moment over het wel of niet faciliteren van deze opvangtaak een besluit nemen.  De kernen Brummen en Eerbeek blijven eigen gemeenschappen met een eigen karakter.  Nieuwe woningbouw versterkt de groene kwaliteiten c.q. het groene karakter.

De bijdrage kan bestaan uit een directe fysieke bijdrage, bijvoorbeeld door een landschappelijke inpassing van een project met bos/natuur, dan wel een financiële bijdrage in een gemeentelijk natuur- en landschapsfonds (financieel afromen van stedelijke bouwprojecten ter uitvoering van landschapsbeleidsplan en groenstructuurplan).  Kleinschalige toevoeging van woningen in de kleine kernen of het buitengebied wordt benut om de (groene) kwaliteit te versterken. Hieronder wordt verstaan herinvulling van voormalige agrarische gebouwen of (her)ontwikkeling in kleine kernen. Beoordeling De woningbouw in voorliggend plan voorziet in een herontwikkeling van een voormalige bedrijfslocatie in de kern Empe. Uit oogpunt van zuinig ruimtegebruik is transformatie van de locatie een positieve ontwikkeling.

(vastgesteld)

21

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe 3.4.2

Toekomstvisie 2030 Gemeente Brummen

De toekomstvisie 'Innoveren met oude waarden' zet voor de gemeente Brummen de stip op de horizon van 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de gemeente de komende jaren samen wil maken. Natuur, landschap, water, papier en landgoederen zijn belangrijke kernwaarden in de gemeente die verleden en heden met elkaar verbinden. Maar inwoners vinden Brummen vooral een gemeente waar je goed kunt wonen en leven. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn ingedeeld in drie thema's:  Ruimte voor papier en landgoederen.  Samen gezond wonen, werken en leven.  Op groene voet met groene vingers. De gemeente wil een gevarieerde woningaanbod en meer levensloopbestendige woningen. De gemeente kiest voor inbreiding op locaties die al bebouwd zijn in plaats van uitbreiding. Bestaande woonwijken worden geherstructureerd, vernieuwd en levensloopbestendig gemaakt. Beoordeling Met voorliggend initiatief worden 8 aangebouwde woningen gerealiseerd op een voormalige bedrijfslocatie waardoor er sprake is van inbreiding en past in het gemeentelijke beleid. 3.4.3

Woonvisie 2016 - 2025 gemeente Brummen

De Woonvisie 2016-2025 beschrijft als wensbeeld voor de toekomst een vertrouwd dorps woonklimaat in een economisch vitale gemeente met een duurzaam en sociaal karakter. Dit wensbeeld wordt uitgewerkt in een viertal pijlers: 1. Betaalbaarheid en beschikbaarheid. De gemeente wil nieuwbouw realiseren die complementair is aan de bestaande voorraad en de huidige woonmilieus versterkt. Daarmee wil de gemeente aansluiten bij de verwachte huishoudensgroei. Voor de gehele gemeente is een nieuwbouwprogramma van 550 woningen opgenomen. Wanneer de nieuwbouwplannen naast de verwachte woningbehoefte worden gelegd, blijft er een tekort van 100 woningen over in de gemeente Brummen. 2. Wonen, zorg en vergrijzing. De gemeente wil ervoor zorgen dat ouderen oud kunnen worden in hun eigen wijk of kern en wil dat er voldoende woonmogelijkheden zijn voor mensen met een zorgbehoefte. Er wordt daarom ingezet op meer levensloopbestendige woningen en mantelzorgwoningen en aanpassingen voor langer zelfstandig thuis wonen. 3. Duurzaamheid. De gemeente ambieert een groene en duurzame leefomgeving met duurzame woningen met een gezond leefklimaat. 4. Leefbaarheid. Er wordt ingezet op goede leefbaarheid met een voorzieningenniveau in de kleine kernen dat op peil is. De gemeente Brummen gaat haar Woonvisie 2016 - 2025 actualiseren.

Het wensbeeld voor de toekomst blijft overeind, net als de pijlers die belangrijk zijn. De Woonvisie wordt dus niet herschreven, maar aangepast aan nieuwe wetgeving en nieuwe technische inzichten. De belangrijkste ontwikkelingen zijn:  Wetgeving rondom het scheiden van wonen en zorg. Met als doel: mensen moeten langer zelfstandig thuis blijven wonen, met meer zorg aan huis. Ook kan er behoefte zijn aan bijzondere woonvormen.  Duurzaamheid: 95% van de woningvoorraad staat er al. Dat betekent dat verduurzamen vraagt om aanpassingen van bestaande huizen. Mensen moeten zich hiervan meer bewust worden.  Vraag en aanbod: zijn deze nog goed op elkaar afgestemd? Het is goed om inzicht te krijgen in de woningmarkt en te onderzoeken aan welke woningen in de toekomst nog behoefte is. De Woonvisie gaat niet over individuele woningbouwplannen en -locaties. Na de actualisatie van de Woonvisie stelt de gemeente richtlijnen op voor nieuwe woningbouwinitiatieven. Deze dienen als toetsingskader voor woningbouwplannen.

22

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovend ien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.2.2

Onderzoek

In juni 2022 is door Eco Reest een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om een een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein (zie Bijlage 1). Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen met tuin). Vooronderzoek De te onderzoeken locatie is in het verleden in gebruik geweest als garagebedrijf met benzineservice-station. Op het terrein zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd, waarbij plaatselijk hooguit lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. Veldwerkzaamheden Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit een afwisseling van zand en leem. Het grondwaterniveau is tijdens het onderzoek vastgesteld op diepte variërend van 1,6 tot 2,2 m-mv. Tijdens het veldwerk zijn enkele voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. In de bodem ter plaatse van het voormalige pompeiland is zintuiglijk een verontreiniging met olieproduct waargenomen. Verder zijn plaatselijk in meer of mindere mate bijmengingen met baksteenresten aangetroffen. Op twee plaatsen is de boring gestaakt op een harde laag, mogelijk is hier eveneens baksteenpuin of ander puin in de bodem aanwezig.

Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. Uit de chemische analyses is het volgende naar voren gekomen: Grond In de ondergrond, gesitueerd nabij het voormalige pompeiland, zijn sterk verhoogde gehalten aan ethylbenzeen en xylenen en licht verhoogde gehalten aan tolueen en minerale olie aangetoond. Het gehalte aan vluchtige olie overschrijdt de gezondheidskundige risicowaarde bodem voor minerale olie in grond. Op basis van de aangetroffen stoffen en het chromatogram betreft het vermoedelijk een benzineverontreiniging.

(vastgesteld)

23

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe In de baksteen- en kolengruishoudende bovengrond van Mp. 22, gesitueerd op het achterterrein, zijn licht verhoogde gehalten aan koper, lood, zink, minerale olie, PCB en PAK aangetroffen. Deze verontreinigingen hangen vermoedelijk samen met de aangetroffen bijmengingen. Verder zijn er in de grondmonsters geen gehalten aan de onderzochte parameters gemeten boven de achtergrondwaarden en/of detectiegrenzen. Grondwater In het grondwater van Pb. 02, gesitueerd in de werkplaats, is een licht verhoogd gehalte aan nikkel gemeten. Dit gehalte is waarschijnlijk een gevolg van fluctuerende van nature verhoogde achtergrondconcentraties, die vaker voorkomen in de regio. In het grondwater van Pb. 03, gesitueerd nabij het voormalige pompeiland, is een sterk verhoogd gehalte aan xylenen aangetoond en daarnaast licht verhoogde gehalten aan benzeen, ethylbenzeen, naftaleen en minerale olie. Het gehalte aan vluchtige olie overschrijdt de gezondheidskundige risicowaarde bodem voor minerale olie in grondwater. Op basis van de aangetroffen stoffen en het chromatogram betreft het vermoedelijk een benzineverontreiniging. Verder zijn er in de grondwatermonsters geen gehalten aan de onderzochte parameters gemeten boven de streefwaarden en/of detectiegrenzen. 4.2.3

Conclusie

Conclusies en aanbevelingen Voormalig pompeiland Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de ondergrond en het grondwater ter plaatse van het voormalige pompeiland overschrijdingen van de interventiewaarden zijn aangetoond. De hypothese, zijnde een verdachte deellocatie, is hiermee derhalve bevestigd. De omvang van de verontreiniging is op basis van het uitgevoerde onderzoek niet betrouwbaar vast te stellen. Daarom wordt geadviseerd om een nader bodemonderzoek uit te voeren. Op die manier wordt meer inzicht verkregen in de aard en omvang van de verontreiniging, zodat duidelijk wordt of bij de geplande bestemming (wonen) verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu te verwachten zijn. Ook kan op basis van de resultaten van een nader onderzoek een betrouwbare raming van de saneringskosten worden gemaakt. Hiermee is rekening gehouden in de exploitatiekosten. In april 2023 is door Eco Reest een nader bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2). Doel van het nader onderzoek is het bepalen van de omvang, ernst en mate van spoed van sanering van de sterk verhoogde gehalten aan vluchtige aromaten en minerale olie in de grond en het grondwater ter plaatse van het betreffende terreindeel. Daarnaast dient de oorzaak, de veroorzaker en periode van ontstaan van de bodemverontreiniging te worden vastgesteld.

Uit het nader onderzoek blijkt dat als gevolg van morsingen bij het tanken en/of lekkage vanuit het leidingwerk de grond en het grondwater sterk verontreinigd is geraakt met minerale olie en vluchtige aromaten. De activiteiten van het benzine-service-station hebben tot omstreeks 2008 plaatsgevonden, waardoor de verontreinigingen mogelijk voor een deel na 1987 zijn ontstaan. Vanwege de bouwplannen op het terrein en omdat niet geheel uitgesloten kan worden dat sprake is van een zorgplichtgeval, wordt geadviseerd om de verontreiniging geheel te saneren. Initiatiefnemer gaat de verontreiniging saneren en heeft daarvoor als laten berekenen wat de saneringskosten zullen zijn (zie Bijlage 3 Saneringskosten). Overige deellocaties In het grondwater (Pb. 02) van de voormalige werkplaats is voor nikkel een overschrijding van de streefwaarde aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een verdachte locatie, is hiermee voor dit deel van de locatie derhalve formeel aangenomen. Dit gehalte is echter waarschijnlijk een gevolg van fluctuerende van nature verhoogde achtergrondconcentraties en niet van de bedrijfsactiviteiten die hebben plaatsgevonden. Daarom wordt de onderzoekshypothese, zijnde een verdachte locatie, voor dit deel van de locatie derhalve alsnog verworpen.

24

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe In de bovengrond (Mp. 22) van het overige terrein van de achtergrond- en streefwaarden aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee voor dit deel van de locatie derhalve verworpen. In de bodem zijn plaatselijk verhardingslagen aangetroffen (Mp. 04, 21 en 22). Geadviseerd wordt om dit materiaal bij het bouwrijp maken van het terrein af te voeren. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de geplande bestemming (wonen) van het terrein, concluderen wij dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, op de overige delen van het terrein niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek van de overige delen van het terrein vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de geplande woonbestemming van het terrein. Eindconclusie Het aspect bodem is geen belemmering voor de reallisatie van het plan.

4.3

Water

4.3.1

Algemeen

Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid is aan de orde gekomen in paragraaf 3.3. Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en water(over)last voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het noodzakelijk dat gebiedseigen water zo lang mogelijk in het gebied zelf blijft. Dit gebeurt door middel van het afkoppelen van het schone hemelwater (regen) wat op verhardingen valt zoals bijvoorbeeld de daken. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, is het opnemen van een waterparagraaf verplicht. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het plan oplegt. Ook worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan meegenomen. Uitgangspunt hierbij is dat een ruimtelijk plan niet mag leiden tot een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie.

Het watersysteem in stedelijk en landelijk gebied moet een bui die eens in de 100 jaar voorkomt (T=100, 60 mm) blijven functioneren. Het waterschap Vallei en Veluwe hanteert een vrijstelling van compensatie als de toename van het verhard oppervlak minder is dan 1.500 m² in stedelijk gebied en 4.000 m² in landelijk gebied. De gemeente Brummen stelt dat voor de gebieden waar infiltratie en/of afvoer naar het oppervlaktewater mogelijk is, een bui die eens in de twee jaar voorkomt (20 mm) volledig op eigen terrein moet worden geborgen. 4.3.2

Onderzoek

Ten behoeve van de gehele ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd, opgenomen in Bijlage 4. Aangezien hier sprake is van een afname van verhard oppervlak is dit positief voor de infiltratie van het water in de bodem. Het hemelwater vanaf de daken wordt aangesloten op het gemeentelijk hemelwaterriool. 4.3.3

Conclusie

Het aspect water is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

(vastgesteld)

25

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe

4.4

Erfgoed

4.4.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Onderzoek Voor dit plan is het parapluplan Archeologie en de archeologische beleidskaart van de gemeente Brummen geraadpleegd. Parapluplan archeologie

Figuur 4.1: Uitsnede parapluplan Archeologie Volgens dit plan heeft het plangebied de bestemming 'Waarde - Archeologie laag'. Hiervoor geldt dat voor bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 2.500 m 2 er archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

26

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe Archeologische beleidskaart

Figuur 4.2: Uitsnede archeologische beleidskaart Voor het plangebied geldt AV 5, zone met een lage archeologische verwachting en zone met een middelmatige archeologische verwachting voor water gebonden objecten. Hiervoor geldt dat voor bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 2.500 m2 er archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van 2.124 m 2, dus wordt de vrijstellingsgrens niet overschreden en is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Archeologie is geen belemmering voor dit plan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.4.2

Cultuurhistorie

Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat.

(vastgesteld)

27

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven.

De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio's te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma's en projecten. Onderzoek

Figuur 4.2: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Gelderland Uit de cultuurhistorische waardenkaart Gelderland blijkt dat er alleen aan de overzijde Emperweg 5 een rijksmonument aanwezig is. De ontwikkeling van de Emperweg 4 heeft geen invloed op de belevingswaarde van dit rijksmonument.

28

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe Conclusie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in het plangebied zijn niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Daarnaast zijn ook in de (directe omgeving), behalve Emperweg 5, geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.5

Flora en fauna

4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.

Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

(vastgesteld)

29

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe 4.5.2

Onderzoek

In september 2022 is door Eco Reest een quickscan natuurtoets uitgevoerd on inzicht te verkrijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden als gevolg van het plan (zie Bijlage 5 Quickscan natuurtoets). Gebiedsbescherming Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming wordt het volgende geconcludeerd: Natura 2000 Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen Landgoederen Brummen en Rijntakken, op respectievelijk 1,4 en 2,7 kilometer afstand (. Vanwege deze afstand, de potentiële effecten, bekende dosis-effectrelaties en de aard/omvang van de voorgenomen ontwikkeling, zijn negatieve effecten, met uitzondering van stikstofdepositie, op voorhand uitgesloten. In een separate notitie zijn stikstofdepositieberekeningen voor voorliggend plan uitgevoerd om inzichtelijk te maken of sprake is van (toename van) stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (zie Bijlage 6 Stikstof onderzoek). De AERIUS-berekening voor de gebruiksfase en de realisatiefase van het beschouwde plan toont aan het toekomstige gebruik géén stikstofdepositie boven 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (en natuur buiten het NNN).

Het voorgenomen plan heeft gezien de ligging binnen de bebouwde kom en de aard en omvang van de plannen geen effect op deze gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde. Soortenbescherming en effectbeoordeling Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd:  De woning binnen het plangebied is potentieel geschikt voor jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw. Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden kunnen jaarrond beschermde nesten verstoord/vernield worden, hetgeen tot een overtreding op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan leiden. Om te bepalen of uit te sluiten dat jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig.  Binnen het plangebied is een nestlocatie van huiszwaluw (categorie 5 soort) aangetroffen. Gezien het feit dat het om één enkel nest gaat en de verwachting dat - gezien de ligging van het plangebied nabij watergangen - voldoende nestmateriaal voorhanden is, is het nest van de huiszwaluw in dit geval niet jaarrond beschermd. Wel wordt geadviseerd een ecologische plus voor huiszwaluw op te nemen in de nieuwbouw plannen.  Binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle nesten van vogels zijn tijdens het broedseizoen beschermd.

 Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten in de woning en de loods. Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden kunnen deze potentiële verblijfplaatsen verstoord/vernield worden, hetgeen tot een overtreding op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen kan leiden. Om te bepalen of uit te sluiten dat verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig.  Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied van vleermuizen. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan.  Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten.  In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen.

30

(vastgesteld)

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe 4.5.3

Aanvullend onderzoek

In juli 2023 is door Eco Reest een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen (zie Bijlage 7 Aanvullende natuurtoets). Doel van het nader onderzoek is tweeledig: 1. Er wordt vastgesteld of en zo ja op welke manier, het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van: a. Vleermuizen, paar-, zomer, kraam- en/of winterverblijfplaatsen van:  Gewone dwergvleermuis  Ruige dwergvleermuis  Laatvlieger  Meervleermuis b. Huismus c. Gierzwaluw 2. Daarnaast wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb) tot gevolg hebben. Uit het onderzoek blijkt dat: Vleermuizen: Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden worden verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vernield. Hiermee is sprake van een overtreding van artikel 3.5 (2e en 4e lid) van de Wnb. Jaarrond beschermde vogelnesten: Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden worden nestplaatsen en kwetterplekken van huismus weggenomen. Hiermee is sprake van een overtreding van artikel 3.1 (2e lid) van de Wnb. Vervolgstappen Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt een overtreding verwacht op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het wegnemen of verstoren van een functionele verblijfplaats van gewone dwergvleermuis en nestplaatsen van huismus tijdens het broedseizoen, is wettelijk gezien een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gedeputeerde Staten kan onder Artikel 3.3 lid 4 en Artikel 3.8 lid 5 een ontheffing verlenen “in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten”, in het geval er geen andere bevredigende oplossing is én de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (art. 3.3) of er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (art. 3.8).Om een ontheffing te verkrijgen, moet bij de aanvraag een activiteitenplan meegestuurd worden waarin wordt beschreven hoe elke verblijfplaats die komt vervallen gecompenseerd wordt en hoe bij de uitvoer van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de beschermde soorten. Mitigerende maatregelen Voor verblijfplaatsen van vleermuizen geldt dat er alternatieve verblijfplaatsen moeten worden aangeboden als de huidige verblijfplaatsen worden aangetast. Ook voor nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen geldt dat er alternatieve nestplaatsen moeten worden aangeboden als de huidige nestplaatsen worden aangetast.

Deze alternatieve nest- of verblijfplaatsen moeten tijdig voor de werkzaamheden worden aangeboden, omdat er rekening gehouden moet worden met een gewenningsperiode. Er wordt door Eco Reest een ontheffing aangevraagd. Onderdeel van de ontheffing is het aanbrengen van tijdelijke mitigatie. Voor de vleermuis geldt: 4 kasten en voor de mussen 3 x 2 = 6 kasten. Tevens zal Eco Reest een activiteitenplan opstellen dat gebruikt wordt bij de ontheffingsaanvraag. 4.5.4

Conclusie

In alle redelijkheid is aan te nemen dat de ontheffing kan worden verleend, zodat de uitvoering van het plan niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. Sloop van de bestaande panden wordt pas verleend als de ontheffing is verleend.

(vastgesteld)

31

bestemmingsplan Emperweg 4, Empe Flora en fauna is dan ook geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.6

Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

4.6.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:  de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;  het aantal rijstroken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13211591/2