(064) Bijlagen bij toelichting ontwerpbestemmingsplan Eerbeek, Beekwal e.o.
Tekst van het document
404087
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Eerbeek, De Beekwal e.o.
Gemeente Brummen
Datum: 30 juni 2022 Projectnummer: 220186
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Het plan Leeswijzer
3 3 4
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
5
2.1 2.2 2.3 2.4
Stedelijke ontwikkeling Marktgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied
5 6 7 10
3
Conclusie
11
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
1.2
Het plan Het voornemen bestaat om in drie fasen een nieuwbouwontwikkeling uit te voeren op meerdere gronden aan de Derickxkamp in Eerbeek. Het woonprogramma bestaat in totaal maximaal uit 115 woningen verdeeld over maximaal 80 wooneenheden beschermd wonen en 35 huurappartementen van 60 en 75 m2 GO. De herontwikkeling zal in drie fasen uitgevoerd gaan worden. In fase 1 wordt de voormalige schoollocatie aan de noordzijde van het plangebied gesloopt. Hier is ter plaatse nieuwbouw beoogd voor circa 40 wooneenheden beschermd wonen inclusief de daarbij behorende algemene ruimten en voorzieningen. De nieuwbouw zal grotendeels bestaan uit twee bouwlagen met kapconstructie. Dat geldt ook voor de nieuwbouw in fase 2, waarvoor de aanleunwoningen aan de zuidoostzijde van het plangebied gesloopt worden ten behoeve van nieuwbouw van circa 40 wooneenheden beschermd wonen met daarbij ook de algemene ruimten/voorzieningen. In de laatste, derde fase wordt in het westen 3
van het plangebied het huidige zorgcentrum ‘De Beekwal’ gesloopt. Hiervoor in de plaats zullen circa 30 wooneenheden ‘Wonen met een Plus’ (huur) gebouwd worden. Hier is de nieuwbouw beoogd variërend in hoogte; 2, 3 of 4 bouwlagen zonder kapconstructie. Bij iedere fase zullen ook de bijbehorende parkeerplaatsen, voorzieningen en overige terreininrichting gerealiseerd worden.
Impressie beoogde situatie woonpark ‘De Beekwal’ (bron: Sacon).
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst bepaald worden of en, zo ja, waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het marktgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.
4
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
2.1
Stedelijke ontwikkeling
2.1.1
Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Nota van Toelichting (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.
2.1.2
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal maximaal 80 wooneenheden beschermd wonen en 35 huurappartementen. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie1 dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling 2. Gelet op het feit de huidige Beekwal 64 woonzorgeenheden heeft en er nog 15 aanleunwoningen in het plangebied aanwezig zijn worden er als gevolg van deze ontwikkeling 115-79=36 woon(zorg)eenheden door dit plan extra gerealiseerd en is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
2.1.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is voorliggende ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.
1 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). 2 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).
5
2.2
Marktgebied
2.2.1
Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.
2.2.2
Toetsing De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende regio of gemeente. Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Brummen worden geanalyseerd, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat bijna de helft van alle gevestigde personen uit de gemeente zelf afkomstig is. Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Brummen in 2020
Verhuisbewegingen Brummen
Aantal
Aandeel (%)
Binnen gemeente Brummen
996
47,2 %
Vanuit andere gemeenten
1.049
49,7 %
Vanuit het buitenland Totaal aantal verhuizingen
66
3,1 %
2.111
100,0 %
(Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek) Tabel: Verhuisbewegingen naar Brummen naar herkomst in 2020
Gemeente
Aantal
Aandeel (%)
Brummen
996
47,2 %
Apeldoorn
241
11,5 %
Zutphen
108
5,1 %
Rheden
77
3,6 %
Arnhem
73
3,5 %
Amsterdam
39
1,8 %
Deventer
37
1,8 %
Voorst
24
1,1 %
Elders
516
24,4 %
Totaal
2.111
100,0 %
(Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek)
Daarnaast zijn er verhuisrelaties met de gemeenten uit de omgeving van Brummen, namelijk de gemeenten Apeldoorn, Zutphen, Rheden en Arnhem. In mindere mate is er ook een verhuisrelatie met andere gemeenten uit de omgeving, zoals Deventer en Voorst.. Ondanks de geografische afstand bestaat er ook een relatief grote verhuisrelatie met de gemeente Amsterdam. De hiervoor opgenomen tabel laat de meest
6
relevante verhuisbewegingen naar de gemeente Brummen vanuit andere gemeenten zien. 2.2.3
Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het marktgebied zich primair richt op de gemeente Brummen. Op basis van de aard (woonzorgontwikkeling, met als voornaamste doelgroep senioren), ligging van de beoogde ontwikkeling en de verhuisbewegingen uit het verleden geldt de verwachting dat de ontwikkeling geen grote bovengemeentelijke aantrekkingskracht heeft.
2.3
Behoefte
2.3.1
Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.
2.3.2
Analyse Huishoudensontwikkeling In het ‘Rapport wonen met zorg’ worden onder andere de bevolkingsontwikkeling en de huishoudensontwikkeling in de gemeente Brummen uitgewerkt. De verwachting is dat de totale bevolking binnen de gemeente Brummen ongeveer gelijk zal blijven (net onder de 21.000). Wel wordt er een flinke verschuiving in de leeftijdscategorieën verwacht. Voornamelijk de groep 20-64 jaar zal het meest afnemen en voor de groep 75plussers wordt een forse stijging geprognosticeerd. Op basis van de bevolkingsprognose zal ook de samenstelling van de huishoudens sterk veranderen. Het aantal 1- tot 2-persoons huishoudens tot 64 jaar zal met bijna 300 huishoudens afnemen, terwijl bij de 65+ huishoudens een flinke stijging wordt verwacht van bijna 950 huishoudens. Er wordt ook een groei van bijna 100 gezinshuishoudens verwacht, waardoor per saldo een toename van 750 huishoudens tot 2030 wordt verwacht. Huishoudensprognose een- en tweepersoonshuishoudens gemeente Brummen 2018 - 2030
Huishoudensprognose
2018
2023
2030
Totaal
9.023
9.450
9.775
750
Als de ontwikkeling van de huishoudens wordt vergeleken met het huidige aanbod, is het aannemelijk dat er een tekort ontstaat in het aantal beschikbare levensloopgeschikte woningen. Zowel in de sociale huursector (circa 350) als in de koopsector (circa 150). Ook is zeer waarschijnlijk behoefte aan meer eengezinshuurwoningen (circa 125) en twee-onder-één-kap koopwoningen (circa 125).
7
Ontwikkeling vraag zorgwoningen De veranderingen in de zorgwetgeving hebben gevolgen voor de intramurale zorg. Mensen met een zorgindicatie ZorgZwaartePakket (ZZP) kunnen sinds 1 januari 2016 minder gemakkelijk naar een zorginstelling verhuizen. Dit zal door de vergrijzing leiden tot een tekort aan plaatsen. Zo’n 30 tot 40% (landelijke cijfers) wordt veroorzaakt door de toename van mensen met een vorm van dementie. Kwalitatief sluit het intramurale aanbod niet altijd goed aan. Het huidige aanbod is relatief grootschalig, terwijl er ook behoefte is aan meer kleinschalige zorgcentra. Tegelijkertijd zijn investeringen in zorgvastgoed steeds risicovoller door wijzigingen in de regelgeving, hetgeen leidt tot afwachtend gedrag bij investeerders. Woonzorgvisie 2021-2030 Met de toename van de vergrijzing, veranderende woonbehoeften van inwoners en wijzigende wet- en regelgeving komen er grote opgaven op ons af op het gebied van wonen, zorg en welzijn. In de woonzorgvisie wordt uitgebreid ingegaan op de ontwikkeling van ouderen en daarbij behorende zorg. Het staat vast dat het aantal ouderen en daarmee ook het aantal ouderen met de vraag om toegankelijke woningen zal toenemen. Hoe sterk is afhankelijk van meerdere factoren.
Op basis van de analyse kiest de gemeente ervoor om de prognose van het aantal benodigde toegankelijke woningen voor ouderen vast te stellen op het prevalentiecijfer 10,0. Het nieuwe prevalentiecijfer is gebaseerd op het aantal afgegeven indicaties (inclusief het aantal indicaties dat is verzilverd met zorg in de eigen omgeving). Het houdt ook rekening met een mogelijke beperkte groei. Het totaal aantal toegankelijke woonplekken voor ouderen de komende jaren komt hiermee op 243 in 2020, 294 in 2025 en 323 in 2030.
Prognose toegankelijk wonen gemeente Brummen (bron: gemeente Brummen).
Het verschil tussen de prognose (243) en het huidige aantal beschikbare plekken (107) is de theoretische behoefte (136). Er zullen op korte termijn 136 extra plekken moeten komen om met terugwerkende kracht 243 plekken te bieden. Er zijn geen marktinitiatieven bekend die het benodigd aanbod kunnen terugbrengen. De opgave tot 2030 ziet er als volgt uit.
Opgave toegankelijk wonen gemeente Brummen (bron: gemeente Brummen).
8
Daarnaast is aandacht voor woonplekken voor mensen met dementie. Op basis van de analyse kiest de gemeente ervoor om de prognose van het aantal plekken voor mensen met dementie vast te stellen op het prevalentiecijfer 5,4. Het nieuwe prevalentiecijfer is gebaseerd op het aantal afgegeven indicaties (inclusief het aantal indicaties dat is verzilverd met zorg in de eigen omgeving). Het houdt ook rekening met een mogelijke beperkte groei. Het totaal aantal beschermd woonplekken voor mensen met dementie de komende jaren komt hiermee op 132 in 2020, 159 in 2025 en 177 in 2030.
prognose beschermd wonen dementie gemeente Brummen (bron: gemeente Brummen)
Het verschil tussen de prognose (132) en het huidige aantal beschikbare plekken (82) is de theoretische behoefte (50). Er zullen op korte termijn 50 extra plekken moeten komen om met terugwerkende kracht 132 plekken te bieden. Er zijn enkele marktinitiatieven bekend die bij elkaar zorgen voor 41 extra plekken, waarbij de ontwikkeling van de Beekwal is meegenomen. Met terugwerkende kracht zijn er dan 9 extra plekken nodig. De opgave tot 2030 ziet er als volgt uit.
opgave beschermd wonen dementie gemeente Brummen (bron: gemeente Brummen)
2.3.3
Conclusie Gelet op de kwantitatieve en kwalitatieve huishoudensontwikkeling met bijbehorende woonwensen kan gesteld worden dat het plan met haar programma met geclusterde woonzorgwoningen en voor ouderen geschikte woningen aansluit bij de demografische ontwikkelingen en wensen in het marktgebied. Ook bestaat er nog een bouwopgave om aan de geprognosticeerde vraag voor ‘toegankelijk wonen’ te kunnen voldoen en is wat betreft de woonzorgeenheden reeds in de gemeentelijk woonzorgprogrammering rekening gehouden met voorliggende ontwikkeling wat betreft het programma voor beschermd wonen. Bovendien wordt met de ontwikkeling voornamelijk gezorgd voor een vernieuwing van het bestaande woonzorgaanbod van Eerbeek. Met de ontwikkeling wordt dan ook gezorgd dat ouderen ook richting de toekomst in Eerbeek kunnen blijven wonen. De prioriteit wordt gegeven aan een kwalitatieve toevoeging met meerwaarde voor de omgeving door middel van een parkachtige setting met ontmoetingsplekken. Het levensloopbestendige karakter, de aanwezigheid van zorg en het huishoudenstype geven antwoord op de kwalitatieve woonbehoefte
9
van ouderen en draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte van het marktgebied.
2.4
Bestaand stedelijk gebied
2.4.1
Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien. Dit kan bijvoorbeeld door benutting van beschikbare gronden, herstructurering of transformatie. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied.
2.4.2
Toetsing Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Eerbeek. Momenteel is het plangebied ingericht als school, zorgcomplex en woongebied. De gronden hebben deels een maatschappelijke bestemming en deels een woonbestemming. De omgeving van het plangebied wordt vrijwel volledig gevormd door woningen en andere bebouwing/stedelijke functies. Dit tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied, wordt geconcludeerd dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Bovendien kan gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de beoogde ontwikkeling gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling op deze locatie past. De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande woonomgeving. Daarnaast wordt de ontwikkeling ruimtelijk gezien ingepast in de ruimtelijke structuren van de omgeving, door onder andere qua schaal en uitstraling aan te sluiten bij de bestaande bebouwing in de omgeving.
2.4.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling is voorzien binnen bestaand stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op deze locatie past. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.
10
3
Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar geacht wordt voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.
11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Eerbeek, Beekwal e.o.
Gemeente Brummen
Datum: 31 januari 2023 Projectnummer: 220186
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding De m.e.r. –beoordeling Leeswijzer
3 3 5
2
Kenmerken van het plan
6
2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Beschrijving van het plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan
6 6 7 7
3
Plaats van het plan
8
3.1 3.2 3.3
Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
8 8 9
4
Kenmerken van het potentiële effect
13
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Archeologie
13 14 16 16 17 18
5
Conclusie
21
Gebruikte onderzoeken/bronnen
23
Bijlage: notitie verkeer
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De planlocatie heeft betrekking op meerdere percelen rondom Derickxkamp 2 te Eerbeek. Het gaat om een voormalige schoollocatie, verschillende aanleunwoningen en een deel van de bebouwing behorende bij het zorggebouw ‘Beekwal’. Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing te slopen en hier in drie fasen nieuwbouw te realiseren. De beoogde nieuwbouw zal bestaan uit maximaal 80 zorgwoningen en 35 huurappartementen. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘Kom Eerbeek’. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.
1.2
De m.e.r. –beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. 4
3
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld.
Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig plan (de realisatie van maximaal 80 zorgwoningen en 35 huurappartementen) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 5
4
3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 115 woon(zorg)eenheden. Het totale plangebied betreft circa 1 hectare. Onderhavige activiteit blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde en dus kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: − kenmerken van de activiteit; − plaats waar de activiteit wordt verricht; − kenmerken van de gevolgen van de activiteit.
Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5. 6
5
2 2.1
Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het plan besproken. De aard en de omvang van het plan worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving van het plan Het voornemen bestaat om in drie fasen een nieuwbouwontwikkeling uit te voeren. In fase 1 wordt de oude mavo-locatie aan de noordzijde van het plangebied gesloopt. Het gebouw heeft haar oorspronkelijke functie als schoolgebouw verloren. Om leegstand en verloedering tegen te gaan bestaat het voornemen om het gebouw te slopen ten behoeve van nieuwbouw van circa 40 wooneenheden ‘Beschermd Wonen’ inclusief de daarbij behorende algemene ruimten. In fase 2 zullen de aanleunwoningen aan de zuidoostzijde van het plangebied gesloopt worden ten behoeve van nieuwbouw van circa 40 wooneenheden ‘Beschermd Wonen’ met daarbij ook de algemene ruimten. In de laatste, derde fase wordt in het westen van het plangebied het huidige zorgcentrum ‘De Beekwal’ gesloopt. Hiervoor in de plaats zullen circa 30 wooneenheden ‘Wonen met een Plus’ gebouwd worden. Bij iedere fase zullen ook de bijbehorende parkeerplaatsen, voorzieningen en overige terreininrichting gerealiseerd worden. De aanleunwoningen en het zorgcentrum bezitten niet de kwaliteit die in de huidige tijd van zorgwoningen wordt verwacht.
Stedenbouwkundig plan woonpark ‘De Beekwal’ (bron: Sacon).
6
2.3
Omvang van het plan De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 1 hectare. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 80 zorgwoningen en 35 huurappartementen. De maximale bouwhoogte van de woningen zal aansluiten bij de dorpse maat. De parkeergelegenheden worden op eigen terrein gefaciliteerd.
2.4
Overige kenmerken van het plan
2.4.1
Cumulatie met andere planen Cumulatie met andere planen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.
2.4.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het plan hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
2.4.3
Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).
2.4.4
Risico van ongevallen Onderhavig plan vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.
7
3 3.1
Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.
3.2
Het bestaande grondgebruik Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, aan de noordoostzijde van de kern Eerbeek. Het ligt nabij het centrum net ten zuiden van de provinciale weg N787. Binnen het plangebied is veel bebouwing aanwezig met hier en daar ruimte voor groen. De bebouwing bestaat veelal uit maximaal twee lagen zonder kap. Enkel de mavo-locatie aan de noordzijde van de straat Derickxkamp, bestaat uit twee lagen met een kap. Aangrenzend aan het plangebied bevinden zich een locatie van Veluwonen en stichting Welzijn Brummen. Aan de zuidzijde bevindt zich een tankstation en een autoonderdelenwinkel. Verder zijn er veel woningen gelegen rondom het plangebied.
Luchtfoto met daarop de huidige bebouwing en het plangebied globaal rood omlijnd (Bron: PDOK viewer).
8
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.
3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Wetlands
Conventie van Ramsar
In of in de directe nabijheid van het plangebied is geen wetlandgebied aanwezig.
Kustgebieden
Het plangebied ligt in een bestaande stedelijke kern en niet in de directe nabijheid van de kust. Daarnaast kent het plangebied geen permanente of tijdelijke verzadiging van opkomend water, zoals bijvoorbeeld bij wetlands.
Berggebieden en bosgebieden
Wet natuurbescherming
Het plangebied is niet gelegen
Reservaten en natuurparken:
Nationale Landschappen zijn
Het plangebied ligt niet in een
•
Nationale Landschappen
benoemd in de Nota Ruimte
Nationaal Landschap.
•
Nationale parken
Nationale Parken zijn onderdeel
Het plangebied ligt niet in een
van het NNN.
Nationaal Park.
Wet natuurbescherming
In de omgeving van het plange-
in een berg- of bosgebied.
3.3.2.1
Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen
bied liggen Natura 2000-gebied
krachtens Richtlijn 79/409/EEG
(zie verder onder 1).
(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij commu-
Europese milieurichtlijnen (o.a.
Het plangebied ligt niet in een
nautaire wetgeving vastgestelde
kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-
gebied waar op basis van com-
normen inzake milieukwaliteit
derrichtlijn water)
munautaire wetgeving reeds
reeds worden overschreden
normen worden overschreden.
9
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Gebieden met hoge bevolkings-
Het plangebied is niet gelegen
dichtheid
in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.
Landschappen van
•
Verdrag van Valletta
Het plangebied heeft een hoge
•
historisch belang
•
Monumentenwet
archeologische verwachtings-
•
cultureel belang
•
Gemeentelijk landschaps-
waarde (zie verder onder 2).
o
beschermd stads- en
ontwikkelingsplan
dorpsgezicht •
archeologisch belang
1.Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Landgoederen Brummen” en “Veluwe” in de directe omgeving van het plangebied. Deze liggen respectievelijk 1,9 en 1,4 kilometer van het plangebied verwijderd.
Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. (Bron: PDOK. Bewerking: SAB)
Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand omliggend Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling mogelijk een toename van stikstofemissie te verwachten. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.
10
2. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Op de locatie van onderhavige ontwikkeling geldt het paraplubestemmingsplan Archeologie. Hieruit volgt dat het plangebied bestaat uit een terrein van hoge archeologische waarde. Het beleid is dat bij ingrepen van meer dan 250 m2 en waarbij dieper wordt gegraven dan 40 cm onder maaiveld rekening moet worden gehouden met archeologische resten. Gezien voorgaande kunnen voor wat betreft archeologie op voorhand geen negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom nader onderzocht. 3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Natuurnetwerk Nederland (voor-
Provinciale verordening
Het plangebied maakt geen
heen: Ecologische Hoofdstruc-
deel uit van het Natuurnetwerk
tuur)
Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Gebied geschikt voor be-
Wet natuurbescherming
schermde soorten
Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 3).
Weidevogelgebied en ganzen-
Provinciale verordening
foerageergebied
Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.
Stiltegebied
Bodembeschermingsgebied
Wet milieubeheer
Het plangebied is niet gelegen in
Provinciale verordening
een stiltegebied.
Provinciale verordening
Het plangebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.
11
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verordening
Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
3. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.
12
4 4.1
Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het plan de realisatie van maximaal 80 zorgwoningen en 35 huurappartementen rondom het adres Derickxkamp 2 te Eerbeek betreft. Dit is een herontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de wijdere omgeving van het plangebied bevinden zich Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn en is er een mogelijke verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden.
Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: − natuur: Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie. − verkeer: De nieuwe woonontwikkeling zal mogelijk leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. − geluidshinder: Het plan heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. − luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. − archeologie: De functies in onderhavig plan kunnen leiden tot negatieve effecten van archeologische waarden. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten.
Om alle aspecten nog kort langs te lopen: − externe veiligheid: De functies in onderhavig plan leiden niet tot externe veiligheidseffecten. − cultuurhistorie: De functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden.
13
− bodem: Onderhavig plan bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. − geurhinder: De functies in onderhavig plan leiden niet tot geurhinder. − water: Er is met het plan niet tot nauwelijks sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand niet te verwachten. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.
4.2
Natuur
4.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Eerbeek. De omgeving van Eerbeek kenmerkt zich door agrarische gronden en bos. In de nabijheid liggen natuurgebieden als Landgoederen Brummen en de Veluwe. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en enkele bedrijven. Verder zijn ten noordwesten van het plangebied een Buurthuis en een kerk gevestigd. Ten zuiden is een autobedrijf gevestigd. Verder bestaat de omgeving voornamelijk uit woningen. Het plangebied zelf bestaat uit een aantal woongebouwen en een voormalige mavolocatie. De onbebouwde gronden zijn grotendeels onverhard en hierop staan enkele bomen en struiken.
4.2.2
Effecten ontwikkeling Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Natura 2000-gebieden Landgoederen Brummen” en “Veluwe” liggen in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. SAB heeft daarom een onderzoek stikstofdepositie1 uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er in de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn dus geen significant nadelige effecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.
1
SAB (2022). Stikstofonderzoek. Derickxkamp e.o., Eerbeek. Projectnummer: 220186. 11 mei 2022. 14
Beschermde soorten Met een quick scan Wet natuurbescherming wordt onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Voor voorliggend plan zijn twee quick scans uitgevoerd. Eén voor de Mavo-locatie (fase 1 van de ontwikkeling)2 en voor woonzorgcomplex ‘De Beekwal’ en de aanleunwoningen (fase 2 en 3 van de ontwikkeling)3. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit beide quick scans dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.
Uit de quick scan van de Mavo-locatie volgt dat mogelijk verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen aanwezig zijn. Met een nader onderzoek naar de voorgenoemde vogelsoorten en vleermuizen is onderzocht of kan worden uitgesloten dat deze soorten negatieve effecten ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling. Voor het plandeel van de Beekwal en de aanleunwoningen geldt dat nader onderzoek naar huismus en vleermuizen noodzakelijk is. Naar deze soorten zal nog nader soortonderzoek plaatsvinden. Mocht hieruit vervolgens blijken dat inderdaad sprake is van de verstoring van de betreffende soorten, dan zal hiervoor een ontheffing moeten worden aangevraagd en in dit kader zal een mitigatieplan moeten worden opgesteld. In dit plan moet worden uitgewerkt op welke wijze de gevolgen kunnen worden geminimaliseerd (gemitigeerd). Deze maatregelen zullen vervolgens als voorwaarde bij de verleende ontheffing worden gevoegd. Ervan uitgaand dat de voornoemde werkwijze wordt gevolgd en de eventueel benodigde nadere maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, dan kunnen de negatieve gevolgen van het plan minimaal blijven. Hiernaast kan ervan worden uitgegaan dat rekening zal worden gehouden met de algemene aanbeveling dat rekening moet worden gehouden met de broedperiode voor vogels en de zorgplicht.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect. In ieder geval kan worden uitgesloten
2
Loo Plan (2021). Quickscan Wet natuurbescherming voor de Mavo-locatie. Derickxkamp, Eerbeek. Kenmerk: 2021-100961-2161. 7 mei 2021.
3
Loo Plan (2022). Quickscan Wet natuurbescherming voor de Beekwal fase 2 en 3. Derickxkamp, Eerbeek. Kenmerk: 2022-101125-5443. 12 juli 2022. 15
dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu. Nader soortenonderzoek zal plaatsvinden.
4.3
Verkeer
4.3.1
Huidige situatie In de huidige situatie geldt reeds een verkeersaantrekkende werking ten gevolge van het woonzorgcomplex ‘De Beekwal’ en de bestaande woningen. Aangenomen wordt dat de leegstaande mavo-locatie in de huidige situatie geen verkeersaantrekkende werking meer heeft.
4.3.2
Effecten ontwikkeling Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW4 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Brummen wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de huidige situatie en beoogde nieuwbouw. De inschatting is dat het netto extra verkeer (circa 148) niet zal leiden tot significante veranderingen in het verkeersbeeld. kenmerk Serviceflats/aanleunwoningen totaal afgerond
aantal 79 79
kencijfer 2,6
per woning
verkeersgeneratie gemiddeld 205,4 205
aantal 35 80 115
kencijfer 4,1 2,6
per woning woning
verkeersgeneratie gemiddeld 143,5 208,0 352
Huidige situatie kenmerk Appartementen (huur midden/goedkoop) Serviceflats totaal afgerond Toekomstige situatie
4.4
Geluid
4.4.1
Huidige situatie Het plangebied is binnenstedelijk gelegen waarbij verwacht mag worden dat reeds sprake is van een merkbare geluidsbelasting gezien binnenstedelijke ligging.
4
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 16
4.4.2
Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie zal als gevolg van de realisatie van een woonzorgvoorziening sprake zijn van een toename aan verkeer, zo is uit de voorgaande paragraaf gebleken. Het verkeer vanuit het plangebied zal aansluiten op diverse straten in de omgeving. Hier bevinden zich onder meer reeds bestaande woningen. Bij deze bestaande woningen zal de geluidsbelasting dus kunnen toenemen als gevolg van de realisatie van het plan. Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de verkeersaantrekking geschat op circa 352 motorvoertuigen per etmaal. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Op de Derickxkamp variëert de huidige verkeersintensiteit van circa 100 tot 400 motorvoertuigen pet etmaal, afhankelijk van het wegvak. Op de Molenstraat en H.A. Grizellstraat is de verkeersintensiteit ook circa 100 motorvoertuigen per etmaal. Op deze wegen is mogelijk sprake van een merkbare verkeers-/geluidstoename. Om die reden is onderzocht5 welke geluideffecten het aanvullende verkeer op deze wegen teweegbrengt. Uit deze analyse volgt dat de geluidbelasting in de toekomstige situatie niet boven de 48 dB zal komen te liggen.
Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder niet overschreden en komt een goed woon- en leefklimaat van omliggende woningen niet in gevaar. Op de Illinkcstraat, Suijvenburchstraat, Louberweg en Lageweg is de verkeersintensiteit veel hoger, namelijk meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Op deze wegen is geen merkbare verkeerstoename te verwachten. Op basis van het voorgaande kan een significant negatief milieueffect worden uitgesloten.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM10) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties.
5
SAB (2023). Notitie verkeer. 31 januari 2023. Projectnummer: 220286. 17
Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in de huidige situatie beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM10)
Achtergrondconcentratie (2018, huidig) 16 - 18 µg/m3 15 - 17 µg/m3 10 - 11 µg/m3
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Stikstofdioxide en (zeer) fijnstof huidige situatie (Bron: Atlas Leefomgeving).
4.5.2
Effecten ontwikkeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 80 zorgwoningen en 35 huurappartementen. Gezien de omvang is het plan ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM), zoals weergegeven in navolgende uitsnede. Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig plan onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
352
Aandeel vrachtverkeer
1,0%
NO2 in μg/m3
0,24
3
0,06
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.
4.6
Archeologie
4.6.1
Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft in de huidige situatie een grotendeels bebouwd karakter. Conform het paraplubestemmingsplan Archeologische van de gemeente Brummen is sprake van een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde.
18
4.6.2
Effecten ontwikkeling Gelet op de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarde is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek6. Hieruit volgt dat het plangebied zuidoostelijk van de historische kern van Eerbeek en iets ten zuiden van het laatmiddeleeuwse Huis te Eerbeek ligt. Op een kaart uit omstreeks 1642 wordt het plangebied doorkruist door een weg of pad en door perceelsgrenzen met bomenrijen. De Eerbeekse Eng is op deze kaart ten zuiden van het plangebied aangegeven. Op basis van deze kaart is niet duidelijk of het plangebied ook deel van dit akkercomplex uitmaakte, of dat het plangebied pas later in gebruik is genomen als bouwland. Tussen 1832 en 1966 was het plangebied in ieder geval aangeduid als bouwland. De eerste bebouwing binnen het plangebied verschijnt in de jaren 1960 ter hoogte van de huidige bebouwing. Rond 1995, 2002 en 2009 hebben er verbouwingen plaatsgevonden. Ter hoogte van deze recente bebouwing worden bodemverstoringen verwacht tot minimaal 80 cm -mv. Van het voormalige schoolgebouw zijn bouwtekeningen beschikbaar. Hierin wordt duidelijk dat de school gedeeltelijk onderkelderd is en verder randfunderingen tot maximaal 95 cm -peil heeft. Op de locaties van de huidige bebouwing hoeven geen archeologische resten verwacht te worden, omdat de grond hier reeds geroerd is.
Het plangebied kenmerkt zich door de ligging op een dalafspoelingswaaier met een plaggendek. Hierdoor worden archeologische resten vanaf de tijd van de eerste landbouwers (neolithicum) verwacht. Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat er ten minste sinds 1642 geen bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden. Zodoende worden in het plangebied archeologische resten van bewoning, begraving en landbewerking verwacht uit de periode vanaf het neolithicum t/m de late middeleeuwen. In het plangebied wordt een plaggendek verwacht dat een ouder loopvlak afdekt. Dit afdekkende pakket dateert uit de nieuwe tijd (mogelijk al late middeleeuwen). Oudere resten worden zodoende door het pakket afgedekt en manifesteren zich vanaf circa 60 cm -mv. Dit komt ook voort uit de resultaten van het booronderzoek waar in drie boringen restanten van een B-horizont aanwezig is vanaf 80 à 100 cm -mv. Aangezien een oorspronkelijk bodemprofiel in het grootste deel van het plangebied ontbreekt, kan de verwachting voor resten uit de steentijd worden bijgesteld naar laag. De hoge verwachting voor resten uit latere perioden – en met name uit de periode middeleeuwen – nieuwe tijd - kan worden gehandhaafd. Vanwege de hoge verwachting van archeologische resten op een diepte van minimaal 60 cm -mv is hiervoor een archeologische dubbelbestemming opgenomen.
Hierin is juridisch-planologisch gewaarborgd dat aanvullend archeologisch onderzoek moet worden verricht wanneer de bodem dieper dan 60 cm - mv wordt verroerd. Daar zal in voorliggende situatie sprake van zijn. De voorbereidingen voor het aanvullend onderzoek worden richting de omgevingsvergunning voor het bouwen opgepakt. Met de
6
RAAP (2022). Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Derickxkamp 2 te Eerbeek. Rapportnummer: 5939. 13 juli 2022. 19
dubbelbestemming zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd en kan een significant milieueffect worden uitgesloten.
20
5
Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van maximaal 80 zorgwoningen en 35 huurappartementen rondom het adres Derickxkamp 2 te Eerbeek nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)
Natuur (soortenbescherming)
Verkeer
Geluid
Lucht
Archeologie
Beoordeling milieueffecten Op grond van het stikstofonderzoek kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof worden uitgesloten. Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat op zijn hoogst sprake is van een beperkt negatief milieueffect dat niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu kan worden gekwalificeerd. Nader soortenonderzoek zal plaatsvinden. De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een beperkte verkeersaantrekkende werking en deze kan zonder afwikkelingsproblemen worden aangesloten op de bestaande infrastructuur. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Als gevolg van de nieuwe ontwikeling zal er sprake zijn van een beperkte verkeersaantrekkende werking. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De toename van het verkeer op de direct omringende wegen is meer dan 40% ten opzichte van de huidige intensiteiten. Gelet op de lage intensiteiten in de toekomstige situatie is niet de verwachting dat het woon- en leefklimaat in gevaar komt en sprake is van een significant negatief milieueffect. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.
Middels een archeologische dubbelbestemming wordt gewaarborgd dat bij bodemingrepen archeologisch onderzoek moet worden verricht. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd en kan in ieder geval worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect.
De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie 21
van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming), geluid en archeologie zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
22
Gebruikte onderzoeken/bronnen Onderzoeken − Quick scan natuur (SAB) − Nader onderzoek Wet natuurbescherming (SAB) − Onderzoek stikstofdepositie (SAB) − Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (SAB) − Archeologisch onderzoek (Bureau voor Archeologie) Bronnen − Risicokaart www.risicokaart.nl − Atlas leefomgeving http://www.atlasleefomgeving.nl/kijken − Publieke Dienstverlening op de kaart (PDOK) http://pdokviewer.pdok.nl/ − Milieu-kenniscentrum Infomil http://www.infomil.nl/ − CBS-Statline, statistische informatie http://statline.cbs.nl/Statweb/ − Wetgeving, overheidsportal http://wetten.overheid.nl/zoeken − AERIUS Calculator, kaartbeeld Natura 2000 https://calculator.aerius.nl/calculator/ − Google Maps www.google.nl/maps − Natura 2000 Database http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx
23
Bijlage: notitie verkeer
memo aan:
Gemeente Brummen
van:
SAB
Kenmerk
220186
datum:
31 januari 2023
betreft:
Notitie verkeer
De gemeente Brummen is voornemens om aan de Derickxkamp te Eerbeek de bestaande bebouwing te vervangen door nieuwbouw. In de volgende afbeelding is de situatie weergegeven.
Ligging locatie (rode cirkel)
Het plangebied bestaat uit de adressen Derickxkamp 2, 27 en 1 t/m 25A. In de huidige situatie bevinden zich hier een voormalige school, woonzorgcomplex De Beekwal en enkele aanleunwoningen. Het totale oppervlakte van het plangebied is circa 1,4 hectare. De aanleunwoningen bestaan uit één bouwlaag zonder kap, De Beekwal uit twee bouwlagen zonder kap en de voormalige schoollocatie uit twee bouwlagen met kap. De voormalige schoollocatie aan de Derickxkamp heeft jarenlang dienst gedaan als mavo, maar is inmiddels al jaren niet meer als zodanig in gebruik. De Beekwal is een verzorgingshuis en eigendom van Veluwonen. In het gebouw wonen 63 cliënten met een (zware) zorgvraag. Het programma bestaat in totaal maximaal uit 115 woningen verdeeld over maximaal 80 wooneenheden beschermd wonen en 35 huurappartementen van 60 en 75 m2 GO. De herontwikkeling zal in drie fasen uitgevoerd gaan worden. In fase 1 wordt de voormalige schoollocatie aan de noordzijde van het plangebied gesloopt. Hier is ter plaatse nieuwbouw beoogd voor circa 40 wooneenheden beschermd wonen inclusief de daarbij behorende pagina 1 van 4