CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(063) Toelichting ontwerpbestemmingsplan Eerbeek, Beekwal e.o.

Besluitvormende raadsvergadering 21 september 2023, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Eerbeek, Beekwal e.o.12.561 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Door het groen 5 cm lager aan te brengen dan de verharding ontstaat hier voldoende ruimte om het overige water op te vangen. Fase 1 heeft minder ruimte in het groen waardoor hier naast het riool ook een deel water in infiltratiekratten wordt geborgen. De navolgende tabellen geeft inzicht in het beoogde watersysteem. Met het beoogde stelsel geldt voor iedere fase een kleine overcapaciteit op basis van 20 mm berging.

7

Digitale Watertoets (2022). Vergunningencheck Digitale Watertoets Derickxkamp e.o., Eerbeek. Projectnummer 220186. 9 mei 2022. 27

Fase 1 Benodigde berging

Totaal

Afvloeiend oppervlak neerslag (m²) 2554

Op riool

2469

49,4

88

Op kratten

85

1,7

3

Omschrijving

Benodigde berging Benodigde berging Bui08 20mm Bui10 35,7mm neerslag (m³) neerslag (m³) 51,1 91

Bergingscapaciteit in stelsel Infiltratieriool Ø315mm (inw. 0,297) Drainagezand 1,5m³/m (Hr 25%) Ø400mm (inw. 0.377)

Berging [m] 0,07 0,38 0,11

Lengte riool 38 38 71

Berging riool [m³] 2,7 14,4 7,9

Drainagezand 1,5m³/m (Hr 25%)

0,38

71

26,6

Infiltratiekratten Totaal

23,5 75,1

De overige 16,5 m3 wordt geborgen in het groen. Fase 2 Benodigde berging

Totaal

Afvloeiend oppervlak neerslag (m²) 3750

Op riool

3750

Omschrijving

Benodigde berging Benodigde berging Bui08 20mm Bui10 35,7mm neerslag (m³) neerslag (m³) 75 133

Op kratten

75

133

0

0

Bergingscapaciteit in stelsel Infiltratieriool

Berging [m]

Lengte riool

Berging riool [m³]

Ø400mm (inw. 0.377)

0,11

193

21,5

Drainagezand 1,5m³/m Totaal

0,38

193

72,4 93,9

Fase 3 Benodigde berging Omschrijving Totaal

Afvloeiend oppervlak neerslag (m²) 3160

Bergingscapaciteit in stelsel Infiltratieriool Berging [m]

Benodigde berging Bui08 20mm neerslag (m³) 63

Benodigde berging Bui10 35,7mm neerslag (m³) 126

Lengte riool

Berging riool [m³]

Ø400mm (inw. 0.377)

0,11

140

15,6

Drainagezand 1,5m³/m Totaal

0,38

140

52,5 68,1

Bron: Orbis d.d. 22 februari 2023

28

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Met een quick scan Wet natuurbescherming wordt onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Voor voorliggend plan zijn twee quick scans uitgevoerd. Eén voor de Mavo-locatie (fase 1 van de ontwikkeling)8 en voor woonzorgcomplex ‘De Beekwal’ en de aanleunwoningen (fase 2 en 3 van de ontwikkeling) 9. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scans uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quickscans blijkt dat de Natura 2000-gebieden “Landgoederen Brummen” en “Veluwe” in de directe omgeving van het plangebied liggen. Deze liggen respectievelijk 1,9 en 1,4 kilometer van het plangebied verwijderd.

In de voorgenoemde Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Daarom heeft SAB een onderzoek stikstofdepositie10 opgesteld waarin de mogelijke effecten van de woningbouwontwikkeling op stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden zijn onderzocht, omdat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten door stikstofdepositie op deze gebieden als gevolg van stikstofemissie van dit plan zijn uit te sluiten. Omdat negatieve effecten zijn uit te sluiten is een nadere beoordeling, in de vorm van een passende beoordeling, niet nodig. Daarnaast ligt het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuurzones. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

8

Loo Plan (2021). Quickscan Wet natuurbescherming voor de Mavo-locatie. Derickxkamp, Eerbeek. Kenmerk: 2021-100961-2161. 7 mei 2021.

9

Loo Plan (2022). Quickscan Wet natuurbescherming voor de Beekwal fase 2 en 3. Derickxkamp, Eerbeek. Kenmerk: 2022-101125-5443. 12 juli 2022.

10

SAB (2023). Stikstofonderzoek. Derickxkamp e.o., Eerbeek. Projectnummer: 220186. 10 februari 2023. 29

Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen een aanvang te hebben teneinde vernielen van nesten te voorkomen. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit beide quick scans dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Uit de quick scan van de Mavo-locatie volgt dat mogelijk verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen aanwezig zijn.

Met een nader onderzoek11 naar de voorgenoemde vogelsoorten en vleermuizen is onderzocht of kan worden uitgesloten dat deze soorten negatieve effecten ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling. Uit het onderzoek volgt dat één verblijfplaats van de huismus en twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis op de locatie zijn aangetroffen. Deze verblijfplaatsen zijn beschermd op basis van de Wet natuurbescherming. Daarom is voor de locatie een ontheffing aangevraagd (en inmiddels verleend) en is een activiteitenplan opgesteld met bijbehorende mitigerende maatregelen. Voor het plandeel van de Beekwal en de aanleunwoningen geldt dat nader onderzoek naar huismus en vleermuizen noodzakelijk is. Dit onderzoek zal uitgevoerd worden en indien uit dit onderzoek volgt dat beschermde soorten aanwezig zijn, zal ook voor dit deel van de ontwikkeling een ontheffing aangevraagd worden en een activiteitenplan opgesteld worden. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

11

Loo Plan (2021). Nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen Mavo-locatie Derickxkamp Eerbeek. Kenmerk: 2021-100961-3457. 18 november 2021. 30

4.9

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Gelet op de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarde is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek12. Hieruit volgt dat het plangebied zuidoostelijk van de historische kern van Eerbeek en iets ten zuiden van het laatmiddeleeuwse Huis te Eerbeek ligt. Op een kaart uit omstreeks 1642 wordt het plangebied doorkruist door een weg of pad en door perceelsgrenzen met bomenrijen. De Eerbeekse Eng is op deze kaart ten zuiden van het plangebied aangegeven. Op basis van deze kaart is niet duidelijk of het plangebied ook deel van dit akkercomplex uitmaakte, of dat het plangebied pas later in gebruik is genomen als bouwland. Tussen 1832 en 1966 was het plangebied in ieder geval aangeduid als bouwland.

De eerste bebouwing binnen het plangebied verschijnt in de jaren 1960 ter hoogte van de huidige bebouwing. Rond 1995, 2002 en 2009 hebben er verbouwingen plaatsgevonden. Ter hoogte van deze recente bebouwing worden bodemverstoringen verwacht tot minimaal 80 cm -mv. Van het voormalige schoolgebouw zijn bouwtekeningen beschikbaar. Hierin wordt duidelijk dat de school gedeeltelijk onderkelderd is en verder randfunderingen tot maximaal 95 cm -peil heeft. Op de locaties van de huidige bebouwing hoeven geen archeologische resten verwacht te worden, omdat de grond hier reeds geroerd is. Het plangebied kenmerkt zich door de ligging op een dalafspoelingswaaier met een plaggendek. Hierdoor worden archeologische resten vanaf de tijd van de eerste landbouwers (neolithicum) verwacht. Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat er ten minste sinds 1642 geen bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden. Zodoende worden in het plangebied archeologische resten van bewoning, begraving en landbewerking verwacht uit de periode vanaf het neolithicum t/m de late middeleeuwen. In het plangebied wordt een plaggendek verwacht dat een ouder loopvlak afdekt. Dit afdekkende pakket dateert uit de nieuwe tijd (mogelijk al late middeleeuwen). Oudere resten worden zodoende door het pakket afgedekt en manifesteren zich vanaf circa 60 cm -mv.

Dit komt ook voort uit de resultaten van het booronderzoek waar in drie boringen restanten van een B-horizont aanwezig is vanaf 80 à 100 cm -mv.

12

RAAP (2022). Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Derickxkamp 2 te Eerbeek. Rapportnummer: 5939. 13 juli 2022. 31

Aangezien een oorspronkelijk bodemprofiel in het grootste deel van het plangebied ontbreekt, kan de verwachting voor resten uit de steentijd worden bijgesteld naar laag. De hoge verwachting voor resten uit latere perioden – en met name uit de periode middeleeuwen – nieuwe tijd - kan worden gehandhaafd. Vanwege de hoge verwachting van archeologische resten op een diepte van minimaal 60 cm -mv is hiervoor een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Hierin is juridisch-planologisch gewaarborgd dat aanvullend archeologisch onderzoek moet worden verricht wanneer de bodem dieper dan 60 cm - mv wordt verroerd. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd. Conclusie Met inachtneming van de archeologische dubbelbestemming vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.10

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing In en rondom het plangebied is geen bebouwing aanwezig met een monumentale status en/of cultuurhistorische waarde. Bij de stedenbouwkundige opzet van de beoogde woningbouw is rekening gehouden met de karakteristieken en structuur van de omgeving waartoe het plangebied behoort, zoals beschreven in paragraaf 2.2. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.11

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 13 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt.

13

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 32

Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Brummen wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de huidige situatie en beoogde nieuwbouw. De inschatting is dat het netto extra verkeer (circa 147) niet zal leiden tot significante veranderingen in het verkeersbeeld. kenmerk Serviceflats/aanleunwoningen totaal afgerond Huidige situatie verkeersgeneratie

aantal 79 79

kencijfer 2,6

per woning

verkeersgeneratie gemiddeld 205,4 205

Kenmerk Appartementen (huur midden/goedkoop) Serviceflats totaal afgerond Toekomstige situatie verkeersgeneratie

aantal 35 80 115

kencijfer 4,1 2,6

per woning woning

verkeersgeneratie gemiddeld 143,5 208,0 352

Parkeren Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen heeft de gemeente Brummen het Paraplubestemmingsplan Parkeren. Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient gekeken te worden naar het functietype en waar de functie zal worden gerealiseerd. Ter plaatse geldt de gebiedsaanduiding ‘overige zone - parkeernormen centrum’. Voor een verpleeg- en verzorgingstehuis geldt een norm van 0,6 per wooneenheid en voor de categorie ‘huur, etage, midden/goedkoop’ 1,1. Dat levert de volgende ingeschatte parkeervraag op: kenmerk Appartementen (huur midden/goedkoop) Serviceflats totaal afgerond Parkeerbehoefte

aantal 30 77 107

kencijfer 1,1 0,6

per woning woning

parkeerbehoefte gemiddeld 33,0 46,2 80

Uit het stedenbouwkundig plan blijkt dat 83 parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden. De drie extra parkeerplaatsen zullen ter compensatie zijn voor vervallen vakken van bestaande appartementen ten zuiden van huidige complex ‘De Beekwal’. Aan de hand van aanwezigheidspercentages is een parkeerbalans opgesteld waaruit volgt dat met een totaal van 77 parkeerplaatsen wordt voldaan aan de werkelijke theoretisch bepaalde te verwachten parkeervraag. In het stedenbouwkundig plan is ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren, waarbij ook rekening kan worden gehouden met het behoud van bomen in het plangebied. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd in drie parkeerkoffers die zijn ingepast in het groenontwerp van het woonpark. Door middel van onder andere een omzoming van hagen blijft parkeren zoveel mogelijk uit het zicht. Dit gebeurt op het eigen terrein van het plangebied. Op die manier kan worden voorzien in de benodigde parkeervraag.

33

Werkelijk theoretische parkeervraag (bron: BonoTraffics).

In de regels van dit bestemmingsplan wordt de parkeernormen juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

34

5

Juridische aspecten

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

35

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het

36

bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2

De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Kom Eerbeek’. Het plan bevat de bestemming ‘Wonen' en de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’. Wonen De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen’ zijn bedoeld voor het wonen in gestapelde woningen. Als gevolg van de aanduiding ‘zorgwoning’ zijn ter plaatse ook woonzorgeenheden toegestaan. Er zijn maximaal 35 gestapelde woningen en 80 woonzorgeenheden mogelijk. Gebouwen moeten in het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de maximum goot- en bouwhoogte, zoals opgenomen op de verbeelding. Daarnaast zijn er ook regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Waarde - Archeologie hoog In het plangebied is sprake van mogelijke archeologische waarden. Om die reden is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Deze dubbelbestemming voorziet in een omgevingsvergunningstelsel waarmee eventueel aanwezige archeologische waarden worden beschermd en is geregeld dat bij bepaalde bodemingrepen (dieper dan 60 cm-mv) archeologisch onderzoek moet worden verricht.

5.2.3

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.

37

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

6.2.2

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder heeft in deze periode zienswijzen in kunnen dienen. Er zijn gedurende de terinzagelegging geen zienswijzen binnengekomen.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13075370/4