(063) Toelichting ontwerpbestemmingsplan Eerbeek, Beekwal e.o.
Tekst van het document
412432
Bestemmingsplan | Toelichting
Eerbeek, Beekwal e.o.
Gemeente Brummen
Datum: 6 juli 2023 Projectnummer: 220186 ID: NL.IMRO.0213.BPEECE460000-on01
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 5
2
Planbeschrijving
6
2.1 2.2
Huidige situatie Toekomstige situatie
6 8
3
Beleidskader
10
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
10 12 13 14
4
Milieu- en omgevingsaspecten
18
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren
18 19 20 20 22 23 25 29 31 32 32
5
Juridische aspecten
35
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
35 36
6
Uitvoerbaarheid
38
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
38 38
Bijlagen: − − − − − − − − − − − −
Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek fase 1 Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek fase 2 en 3 Bijlage 5: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6: Quick scan bedrijven en milieuzonering Bijlage 7: Digitale watertoets Bijlage 8: Quick scan natuur fase 1 Bijlage 9: Quick scan natuur fase 2 en 3 Bijlage 10: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 11: Nader soortgericht onderzoek fase 1 Bijlage 12: Archeologisch onderzoek
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Derickxkamp 2 en 27 in Eerbeek bevindt zich een voormalige schoollocatie evenals de woonzorglocatie De Beekwal. Een deel van het vastgoed van de woonzorglocatie is bouwkundig verouderd en voldoet niet meer aan de huidige wensen en eisen. Het voornemen bestaat dan ook om deze bebouwing te slopen en ter plaatse te voorzien in nieuwbouw. Daarbij doet zich de kans voor om ook de voormalige schoollocatie aan Derickxkamp 2 te betrekken om zodoende een toekomstbestendig woonzorggebied te realiseren. Deze ontwikkeling is echter niet mogelijk binnen de kaders van het huidige bestemmingsplan, aangezien het plangebied deels een maatschappelijke bestemming kent waar geen woningbouw mogelijk is. Tevens komen de bouwvlakken en maatvoering niet overeen met de beoogde ontwikkeling. Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om het plan mogelijk te maken. Voorliggend document voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied Het plangebied ligt in het oosten van de kern Eerbeek behorende bij de gemeente Brummen. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in Eerbeek en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.
Ligging plangebied (rode cirkel) in relatie tot de kern Eerbeek (Bron: PDOK viewer).
3
Het plangebied bij benadering globaal rood omlijnd (Bron: PDOK viewer).
1.3
Geldende bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Kom Eerbeek’ en kent het plangebied de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Wonen’, ‘Wonen - 2’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Tuin’.
Uitsnede bestemmingsplan ‘Kom Eerbeek’ met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl).
4
De bestemming ‘Wonen’ is bedoeld voor grondgebonden woningen en daarom geldend ter plaatse van de aanleunwoningen. Woningen dienen in een aangewezen bouwvlak te worden gebouwd en moeten voldoen aan de opgenomen maximum gooten bouwhoogte. De voortuinzone van de aanleunwoningen direct aan de Derickxkamp is bestemd als ‘Tuin’, waar tuinen zijn toegestaan en onder voorwaarden aangebouwde bijgebouwen en aan- en/of uitbouwen kunnen worden gerealiseerd. De bestemming ‘Wonen - 2’ is bedoeld voor gestapelde woningen en geldt ter plaatse van de woonzorglocatie De Beekwal. De gestapelde woningen moeten in een bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de maximum goot- en bouwhoogte. Als gevolg van de aanduiding ‘zorgwoning’ zijn uitsluitend woonzorgeenheden in dit deel van het plangebied toegestaan. Tot slot is de bestemming ‘Maatschappelijk’ vigerend op de voormalige schoollocatie. Hier zijn educatieve, sociale, medische, culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsmede soortgelijke voorzieningen, of een combinatie daarvan, als ook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen toegestaan. Ook hier geldt dat gebouwen in een bouwvlak moeten worden gerealiseerd en dienen te voldoen aan de geldende maximum goot- en bouwhoogte.
Naast het bestemmingsplan ‘Kom Eerbeek’ is ook een aantal andere plannen geldig in het plangebied. Het gaat om een drietal parapluplannen. Dit zijn de parapluplannen ‘Archeologie’, ‘Mantelzorgwoning’ en ‘Parkeren’. In het parapluplan ‘Archeologie’ worden archeologische verwachtingswaarden aan de gronden toegevoegd, waaraan regels omtrent het roeren van de grond zijn vastgesteld. Het parapluplan ‘Parkeren’ legt het gemeentelijk parkeerbeleid juridisch-planologisch vast. Ten slotte zijn in het parapluplan ‘Mantelzorgwoning’ beleidsregels opgenomen die het vestigen van mantelzorgwoningen binnen de bebouwde kom van de gemeente Brummen eenduidig juridisch-planologisch vastleggen.
1.4
Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5
2 2.1
Planbeschrijving Huidige situatie Eerbeek Het plangebied bevindt zich aan de oostzijde van de kern Eerbeek. Met meer dan 10.000 inwoners is Eerbeek de grootste kern van de gemeente Brummen. Eerbeek is ontstaan op de plek langs de Eerbeekse Beek waar deze vanuit het Veluwemassief het lager gelegen gebied binnenstroomt. Oorspronkelijk was sprake van een agrarische gemeenschap op de overgang naar de enken, omgeven door bos‐ en weidegronden. De omgeving van de Eerbeekse Beek was geschikt voor de vestiging van onder andere papiermolens, door de waterkracht en water van hoge kwaliteit. Al in de 17e eeuw werden papiermolens gebouwd. De ontwikkeling van de papierindustrie is gevolgd door het realiseren van grootschalige woonbebouwing waardoor beide functies (wonen en werken) dicht op elkaar zijn gesitueerd. Tot 1940 bestond het dorp nog grotendeels uit verspreide lintbebouwing van kleine alleenstaande woningen, bedrijven en boerderijtjes. Verspreid stonden enkele papierfabrieken, in die tijd nog van een beperkte schaalgrootte. Het plangebied werd rond die tijd ingesloten door de achterzijden van de lintbebouwing van omliggende wegen. Rond 1965 is dit open gebied ingevuld met woningen, een school en een bejaardentehuis. Mede door het bejaardentehuis is de openheid van dit gebied deels gehandhaafd.
Het plangebied is rond 1990 verder opgevuld door het vervangen van het bejaardentehuis voor een zorggebouw en de bouw van appartementen en aanleunwoningen. Eind jaren ’90 heeft nog meer verdichting plaats gevonden in de vorm van een tweetal appartementengebouwen. Door de schaal van de bebouwing en de bijbehorende collectieve terreininrichting is eerder sprake van een groene omgeving, dan van een open karakter.
Ontwikkelingsgeschiedenis plangebied en omgeving (bron: Sacon).
6
Plangebied Het plangebied bestaat uit de adressen Derickxkamp 2, 27 en 1 t/m 25A. Het gaat om de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Hall, sectie E, nummer 3192 en 3222 (niet volledig). In de huidige situatie bevinden zich hier een voormalige school, woonzorgcomplex De Beekwal en enkele aanleunwoningen. Het totale oppervlakte van het plangebied is circa 1,4 hectare. De bebouwing bevindt zich in een groene omgeving. De aanleunwoningen bestaan uit één bouwlaag zonder kap, De Beekwal uit twee bouwlagen zonder kap en de voormalige schoollocatie uit twee bouwlagen met kap. De voormalige schoollocatie aan de Derickxkamp heeft jarenlang dienst gedaan als mavo, maar is inmiddels al jaren niet meer als zodanig in gebruik. De Beekwal is een verzorgingshuis en eigendom van Veluwonen. In het gebouw wonen 63 cliënten met een (zware) zorgvraag. Riwis is huurder van het pand en levert de zorg. Het bestaande gebouw De Beekwal is zowel conceptueel als bouwkundig verouderd en sluit niet meer aan op de wensen van zowel de huidige als de toekomstige clienten. Dat geldt ook voor de aanwezige aanleunwoningen. Het plangebied kent verder een centrale ligging binnen de kern van Eerbeek op korte afstand van zowel het centrum met winkelvoorzieningen alsook het buitengebied.
Foto vooraanzicht voormalige schoollocatie Derickxkamp 2 (bron: Google Maps).
Foto vooraanzicht aanleunwoningen en De Beekwal (bron: Google Maps).
7
2.2
Toekomstige situatie Zowel Veluwonen als Riwis voelen zich als maatschappelijke organisatie verantwoordelijk voor mensen met een intensieve zorgvraag uit de gemeente Brummen. Wanneer mensen niet langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen, willen beide partijen een passend aanbod van wonen, welzijn, ondersteuning en zorg bieden in de eigen vertrouwde woonomgeving. De aanwezige aanleunwoningen en woonzorgomplex De Beekwal sluiten niet langer aan op de wensen en eisen om richting de toekomst goede huisvesting en zorg te kunnen leveren. Om die reden bestaat de wens om deze gronden te herontwikkelen en te voorzien van duurzame en toekomstbestendige woonzorgvoorzieningen. Daarbij doet zich de kans voor om ook de voormalige schoollocatie bij de herontwikkeling te betrekken en zo een groot woonzorggebied te realiseren waarbij de groene omgeving als omgevingskwaliteit versterkt kan worden.
Stedenbouwkundig plan woonpark ‘De Beekwal’ (bron: Sacon).
Het programma bestaat in totaal maximaal uit 115 woningen verdeeld over maximaal 80 wooneenheden beschermd wonen en 35 huurappartementen van 60 en 75 m 2 gebruiksoppervlakte. De herontwikkeling zal in drie fasen uitgevoerd gaan worden. In fase 1 wordt de voormalige schoollocatie aan de noordzijde van het plangebied gesloopt. Hier is ter plaatse nieuwbouw beoogd voor circa 40 wooneenheden beschermd wonen inclusief de daarbij behorende algemene ruimten en voorzieningen. De nieuwbouw zal grotendeels bestaan uit twee bouwlagen met kapconstructie. Dat geldt ook voor de nieuwbouw in fase 2, waarvoor de 15 aanleunwoningen aan de zuidoostzijde
8
van het plangebied gesloopt worden ten behoeve van nieuwbouw van circa 40 wooneenheden beschermd wonen met daarbij ook de algemene ruimten/voorzieningen. Beschermd Wonen is een alternatief voor het traditionele verpleeghuis en geschikt voor mensen met een (intensieve) zorgvraag. Mensen kunnen hier zowel wonen met een intramurale indicatie als op basis van het scheiden van wonen en zorg. Beschermd Wonen is breed inzetbaar voor diverse doelgroepen met een ondersteuningsvraag. In de laatste, derde fase wordt in het westen van het plangebied het huidige zorgcentrum ‘De Beekwal’ gesloopt. Hiervoor in de plaats zullen circa 30 wooneenheden ‘Wonen met een Plus’ (huur) gebouwd worden. Wonen met een Plus is een alternatief voor het traditionele verzorgingshuis en geschikt voor mensen met een (lichte) ondersteuningsvraag. Mensen die wonen met een plus hebben meer nodig dan alleen een woning, ook welzijn, ontmoeten, zorg (op afroep) en andere diensten zijn van belang. De woning an sich is een 'reguliere woning' en daardoor ook inzetbaar voor mensen die geen zorg nodig hebben. In dit gebouw is de mogelijkheid om een maatschappelijke functie een plek te geven. Hier is de nieuwbouw beoogd van maximaal 4 bouwlagen zonder kapconstructie. Bij iedere fase zullen ook de bijbehorende parkeerplaatsen, voorzieningen en overige terreininrichting gerealiseerd worden.
De drie beoogde woongebouwen liggen in een groene omgeving waar de auto ‘te gast’ is. Door geleding in de bouwmassa’s en variatie in bouwhoogtes voegt de bebouwing zich in de dorpse maat en schaal. De auto-ontsluiting vindt plaats via korte doorsteekjes naar de parkeerkoffers, welke ingepast zijn in het groenontwerp van de locatie. De volledige parkeervraag zal op eigen terrein gerealiseerd worden. De nieuwe woongebouwen zijn met hun hoofdentrees georiënteerd op het hart van het plangebied. Aan de zijkanten van het plangebied is tevens aansluiting gezocht met de omgeving door de bestaande woongebouwen te betrekken in het groenontwerp en de groenstructuur door te trekken bij ontsluitingsweggetjes. Het uitgangspunt is dat zo veel mogelijk bestaande bomen bij de herontwikkeling behouden blijven en er daarnaast ruimte is om nieuw groen te realiseren, waarmee aandacht is voor natuurinclusief en klimaatadaptief ontwikkelen.
Impressie beoogde situatie woonpark ‘De Beekwal’ (bron: Sacon).
9
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzaam en toekomstbestendig woonzorggebied, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het plangebied centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. Verouderde bebouwing op een gunstige locatie in Eerbeek wordt herontwikkeld naar een aantrekkelijk woongebied geschikt voor ouderen met een zorg- en/of andere ondersteuningsvraag. Daarbij is aansluiting gezocht met de kenmerken en karakteristieken van de omgeving, zoals beschreven in paragraaf 2.2.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.
10
Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan die voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een kern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 115 wooneenheden. Derhalve is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking1 doorlopen. Hierin wordt geconcludeerd dat de ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
1
SAB (2022). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Eerbeek, De Beekwal e.o. Projectnummer: 220186. 30 juni 2022. 11
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
12
Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie en -verordening wijst uit dat de gronden van het plangebied zijn aangewezen als ‘grondwaterfluctuatiezone’. De provincie heeft een zone, rondom het Veluwemassief, aangewezen als grondwaterfluctuatiezone. Deze gebieden zijn extra gevoelig voor grondwateroverlast. Het is van belang om hiermee bij de inrichting of herinrichting van stedelijk gebied, via de watertoets, rekening te houden en zo nodig maatregelen te nemen. In artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In voorliggende situatie wordt de nieuwbouw aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Er wordt zo veel mogelijk halfverharding toegepast, bijvoorbeeld bij parkeervoorzieningen. Daarnaast wordt gekeken naar groendaken op buitenbergingen, nestgelegenheden voor vogels en vleermuizen en bloemenmengsels voor insecten en vogels. Het groen zal zoveel mogelijk behouden blijven en waar mogelijk uitgebreid worden. Ook is ruimte voor de aanleg van wadi’s om zo de waterberging te bevorderen. Dit wordt per locatie nader bestudeerd en uitgewerkt.
Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciale beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030 – Visie op het niet-bundelingsgebied De Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 is in november 2009 vastgesteld door de gemeenteraden van Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen. In deze visie staan de gemeenschappelijke ambities voor de lange termijn tot 2030 voor het gebied buiten de grote stedelijke kernen Zutphen, Deventer en Apeldoorn en het landelijke gebied daartussen. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. Behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw, staan centraal. Om deze centrale doelstelling concreet te maken, zijn de volgende vijf strategische keuzen geformuleerd: − duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; − natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; − regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; − stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; − toevoegen van centrum-stedelijke en landelijke woonmilieus.
13
De visie zet in op de volgende zaken: − het versterken van de groene kernkwaliteit: veerkrachtig watersysteem in een robuust landschap; − het versterken van de rode kernkwaliteit: een netwerk van vitale kernen; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (I): landbouw als core business; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (II): toerisme en recreatie als troefkaart; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (III): vitaliteit door variatie. Toetsing Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van een duurzaam en toekomstbestendig woonzorggebied, waarbij de parkachtige setting zo veel mogelijk wordt versterkt. Dit gebeurt op een locatie binnen de groene dorpskern. Er is hier sprake van herstructurering om nieuwe stadsuitbreidingen te voorkomen. Door deze binnenstedelijke ontwikkeling worden geen kernkwaliteiten van het landschap aangetast. Dit tezamen maakt dat de beoogde ontwikkeling aansluit bij de ambities uit de regionale structuurvisie. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ Op 25 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Brummen de Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ vastgesteld. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn in drie thema’s onderverdeeld: − Ruimte voor papier en landgoederen: Papier en landgoederen zijn de kernwaarden die de gemeente Brummen uniek maken. Deze kernwaarden krijgen alle ruimte. Niet alleen fysiek en bedrijfsmatig, maar op zoveel mogelijk terreinen worden deze kernwaarden binnen de gemeente versterkt. Bijvoorbeeld in de recreatiesector, maar ook in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Eerbeek is een papierdorp en dat wil de gemeente meer laten zien, lokaal en regionaal, maar ook nationaal en internationaal. Daarnaast worden cultuurhistorie, creativiteit en kunst in de gemeente gestimuleerd en gekoesterd. Om de recreatieve potentie van Brummen verder uit te bouwen wordt het netwerk voor de wandelaar, fietser en ruiter verbeterd. − Samen gezond wonen, werken en leven: De gemeente Brummen wil een aantrekkelijke gemeente zijn voor zowel jong en oud als voor bestaande en nieuwe inwoners. Daarbij hoort een gemeente waar men prettig kan wonen en werken.
Het kleinschalige dorpsleven waar rust en vriendelijkheid heersen en sprake is van een sterke sociale samenhang, zijn daarbij van belang. De identiteit, die wordt gekoesterd, moet worden behouden en versterkt. − Op groene voet met groene vingers: Er wordt ingezet op een groen en klimaatneutraal Brummen, waarbij zelf wordt voorzien in de energie, energiesystemen slim worden gekoppeld, hemelwater wordt geborgen en gebruikt en de biodiversiteit 14
wordt versterkt. De natuur en het landschap zijn kernwaarden van de identiteit van de gemeente Brummen. Ze vormen de historische basis en maken deel uit van het woongenot, vormen de trekker voor recreanten en toeristen en staan aan de basis van de ontwikkeling van de papierindustrie en de landgoederen. Het landschap en de natuur moeten daarom behouden blijven. Maar ook hier geldt dat er geen stolp op het buitengebied moet worden gezet. Er wordt vernieuwd met respect voor dat wat er is. Toetsing De toekomstvisie zet in op het zijn en blijven van een aantrekkelijke gemeente voor zowel jong en oud. Daarbij dient veel aandacht uit te gaan naar de kleinschaligheid van het dorpse leven en de sterke sociale omvang. Bij elke ontwikkeling dient ook rekening te worden gehouden met de groene omgeving en klimaat. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een duurzaam en toekomstbestendig woonzorggebied met daarbinnen ruimte voor veel groen en kansen om elkaar te ontmoeten. Tevens zal de algehele kwaliteit op het gebied van wonen, zorg en welzijn worden verbeterd.
Met de realisatie van woningen binnen het Beschermd Wonen en het Wonen met een Plus wordt ingezet op het idee 'van verblijf naar wonen' waarbij mensen anders dan voorheen niet worden 'opgenomen' in een verpleeg-/verzorgingshuis maar zoveel als mogelijk hun eigen leven blijven leiden in hun eigen woning, ondanks hun zorgvraag. Tevens zijn de nieuwe gebouwen en de achterliggende visie voor medewerkers een plezierigere locatie om te werken. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij de ambities van de toekomstvisie. 3.4.2
Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ De gemeenteraad van de gemeente Brummen heeft op 28 september 2006 de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente Brummen er over 25 jaar uit zou moeten zien. De ruimtelijke ontwikkelingsvisie omvat een lange termijnvisie (Strategische visie tot 2030) en de korte termijnvisie (periode 2005 tot 2015). Samen vormen ze de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op Groen'. In de strategische visie tot 2030 zet men in op synergie met de omliggende gemeenten. Dit kan volgens de gemeente het beste bereikt worden door aan te sluiten op de onderscheidende kwaliteiten. Dé identiteitsdrager van de gemeente Brummen is de groene kwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook ingezet te worden op de versterking van de groene kwaliteiten. Toetsing Op het gebied van wonen en zorg bevat de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ geen concrete beleidskaders of ambities. Wel wordt aangegeven dat de gemeente Brummen voor iedereen inzet op het waarmaken van een goed leven, waarbij inwoners een duurzame omgeving hebben die betekenisvol is. Daarbij vormen Eerbeek en Brummen de hoofdkernen voor de voorzieningen in de gemeente. In deze kernen moeten voldoende voorzieningen voor de inwoners aanwezig zijn.
Omdat in voorliggende situatie wordt ingespeeld op de groeiende groep ouderen in de gemeente met bijbehorende zorgvraag past de ontwikkeling binnen de kaders en doelstellingen van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie.
15
3.4.3
Nota Ruimtelijke Kwaliteit Brummen 2013 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit, voorheen de welstandsnota, bestaat uit beschrijvingen van welstandsgebieden en bijzondere thema’s met daaraan gekoppeld afzonderlijke toetsingscriteria. In totaal worden zes verschillende gebieden onderscheiden: − Historische dorpsgebieden en linten; − Woongebieden met samenhang; − Woongebieden met diversiteit; − Bedrijventerreinen; − Landelijk gebied; − Gebieden met een bijzondere functie. Toetsing Het plangebied ligt binnen het gebied ‘Woongebied met samenhang’. Voor deze gebieden streeft de gemeente naar behoud van de stedenbouwkundige opzet, een zorgvuldige omgang met de openbare ruimten en een bebouwingsbeeld met een grote gemene deler, zoals herhaling van bouwblokken en bouwstijlen. Voorliggend plan beantwoordt aan deze criteria door het behoud van de samenhang op bouwblokniveau en de afstemming op het gebied van bebouwingskarakteristieken, schaal en detaillering met de omgeving. Dit tezamen maakt dat het plan in overeenstemming is met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Brummen.
3.4.4
Woonagenda 2019-2023 gemeente Brummen In de woonagenda van de gemeente Brummen wordt de koers voor het woonbeleid uitgezet. De Woonagenda geeft de ambitie aan en vormt de wettelijke basis voor de Prestatieafspraken met de corporatie en de gemeentelijke ‘toezichtstaken’. Verder is de woonagenda het kader voor de woningbouwprogrammering. De gemeente Brummen verwacht nog 700 woningen toe te voegen tot 2027. Het doel van de woonagenda is om iedereen prettig te laten wonen in de gemeente Brummen en om woonwensen -behoeften van inwoners zoveel mogelijk te realiseren binnen de gemeente. De woonagenda verwacht een bijdrage te kunnen leveren aan de volgende opgaven: − Betaalbaarheid en beschikbaarheid; − Wonen, zorg en welzijn, in combinatie met vergrijzing; − Duurzaamheid, met focus op de bestaande woningvoorraad; − Leefbaarheid. Toetsing Voorliggende woonzorgontwikkeling sluit aan bij het gestelde in de woonagenda. Zo wordt aangesloten bij de toenemende vergrijzing en vraag om wonen met zorg binnen de gemeente. Tevens wordt met de sloop van de huidige bebouwing bijgedragen aan de verduurzaming van de woningvoorraad. Ook de leefbaarheid van de omgeving wordt verbeterd door de aanwezige groene omgeving met bijbehorende ontmoetingsmogelijkheden te versterken. Om de opgave wat betreft vergrijzing en extramuralisering verder uit te werken is een woonzorgvisie opgesteld.
Deze wordt in de navolgende paragraaf behandeld. Betaalbaarheid is ook een belangrijk thema binnen dit plan. De woningen zijn voorbereid op het scheiden van wonen en zorg én intramuraal
16
met verblijf. Zodoende kan per bewoner bepaald worden wat de best passende indicatie is per bewoner passende bij zijn/haar huishoudboekje. Veluwonen als woningcorporatie verhuurt daarbij binnen het sociale segment. In het gebied ontstaat tot slot een integraal aanbod van wonen, zorg en welzijn. Zowel in de gebouwen als in de omgeving worden deze diensten aangeboden in samenwerking met diverse organisatie. Aangenomen kan worden dat voorliggende ontwikkeling aansluit bij de ambities en opgaven gesteld in de woonagenda 2019-2023 van de gemeente Brummen. Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.
17
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’.
Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Onderhavig plan betreft de herontwikkeling van het adres Derickxkamp 2, 27 en 1-25 in Eerbeek. Het plan voorziet in totaal in maximaal 115 te realiseren woon(zorg)eenheden. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het totale plangebied is circa 1 hectare groot. Hiermee blijft het plan ver onder de indicatieve drempelwaarden en kan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese
18
Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project; − de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling2 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) en archeologie zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
4.2
Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ter plaatse van het plangebied zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Eén voor de locatie van fase 13 en één voor de locaties van fase 2 en 34 van de ontwikkeling. Uit het onderzoek naar de locatie van fase 1 volgt dat de bodem in hoofdlijnen bestaat uit matig fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig, zwak tot sterk humeus en zwak tot sterk grindig. Verder is de bodem plaatselijk roesthoudend. In de bovengrond van het gehele terrein zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Ook in het grondwater zijn geen verhoogde concentraties gemeten. De locatie wordt dan ook op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Uit het onderzoek naar fase 2 en 3 van de ontwikkeling blijkt dat de bodem in hoofdlijnen bestaat uit matig fijn tot zeer grof zand en dat in de ondergrond plaatselijk een kleilaag is aangetroffen. In de boven- en ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan PAK (10 VROM) aangetoond. In het grondwater ter plaatse van een enkele peilbuis is een sterk verhoogd gehalte aan nikkel gemeten.
Het betreft waarschijnlijk een natuurlijke achtergrondwaarde, omdat er geen bronnen aanwezig zijn die
2
SAB (2023). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Eerbeek, Beekwal e.o. Projectnummer: 220186. 31 januari 2023.
3
De Klinker (2022). Verkennend bodemonderzoek Derickxkamp 2 te Eerbeek. Rapportnummer: K21013061. 10 januari 2022.
4
De Klinker (2022). Verkennend bodemonderzoek Derickxkamp 27 te Eerbeek. Rapportnummer: K2220121. 25 juli 2022. 19
een verontreiniging met nikkel in het grondwater kunnen hebben veroorzaakt én er sprake is van een lage pH-waarde. Een lage pH-waarde maakt het mogelijk voor nikkel om op te lossen in het grondwater, waardoor dit binnen het plangebied op een natuurlijke manier plaats heeft kunnen vinden. Geconcludeerd wordt dat de bodem op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met voorliggend plan is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere (gezoneerde) wegen aanwezig. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai5 uitgevoerd. Hierin zijn de volgende wegen meegenomen: Lageweg, Loubergweg, Molenstraat, Dr. Gunningstraat, Smeestraat, Illinckstraat, HA Grizzelstraat, Derickxkamp, De Wasacker en Stuijvenburchstraat. Uit het onderzoek volgt dat er geen overschrijdingen plaats vinden van de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen
5
SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Eerbeek, Derickxkamp 2. Projectnummer: 220186. 3 augustus 2022. 20
niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen.
Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.
Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van maximaal 115 woon(zorg)eenheden. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering.
21
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Met onderhavig plan is sprake van de realisatie van nieuwe, hinderveroorzakende en hindergevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Het plangebied maakt onderdeel uit van het centrum van Eerbeek, waar sprake is van een afwisseling tussen woningen, voorzieningen en werkfuncties. Er sprake is van een diversiteit aan functies, waardoor de locatie van het besluitgebied op basis van de VNGpublicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (2009)’ worden beschreven als ‘gemengd gebied’. Er is een quick scan bedrijven en milieuzonering 6 uitgevoerd. Met de realisatie van zorgwoningen binnen het plangebied wordt zowel een hindergevoelige als ook hinderveroorzakende functie mogelijk gemaakt. In de huidige situatie bestaat een groot deel van het plangebied reeds uit de functie ‘zorgwoningen’, waardoor er in de feitelijke situatie weinig veranderd. Op locaties waar wel een functiewijziging plaatsvindt kan worden voldaan aan de richtafstanden in de feitelijke situatie. Geconcludeerd wordt dat het plan geen onevenredige hinder zal veroorzaken en een goede ruimtelijke ordening gehandhaafd zal blijven.
6
SAB (2023). Quick scan bedrijven en milieuzonering De Beekwal e.o. te Eerbeek. Projectnummer: 220186. 28 februari 2023. 22
Verder kan geconcludeerd worden dat juridisch-planologisch gezien bij bijna alle omliggende gronden/functies aan de richtafstanden behorende bij de planologische mogelijkheden wordt voldaan. Daar waar niet aan de richtafstanden kan worden voldaan, zorgen locatiespecifieke omstandigheden en het feit dat reeds zorgwoningen ter plaatse zijn toegestaan ervoor, dat aangenomen kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor al de overige gronden/functies geldt dat deze omliggende gronden/functies niet worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Nader onderzoek op het gebied van bedrijven en milieuzonering is daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPGtankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De orientatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
23
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb).
Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie gemeente Brummen Met deze Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de gemeente Brummen. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. Deze visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Brummen aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Het toetsingskader voorkomt afwegingen en besluiten op ad hoc basis en brengt consistentie door heldere uitgangspunten en reële ambities. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het in dit document weergegeven externe veiligheidsbeleid in acht. De uitgangspunten uit deze visie worden verder toegepast bij alle gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbinnen externe veiligheid een rol speelt (o.a.
vergunningverlening en handhaving, routering gevaarlijke stoffen, ruimtelijk beleid, rampenbestrijding en risicocommunicatie). Toetsing Dit plan voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten. Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat in de omgeving van het plangebied twee risicobronnen aanwezig zijn, namelijk een inrichting voor industriewater en een vuurwerkopslag. Het plangebied ligt echter buiten het invloedsgebied van deze risicobronnen. Daarom vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
24
Risicobronnen in de omgeving van het plangebied (ster) (Bron: Risicokaart.nl).
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7
Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.
Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten.
25
Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem.
Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem.
Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapsbeleid – Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen.
26
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Toetsing Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater.
Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het doorlopen van de watertoets7 is gebleken dat het plan geen belangen van het Waterschap raakt. Wel wordt het gebied aangemerkt als een grondwaterfluctuatiezone. Voor gronden gelegen in een grondwaterfluctuatiezone geldt dat de grondwaterstanden sterk kunnen fluctueren. Voor ontwikkelingen gelden geen beperkingen. De zone is signalerend van aard. Voorliggend plan voorziet in de sloop van een in onbruik geraakte schoollocatie, een woonzorgcomplex en aanleunwoningen. Hiervoor in de plaats komen meerdere zorgwoningen en appartementen met een zorgfunctie. In de huidige situatie is een groot gedeelte van de gronden verhard. Met de komst van de beoogde woonzorgontwikkeling wordt veel ruimte geboden voor groen. Voor de ontwikkeling is het uitgangspunt gehanteerd dat voor de berging van het water op eigen terrein een eis van T=10 geldt, wat inhoudt dat er een berging moet worden gecreëerd van 35,7mm. Omdat het terrein veel groen bevat, wordt een deel van het water hier geborgen. Voor fase 2 en 3 is de verdeling gemaakt dat 20 mm van het verharde oppervlak bergen in het op het op eigen terrein aan te leggen rioolsysteem wordt geborgen en de overige 15,7mm kan afstromen naar het groen op eigen terrein.