(054) Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
6.5 Conclusie Uit het nader onderzoek Wet natuurbescherming is gebleken dat het plangebied geen functie heeft voor beschermde kleine marterachtigen zonder provinciale vrijstelling als bunzing en wezel. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming wordt hierom niet noodzakelijk geacht.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 26
7 Conclusie 7.1 Beschermde soorten 7.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied, van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
7.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Kleine marterachtigen Uit het nader onderzoek Wet natuurbescherming is gebleken dat het plangebied geen functie heeft voor beschermde kleine marterachtigen zonder provinciale vrijstelling als bunzing en wezel. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming wordt hierom niet noodzakelijk geacht. Wel geldt nog steeds de zorgplicht (zie 7.1.3 Algemene zorgplicht). Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen 2 uit te voeren. Vanwege de geschiktheid van de vervallen schuren en het braamstruweel voor broedvogels in het algemeen, dient het bouwrijp maken van het plangebied (slopen, frezen etc.) buiten het broedseizoen te gebeuren (1 maart tot en met 15 juli).
Hierbij dient ook gelet te worden op het eventueel (tijdelijk) verwijderen van de steenuil kasten, dergelijke kasten worden veelvuldig door spreeuwen en kauwen gebruikt als broedlocatie. Indien broedvogels aanwezig zijn in deze kasten dient men deze te laten hangen, totdat het broedsel is uitgevlogen. Overige werkzaamheden zoals de bouw en renovatie van de woning kunnen hierop volgend wel binnen het broedseizoen plaatsvinden.
7.1.3 Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 27
7.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: Doordat er sprake is van tijdelijke, lokale verstoring waarbij effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven, er ter plaatse geen potentie is voor het ontwikkelen van habitattypen en er geen sprake is van externe werking, is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een stikstofberekening middels het programma AERIUS-Calculator is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Deze stikstofberekening zal worden uitgevoerd en worden beschreven in een separate rapportage.
7.3 Bescherming houtopstanden Mogelijk worden enkele wilgen in het westen van het plangebied gekapt. Deze beplanting valt buiten de bebouwde kom Boswet en is groter dan 10 are, derhalve dient hiervoor een kapmelding te worden gedaan bij de provincie Gelderland.
7.4 Gelders Natuurnetwerk Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN en de GO. Een toetsing aan het GNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
7.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
7.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 28
Literatuur • • •
ESRI. (2021). ESRI Nederland. Opgehaald van esri.nl. NDFF. (2021). uitvoerportaal. Opgeroepen op 2020, van ndff-ecogrid.nl: https://ndff-ecogrid.nl/ Provincie Gelderland. (2021). Kernkwaliteiten GNN GO. Opgeroepen op februari 20, 2020, van gelderland.maps.arcgis.com: http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=92d4c54aed8147ae8aa704c312f71 9bc
Soortinformatie: - www.zoogdiervereniging.nl (kleine marterachtigen) - www.vlindernet.nl (teunisbloempijlstaart)
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 29
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 30
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 31
Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 32
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 33
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 34
www.eelerwoude.nl
Bijlage 3 Verkennend archeologisch onderzoek Elzenbosweg 19, Brummen
Buitengebied, Elzenbosweg 19 Brummen | Eelerwoude | 59
RAAP-RAPPORT 5289
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen Gemeente Brummen Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Colofon Titel: Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Versie: 20-07-2021 Auteur: E.M. Witmer, MA Projectcode: BRLZ Bestandsnaam: RAAPrap_5289_BRLZ_20210720 Autorisatie: dr. N.W. Willemse
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Er is geen verklaring ontvangen van het bevoegd gezag omt rent goed- of afkeuring van het rapport.
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Samenvatting In opdracht van Eelerwoude B.V. heeft RAAP in juni en juli 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Elzenbosweg 19 te B rummen (gemeente Brummen). De historische boerderij in de noordwesthoek van het plangebied wordt gerestaureerd; bestaande bijgebouwen worden gesloopt, er wordt een nieuw bijgebouw en een nieuwe woning gebouwd, er wordt een wadi aangelegd en de boomgaard wordt hersteld. Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden . Het plangebied ligt op pleistocene fluviatiele afzettingen afgedekt door afspoelingswaaierafzettingen. Rond de historische boerderij uit 1752 is een oud bemestingsdek (plaggendek) aanwezig. De bodemopbouw in het plangebied is grotendeels intact en bestaat uit minerale bemestingslagen welke een oude akkerlaag (rond de boerderij) afdekken. Deze oude akkerlaag is ontstaan in afgespoelde hellingafzettingen (erosiewaaierafzettingen) welke rusten op pleistocene rivierafzettingen.
In een aantal boringen zijn crevasseafzettingen waargenomen , afgezet tijdens IJsselhoogwater; in de zuidwesthoek loopt een crevassegeul. Op basis van het bureau - en veldonderzoek kan de hoge archeologische verwachting van het plangebied worden gehandhaafd, met name voor de periode vanaf de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Het is zeer aannemelijk dat de behoudenswaardige vindplaats (vroege-/middenijzertijd - nieuwe tijd) die rond het plangebied is aangetroffen, tevens doorloopt binnen onderhavig plangebied. De top van archeologisch relevante niveau bevindt zich direct onder de bouwvoor/het plaggendek, vanaf 40 cm -mv (8,2 à 8,0 m NAP). Er zijn archeologische indicatoren waargenomen tot een diepte van maximaal 155 cm -mv (7,15 m NAP); vermoedelijk in een grondspoor. Verder zouden er volgens de eigenaar twee geweren uit de Tweede Wereldoorlog op het terrein begraven moeten zijn, maar de precieze locatie ervan is niet bekend. Aangezien de top van het archeologisch relevante niveau vanaf 40 cm -mv ligt, wordt aanbevolen om bodemingrepen zoveel mogelijk te beperken tot een diepte maximaal 30 cm -mv, zodat eventueel aanwezige archeologische resten niet verstoord worden. Indien planaanpassing onmogelijk is, wordt in het kader van de bestaande planvo rming aanbevolen om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit rapport geeft (selectie)adviezen.
Het is aan de bevoegde overheid , de gemeente Brummen, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[3]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 5 1.2 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 7 1.3 Doel- en vraagstelling .......................................................................................................................... 7
2 Bureauonderzoek ............................................................................................................................. 9 2.1 Methode .............................................................................................................................................. 9 2.2 Aardkundige situatie ............................................................................................................................ 9 2.3 Archeologische gegevens ................................................................................................................... 14 2.4 Historische situatie ............................................................................................................................ 19 2.5 Huidige situatie .................................................................................................................................. 23 2.6 Toekomstige situatie .......................................................................................................................... 25 2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting ...................................................................................... 26
3 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 29 3.1 Methode ............................................................................................................................................ 29 3.2 Resultaten ......................................................................................................................................... 29 3.3 Archeologische relevantie .................................................................................................................. 31
4 Conclusies en advies ...................................................................................................................... 33 4.1 Conclusie .......................................................................................................................................... 33 4.2 Advies ............................................................................................................................................... 33 4.3 Tot slot .............................................................................................................................................. 33
Literatuur .......................................................................................................................................... 34 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 35
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[4]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van Eelerwoude B.V. heeft RAAP in juni en juli 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen in de gemeente Brummen (figuur 1). De historische boerderij in de noordwesthoek van het plangebied wordt gerestaureerd; bestaande bijgebouwen worden gesloopt, er wordt een nieuw bijgebouw en een nieuwe woning gebouwd, een wadi aangelegd en de boomgaard wordt hersteld. Het onderzoek vond plaats in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Brummen ligt het plangebied in ‘AWG 2’: zone met een zeer hoge archeologische (verwachtings)waarde. Het beleid voor deze zone schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 30 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. In het Paraplubestemmingsplan Archeologie is een vrijstellingsgrens van 100 m 2 en diepte van 40 cm -mv opgenomen. 1 Het bestemmingsplan is leidend.
De omvang van de bodemingrepen is nog niet precies bekend, maar zal de vrijstellingsgrens overschrijden. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is daarom verplicht conform het vigerend beleid. Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.
1
NL.IMRO.0213.BPBREEPARCH20000-va01; vastgesteld op 15 oktober 2020.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[5]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 1. Locatie van het plangebied (rood omlijnd). Inzet : ligging in Nederland.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[6]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Opdrachtgever
Eelerwoude B.V.
Bevoegde overheid
Gemeente Brummen
Plaats
Brummen
Gemeente
Brummen
Provincie
Gelderland
Centrumcoördinaten (X/Y)
208.057 / 457.328
Toponiem
Elzenbos
Kadastrale gegevens
Kad.gem. Brummen, sectie I, perceelnrs. 1397, 2338 (gedeeltelijk) en 2391 (gedeeltelijk)
Oppervlakte plangebied
0,42 hectare
Afbakening onderzoeksgebied
Tijdens onderhavig onderzoek is het plangebied inclusief een zone van 500 m rondom het plangebied onderzocht.
Onderzoeksperiode
Juni-juli 2021
Uitvoerder
RAAP Oost
Projectleider
E.M. Witmer, MA
Projectmedewerkers
M. Dokter
RAAP-projectcode
BRLZ
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer
5078752100
Beheer en plaats documentatie
RAAP regio Oost te Zutphen en op termijn het provinciaal Depot, ARCHIS en E-Depot.
Tabel 1. Administratieve gegevens.
1.3 Doel- en vraagstelling De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats. Daartoe wordt informatie verzameld over bekende en verwachte archeologische resten teneinde een gespecificeerde archeolog ische verwachting op te stellen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd:
Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?
Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen in en rond het plangebied zijn reeds bekend?
Wat was het historisch landgebruik van het plangebied en wat is het landgebruik nu en wat is de invloed daarvan op de (verwachte) archeologie en (bodem)gaafheid?
Wat is de gespecificeerde verwachting ten aanzien van nog onbekende archeol ogische waarden in het gebied? En wat zijn hiervan de prospectiekenmerken?
Komt de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw in het plangebied overeen met hetgeen op basis van het bureauonderzoek verwacht werd?
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[7]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespecificeerde archeologische verwachting te worden bijgesteld?
Waar en op welke diepte bevinden zich de archeologisch interessante lagen?
Is de bodemopbouw in het plangebied zodanig (intact) dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is?
Zijn er aanwijzingen voor (grotere) archeologische nederzettingen?
Kan het archeologisch relevante niveau gewaardeerd worden? Zo ja, wat is de waardering en zo nee, welke informatie is nodig om tot een waardering te komen?
Algemeen
Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?
Op welke wijze kan bij de planvorming met archeologische resten worden omgegaan?
Met de inzet van welke zoekmethoden kunnen de verwachte archeologische resten systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)?
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[8]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2 Bureauonderzoek 2.1 Methode Het bureauonderzoek dient ervoor om – op basis van verschillende bronnen – inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk geb ruik in de loop van de tijd heeft achtergelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Naast de conform de KNA verplichte bronnen is door de gebiedsexperts van RAAP een beredeneerde keuze gemaakt uit betrouwbare bronnen die voor de archeologische verwachting relevante informatie bevatten (zie bijlage 2 voor de motivering). Daarvoor is gebruik gemaakt van de landelijk en voor RAAP digitaal beschikbare archieven. Voor de beschrijving van de historische s ituatie is gebruik gemaakt van hiervoor relevante informatiedragers. Voor de actuele metadata van de verzamelde gegevens (gemeente, plaats, etc.) wordt verwezen naar het van toepassing zijnde data -archief.
2.2 Aardkundige situatie Tot aan de komst van het landijs gedurende de voorlaatste ijstijd (Saalien; 324.000-128.000 jaar geleden) lag het plangebied ter plaatse van de oude stroomgebieden van de Rijn en Maas (Stouthamer, Cohen en Hoek, 2020). Met de uitbreiding van het landijs in zuidelijke richting en de da ling van de zeespiegel werden de Rijn en Maas gedwongen om ter hoogte van het huidige rivierengebied af te buigen naar het westen. In het IJsseldal kwam een gletsjerlob voor die een diep dal uitsleet en onderliggende riviersedimenten opzij en voor zich uit opstuwde. Zo is onder andere de stuwwal van de Veluwe(zoom) ontstaan. Na het smelten van het landijs en het ontdooien van de bodems spoelden de zandige en grindige afzettingen van de stuwwal af en werden deze langs de randen van de stuwwallen afgezet in grote afspoelingswaaiers. Na het warmere Eemien (128.000-116.000 jaar geleden) volgde opnieuw een ijstijd: het Weichselien (116.000-12.000 jaar geleden). Met name in het Midden-Weichselien (Pleniglaciaal; 73.000-15.000 jaar geleden) was het bij tijd en wijle zeer koud. Met het ontdooien van de bovengrond (vorst -dooilaag) kwam smeltwater vrij dat niet kon wegzakken. Onder invloed van een minieme hellingsgraad begon de bovengrond vanaf de stuwwal als een breiige massa richting het IJsseldal te schuiven (solifluctie of bodemvloeiingen).
Vanwege het vrijwel ontbreken van vegetatie tijdens de koudste fasen, vonden grote zandverstuivingen plaats. Zo raakten de afgegleden en afgespoelde afzettingen van de stuwwal vermengd met stuifzand (dekzand). Tijdens de laatste echt koude fase van de laatste ijstijd, het Jonge Dryas (12.900-11.700 jaar geleden), werd opnieuw dekzand afgezet, waarvan de duinvormen nog steeds in het huidige landschap herkenbaar zijn als lage zandruggen (dekzandruggen, -welvingen en -koppen). Vanaf 11.700 jaar geleden begon de huidige warme tijd, het Holoceen en steeg zowel de zeespiegel als de grondwaterspiegel. De ondergrond van het IJsseldal werd doorsneden door talrijke beken, zoals de Oude IJssel en de Berkel. Ten zuiden van Zutphen stroomden deze rivieren door het IJsseldal af in zuidelijke richting, richting de Rijn. Vlak ten noorden van de Berkelmonding bij Zutphen lag een reeks duinen en erosiewaaiers welke de afwatering vanuit de Betuwe in noordelijke richting blokkeerde. In de
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[9]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
zesde eeuw wist het Rijnhoogwater een doorbraak in noordelijke richting te forceren. Rond Zutphen, Voorst en Brummen zijn bijbehorende crevassegeulen en -afzettingen nog te vinden (Cohen et al. 2009). Vanaf dat moment kon de Rijn weer via het IJsseldal naar het noord en stromen en was de Gelderse IJssel ontstaan. De meanders van de IJssel hebben zich meermaals verlegd en er hebben veelal overstromingen plaatsgevonden. Onderhavig plangebied ligt volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingsplaats op de flank van een door dekzand afgedekte pleistocene terrasrest, waarop vanaf de latere ijzertijd een kleidek is ontstaan, zoals bij een eerder booronderzoek op deze locatie is waargenomen (van Oosterhout & Willemse, 2007). Bij een later proefsleuvenonderzoek (Brouwer e.a., 2011) werd echter gesteld dat in het plangebied een geërodeerde afspoelingswaaier op beekafzettingen ligt. Rond de boerderij is een plaggendek met oude akkerlaag waargenomen (van Oosterhout & Willemse, 2007).
Geologische situatie (Weerts e.a., 2006)
Formatie van Echteld / Formatie van Nieuwkoop op Formatie van Boxtel (code Ec4); direct oostelijk van het plangebied: Formatie van Echteld: rivierklei en zand (code Ec1).
Zanddieptekaart (Cohen e.a., 2009)
‘Pleistocene afzettingen: 0-1 m -mv rivierzand: zandige lagen boven het vaste zand; 0-2 m -mv: dekzand/rivierduinzand.
Geomorfologische situatie (Koomen & Maas, 2004)
Niet gekarteerd i.v.m. bebouwing. Directe omgeving: vlakte van rivierafzettingen (code 2M45)
Ouderdom geomorfologische structuur
Pleistoceen en Holoceen
Bodemkundige situatie (kaartblad 33 Oost - Apeldoorn)
Rivierkleigronden: kalkhoudende ooivaaggronden: lichte zavel (code Rd90A). Direct westelijk van plangebied: kalkloze poldervaaggronden (code Rn67Cp); pleistoceen zand beginnend tussen 40-120 cm -mv.
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (Willemse, 2010).
Laag deel dekzandrug op pleistocene terrasrest met kleidek (code 65).
DINO-loket (B33G0819); ca. 90 m westelijk van plangebied
Sterk siltige klei tot 210 m -mv; daaronder matig fijn zand en (vanaf 370 cm -mv) matig grof zand.
Verwachte diepteligging van archeologisch relevante lagen
Direct onder de bouwvoor dan wel onder een eventueel plaggendek
Tabel 2. Overzicht van geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het plangebied en de directe omgeving.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[10]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 2. Het plangebied geprojecteerd op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3).
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[11]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 3. Het plangebied geprojecteerd op de geomorfologische kaart (Koomen & Maas, 2004).
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[12]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 4. Het plangebied geprojecteerd op de Bodemkaart van Nederland ( Stiboka 1979, kaartblad 33 Oost Apeldoorn)
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[13]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2.3 Archeologische gegevens Gemeentelijk archeologiebeleid Paraplubestemmingsplan Archeologie NL.IMRO.0213.BPBREEPARCH20000va01; vastgesteld op 15-10-2020.
Dubbelbestemming ‘waarde - Archeologie zeer hoog’: archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen >100 m 2 en >40 cm -mv.
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
Grotendeels: hoge archeologische verwachting voor resten uit alle perioden. Rond het historisch erf zijn archeologische resten waarschijnlijk afgedekt door een >50 cm dikke conserverende laag en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd; in het oostelijke deel van het plangebied is dit mogelijk ook het geval. Zo niet, dan liggen archeologische resten hier direct onder het maaiveld en zijn deze daardoor kwetsbaar.
Gemeentelijke archeologische beleidskaart
Gehele plangebied: AWG 2: zone met zeer hoge archeologische (verwachtings)waarde.
Tabel 3. Overzicht van het geldende archeologiebeleid en achterliggende verwachtingskaart.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[14]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 5. Het plangebied geprojecteerd op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. Groen = lage verwachting. Geel = middelmatige verwachting; oranje = hoge verwachting, mogelijk goede conservering; rood = hoge verwachting, waarschijnlijk goede conservering. Rode cirkel = bufferzone rond historische boerder ij. Groene cirkel (nr. 64): vindplaats uit ijzertijd t/m late middeleeuwen; rode cirkel (nr. 61): vindplaats uit bronstijd - Romeinse tijd.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[15]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 6. Het plangebied geprojecteerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Groen = AV 5: lage archeologische verwachting (middelmatige verwachting voor watergebonden objecten); geel = AV4: middelmatige verwachting; oranje = AV3: hoge archeologische verwachting; rood = AWG2 = zeer hoge archeologische (verwachtings)waarde. Rode lijnen = archeologisch onderzoeksgebied.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[16]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Bekende archeologische gegevens Binnen het onderzoeksgebied zijn geen archeologische (rijks)monumenten (AMK -terreinen) aanwezig. Vondstmeldingen zijn samengevat in tabel 4. Circa 1 km westelijk van het plangebied is een grote vindplaats bekend uit de ijzertijd (AMK-nummer 12701); circa 700 m noordelijk van het plangebied is een AMK-terrein uit de prehistorie (grofweg neolithicum - ijzertijd) bekend. Direct westelijk aangrenzend zijn tijdens prospectief onderzoek en tijdens proefsleuvenonderzoek behoudenswaardige bewoningsporen uit de ijzertijd en late middeleeuwen vastgesteld (Brouwer e.a., 2011; nummer 64 in figuur 5). Een deel van deze vindplaats is in situ behouden. Vondstlocaties uit het onderzoeksgebied zijn samengevat in tabel 4. Zaakid.
Ligging
Complex
Datering
Materiaal
Diepte
Verzamelwijze
2163115100
20 m W
Bewoning
ijzertijd - late middeleeuwen
Handgevormd en gedraaid aardewerk, houtskool
60-80 cm mv
Boring/ proefsleuven
3039025100
310 m W
Bewoning
bronstijd Romeinse tijd
Aardewerk, houtskool
30-50 cm mv
Boring
3039033100
445 m ZW
Bewoning
neolithicum - late middeleeuwen
Handgevormd aardewerk; houtskool
50-70 cm mv
Boring
2055523100
445 m ZW
Bewoning
neolithicum midden-bronstijd + vroege middeleeuwen
Vuurstenen afslag, kling, handgevormd aardewerk
Onbekend
Opgraving
2163115100
440 m Z
Bewoning
ijzertijd - late middeleeuwen
Aardewerk, houtskool
Onbekend; plaggendek en oude akkerlaag
Boring
Tabel 4. Overzicht van de bekende archeologische vondstlocaties in en rond het plangebied.
Wanneer de vindplaatsen en hun landschappelijke inbedding bekeken worden in vergelijking met de situering van het plangebied, dan blijkt er gerede kans dat binnen het plangebied een vindplaats uit de ijzertijd - late middeleeuwen (en nieuwe tijd, gezien de datering van de boerderij in 1752) zal voorkomen. Het terrein met behoudenswaardige resten zoals aangetoond door Brouwer e.a. (2011), is binnen onderhavig plangebied niet begrensd. De oudste sporen bestaan uit (paal)kuilen en aardewerk uit de vroege tot midden-ijzertijd. De sporen zijn lichtgrijs van kleur en moeilijk leesbaar. De diepte van het sporenvlak varieert: aan de westzijde (proefsleuf 1) werden sporen op 7,4 m NAP (60 cm -mv) waargenomen; in het midden van de vindplaats (proefsleuf 19) op 7,53 m NAP (80 cm -mv) en aan de oostzijde op 7,94 m NAP (60 cm -mv). De conservering van het vondstmateriaal is vrij goed. Ook zijn er kuilen en greppels uit de nieuwe tijd aangetroffen. De aarden wallen die op het AHN waren herkend, zullen vóór de 14 e eeuw dateren, aangezien het water sinds de bedijking in 1308 geen bedreiging zal hebben gevormd voor onderhavig plangebied.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[17]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Eerder in de omgeving uitgevoerd onderzoek volgens ARCH IS3 Zaakid en ligging t.o.v. plangebied
Resultaat/advies
2126763100 (ABO) Oostzijde plangebied + directe omgeving
Bureau- en booronderzoek (Soepboer, 2006). Pleistoceen terras met daarover dekzand en holocene rivierklei. Veldonderzoek: kalkloze poldervaaggronden met pleistoceen zand binnen 120 cm -mv.
2163115100 (ABO) Oostzijde plangebied + directe omgeving
Bureau- en booronderzoek (van Oosterhout & Willemse, 2007). O.b.v. AHN zijn enkele aardwerken herkend waarvan de aard onduidelijk is (bijv. erfafsch eidingen). Twee dekzandruggen/-koppen doorsneden door een systeem van crevassegeulen; twee clusters met archeologische resten gevonden (30-85 cm -mv). Noordelijk cluster: ijzertijd t/m vroege middeleeuwen; zuidelijk cluster: late middeleeuwen. Advies: proefsleuven.
2269631100 (APP)
‘Vindplaats 1’: (paal)kuilen en scherven t.p.v. erosierest van een afspoelingswaaier. Vermoedelijk nederzetting vroege en midden -ijzertijd; 60-80 cm -mv (7,4 - 7,94 m NAP); tevens enkele kuilen uit nieuwe tijd. Dit betreft de zone in en rond onderhavig plangebied. Behoudenswaardige vindplaats; advies: behoud in situ: ingrepen niet dieper dan 35 cm -mv, al dan niet m.b.v. ophoging van het terrein. Alternatief: opgraving. Dit betreft de zone in en rond onderhavig plangebied; die tevens op de gemeentelijke kaart als zone met hoge verwachting is aangegeven.
Oostzijde plangebied + directe omgeving.
In het overig deel van het plangebied is het te karteren gebied langdurig een overstromingszone (en dus nat) geweest; de aarden wallen v ormden mogelijk bescherming tegen het water tot de bedijking in 1308. ‘Vindplaats 2’: (paal)kuilen en restanten van moesbedden uit recente nieuwe tijd. Geen vindplaats. N.B.: maaiveld moet 0,5 m worden opgehoogd i.v.m. kans op wateroverlast. 2055523100 (AOP) 210 m W
Proefsleuven (van der Berghe, 2005). Rivierduin met sporen op 60-80 cm -mv. Sporen uit neolithicum - bronstijd (onduidelijk of dit nederzetting of periferie is) ; midden/late ijzertijd (dichter bij kern van een nederzetting); middeleeuwen (ve rmoedelijk aan rand van nederzetting); nieuwe tijd (afvaldump). Hoge gaafheid. Advies: behoud in situ, anders vlakdekkende opgraving.
4732785100 (ABO) 375 m W
Bureau- en booronderzoek (van der Klooster, 2021). Zone met binnen 1,2 m -mv afwisseing van kleiige overstromingsafzettingen uit lokale beken en de IJssel op eolisch (dek)zand op grofzandige pleistocene rivierafzettingen uit het IJsseldal. Lage verwachting voor alle perioden o.b.v. veldonderzoek gehandhaafd. Advies: vrijgave.
2217612100 (ABU) 340 m O
Rapport niet in Archis of DANS.
Tabel 5. Overzicht van eerder archeologisch onderzoek in en rond het plangebied.
Bekende archeologische gegevens uit andere bronnen Op 4 april 2021 is een verzoek gedaan aan de AWN Afdeling 18 voor aanvullende gegevens. Hierop is nog geen reactie gekomen.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[18]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 7. Overzicht van vondstlocaties, locaties van eerder archeologisch onderzoek en archeologische monumententerreinen (AMK-terreinen) o.b.v. Archis3.
2.4 Historische situatie Op basis van historische kaarten kan inzicht worden verkregen in het historisch gebruik van een gebied van na de late middeleeuwen tot begin 20e eeuw. In die periode was men veel meer dan nu gebonden aan de (on)mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood voor bewoning en andere vormen van landgebruik. Het historisch gebruik zegt daarmee iets over de archeologische potentie van het gebied. Daarnaast kan het informatie leveren over eventuele bodemverstoringen die in het verleden hebben plaatsgevonden. In de noordwesthoek van het plangebied staat een historische boerderij. Op de gevel van het pand staat het jaartal 1752. Cultuurhistoricus ir. L.J. Keunen (RAAP) geeft aan dat de naam Gieteling een middeleeuwse naam is, hoewel historisch kaartmateriaal geen overtuigende aanwijzingen geeft voor een lange historie van het erf. Gieteling is één van de historische erven op de Brummense Enck nabij buurtschap Rhienderen. Vermoedelijk is het erf op zijn vroegst laat-middeleeuws. Volgens de kadastrale minuutplannen uit 1811-1832 (figuur 8) was het pand destijds in het bezit van schipper Rut de Haas uit Zutphen. Ter hoogte van Elzenbosweg 17 stond in 1832 ook al een (vrij klein) huis. Het perceel tussen boerderij Gieteling en het naastgelegen huis was grotendeels in gebruik als bouwland.
Aan de achterzijde (zuidzijde) van de Gieteling was (en is) een boomgaard aanwezig die
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[19]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
circa 35 m verder richting het zuidwesten uitstrekte dan de huidige perceelsgrens. Oostelijk van de boomgaard was een tuin ter plaatse van de te slopen schuren. Rond 1900 heeft kortstondig een (bij)gebouw aan de straatzijde oostelijk van de tuin gestaan. In de jaren 1930 is dit gebouw van de kaart verdwenen en is een bijgebouw direct oo stelijk van de historische boerderij gekarteerd. Volgens de eigenaar dateren de huidige bijgebouwen/schuren uit de jaren 1960, al is op een luchtfoto uit 1945 op deze locatie al bebouwing te zien ( figuur 10 2). Ook oostelijk van de schuren, iets noordelijk van het midden van het plangebied, heeft destijds bebouwing gestaan en heeft er duidelijk grondverzet plaatsgevonden. De luchtfoto toont verder geen grote scha de uit de Tweede Wereldoorlog. De eigenaar vertelde dat er nog ergens twee geweren op het terrein begraven liggen, maar de precieze locatie daarvan is bij hem niet bekend. Zie figuur 9 voor de ontwikkelingen binnen het plangebied tussen 1850 en 1966. De huidige eigenaar gaf aan dat bij overstromingen het land direct rondom de historische boerderij regelmatig blank heeft gestaan. In het plangebied is een MIP-object (nummer 62926) aanwezig, betreffende bouwkunst (boe rderij) met een oppervlakte van 300 m 2 en een datering uit 1752. Dit betreft de historische boerderij in de noordwesthoek van het plangebied.
Er zijn geen gebouwde Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of overige bouwhistorische waarden in het plangebi ed aanwezig. .
2
De streperige arcering op de luchtfoto is een beschadiging van de luchtfoto zelf.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[20]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 8. Het plangebied op de kadastrale minuut uit 1811-1832 (HisGIS Gelderland).
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[21]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 9. Topografische kaarten van het plangebied uit de 19 e en 20 e eeuw (Topotijdreis.nl).
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[22]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 10. Uitsnede van een luchtfoto van het plangebied van 15 maart 1945.(https://mapserver.library.wur.nl/cache/162_02_4031.png).
2.5 Huidige situatie Aan de hand van actuele gegevens van recente luchtfoto’s, Google Street View en navraag bij de opdrachtgever zijn de onderstaande zaken over de huidige situatie te melden. Huidig grondgebruik
Erf, braakliggend terrein
Hoogteligging maaiveld
8,3-8,8 m NAP
Grondwatertrap of -stand
Grotendeels code VII: GHG: 80-140 cm -mv; GLG >120 cm -mv. Westzijde: code V: GHG <40 cm -mv; GLG >120 cm -mv.
Milieutechnische condities
Geen bijzonderheden bekend
Aanwezige constructies (funderingen, kelders e.d.)
Boerderij (blijft staan); fundering van te slopen schuren (poeren)
Locatie en diepte van kabels/leidingen
Zie figuur 11; circa 80 cm -mv
Tabel 6. Overzicht van de huidige situatie van het plangebied.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[23]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 11. Het plangebied en de locatie van kabels en leidingen.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[24]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2.6 Toekomstige situatie Uit navraag bij de opdrachtgever is het volgende gebleken over de toekomstige situatie: Aard
De historische boerderij in de noordwesthoek wordt gerestaureerd (bodemingrepen binnen vrijstellingsgrens). Bestaande schuren worden gesloopt. In het oostelijk deel van het plangebied komt een woning (150 m 2 met inpandige garage van 75 m 2 ) die onderkelderd zal worden. De diepte daarvan is onbekend. De knotwilgenrij blijft behouden; er wordt een (fruit)boomgaard hersteld en er komen heggen, singels en hagen. In het zuidelijk deel komt een wadi.
Omvang en diepte
Zie figuur 12. Ter plaatse van de nieuwe woning (met kelder) en het bijgebouw zal dieper dan 35 cm -mv worden gegraven. De omvang en diepte van overige bodemingrepen is nog niet bekend. De wadi zal maximaal 50 cm diep zijn; mogelijk wordt deze ondieper (tot 35 cm -mv) wanneer deze langer/breder wordt aangelegd. Het plangebied beslaat in totaal circa 0,42 hectare.
Invloed op maaiveld en grondwater
Onbekend.
Toekomstig gebruik
Bewoning
Toekomstige gebruiker
Particulier
Tabel 7. De toekomstige situatie.
Figuur 12. Inrichtingsplan (figuur opdrachtgever).
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[25]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Deze geeft inzicht in de aard en de ouderdom (inclusief omvang en uiterlijke kenmerken), (diepte)ligging, en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten. Aard en ouderdom Het verspreidingspatroon van archeologische vindplaatsen is voor een groot deel gerelateerd aan de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. Het meest markant zijn de verschillen tussen jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. Jager-verzamelaars In de steentijd (paleolithicum t/m neolithicum) leefden de mensen voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Deze zogenaamde jager -verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een plek. Uit een ruimtelijke analyse blijkt dat hun kampementen in vrijwel alle gevallen waren gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Nabij dergelijke gradiëntzones waren namelijk de meeste voedselbronnen voorhanden en was (drink)water bereikbaar. In het plangebied komen gradiëntsituaties voor. Zodoende worden vindplaatsen van jager-verzamelaars verwacht. Het betreft resten van tijdelijke jachtkampementen uit de periode vanaf het laat-paleolithicum tot en met het neolithicum.
Deze vindplaatsen kenmerken zich door een (oppervlakkige) concentratie van bewerkt vuursteen en afval, zoals houtskool. Landbouwers Met de introductie van de landbouw (vanaf het neolithicum) werd de mate waarin gronden geschikt waren om te beakkeren een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens en. De eerste akkergronden werden aangelegd op de van nature vruchtbaarste gronden. Bo vendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Het plan/onderzoeksgebied kenmerkt zich door een pleistocene terrasrest of daluitspoelingswaaier met een dekzandrug, afgedekt met een plaggendek. Hierdoor worden archeologische resten vanaf de tijd van de eerste landbouwers (neolithicum) verwacht. Uit eerder onderzoek in de directe omgeving van het plangebied blijkt dat de kans groot is dat de destijds aangetroffen vindplaats doorloopt binnen onderhavig plangebied. Deze resten dateren vanaf de vroege tot midden-ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. De historische boerderij in onderhavig plangebied dateert uit 1752; het is niet bekend of deze een voorganger op dezelfde locatie heeft gehad. De aarden wallen in het plangebied zullen ouder zijn dan de 14 e eeuw. Het terrein met behoudenswaardige resten zoals aangetoond door Brouwer e.a. (2011), is binnen onderhavig plangebied nog niet onderzocht en derhalve niet begrensd.
De oudste sporen bestaan uit (paal)kuilen en aardewerk uit de vroege tot midden-ijzertijd. De sporen zijn lichtgrijs van kleur en moeilijk herkenbaar. Ook zijn er kuilen en greppels uit de nieuwe tijd aangetroffen.
RAAP-rapport 5289 / versie 20-07-2021
[26]
Plangebied Elzenbosweg 19 te Brummen, gemeente Brummen ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
(Diepte)ligging In het plangebied komt een jong afdekkend pakket voor (plaggendek) dat een ouder loopvlak afdekt. Dit afdekkende pakket dateert uit de periode vanaf de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tij d. Oudere resten worden zodoende door het pakket afgedekt en bevinden zich naar verwachting op een diepte van 60 à 80 cm -mv (7,4-7,94 m NAP). Het is aannemelijk dat de vindplaats die bij een eerder onderzoek rond het plangebied is aangetroffen, doorloopt binnen onderhavig plangebied. Fysieke kwaliteit Vondstmateriaal uit de eerder aangetroffen vindplaats die vermoedelijk doorloopt in onderhavig plangebied, is vrij goed geconserveerd. Wel zijn de meeste scherven enigszins geschilferd. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied is ontgonnen voor de landbouw en een luchtfoto uit 1945 toont grondverzet ter hoogte van de te slopen schuren . Regelmatige landbouwkundige werkzaamheden resulteren meestal in een bouwvoor met een gemiddelde dikte van 30 tot 40 cm. Eventuele archeologische resten zullen tot die diepte verstoord zijn. Met name grondsporen kunnen onder de bouwvoor nog bewaard zijn gebleven. De diepte en mate van bodemverstoring ter plaatse van de te slopen schuren is niet bekend. Overzicht De archeologische verwachting en de verschillende deelaspecten daarvan, zoals hiervoor beschre ven, zijn samengevat in tabel 8.
Daarnaast zijn de prospectiekenmerken met betrekking tot de verwachte archeologische resten in figuur 13 schematisch verbeeld. Archeologische periode
Complextype
Omvang
Kenmerken
Diepteligging
Gaafheid
Laat-paleolithicum - neolithicum