(054) Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
428262
Bestemmingsplan Bijlagen Bij Toelichting Buitengebied, Elzenbosweg 19 Brummen
Opdrachtgever:
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens:
Projectnummer: 10041 Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: vastgesteld Versie: 1 © 2024 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting
5
Bijlage 1
Inrichtingsplan Elzenbosweg 19
6
Bijlage 2
Quickscan Wet natuurbescherming Elzenbosweg 19, Brummen
23
Bijlage 3
Verkennend archeologisch onderzoek Elzenbosweg 19, Brummen
59
Bijlage 4
Proefsleuvenonderzoek
105
Bijlage 5
Watertoets Elzenbosweg 19 Brummen
144
Bijlage 6
Bodemonderzoek
148
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek Elzenbosweg 19, Brummen
268
Bijlage 8
Stikstofberekening
299
Buitengebied, Elzenbosweg 19 Brummen | Eelerwoude | 3
Buitengebied, Elzenbosweg 19 Brummen | Eelerwoude | 4
Bijlagen bij toelichting
Buitengebied, Elzenbosweg 19 Brummen | Eelerwoude | 5
Bijlage 1 Inrichtingsplan Elzenbosweg 19
Buitengebied, Elzenbosweg 19 Brummen | Eelerwoude | 6
Elzenbosweg 19 Brummen Inrichtingsplan
Opdrachtgever: Dhr. Wassink
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer:
10041
Datum:
juni 2022
Projectleider:
B. Pegge
Opgesteld:
B. Pegge, J. Schinkelshoek
Gecontroleerd:
MB
Status:
Definitief
Versie:
1
© 2020 Eelerwoude
Dit rapport is dubbelzijdig opgemaakt.
Het erf
Afbeelding 1. Luchtfoto uit 2020
Inhoudsopgave 1
Analyse.................................................7
2
Ontwerp...............................................13
3
Uitwerking............................................15
Inrichtingsschets Wassink | Eelerwoude |
5
Het erf Elze nbo swe g
Afbeelding 2. Luchtfoto uit 2020 6
1. Analyse
Afbeelding 3. Context van het ontwerp: in de omgeving spelen allerlei projecten die een bijdrage leveren aan een hogere biodiversiteit en gemeenschapszin. Deze schets geeft een beeld van de context van het te ontwikkelen erf. Inrichtingsschets Wassink | Eelerwoude |
7
Afbeelding 4. Historische kaart 1850: Het erf staat al op de kaart. De hogere gronden worden gebruikt als akker, de lagere als weidegrond. Perceelsgrenzen zijn ingeplant.
Afbeelding 5. Historische kaart 1900: Aan de zuidkant van het erf is een grote boomgaard aangelegd. Aan de achterkant van de woning (oostkant) is een schuur gebouwd. 8
Afbeelding 6. Historische kaart 1960: percelen rond het erf worden steeds groter. Perceelsbeplanting verdwijnt. HIerdoor wordt het landschap meer open.
Afbeelding 7. Historische kaart 2000: nagenoeg alle perceelsbeplanting is verdwenen. Ook het erf is minder zwaar beplant. Schuren zijn bijgebouwd op dezelfde plek als waar rond 1900 de eerste vrijstaande schuur werd gebouwd. Brummen groeit en de N-weg ten oosten van het plangebied is aangelegd. Inrichtingsschets Wassink | Eelerwoude |
9
Rd10C
Rd10C
Rn67Cp
Rd90A
Afbeelding 8. Bodemkaart: De ondergrond van het projectgebied bestaat uit rivierkleigronden zonder minerale eerdlaag: Poldervaaggrond (Rn67Cp, zavel en lichte klei) en ooivaaggronden (Rd90A). Dat betekent dat de beplanting die voorgesteld wordt in dit ontwerp afgestemd is op deze gronden. Wat op deze grond goed zal gedijen wordt uitgedrukt in de potententieel natuurlijke vegetatie (PNV). Deze bestaat hier uit Beukenbos (PNV 13).Naast beuken zullen ook eiken, meidoorn en haagbeuk hier goed groeien.
7.728 +NAP
8.857 +NAP
Afbeelding 9. Hoogtekaart 10
Open
Landschap
Achtererf Werken
Ont
sluiti
ngw eg
Hagen Intiem Wonen
Erfbosjes Sterke relatie met landschap
Bijzondere solitaire bomen of vormsnoei
Voorerf
Afbeelding 10. Veel historische erven hebben gelijkenissen in hun opbouw. HIerboven zijn de gelijkenissen van een erf opgesomd in een afbeelding. Door dit als inspiratiebron te gebuiken bij de landschappelijke inpassing van uw ontwikkeling, is het mogelijk om de herkenbaarheid van het landschap vast te houden of te versterken, ondanks nieuwe landschapstypen in de omgeving, zoals een voedselbos of een nieuwbouwwijk. Hierdoor draagt de ontwikkeling bij aan het behoud van cultuurhistorie.
Rivierkom en overwalachtige vlakte
Vlakte van sneeuwsmeltwaterafzettingen
Afbeelding 11. Geomorfologische kaart: op de geomorfologische kaart is duidelijk de opbouw van de bodem na de ijstijd te zien: een vlakte met de doorsnijding van een rivierkom (groen). Hierdoor zijn ook de verschillen in bodemopbouw ontstaan.
Inrichtingsschets Wassink | Eelerwoude | 11
Nu
Legenda Bestaande gebouwen
Bestaande boom
Nieuwe bebouwing (vorm indicatief )
Nieuwe boom
Verharde weg Halfverharding Erfverharding Bestaande haag Nieuwe haag
Heesters Gazon Border Bloemrijk grasland Wadi Verkaveling (Suggestie)
Afbeelding 12. Bestaande situatie, op enkele bomen na, bestaat de begroeiing uit kruiden en ruigte. Opgave voor de erfontwikkeling is de openheid die nu het landschap domineert aan de noordoostkant en de rommeligheid die een in ontwikkeling aan de zuidwestkant domineert te verknopen met groen. Kansen om lange 5 10 15 meters 0 landschap landschapsstructuren aan te leggen, zowel aan de wegkant als aan de zuidkant van het erf worden gepakt.
Visie Historische boerderij Voorerf
Elze
nbo
swe
g
Achtererf
Afbeelding 13. Visie: Cultuurhistorie versterken te midden van een veranderend landschap en aanhaken op de omgeving. Het erf behoudt de indeling van ‘voor’-erf en ‘achter’-erf. Op het achtererf liggen grovere landschapselementen zoals een erfbos, struweelheggen, laanstructuur en singel. Erfmateriaal is informeel (halfverharding) 12 Het voorerf sluit aan op de nieuwe gemeentelijke boomgaard.
Legenda
2. Ontwerp
Bestaande gebouwen
Bestaande boom
Nieuwe bebouwing (vorm indicatief )
Nieuwe boom
Verharde weg Halfverharding Erfverharding Bestaande haag Nieuwe haag
Elze
nbo
Heesters Gazon Border Bloemrijk grasland Wadi Verkaveling (Suggestie)
swe
g
Afbeelding 14. Inrichtingsschets verzilvert kansen om een oorspronkelijk kleinschalig landschap te herstellen en een en om een dorpslandschap in ontwikkeling te voorzien van een robuuste groenstructuur. 0
5
10 15 meters
Inrichtingsschets Wassink | Eelerwoude | 13
Legenda Bestaande gebouwen
Bestaande boom
Nieuwe bebouwing (vorm indicatief )
Nieuwe boom Heesters
Verharde weg
Gazon
Halfverharding
Border
Erfverharding
Bloemrijk grasland
Bestaande haag
Wadi
Nieuwe haag
Historische boerderij Restaureren
Heg
Fruitgaard herstellen
Tuin
Knotwilgenrij Bestaand Singel
Afbeelding 15. Inrichtingsschets erf met beschrijving 0
514 10 15 meters
Uitzicht aan drie zijdes Elze
nbo
swe
Nieuw bijgebouw 75 m2
Heg
Verkaveling (Suggestie)
g
Laan bestaande laan verlengen
Heg
Nieuwe woning Woning van 150 m2 + garage inpandig (75m2)
Wadi Erfbosje
3. Uitwerking
Laan bestaande laan verlengen
Elze
nbo
Nieuw bijgebouw 75 m2
Solitaire boom
Solitaire boom Heg Solitaire boom
Uitzicht aan drie zijdes
swe
g
Heg Solitaire Heg boom
Nieuwe woning Woning van 150 m2 + garage inpandig (75m2) Markante heester Terras Markante heester
Heg van fruitstruiken
Tuin
Struweelhaag
Bloemenweide Wadi
Singel
Erfbosje Oprit Afbeelding 16. Detail kavel nieuwe woning Inrichtingsschets Wassink | Eelerwoude | 15
Afbeelding 17. Beplantingsplan ontwikkeling Elzenbosweg
www.eelerwoude.nl
Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming Elzenbosweg 19, Brummen
Buitengebied, Elzenbosweg 19 Brummen | Eelerwoude | 23
Quickscan Wet natuurbescherming Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen
Opdrachtgever: Thoma en Bennink’s landerijenbureau t.a.v. de heer J. Wassink Hoofdstraat 47 7213 CR Gorssel
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
10041 22-4-2021 B. Pegge N. Otten J. Loeffen Definitief 1
© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1 1.1 2
Inleiding ....................................................................................................................................................... 5 Aanleiding ............................................................................................................................................... 5 Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 6
2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................................... 6
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 6
3
Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 11
3.1
Inleiding ................................................................................................................................................ 11
3.2
Bescherming van soorten ..................................................................................................................... 11
3.3
Bescherming van gebieden................................................................................................................... 11
3.4
Bescherming van houtopstanden ......................................................................................................... 12
3.5
Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................ 13
4
Methode.................................................................................................................................................... 14
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................ 14
4.2
Bureauonderzoek ................................................................................................................................. 14
4.3
Terreinbezoek ....................................................................................................................................... 14
4.4
Inventarisatie bunzing en wezel ........................................................................................................... 15
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 16
5.1
Planten.................................................................................................................................................. 16
5.2
Zoogdieren............................................................................................................................................ 16
5.2.1
Vleermuizen ................................................................................................................................. 16
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 18
5.3
Vogels ................................................................................................................................................... 19
5.4
Reptielen............................................................................................................................................... 21
5.5
Amfibieën ............................................................................................................................................. 21
5.6
Vissen.................................................................................................................................................... 22
5.7
Ongewervelden .................................................................................................................................... 22
6
Nader onderzoek kleine marterachtigen .................................................................................................. 23
6.1
Opzet veldonderzoek ............................................................................................................................ 23
6.2
Methode ............................................................................................................................................... 23
6.3
Resultaten ............................................................................................................................................. 25
6.4
Effecten en ontheffing .......................................................................................................................... 26
6.5
Conclusie............................................................................................................................................... 26
7
Conclusie ................................................................................................................................................... 27
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 3
7.1
Beschermde soorten............................................................................................................................. 27
7.1.1
Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt .................................................................... 27
7.1.2
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt .................................................................. 27
7.1.3
Algemene zorgplicht .................................................................................................................... 27
7.2
Bescherming gebieden ......................................................................................................................... 28
7.3
Bescherming houtopstanden ............................................................................................................... 28
7.4
Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................ 28
7.5
Uitvoerbaarheid van de plannen .......................................................................................................... 28
7.6
Geldigheid rapportage .......................................................................................................................... 28
Literatuur .............................................................................................................................................................. 29 Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 30
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens het erf aan de Elzenbosweg 19 te Brummen, te herontwikkelen. Hierbij wordt een bestaande, vervallen boerderijwoning gerestaureerd, oude schuren gesloopt en het erf landschappelijk ingepast. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek*. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in. *Omdat uit het eerste veldbezoek al bleek dat er mogelijk sprake is van een negatief effect op kleine marterachtigen als bunzing en wezel, is hier soortgericht onderzoek naar verricht. Dit nader onderzoek is ook uitgewerkt in deze rapportage.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 5
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het erf (plangebied) ligt direct ten noorden van Brummen aan de rand van de bebouwde kom, langs de Elzenbosweg in de gemeente Brummen. Het erf bestaat uit een zeer vervallen boerderijwoning uit omstreeks 1900. Deze woning heeft een ingezakt rieten dak waardoor de elementen vrij spel hebben in de woning. In de gehele woning dringt regenwater door tot op de vloeren en heeft de wind vrij spel. Daarnaast bestaat het pand uit een enkelsteense muur met een enkelzijdige dakconstructie. Naast de woning is circa 660 vierkante meter aan schuren aanwezig. Dit betreft één kleine schuur, één werktuigenberging en een tweetal oude varkens/ligboxenstallen (afbeelding 1 & 2). Allen zijn in slechte bouwkundige staat, door middel van gaten in het dak en de zijkanten. Deze schuren bestaan uit enkelzijdige muren, bestaande uit stenen of beplating met een asbest of pannendak zonder onderliggende isolatie. Rondom de bebouwing is het erf erg verruigt. De oostkant bestaat voornamelijk uit dicht braamstruweel met wilgen. Het oostelijke gedeelte van het erf bestaat voornamelijk uit fruitbomen, knotwilgen en een oude lindeboom. Verlichting en waterelementen ontbreken binnen het plangebied.
De directe omgeving bestaat voornamelijk uit kleinschalig beheerde agrarische percelen (gedeeltelijk voedselbos) gelegen tussen de Oude Brummensebeek, het Gat van Cortenoever en de bebouwde kom van Brummen.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens een groot gedeelte van het plangebied her in te richten. Hierbij zullen een aantal bestaande elementen worden gehandhaafd of verwijderd. Het gaat hierbij om de volgende zaken (afbeelding 3): • Behouden oude lindeboom. • Behouden knotwilgen. • Versterken/herstellen fruitgaard. • Gedeeltelijk behouden aanwezige wilgen in het oosten van het plangebied. • Behouden van de boerderijwoning door deze uitvoerig te restaureren. • Slopen 660 vierkante meter aan schuren. • Verwijderen van het braamstruweel. • Bouwen nieuw bijgebouw bij de boerderijwoning. • Bouwen nieuwe woning ter grootte van circa 600 kubieke meter. • Landschappelijk inpassen van het erf door het aanplanten van solitaire bomen, singels en heggen, daarnaast zal in het zuiden van het plangebied een wadi worden aangelegd.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 6
Afbeelding 1: Huidige situatie op het erf aan de Elzenbosweg 19 te Brummen (ESRI, 2021).
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 7
Afbeelding 2: Bestaande situatie van het erf aan de Elzenbosweg 19 te Brummen.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 8
Afbeelding 3: Inrichtingsschets erf aan de Elzenbosweg.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 9
Afbeelding 4: Impressie plangebied, situatie op 22-12-2020.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 10
3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale Wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 11
Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 1,3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten echter uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. De aard van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied (sloop, renovatie en nieuwbouw) brengt storingsfactoren met zich mee zoals verstoring door licht, geluid of trillingen. Echter, dit betreft een tijdelijke verstoring waarbij effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard door het aanwezige woonhuis en schuren. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een vergelijkbare inrichting: behoud van het woonhuis en in plaats van de schuren en een tweede woonhuis. Daarmee blijven effecten op de omgeving gelijk. Zowel in de huidige als de nieuwe situatie is er geen potentie voor het ontwikkelen/ uitbreiden van een habitattype dat reeds aanwezig is in het Natura 2000-gebied.
Op basis van deze kenmerken hebben is er met de voorgenomen werkzaamheden geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een stikstofberekening middels het programma AERIUS-Calculator is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Deze stikstofberekening zal worden uitgevoerd en worden beschreven in een separate rapportage.
3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bomen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.
De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 12
• •
• • •
o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.
De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Mogelijk worden enkele wilgen in het westen van het plangebied gekapt. Deze beplanting staat buiten de bebouwde kom Boswet en beslaat een oppervlakte dat groter is dan 10 are. Derhalve dient hiervoor een kapmelding te worden gedaan bij de provincie Gelderland.
3.5 Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Zo gebruikt Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming gelegen in de voormalige EHS. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het GNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een GNNtoetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het GNN of de GO. Het plangebied ligt op ongeveer 700 meter van het dichtstbijzijnde begrensd GO-gebied en op 1,7 kilometer van GNN-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN en de GO.
Een toetsing aan het GNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. (Provincie Gelderland, 2021)
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 13
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) (NDFF, 2021). • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied.
4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door N. Otten uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 22-12-2020 bij 5°C, regenachtig weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 14
4.4 Inventarisatie bunzing en wezel Omdat uit het eerste veldbezoek bleek al dat er mogelijk sprake is van een negatief effect op kleine marterachtigen als bunzing en wezel, is hier soortgericht onderzoek naar verricht. Middels speciaal cameraonderzoek, de zogenaamde struikrovers, is hierbij onderzocht of betreffende soorten aanwezig zijn binnen het plangebied en wat de functie van het plangebied is voor deze soorten. Dit nader onderzoek is uitgevoerd in de periode februari - maart 2021 en zal verder worden beschreven in H6.0 van deze rapportage.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 15
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de huidige inrichting van het plangebied (erf) was dit ook niet de verwachting. Binnen het plangebied zijn vrijwel uitsluitend soorten waargenomen van voedselrijke ruigtes als hop, Canadese fijnstraal, grote brandnetel en late guldenroede. Gelet op de aanwezige terreintypen, het gebrek aan beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze kunnen op basis van het aanwezige biotoop worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 16
Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Gebouwen Gebouw bewonende vleermuissoorten hebben een voorkeur voor verblijfplaatsen met stabiele klimaten waarin zich genoeg wegkruipmogelijkheden bevinden. Voorbeelden zijn relatief goed geïsoleerde jaren 70 woningen met een pannendak en spouwmuur. Dergelijke eigenschappen worden niet gevonden in de bebouwing binnen het plangebied. De panden zijn namelijk allen ongeschikt als verblijfplaats vanwege zowel de bouwkundige eigenschappen als de bouwkundige staat. Zo beschikken de boerderijwoning en de schuren allen over enkelsteense muren en/of enkelzijdige beplating van zowel de muren als de dakconstructies. Hierdoor ontbreekt de bufferende werking van de panden (isolatie) evenals een stabiel binnenklimaat. Daarnaast ontbreken wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen. Naast de bouwkundige eigenschappen is ook de bouwkundige staat erg ongunstig. De boerderijwoning is over de gehele lengte van het dak lek en ingezakt. Hierdoor hebben wind en regen vrij spel op het pand en versterkt dit het ongunstige, instabiele binnenklimaat. Ditzelfde geldt ook voor de overige bebouwing op het erf in de vorm van de schuren. De daken zijn lek en via de zijkanten tocht het door. Ook deze eigenschappen versterken het ongunstige microklimaat voor vleermuizen.
Bomen Mogelijk worden in het oosten van het plangebied enkele wilgen gekapt, hierin zijn geen potentieel geschikte holtes waargenomen voor vleermuizen. Gezien de geringe omvang (diameter circa 30 cm op borsthoogte) was dit ook niet de verwachting. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen door de aanwezigheid van veel groen, in combinatie met luwe zones door de aanwezige bomen en bebouwing. De directe omgeving is tevens ook geschikt als foerageergebied door de aanwezigheid van veel water en kleinschalige landschapselementen. Naast foerageergebied gebruiken vleermuizen lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen als bosranden of houtwallen(zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Dergelijke elementen zijn niet binnen het plangebied aanwezig.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 17
Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Vanwege de ongunstige bouwkundige eigenschappen en staat van de binnen het plangebied aanwezige bebouwing, kunnen verblijfplaatsen van gebouw bewonende soorten worden uitgesloten. Ditzelfde geldt voor boom bewonende soorten waarvoor potentieel geschikte holtes ontbreken. Mogelijk wordt het plangebied wel gebruikt als foerageergebied, dit betreft geen essentieel foerageergebied door de omgeving met veel alternatief leefgebied. Daarnaast zal het plangebied landschappelijk worden ingepast en na de ontwikkeling wederom geschikt zijn voor vleermuizen om te foerageren. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk.
5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: egel, ree, haas, vos en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Binnen en rondom het plangebied komen mogelijk ook enkele soorten voor zonder provinciale vrijstelling, het gaat hierbij om soorten als bunzing, boommarter, steenmarter en wezel. Voor deze soorten, met uitzondering van boommarter zijn geschikte verblijfplaatsen in potentie aanwezig in de vervallen schuren en het braamstruweel. De vervallen schuren, welke onder andere in potentie geschikt zijn voor steenmarter, zijn geïnspecteerd op sporen als prenten, latrines en prooiresten. Deze zijn binnen de oude schuren en ook binnen het gehele plangebied niet vastgesteld. Steenmarter kan derhalve worden uitgesloten omdat deze veelal prooien mee neemt in zijn of haar verblijfplaats en het territorium markeert middels latrines (uitwerpselen).
Steenmarters hebben doorgaans een territorium grootte van minimaal 10 ha, afhankelijk van de hoeveelheid voedsel. Derhalve is steenmarter vermoedelijk wel aanwezig in de omgeving maar maken de bestaande bebouwing hier geen essentieel onderdeel van uit in de vorm van een vaste rust- en verblijfplaats of essentieel foerageergebied. Bunzing en wezel leven doorgaans een stuk verborgener en kunnen derhalve niet al op
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 18
voorhand worden uitgesloten binnen het plangebied. De vervallen schuren en het braamstruweel zijn uitermate geschikte voor zowel bunzing als wezel. Naast vaste rust- en verblijfplaatsen maken deze soorten mogelijk gebruik van het plangebied als onderdeel van het foerageergebied. Dit betreft geen essentieel foerageergebied door de ligging in een omgeving met veel kleinschalige landschapselementen als bosschages, voedselbossen en kleine agrarische percelen. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk en beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Daarnaast zal het plangebied landschappelijk worden ingepast welke het tijdelijk verlies aan leefgebied zal compenseren. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor de bovenstaande soorten zonder provinciale vrijstelling geldt dat potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn voor bunzing, steenmarter en wezel binnen het plangebied. Steenmarter kan worden uitgesloten omdat sporen in de vorm van prenten, prooiresten en latrines niet zijn waargenomen.
Omdat een groot gedeelte van het plangebied opnieuw zal worden ingericht, is er mogelijk wel sprake van een negatief effect op bunzing en wezel. Derhalve dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar bunzing en wezel middels speciaal hiervoor ontwikkelde cameravallen (zgn. struikrovers). Dit nader onderzoek bepaald of het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk is en of er een ontheffing Wet natuurbescherming zal moeten worden aangevraagd bij de provincie Gelderland. Dit nader onderzoek middels de zogenaamde struikrovers is uitgevoerd in de periode februari - maart 2021 en zal verder worden beschreven in H6.0 van deze rapportage. Conclusie: In het kader van de Wet natuurbescherming is nader onderzoek uitgevoerd naar grondgebonden zoogdieren (bunzing en wezel). Dit nader onderzoek wordt beschreven in H6.0 van deze rapportage.
5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Op erven kunnen verschillende soorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn als kerkuil, steenuil, huismus en boerenzwaluw. Van steenuil zijn twee nestkasten aanwezig in de fruitbomen in het zuidoosten van het plangebied. Beide kasten zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van uilen of (oude) sporen hiervan. B, beide waren niet aanwezig. Derhalve kan worden gesteld dat deze geen dienst doen als verblijfplaats voor steenuil.
Boerenzwaluw is eveneens uitgesloten, hiervan zijn geen oude klei nesten vastgesteld in de te slopen Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 19
schuren. Dit was ook niet de verwachting omdat vee ontbreekt rondom het plangebied, hetgeen waar boerenzwaluw van afhankelijk is. Sporen van kerkuil zijn wel vastgesteld in de meest zuidelijk gelegen schuur, dit betroffen slechts enkele braakballen en poepsporen in de hoek van de schuur. Gezien het gebrek aan geschikte holtes of planken en het slechts aanwezig zijn van een beperkt aantal sporen kan worden gesteld dat deze verblijfplaats slechts incidenteel wordt gebruikt. Dergelijke veelvuldig gebruikte verblijfplaatsen worden gekenmerkt door grote hoeveelheden braakballen (>30) onder planken, nestkasten of andere holtes in voornamelijk schuren. Het kan hierom worden gesteld dat de meest zuidelijk gelegen schuur incidenteel wordt gebruikt als verblijfplaats door kerkuil. Dit betreft geen vast- rust en verblijfplaats. In de overige schuren zijn geen sporen waargenomen van kerkuil. Daarnaast zijn er geen geschikte broedmogelijkheden aanwezig. Als laatste is huismus tijdens het veldbezoek niet vastgesteld binnen het plangebied, dit licht in de lijn van verwachtingen gezien het ontbreken van geschikte broedmogelijkheden in spouwmuren of onder dakbeschot. Er is geen pannendak aanwezig evenals spouwmuren, derhalve kan huismus op voorhand worden uitgesloten binnen het plangebied.
Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat onder andere om soorten als zwarte roodstaart, koolmees, pimpelmees, boomkruiper, boomklever, grote bonte specht, groene specht en spreeuw. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en het agrarisch gebied. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruik maken van het plangebied; houtduif, Turkse tortel, kauw, zanglijster, merel, roodborst, braamsluiper, grasmus, tuinfluiter, spotvogel, tjiftjaf, fitis, vink, putter, kneu en winterkoning. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Van steenuil, kerkuil, boerenzwaluw en huismus is vastgesteld dat vaste- rust en verblijfplaatsen van deze soorten afwezig zijn. Derhalve is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde.
Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. Er zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden 1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd.
Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 20
binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en de zeldzaamheid van de soort. Vanwege de geschiktheid van de vervallen schuren en het braamstruweel voor broedvogels in het algemeen dient het bouwrijp maken van het plangebied (slopen, frezen etc.) buiten het broedseizoen te gebeuren (buiten de periode 1 maart tot en met 15 juli). Hierbij dient ook gelet te worden op het eventueel (tijdelijk) verwijderen van de steenuil kasten, dergelijke kasten worden veelvuldig door spreeuwen en kauwen gebruikt als broedlocatie. Indien broedvogels aanwezig zijn in deze kasten dient met deze te laten hangen totdat het broedsel is uitgevlogen. Overige werkzaamheden zoals de bouw en renovatie van de woning kunnen hierop volgend wel binnen het broedseizoen plaatsvinden. Conclusie: het bouwrijp maken van het plangebied dient buiten het broedseizoen plaats te vinden om schade op aanwezig zijnde nesten van broedvogels op voorhand uit te sluiten.
5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2021). Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig of in de buurt. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of poelkikker, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken (voedselarme) waterelementen in of rondom het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën zonder provinciale vrijstelling rondom het plangebied (NDFF, 2021). Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De geplande ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk en beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 21
beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.
5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) is alleen één waarneming bekend van één foeragerend imago teunisbloempijlstaart. Deze zeldzame nachtvlinder is beschermd als Habitatrichtlijnsoort en komt voor in vochtige, halfopen landschappen en ruderale terreinen in pionier stadia, waar waardplanten als harig wilgenroosje, grote kattenstaart en middelste teunisbloem aanwezig zijn. Deze waarneming van het imago, iets ten zuiden van het plangebied indiceert dat de soort voortkomt en zich waarschijnlijk voortplant in de omgeving rondom Brummen. Hier zijn voornamelijk ruderale terreinen met veel middelste teunisbloem potentieel geschikt. Binnen het plangebied ontbreken deze waardplanten, ook is er geen sprake van een ruderaal terrein met pioniervegetatie of vochtige bodem met grote kattenstaart en harig wilgenroosje. Hierom kan worden uitgesloten dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het essentieel leefgebied van deze nachtvlinder. Effecten en ontheffing Binnen het plangebied is geen essentieel leefgebied aanwezig door het ontbreken van geschikt biotoop en bijbehorende waardplanten. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde.
Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 22
6 Nader onderzoek kleine marterachtigen De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van ecologische kennis en aanwezige literatuur. Voor bunzing en wezel zijn geen kennisdocumenten of landelijk ingevoerde protocollen ingesteld.
6.1 Opzet veldonderzoek Op basis van vier veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van kleine marterachtigen als bunzing en wezel. Tijdens deze veldbezoeken zijn twee cameravallen geplaatst en is gezocht naar sporen in de vorm van prenten, latrines en prooiresten. Daarnaast is ook gelet op zichtwaarnemingen van de te onderzoeken soorten. De onderzoeken zijn uitgevoerd door N. Otten. Betreffende persoon is ecologische adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek. Datum
Type onderzoek
Start –
Onderzoeker
Weersomstandigheden
N. Otten
5 °C, regenachtig, bewolkt,
eindtijd 22-12-2020 16-02-2021 09-03-2021 26-03-2021
Veldbezoek
10:30 –
Quickscan/Controle sporen
14:00
Plaatsen
13:07 –
cameravallen/Controle sporen
14:05
Uitlezen/verplaatsen
16:13 –
cameravallen/Controle sporen
15:15
Uitlezen/ophalen
16:45 –
cameravallen/Controle sporen
18:00
windkracht 1 Bft. N. Otten
8 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft.
N. Otten
11 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 1 Bft.
N. Otten
5 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft.
6.2 Methode Het onderzoek naar kleine marterachtigen als bunzing en wezel is nog volop in ontwikkeling. In proefopstellingen worden diverse methodes en technieken toegepast. Goede ervaringen zijn er met de zgn. ‘struikroverval’. Dergelijke struikrovervallen bestaan uit een pvc-buis met venster waarbij een cameraval op 35 cm afstand van het lokmiddel (blikje sardientjes) is bevestigd. Het geheel wordt in de pvc-buis geschoven en vervolgens geplaatst (afbeelding 5). Door de beperkte grootte van het plangebied (circa 0,5 hectare) is voor het onderzoek gebruik gemaakt van twee struikrovervallen welke gedurende (ruim) vijf weken, op twee verschillende locaties, binnen het plangebied hebben gelegen (tabel 2 & afbeelding 6). Deze vier locaties hebben zich gericht op de slopen schuren (2 & 3) en het te verwijderen braamstruweel (1 & 4). Naast het onderzoek middels deze struikrovers is ook gericht gezocht naar sporen als prenten, latrines en prooiresten gedurende alle veldbezoeken. Als laatste is ook de NDFF geraadpleegd op waarnemingen van bunzing en wezel in de omgeving van het plangebied.
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 23
Afbeelding 5: Voorbeeld van de zogenaamde ‘Struikrover’. Tabel 2: Datum plaatsing struikrovers binnen het plangebied (zie voor locaties afbeelding 10). Nr.
Datum plaatsing
Datum verplaatsen/ophalen
1&2
16-02-2021
09-03-2021
3&4
09-03-2021
26-03-2021
Afbeelding 6: Locaties geplaatste struikrovers (ESRI, 2021).
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 24
6.3 Resultaten Tijdens het uitlezen van de struikrovers zijn verschillende soorten zoogdieren (en vogels) vastgesteld waarbij het veelal ging op de gewone bosmuis (afbeelding 7) welke veelvuldig werd aangetrokken door de sardientjes (tabel 3 & 4). Hierbij zijn geen beschermde kleine marterachtigen vastgesteld. Deze nul-waarnemingen werden bevestigd door het geheel afwezig zijn van sporen in de vorm van prenten, latrines en prooiresten, binnen het plangebied. Beide soorten komen echter wel voor in de omgeving van het plangebied. Voor beide soorten geldt dat vrijwel alle waarnemingen bekend zijn, globaal 1 kilometer ten noorden van het plangebied rondom Oeken. Tabel 3: waargenomen zoogdieren tijdens het struikroveronderzoek per camera.
Camera Nr.
Struikrover 1 Struikrover 2 Struikrover 3 Struikrover 4
Rosse woelmuis
Huisspitsmuis
x
x
Bosmuis
Veld/aardmuis
x x x x
x
Struikrover 1 Struikrover 2 Struikrover 3 Struikrover 4
Zanglijster
x
Roodborst
Merel
Winterkoning
Heggenmus
x x x
x
x
x
Bruine rat x x
Tabel 4: waargenomen vogelsoorten tijdens het struikroveronderzoek per camera.
Camera Nr.
Haas
x
x
Koolmees x x x
Afbeelding 7: Enkele waarnemingen vanuit de struikrovers met een gewone bosmuis (links) en winterkoning (rechts).
Erfontwikkeling Elzenbosweg 19, Brummen | Eelerwoude | 25
6.4 Effecten en ontheffing Het onderzoek, onder andere door middel van cameravallen (struikrovers) heeft zich gericht op het vaststellen van de aanwezigheid van essentieel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Tijdens vier veldbezoeken is op geen enkele manier een spoor vastgesteld van beschermde kleine marterachtigen zonder provinciale vrijstelling, bunzing en wezel. Hierbij zijn geen prenten, prooiresten en latrines waargenomen in de potentieel geschikte schuren. Hiernaast is nader onderzoek uitgevoerd middels cameravallen, hierbij zijn alleen algemeen voorkomende soorten vastgesteld. Derhalve kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen vaste- rust en verblijfplaats aanwezig zijn van bunzing en wezel in de hier aanwezige bebouwing of beplanting. Daarnaast kan ook worden uitgesloten dat het plangebied dienst doet als essentieel foerageergebied voor één of beide soorten. Bunzing en wezel worden veel gezien, ten noorden van het plangebied rondom Oeken. Hier profiteren beide soorten vermoedelijk van het kleinschaligere landschap in de uitlopers van de Veluwe. Dergelijke kleinschaligheid is binnen het plangebied en de omgeving rondom Brummen in mindere mate aanwezig, dan in het gebied rondom Oeken.
Op basis van het cameravallenonderzoek, het zoeken naar sporen en het bureauonderzoek kan gezamenlijk worden gesteld dat het plangebied geen functie heeft voor kleine marterachtigen als bunzing en wezel. Het uitvoeren van de geplande werkzaamheden is derhalve uitvoerbaar. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming bij de provincie Gelderland is derhalve niet noodzakelijk.