053 - Ontwerpbestemmingsplan Weg door de Plas
Tekst van het document
Bestemmingsplan Weg door de Plas ong. Gemeente Brummen Vastgesteld
Bestemmingsplan Weg door de Plas ong. Gemeente Brummen Vastgesteld
Rapportnummer:
P02454_2
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0213.BPBG700074-va01
Datum:
7 januari 2021
Projectteam BRO:
MvDn, TA
Concept:
december 2019
Ontwerp:
mei 2020, augustus 2020, september 2020
Vaststelling:
7 januari 2021
Bron foto kaft:
BRO
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 5 6
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling
7 7 8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
10 10 11 12
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Geluid 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geur agrarisch 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid 4.8 Ecologie 4.9 Bodem 4.10 Water 4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.12 M.e.r.-beoordeling
14 14 14 15 15 17 18 18 22 25 26 29 30
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen
32 32 32 33
Inhoudsopgave
1
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
34 34 34
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure 6.2.5 Beroep
34 34 35 35 35
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Quickscan Flora en fauna Bijlage 4: Nader onderzoek kerkuil en steenmarter Bijlage 5: Stikstofberekening Bijlage 6: Evaluatierapport bodemsanering PAK en asbest
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn voornemens om aan Weg door de Plas een nieuwe woning mogelijk te maken. Het perceel hoort in de huidige situatie bij de locatie Weg door de Plas 20. Op deze locatie is een woning aanwezig en verouderde stallen en schuren (totaal 520 m 2) die nog bij de voormalige agrarische functie horen. Door gebruik te maken van de beleidsregel 'functieverandering in het buitengebied gemeente Brummen 2009' mag bij sloop van minimaal 500 m 2 agrarische bebouwing een woning van maximaal 150 m2 (excl. bijgebouw) gerealiseerd worden. De locatie van de beoogde woning alsmede Weg door de Plas 20 horen bij een bebouwingscomplex waar de locaties Weg door de Plas 14, 16 en 20 onderdeel van zijn. Tot 2018 waren dit agrarische bedrijven. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt en de eigenaren van de locaties hebben gezamenlijk een bestemmingsplanherziening doorlopen om de agrarische functie te wijzigen naar wonen. Volgens dit bestemmingsplan zijn er maximaal 3 wooneenheden toegestaan, het toevoegen van de beoogde vierde woning zoals initiatiefnemers wensen is volgens het vigerende bestemmingsplan daarmee niet toegestaan. Een partiele herziening van het vigerende bestemmingsplan is noodzakelijk om de nieuwe woning juridisch-planologisch te borgen.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied betreft hoort bij de locatie Weg door de Plas ongenummerd en hoort bij nr. 20. Het plangebied maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel sectie G nr. 2345. Het plangebied ligt in het gebied Cortenoever, ten noordoosten van de kern Brummen. Ten westen van het plangebied loopt de provinciale weg N348. In de nabije omgeving van het plangebied liggen burgerwoningen en enkele agrarische bedrijven. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven en rood omkaderd op de afbeeldingen op de volgende pagina. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding behorende dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
3
Brummen
Nr. 20
Nr. 16 Nr. 14
Figuur 1.1 Luchtfoto ligging plangebied (bron: Google Maps)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Weg door de Plas’ het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Brummen op 6 september 2018. Conform het bestemmingsplan is voor het plangebied de enkelbestemming ‘Wonen’ geldend met de aanduiding maximum aantal wooneenheden: 3. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie laag’ van toepassing. Grenzend aan het plangebied geldt de bestemming ‘Agrarisch met landschapswaarden’ deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening agrarische doeleinden, met dien verstande dat er sprake moet zijn van een grondgebonden agrarisch bedrijf. En daarnaast voor behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast geldt het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ (vastgesteld 18 oktober 2018). In dit bestemmingsplan is vastgelegd dat de parkeervoorzieningen op het eigen terrein geregeld dienen te worden. Tot slot wordt het paraplubestemmingsplan ‘Archeologie’ (ontwerp 9 december 2018) momenteel voorbereid. Binnen het plangebied gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie laag’.
Figuur 1.2 Uitsnede van het bestemmingsplan ‘Weg door de Plas’ met het plangebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan zijn maximaal 3 wooneenheden toegestaan. Binnen het bestemmingsvlak staan reeds 3 woningen, waardoor een vierde woonhuis volgens het bestemmingsplan niet mogelijk is. Het is daarom noodzakelijk om een juridisch-planologische procedure te doorlopen door middel van een partiële herziening van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
5
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1
Huidige situatie
Het plangebied is onderdeel van de voormalige agrarische locatie Weg door de Plas 20. De bestemming is in 2018 gewijzigd naar wonen, maar de voormalige agrarische bebouwing is nog aanwezig in en nabij het plangebied. Een loods (ca. 250 m2) staat in het plangebied en voormalige stallen (ca. 270 m2) staan bij de locatie Weg door de Plas 20. Het plangebied ligt wat verder van de weg en is bereikbaar via een onverhard pad. De voormalige agrarische bebouwing is verouderd en landschapsontsierend. In figuur 2.1 geeft een weergave van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving. Ten zuiden van het plangebied grenzen de vrijstaande woningen Weg door de Plas 20, 16 en 14. Ten westen van het plangebied ligt de provinciale weg de N348. Verder zijn in de omgeving agrarische bedrijven aanwezig en is het plangebied omringd door groen en weilanden.
Figuur 2.1 Linksboven: onverhard toegangspad tot het plangebied (links van het pad) en Weg door de Plas 20 (rechts van het pad). Rechtsboven: zicht op Weg door de Plas 20. Linksonder en rechtsonder: voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.
Hoofdstuk 2
7
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemers zijn voornemens een nieuwe woning mogelijk te maken ter plaatse van de huidige loods in het plangebied. De loods en tevens de voormalige stallen worden daarvoor gesloopt. In totaal betreft dit 520 m2 aan te slopen agrarische bedrijfsgebouwen. Bij sloop van minimaal 500m 2 mag volgens de beleidsregel ‘functieverandering in het buitengebied gemeente Brummen 2009’ een vrijstaande woning gerealiseerd met een oppervlakte van 150 m2 exclusief bijgebouw. Voor de bouwregels van de woning wordt aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan zodat de nieuwe woning past in het stedenbouwkundige beeld bij de woningen in de omgeving. Door de sanering van verouderde gebouwen wordt een sterke kwaliteitsimpuls in de omgegeven gecreëerd. Daarnaast wordt er voorzien in een landschappelijke inpassing van de locatie. Hierbij is het uitgangspunt om de weidsheids van het landschap vanaf het nieuw te bouwen woonhuis te behouden en het contrast tussen het meer besloten erf en de open graslanden te benadrukken. Figuur 2.2 geeft een uitsnede van de landschappelijke inpassing, deze is tevens als bijlage 1 opgenomen. De volgende maatregelen worden genomen. 1.
Oprijlaan richting het erf versterken Het accentueren van de oprijlaan richting het woonperceel door aan één zijde een bomenrij aan te planten die aansluit bij de bomenrij aan de overzijde van de oprijlaan; 2. Toevoegen van een lage haag Door het toevoegen van een lage haag van ca. 1 m hoog rondom het perceel zal het de sfeer en uitstraling krijgen van een erf. Beplanting die typerend is voor een haag in het oeverwallen landschap zijn meidoorn, veldesdoorn of ligusterhaag; 3. Aanplanten van een solitaire boom Kenmerkend voor een erf is dat er verspreid over het erf één of meerdere solitaire bomen staan. Er kan gebruik gemaakt worden van de volgende soorten: walnoot, kastanje, gewone es, linde of rode beuk;
Hoofdstuk 2
8
Figuur 2.2 Uitsnede landschappelijk inpassingsplan.
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied Met dit initiatief wordt één woning mogelijk gemaakt, hiermee worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarbij nationale belangen gemoeid zijn.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft dan ook geen invloed op dit plan Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied Met dit initiatief worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarbij nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit plan. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
Hoofdstuk 3
10
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt de ontwikkeling van één extra woning mogelijk gemaakt. Op basis van geldende jurisprudentie geldt dat in het geval van woningbouwlocaties sprake is van een stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen. Het plan voorziet met één woning dan ook niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr.
201302867/1/R4). Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame ontwikkeling vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling en daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de uitgangspunten van de ladder.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie (2018) Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen: met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving; stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds; focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland; door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Doorwerking plangebied De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn.
Het plan is ook te kleinschalig van aard om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
11
Omgevingsverordening Provinciale Staten hebben de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014 en op 1 januari 2018 als geconsolideerde versie gepubliceerd. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de ruimtelijke verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied zijn regels ten aanzien van landbouw van toepassing. De regels gaan over de vestiging of uitbreiding van agrarische bedrijven en de beperkingen daarvoor. De Omgevingsverordening stelt verder geen specifieke regels aan het oprichten van een woning op deze locatie. De voorgestane ontwikkeling is in lijn is met de Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid Woonagenda 2019-2023 Als het gaat om wonen, volgen ontwikkelingen elkaar snel op. Denk aan nieuwe wetgeving om mensen langer zelfstandig thuis te laten wonen. Of aan het duurzamer maken van woningen. Hoewel de huidige woonvisie uit 2016 komt, was een aanpassing daarvan nodig. De belangrijkste reden daarvoor: in kunnen spelen op de dynamische woningmarkt. Een eerste aanzet is gegeven in de Woonagenda Cleantechregio 2018. In deze nieuwe woonagenda ligt de nadruk op kwalitatief programmeren. Ook geeft deze regionale woonagenda richting gegeven aan het aantal te bouwen woningen in de periode 2018-2027. Voor Brummen zijn dat, naar de huidige inzichten, 700 nieuw te realiseren woningen. Daarnaast zijn de volgende ontwikkelingen belangrijk geweest bij de update van de Woonvisie: Wetgeving rondom het scheiden van wonen en zorg. Met als doel: mensen moeten langer zelfstandig thuis blijven wonen, met meer zorg aan huis. Ook kan er behoefte zijn aan bijzondere woonvormen. Duurzaamheid: 95% van de woningvoorraad staat er al. Dit betekent dat verduurzamen vraagt om aanpassingen van bestaande huizen. Mensen moeten zich hiervan meer bewust worden. Vraag en aanbod: zijn deze nog goed op elkaar afgestemd? Het is goed om inzicht te krijgen in de woningmarkt en te onderzoeken aan welke woningen in de toekomst nog behoefte is.
Doorwerking plangebied Met deze ontwikkeling wordt slechts één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Het initiatief heeft dan ook nauwelijks invloed op het woningbouwprogramma en past binnen de Woonagenda. Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen!’ De ontwikkelingsvisie 'Ligt op groen!' heeft als doel sturing te geven aan de gemeentelijke ruimtelijke ontwikkeling in Brummen. De visie bevat naast een inspirerend wensbeeld de koers die moet worden gevolgd in de richting van dat wensbeeld. De gemeente Brummen kiest voor een gedifferentieerde, ontwikkelingsgerichte strategie, waarbij de bestaande groene kwaliteiten van de gemeente het referentiepunt zijn. Deze kwaliteiten dienen te worden behouden en waar mogelijk middels nieuwe ontwikkelingen te worden versterkt.
Hoofdstuk 3
12
De ontwikkelingsvisie geeft aan dat er wat betreft het thema 'wonen' kleinschalige toevoegingen van woningen in de kernen of in het buitengebied worden benut voor om de 'groene' kwaliteit te verbeteren. Hieronder wordt mede verstaan de herinvulling van voormalige agrarische gebouwen. Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door de sloop van bestaande overtollige agrarische bebouwing. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast zodat de groene kwaliteiten van de locatie behouden blijven en versterkt worden. De uitvoering van het voorliggende initiatief levert hiermee een positieve bijdrage aan het behoud en versterking van de kwaliteiten in het buitengebied van Brummen. Beleidsregel functieverandering in het buitengebied Gemeente Brummen 2009 De 'Beleidsregel functieverandering in het buitengebied Gemeente Brummen 2009' biedt een aanvulling op de regels van het Bestemmingsplan Buitengebied welke betrekking hebben op de functieverandering van vrijgekomen en vrijkomende gebouwen. In deze aanvullende regels is het regionale beleid van de nota 'Waar de stallen verdwijnen' verwerkt.
De beleidsregel is van toepassing op verzoeken voor functieverandering van (agrarische) bedrijven in het buitengebied welke in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan en waarvoor geen mogelijkheden bestaan om deze te realiseren middels een binnenplanse ontheffing of een wijzigingsbevoegdheid. Doorwerking plangebied De belangrijkste criteria voor functieverandering naar wonen uit de beleidsregel die relevant zijn voor het voorliggende initiatief zijn de volgende. Vrijkomende bedrijfsgebouwen die niet kunnen worden hergebruikt moeten worden gesloopt, met uitzondering van monumentale en karakteristieke gebouwen. Nieuwbouw en hergebruik van (bij)gebouwen mag een omvang hebben van maximaal 50% van de gesloopte en hergebruikte bedrijfsgebouwen. Voor het perceel wordt een erfinrichtingsplan gemaakt dat door een onafhankelijke, ter zake kundige organisatie wordt getoetst. Minimaal 500 m2 van de vrijkomende bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt. De oppervlaktemaat van een woning is maximaal 150 m2, hiervan kan beargumenteerd worden afgeweken. In het plangebied is een woning aanwezig en verouderde stallen en schuren (totaal 520 m 2) die nog bij de voormalige agrarische functie horen.
Door gebruik te maken van de beleidsregel 'functieverandering in het buitengebied gemeente Brummen 2009' mag bij sloop van minimaal 500 m 2 agrarische bebouwing een woning van maximaal 150 m 2 (excl. bijgebouw) gerealiseerd worden. Daarnaast is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de beleidsregel.
Hoofdstuk 3
13
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en parkeren Doorwerking plangebied Er wordt een nieuwe woning toegevoegd. Het aantal verkeersbewegingen zal beperkt toenemen, het omliggende wegennetwerk kan dit prima verwerken. Het erf is groot genoeg om voldoende parkeerplaatsen te realiseren op eigen terrein, hiermee voldoet het plan aan het uitgangspunt uit het parapluplan parkeren, dat het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein wordt gerealiseerd. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.2 Geluid Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet Geluidhinder in werking getreden. Als een geluidszone geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (artikel 77 Wgh). Een uitzondering wordt gevormd door 30 km/u wegen, deze hebben geen geluidszones. Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt een geluidgevoelige object (woning) mogelijk gemaakt binnen de geluidszone van de N348. Derhalve is er door Akoestisch Buro Tideman een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting wegverkeerslawaai voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De geluidbelasting op de grens van het bouwplan bedraagt maximaal 53 dB na aftrek van 4 dB op grond van art. 110g van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is daarmee hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de verdere ontwikkeling van deze locatie dient een hogere waarde procedure te worden opgestart waarbij een hogere waarde tot 53 dB wordt vastgesteld voor de deze woning.
Om de geluidbelasting op deze woning terug te dringen zijn maatregelen aan deze weg zoals het aanbrengen van stil asfalt financieel niet haalbaar. Maatregelen in het tussengebied zouden kunnen bestaan uit een geluidscherm. Om voldoende effect te hebben zou de zichtlijn tussen de woning en de weg moeten worden doorbroken. Dit resulteert in een lengte van het scherm die verder gaat dan het
Hoofdstuk 4
14
perceel dat in eigendom is. Een dergelijk scherm in het tussengebied is vanuit landschappelijk, stedenbouwkundig en financieel oogpunt niet wenselijk. Derhalve blijft over de mogelijkheid voor de realisatie van deze woning het vaststellen van een hogere waarde. Voor de afweging om een hogere waarde te verlenen kan worden aangesloten bij de afwegingen zoals deze worden benoemd in de Wet Geluidhinder. Er wordt voldaan aan deze voorwaarden. Er kan een hogere waarde wordt verleend van 53 dB voor deze woning Tevens is een maximaal toelaatbaar binnenniveau in de woning is toegestaan van 33 dB. De benodigde gevelisolatie moet gelijk zijn aan het verschil tussen de werkelijke geluidbelasting en het niveau van 33 dB. Bij het vaststellen van de geluidwerende voorzieningen moet worden uitgegaan van een geluidbelasting van 57 dB. Op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan is een rooilijn opgenomen. De woning kan vanuit akoestisch oogpunt niet dichter tot de weg gepositioneerd worden omdat dan de maximaal te ontheffen grenswaarden wordt overschreden. Door de rooilijn is dit niet mogelijk en legt de Wet geluidhinder verder geen restricties aan dit bestemmingsplan.
4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Doorwerking plangebied Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Met onderhavig plan wordt slechts een nieuwe woning mogelijk gemaakt er worden er verder geen functies ontwikkeld. Geconcludeerd wordt dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van
Hoofdstuk 4
15
de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de VNG 2. In de tabel behorende bij de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG, zijn functies opgenomen die zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per functie is aangegeven wat de indicatieve afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk, of waar door onderzoek is aangetoond dat geen sprake is van een overbelaste situatie. Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In de ruimtelijke ordening wordt onderscheid gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten. Voor het aspect geur geldt aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij en de Wro) en daardoor specifieke afstanden. Deze afstanden komen niet overeen met de afstanden die in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG zijn opgenomen. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten behandeld in paragraaf 4.6. Doorwerking plangebied Het meest dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op ca. 115 meter afstand. Voor dit bedrijf (Weg door de Plas 14A) is echter op 12 december 2019 een melding activiteitenbesluit Milieubeheer gedaan voor het houden van “0” varkens. De bedrijfsactiviteit voor wat betreft het houden van varkens is zodoende beëindigd. De van rechtswege verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voor het houden van 350 varkens is momenteel nog geldend, maar deze zal op korte termijn ambtshalve ingetrokken worden.
Dit bedrijf vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Het meest dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijf ligt op circa 650 meter ten westen van het plangebied. Op deze locatie zijn bedrijven in de gezondheid- en welzijnzorg, onderwijs en aan zorg gerelateerde agrarische functies mogelijk. In het vigerende bestemmingsplan is voor dit bedrijf geen milieucategorie en hinderafstand opgenomen. Omdat het bedrijf op 650 meter van het plangebied ligt vormt het geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling en vice versa. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
2
Bedrijven en milieuzonering, editie 2009
Hoofdstuk 4
16
4.5 Geur agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Voor agrarische bedrijven die onder de vergunningplicht vallen geldt de Wet geurhinder en veehouderij. Voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen gelden de bepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De toetsing tussen de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit wijkt inhoudelijk niet af. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Doorwerking plangebied Bij de ontwikkeling van een woning is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. Het meest dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op circa 115 meter van het plangebied en betreft een varkenshouderij (Weg door de Plas 14a). Op circa 240 meter afstand (rand bouwvlak), ten zuiden van het plangebied is ook een varkenshouderij gelegen (Elzenbosweg 10). Voor deze varkenshouderijen is in het vigerende bestemmingsplan ‘Weg door de Plas’ (6 september 2018) een berekening gemaakt van de voorgrondbelasting op de woningen Weg door de Plas 14 en 16. Uit deze berekening voor de varkenshouderij Weg door de Plas 14A volgt dat de geurbelasting maximaal 4,8 OU/m3 bedraagt op de woningen Weg door de Plas nummer 14 en 16. Er is gerekend met de volledige vergunning (350 vleesvarkens).
Voor dit bedrijf (Weg door de Plas 14A) is echter op 12 december 2019 een melding activiteitenbesluit Milieubeheer gedaan voor het houden van “0” varkens. De bedrijfsactiviteit voor wat betreft het houden van varkens is zodoende beëindigd. De van rechtswege verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voor het houden van 350 varkens is momenteel nog geldend, maar deze zal op korte termijn ambtshalve ingetrokken worden. Dit bedrijf vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Voor de varkenshouderij Elzenbosweg 10 is in het vigerende bestemmingsplan ‘Weg door de Plas’ een voorgrondberekening gemaakt op basis van de gehele vergunde situatie (1100 vleesvarkens en 6 vleeskalveren). Ook dit bedrijf doet mee aan de stoppersregeling waardoor feitelijk minder dieren mogen worden gehouden tot 1-1-2020.Uit de berekening voor de locatie Elzenbosweg 10 volgt dat de geurbelasting maximaal 5,5 OU/m 3 bedraagt op de woningen Weg door de Plas nummer 14 en 16.
Hoofdstuk 4
17
Voor onderhavige planontwikkeling zijn de locaties Weg door de Plas 14a (waarvoor de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) binnenkort wordt ingetrokken) en de locatie Elzenbosweg 10 de intensieve veehouderijbedrijven op kortste afstand van het plangebied. De geurbelasting op de nieuwe woning in het plangebied mag 14,0 OU/m 3 bedragen. Omdat voor de woningen Weg door de Plas 14 en 16 de geurbelasting ruim onder de toegestane 14,0 OU/m3 ligt, mag aangenomen worden dat voor de nieuwe woning ook een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd. De nieuw toe te voegen woning ligt namelijk op een grotere afstand van de intensieve veehouderijen dan de woningen Weg door de Plas nummer 14 en 16 en hierdoor is het niet voorstelbaar dat de geurbelasting hoger zal zijn voor de nieuw toe te voegen woning. Daarnaast is ten zuiden van de planlocatie (Elzenbosweg 4-6), op 330 meter afstand (rand bouwvlak), een kleine rundveehouderij gelegen (vergund 39 stuks jongvee). Ten oosten van het plangebied, op circa 500 meter (afstand tot rand bouwvlak waar een dierenverblijf mag worden opgericht) ligt een melkveehouderij (Cortenoeverseweg 105). Dit bedrijf heeft een vergunning voor 316 stuks melkvee met 215 stuks vrouwelijk jongvee.
De rundveehouderij en melkveehouderij liggen beide op grotere afstand dan de vaste richtafstand van 100 meter en vormt hiermee geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling. Andere agrarische bedrijven liggen op grotere afstand. Naast een goed woon- en leefklimaat voor de woningen dient ook getoetst te worden of het initiatief geen extra beperkingen oplevert voor de omliggende veehouderijbedrijven met een intensieve veehouderijtak. Het toevoegen van een nieuwe woning mag deze bedrijven niet schaden in de ontwikkelingsmogelijkheden. In de directe omgeving van de onderzochte bedrijven liggen reeds meerdere burgerwoningen die beperkend zijn of kunnen zijn voor deze bedrijven. De nieuw toe te voegen woning vormt derhalve geen belemmering voor omliggende agrarische bedrijven.
4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn voor zover bekend ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een klic-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.
4.7 Externe veiligheid Wettelijk kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Hoofdstuk 4
18
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb).
Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Brummen Het uitgangspunt van de beleidsvisie externe veiligheid gemeente Brummen is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de bedrijventerreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.
Hoofdstuk 4
19
Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 4.1 is de risicokaart weergegeven. Met het plangebied blauw omcirkeld. Stationaire risicobronnen E zijn geen relevante stationaire risicobronnen gelegen binnen 1 km van het plangebied. Aardgasbuisleiding (N-559-21) De planlocatie ligt op ca. 375 m van de aardgasbuisleiding (N-559-21). Hiervoor gelden een 100%- en een 1%-letaliteitsgrens van respectievelijk 30 en 50 meter. Het plangebied valt hier niet binnen. De aardgasleiding heeft geen invloed op onderhavige ontwikkeling. Provincialeweg N348 De planlocatie ligt op ca. 66 meter van de provinciale weg N348 (IJsselgouw). Conform de beleidsvisie van gemeente Brummen is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N348 beperkt tot de bevoorrading van enkele LPG-tankstations en propaantanks bij agrarische bedrijven. De vervoersintensiteiten van gevaarlijke stoffen over de N348 liggen ruim onder de drempelwaarden, zoals weergegeven in paragraaf 1.2.3 van de bijlage van de “Handleiding Risicoanalyse Transport” (HART. Het transport van gevaarlijke stoffen over de N348 leidt niet tot een PR 10-6 contour.
Figuur 4.1 Uitsnede van de risicokaart met het plangebied blauw omlijnd.
Spoorlijn Dieren-Zutphen De planlocatie ligt op ca. 1,1 km van de spoorlijn Dieren-Zutphen, buiten de plaatsgebonden risicocontour, het plasbrandaandachtsgebied en de 200 meter zone maar wel binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. Het invloedsgebied van spoorlijn wordt bepaald door het vervoer van zeer toxische vloeistoffen en bedraagt meer dan 4.000 meter. Het plangebied bevindt zich hier binnen. Om deze reden kan worden geconcludeerd dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn relevant is vanuit
Hoofdstuk 4
20
het oogpunt van externe veiligheid voor het plangebied. Gezien de ligging van de spoorlijn op meer dan 200 meter van het plangebied volstaat, conform artikel 7 en 8 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Uit de notitie 'VGR voor standaard externe veiligheidssituaties' blijkt dat wanneer het plangebied van een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter zone van een transportroute ligt en het besluit geen objecten toestaat voor verminderd zelfredzame personen, er sprake is van een standaard externe veiligheidssituatie. Voor deze situaties wordt de onderstaande verantwoording van het groepsrisico gehanteerd.
Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen zijn een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Onderstaand is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Mogelijkheden bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed.
Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.
Hoofdstuk 4
21
Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: goed te alarmeren is; goed te schuilen is; goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. De ligging in het buitengebied biedt hiertoe voldoende mogelijkheden. Ook is de locatie goed bereikbaar voor hulpdiensten. Conclusie Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn.
Voor bewoners zijn er voldoende vluchtmogelijkheden om bij een eventuele calamiteit te vluchten. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid. Voor de ontwikkeling aan de Weg door de Plas is de conclusie dat er geen belemmeringen bestaan vanwege plaatsgebonden risico’s of het groepsrisico. Omdat de planlocatie in het invloedsgebied gelegen is dient er advies ingewonnen te worden bij de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) met betrekking tot rampbestrijding en zelfredzaamheid.
4.8 Ecologie De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4
22
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Hoofdstuk 4
23
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Doorwerking plangebied Er is door Otte Groenadvies een quickscan flora en fauna gedaan voor het plangebied. In deze toelichting en in de navolgende tabel worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Gebiedsbescherming Stikstofdepositie Om te bepalen of met de nieuwe ontwikkeling negatieve effecten op een Natura2000-gebied plaatsvinden is door Busscher Milieu Advies een AERIUS-berekening gedaan. Hieruit bleek dat er geen rekenresultaten uitkwamen hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Stikstof veroorzaakt geen belemmering voor het planvoornemen. Het gehele rapport en de AERIUS-berekening is opgenomen in de bijlagen van dit bestemmingsplan Flora Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden;
Hoofdstuk 4
24
Fauna Steenmarter De te amoveren bebouwing is in potentie geschikt als verblijfplaats voor steenmarter. Verblijfplaatsen van steenmarter zijn beschermd. Nader onderzoek op deze soort is maatwerk, veelal wordt deze uitgevoerd op basis van waarnemingen op de locatie. Deze kan plaatsvinden tijdens nader onderzoek op overige soorten. Kerkuil Om te bepalen of met de voorgenomen werkzaamheden en nieuwe inrichting een effect optreedt op rusten verblijfplaats en bijbehorende essentiële functionele leefomgeving. Het bepalen van effecten is maatwerk, dit moet worden uitgevoerd door een inzake deskundige. Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor. Overige Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. Op basis van de quickscan wordt nader onderzoek naar de kerkuil en steenmarter geadviseerd.
Dit nader onderzoek is uitgevoerd, het volledige rapport ‘Nader onderzoek kerkuilen en steenmarter’ van Otte Groenadvies d.d. 24 augustus 2020 is opgenomen in de bijlagen, in deze toelichting worden de belangrijkste conclusies benoemd: - Op de planlocatie worden geen negatieve effecten verwacht op het foerageergebied. - Op de planlocatie zijn geen vaste verblijfplaatsen aanwezig, de locatie wordt mogelijk af en toe gebruikt als rustplaats. - De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de gunstige staat van instandhouding van kerkuilen en de steenmarter; - Voor de geplande werkzaamheden hoeft geen ontheffing worden aangevraagd; - Voor de geplande werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht, dit houdt in dat ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Uit het nader onderzoek naar de kerkuil en steenmarter blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen geen essentieel belang vertegenwoordigt voor kerkuilen en steenmarters. Hiervoor hoeft geen compensatie/mitigatieplan te worden opgesteld. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.9 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en
Hoofdstuk 4
25
moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Ter plaatse van deze nieuwe ontwikkelingen is bodemonderzoek en een sanering op PAK en asbest uitgevoerd. Uit de aangeleverde gegevens kan de conclusies worden getrokken dat de bodem geschikt is voor de toekomstige functie. Hieronder staat een en ander nader beschreven. In augustus 2016 is een verkennend en nader bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd door Hunneman milieu-advies Raalte BV. Hieruit bleek dat de grond verontreinigd was met asbest en PAK. Op basis van dit onderzoek heeft Hunneman Milieu-Advies Raalte BV een plan van aanpak opgesteld voor de verwijdering van de aangetoonde verontreinigingen met PAK en asbest, hiermee is door het bevoegd gezag ingestemd en is in november en december 2016 en in januari 2017 is door Jan Zevenhuizen BV een sanering van een asbest- en een PAK-verontreiniging uitgevoerd. De verontreiniging met PAK en de asbesthoudende puinverharding is verwijderd door ontgraving.
De verontreinigde bodem en puinverharding is onder toezicht van de milieukundige begeleider ontgraven, geladen en afgevoerd. Op basis van de behaalde resultaten is geconcludeerd dat de sanering van de op de locatie aangetoonde verontreinigingen met PAK en asbest in voldoende mate is uitgevoerd. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.10 Water Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente (water)advies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden be-
Hoofdstuk 4
26
hoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden/versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-)problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging.