CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststelling bp Nieuw Koolwijk (1299756)- Bijlage 2b Toelichting ontwerp 12 mei 2022.pdf

Raadsvergadering Boxtel 20 december 2022, gemeente boxtelBij agendapunt: Bestemmingsplan Nieuw Koolwijk17.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 22: Weergave van de op te hogen (in oranje) en te verlagen (in geel) terreindelen

4.1.4

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

4.1.5

Afvalwater

De aansluiting van riolering wordt in overleg met de gemeente Boxtel bepaald. Aangesloten dient in ieder geval te worden bij de ‘Verordening rioolaansluitrechten 2021’ van de gemeente Boxtel.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

4.2 Ecologie 4.2.1

Inleiding

Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. In maart 2019 is door Tritium Advies BV een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, gevolgd door een actualisatie door Sweco Nederland B.V. in 2021. De rapportages (Tritium Advies BV, documentkenmerk 1810/011/AO-01, d.d. 13 maart 2019 en Sweco Nederland B.V., projectnummer 364141, d.d. 17 mei 2021) zijn als bijlagen bij onderhavige toelichting gevoegd.

4.2.2

Gebiedsbescherming

4.2.2.1

Inleiding

De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het meest dicht bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en is gelegen op een afstand van circa 2,6 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het plangebied is direct gelegen tegen het Natuur Netwerk Brabant. De beoogde sanering van het agrarisch bedrijf ter plaatse heeft een positief effect op het NNB. Met de beoogde herontwikkeling wordt voorzien in een forse erfbeplanting, waarmee een duidelijke afscheiding ontstaat tussen de woningbouwontwikkeling en het natuurnetwerk. Geen negatief effect zal ontstaan op het natuurnetwerk. In hoofdstuk 4 van het Inrichtingsplan (P15 (stads)landschappen) wordt nader aandacht besteed aan de beoogde natuur binnen het gehele plangebied, waarbij wordt ingespeeld op de aanwezigheid van het NNB ter plaatse.

4.2.2.2

Stikstof

Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Door NOX Advies is begin 2021 een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Hierin is zowel de aanleg- als gebruiksfase meegenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de berekende emissie leidt tot een depositie van 0,00 mol/ha/jaar voor de beide fases. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is de beoogde herontwikkeling geen bedreiging voor de instandhoudings-doelstellingen van alle omliggende Natura 2000-gebieden. De onderzoeksrapportage (NOX Advies d.d. 18 januari 2021) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Sinds 1 juli 2021 geldt een partiële vrijstelling voor de bouwsector voor de vergunningplicht Wnb voor het aspect stikstof. Dit houdt in dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing gelaten kan worden bij een natuurvergunning. De gevolgen van de bouwfase hoeven niet beoordeeld te worden. De onderzoeksraportage is naar aanleiding hiervan niet geactualiseerd, daar geconcludeerd kan worden dat de uitkomst enkel zal leiden tot een nog positiever effect. In de onderzochte situatie is gerekend met de worst-case-scenario.

Het aspect stikstofdepositie en/of de bescherming van Natura 2000-gebieden in het algemeen vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.2.3

Soortenbescherming

Ter plaatse van het plangebied zijn alle bestaande opstallen gesloopt, bestaande uit een kas, een loods, containervelden en een waterreservoir. Als gevolg van de ontruiming van het terrein en daarmee de sloop van de bebouwing, is mogelijkerwijs een verblijfplaats van kerkuil verloren gegaan. Het verlies van de mogelijke verblijfplaats is in overleg met het bevoegd gezag, in dit geval de provincie, gecompenseerd middels het plaatsen van twee nestkasten binnen een straal van 500 meter vanuit het plangebied aan De Ruiting 2B. Een notitie van deze compensatie, opgesteld door Sweco Nederland B.V., is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Door Sweco Nederland B.V. is in 2021 een actualisatie uitgevoerd van de onderzoeken. Navolgende conclusie komt voort uit deze actualisatie: “Er is geen aanleiding om de grote lijn in de conclusies van het onderzoek door Tritium uit 2019 te herzien. De conclusie ten aanzien van soortenbescherming inzake Wet natuurbescherming blijft grotendeels intact. Ten aanzien van de mogelijke aantasting van een verblijfplaats van de kerkuil heeft in 2020 de nodige afstemming met bevoegd gezag plaats gevonden. In goed overleg zijn hiervoor passende maatregelen getroffen. Er dient alleen een nuancering ten aanzien van beschermde amfibieën te worden aangebracht.

Voor de alpenwatersalamander en kamsalamander is nader onderzoek uitgevoerd om aanwezigheid van beide soorten te kunnen bepalen. Beide soorten blijken echter niet te zijn aangetroffen, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Er is geen noodzaak voor het nemen van aanvullende stappen.”

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Deze notitie (Sweco Nederland B.V., projectnummer 364141, d.d. 17 mei 2021) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt tevens voorzien in een forse erfbeplanting. De beoogde herontwikkeling heeft dan ook enkel een positief effect op de flora- en fauna ter plaatse.

4.3 Cultuurhistorie en archeologie 4.3.1

Cultuurhistorie

“Het dorp Esch is ontstaan aan een historische route die liep vanaf Alphen via Tilburg en Halder richting Cuijck. De naam Esch is afgeleid van de gelijknamige boom (Fraxinus excelsior) en betekent dus zoiets als "plaats waar essen groeien". De nederzetting wordt voor het eerst vermeld als "hesc" in een oorkonde uit 773, die een schenking van vier hoeven onder Esch aan de abdij van Echternach (in Luxemburg). Het grondgebied van Esch was al ver vóór 773 bewoond. Daarvan getuigen de Romeinse graven uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, maar de bewoning van Esch gaat nog veel verder terug: er is ook een urnenveld gevonden uit de late Bronstijd. De omgeving was dan ook aantrekkelijk voor bewoning met de vruchtbare leemhoudende zandgrond en ooit wildrijke (moeras)bossen. Bij Esch doorsnijdt de Essche stroom -vroeger Run geheten, dat “het snel stromend water” betekent- een dekzandrug. Op twee plaatsen waren er daardoor ondiepten in het riviertje waardoor deze hier doorwaadbaar was. Deze voordes -een aan de westzijde en een aan de noordzijde- werden in de loop van de middeleeuwen vervangen door vaste bruggen; de Hoge Brug bij het Oude Mannengasthuis (ook Gasthuisbrug) en de Lage Brug bij het omgrachte huis Baarschot (ook Kasteelse Brug).

De nederzetting Esch wijkt door de landschappelijke ondergrond met veel natte gronden af van het gebruikelijk type van een kransakkernederzetting; het dorp Esch is gesitueerd op het hoogste punt van de dekzandrug waarop ze is ontstaan en werd omringt door akkerland. Aan de rand van die akker aan de weg naar Tongeren lag het gehucht Nergena (nergens-te na, wat duidt op een afgelegen ligging) dat na 1920 ook wel de Heikant werd genoemd (naar de ligging aan de rand van de heide). Het grondgebied van Esch sterkte zich uit aan weerszijden van de Run (Essche Stroom), wat opvallend is omdat natuurlijke waterlopen meestal als grens fungeerden tussen rechtgebieden en (dorps)territoria. Buiten het kerkdorp op de akker zijn er vooral individuele kampontginningen op de hogere delen, die als verspreide, al dan niet omgrachte, huisplaatsen zichtbaar zijn en een enkel gehucht in de vorm van een hoevenzwerm (Esschervoort en Overeind). Het plangebied is gesitueerd aan de westzijde van de Essche Stroom zuidelijk van de Hoge Brug bij het Mannengasthuis. Op oude kaarten en in oude registers worden er in dit gebied meerdere historische huisplaatsen vermeld. Het gaat dan om het eerder genoemde Mannengasthuis bij de brug, het huis Kranenburg (ook Zwanenburg), huis Koolwijk, huis Piekenhoef en huis Rouwdonk.

Samen vormen deze een zeer kenmerkend patroon van oude bewoningsplaatsen op hoger gelegen delen van het landschap. Dit betreft telkens een zogenoemde donk (een zandige opduiking in drassig terrein). Deze waren uitermate geschikt voor bewoning in dergelijke omstandigheden. Ontginning van dergelijke plekken vindt in Brabant plaats in de late middeleeuwen (na 1200) als de randen van beekdalen in leen worden gegeven. Visrechten zijn meestal gekoppeld aan de oudste lenen in een gebied. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Dergelijke ontginningen op een donk ontwikkelde zich soms vanuit een boerderij met bijgebouwen tot een aanzienlijke woning met naastgelegen, functioneel boerenerf, of eventueel zelfs een buitenplaats. Om de drooglegging te verbeteren en de status van de bewoners te onderstrepen werd het huis vaak -deels- omgracht. Iedere ontginning kende ook een eigen akker op de donk met op de lagergelegen gronden weiland. De losse ontginningen groeide met de tijd aan elkaar vast tot een lappendeken van weiden, beemden en akkers. Dit patroon is in versimpelde vorm nog herkenbaar in het gebied. De ontwateringssituatie was op dergelijke plekken sterk door de mens beïnvloed. Hier was zelfs sprake van een te reguleren stroomrichting in de Broekleij en sommige sloten.” (Bron: Inrichtingsplan Buitenplaats Nieuw Koolwijk, P15 (stads)landschappen). Ontwikkelingen mogen geen negatief effect hebben op cultuurhistorische waarden binnen het plangebied of in de omgeving hiervan. Eventueel aanwezige waarden moeten behouden blijven en waar nodig versterkt. De bebouwing ter plaatse van het plangebied De Ruiting 2B was niet historisch en kende geen bijzondere kwaliteiten. De bebouwing is met het oog op de beoogde herontwikkeling geheel gesaneerd en zal plaats maken voor Ruimte voor Ruimte woningen, omringd door groene landschapselementen.

Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.

4.3.2

Archeologie

4.3.2.1

Inleiding

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houden ze rekening met archeologische waarden. Ook maken zij meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.

4.3.2.2

Archeologisch onderzoek ter plaatse van plangebied

De bodem ter plaatse van het plangebied zal gedeeltelijk dusdanig geroerd worden, dat met een archeologisch onderzoek aangetoond dient te worden dat geen waarden verloren gaan. Ter plaatse van het plangebied aan De Ruiting 2B is dan ook door Sweco een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: "Op basis van het proefsleuvenonderzoek kan worden vastgesteld dat er sprake is van een archeologische vindplaats; echter het beperkte aantal aangetroffen sporen en vondsten en het ontbreken van een duidelijke ruimtelijke samenhang staat (nog) niet toe nadere conclusies te trekken over de exacte aard, spreiding of omvang van een vindplaats/ nederzetting. Alleen een opgraving kan hier uitsluitsel over geven, zie bijlage 7 voor de advieskaart vervolgonderzoek.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Advies Op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd een opgraving uit te voeren in het noordelijk deel van het plangebied (zie bijlage 7), te verdelen tussen een gedeelte waar in ieder geval een opgraving dient plaats te vinden, en een optioneel deel indien de sporen/vondsten zich buiten het betreffende gedeelte blijken uit te strekken. De overige delen van het plangebied kunnen worden vrijgegeven. Voorafgaand aan het definitieve onderzoek/opgraving dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen beschikbaar te zijn. Geadviseerd wordt om dit in de vorm te gieten van een beknopt addendum/oplegnotitie op het bestaande PvE van het proefsleuvenonderzoek, die door de bevoegde overheid dient te worden goedgekeurd. De resultaten van de opgraving kunnen als een nieuw hoofdstuk worden opgenomen in het rapport van het proefsleuvenonderzoek. Daartoe dienen onder meer bij het veldwerk van de opgraving (DO2020) werkputten, spoornummers, vondstnummers e.d. te worden doorgenummerd op die van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P 2019). Verdere synthese aangaande het IVO-P hoeft voorlopig niet plaats te vinden, deze kan worden uitgevoerd bij de synthese over het volledige onderzoek 2019-2020.

Tenslotte wordt geadviseerd om het aardewerk dat is aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek gezamenlijk met de eventuele vondsten van de opgraving uit te werken, e.e.a. op basis van het op te stellen evaluatierapport. Algemeen In zijn algemeenheid blijft gelden dat indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in vrijgegeven gebieden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht is." Het uitgevoerde onderzoek (Sweco, projectnummer 364141, d.d. 12 maart 2020) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Naar aanleiding van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek heeft in juni 2020 tevens een archeologische opgraving plaatsgevonden. Dit ten behoeve van de bouw van de beoogde woningen binnen het plangebied. Naar aanleiding van deze opgraving wordt het navolgende advies gegeven: “Het huidige plangebied is in voldoende mate opgegraven om de daar nu aanwezige archeologische waarden in beeld te brengen. De vindplaats is echter nog niet begrensd. Daarom wordt geadviseerd om in de nu niet onderzochte delen, waar geen bebouwing plaats zal vinden, de dubbelbestemming archeologie te behouden. Ook in het omringende gebied is de verwachting op een vindplaats hoog.

Wel is op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek duidelijk dat in het zuiden van het plangebied op grote schaal verstoord is.”

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Het evaluatierapport (Sweco Nederland B.V., projectnummer 364141, d.d. 18 september 2020) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Mede vanwege nieuwe inzichten in het gebied, onder andere de opgraving aan de noordzijde van het plangebied is besloten om alsnog de proefsleuf aan de zuidzijde aan te leggen, met aanvullend een kruisende sleuf. In 2021 is dan ook dit aanvullende proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hiermee is het archeologisch onderzoek voor het gehele plangebied afgesloten. Verder onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoeksrapportage (Sweco Nederland B.V., projectnummer 51000725, d.d. 27 augustus 2021) is eveneens als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. De genoemde onderzoeken zijn reeds beoordeeld door het bevoegd gezag en geaccordeerd. Ter plaatse van de onderzochte delen van het plangebied zijn de dubbelbestemmingen voor archeologische verwachtingswaarde verwijderd van de verbeelding. Op de niet onderzochte delen van het plangebied blijft de dubbelbestemming van kracht, indien hier in de toekomst bodemingrepen plaatsvinden dan dient opnieuw middels onderzoek te worden aangetoond dat ter plaatse geen archeologische resten verloren gaan. Het selectieadvies archeologie is eveneens als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

4.4 Agrarische bedrijvigheid 4.4.1

Inleiding

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen. Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

4.4.2

Gemeentelijke geurverordening

Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. Zo kunnen oplossingen worden gezocht voor de spanning tussen het voortbestaan/de ontwikkeling van veehouderijen en de ontwikkeling van dorpskernen of recreatie. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds. De ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2019 gemeente Haaren’ met de daarbij behorende Gebiedsvisie is in werking sinds 15 mei 2019. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de Normenkaart behorende bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2019. Het plangebied is hier aangeduid met een rode cirkel.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Figuur 23: Uitsnede Normenkaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening

Het plangebied is gelegen binnen gebied C: Gebied beperking veehouderij en aandachtspunten. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen gebied C 10 oue/m³. Dit geldt voornamelijk bij vergunningverlening van veehouderijen. Andersom dient hiermee rekening te worden gehouden bij de toekenning van geurgevoelige objecten in de nabijheid van bestaande veehouderijen. Buiten de bebouwde kom van de voormalige gemeente Haaren geldt op grond van de gemeentelijke geurgebiedsvisie tevens de volgende andere vaste afstand voor dieren zonder vastgestelde emissiefactor: Op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de afstand tussen een veehouderij, waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter voor zover a. het uitsluitend betreft dieren van dezelfde categorie(ën) als die, welke overeenkomstig de vergunde situatie op 23-12-2016 mochten worden gehouden, en b. het aantal dierplaatsen en de locatie daarvan tussen 25 en 50 meter tot het geurgevoelig object niet afwijkt van het aantal en de locatie overeenkomstig de onder a. bedoelde vergunde situatie.

4.4.3

Veehouderijen in de omgeving van het plangebied

In de omgeving van het plangebied aan De Ruiting 2B is een aantal veehouderijbedrijven gelegen. Navolgend is een uitsnede van de veehouderijbedrijvenkaart weergegeven, waarbij de omliggende veehouderijen in een omtrek van ruim 500 meter vanuit het plangebied inzichtelijk zijn. De voormalige

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

veehouderijen zijn tevens zichtbaar middels een rode stip. Daar deze niet meer aan de orde zijn, worden deze verderop niet nader toegelicht.

Overeind 4 Postelstraat 21

Haarenseweg 17

De Ruiting 4

De Wertjes 1

Figuur 24: Veehouderijbedrijvenkaart (bron: atlas.odzob.nl, peildatum augustus 2021)

Op deze veehouderijbedrijven zijn de volgende dieraantallen vergund:

Figuur 25: Vergunde dieraantallen De Ruiting 4 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 26: Vergunde dieraantallen De Wertjes 1 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Figuur 27: Vergunde dieraantallen Haarenseweg 17 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 28: Vergunde dieraantallen Overeind 4 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 29: Vergunde dieraantallen Postelstraat 21 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

4.4.4

Woon- en leefklimaat

4.4.4.1

Inleiding

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Daartoe is ter plaatse van het plangebied zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting inzichtelijk gemaakt. 4.4.4.2

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Gezien de afstand van de veehouderijen tot het plangebied en de vastgestelde geuremissie, kan worden gesteld dat de veehouderij aan Haarenseweg 17 de dominante veehouderij betreft. Hierna is de voorgrondbelasting van de betreffende veehouderij op het plangebied berekend. Het XY-coördinaat van de emissie is hierbij gelegd op de meest dicht bij het plangebied ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

gelegen hoek van het bouwvlak. Hierbij is de worst-case-scenario berekend. De XY-coördinaten van de geurgevoelige functies zijn hierbij de meest dicht bij de veehouderij gelegen hoekpunten van de beoogde woonbestemmingen. Navolgend zijn deze gehanteerde punten op kaart weergegeven.

Figuur 30: Emissiepunt veehouderij en toetspunten geurgevoelige locaties

Navolgend is de uitgevoerde berekening weergegeven.

Tabel 1: Voorgrondbelasting Haarenseweg 17 op plangebied

De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij Haarenseweg 17 op het plangebied bedraagt maximaal 0,4 oue/m³.

4.4.4.3

Achtergrondbelasting

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting wordt berekend met V-Stacks gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting dienen de veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie beoordeeld te worden. Derhalve zijn bij de berekening van de ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied alle veehouderijen binnen de gemeenten Boxtel, Oisterwijk en Vught meegenomen. De invoergegevens zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (uitdraai d.d. 12 mei 2022). De gehanteerde XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen hierbij de hoekpunten van het plangebied. De volgende uitgangspunten zijn bij de berekening genomen: Berekende ruwheid: 0,19 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 146 603 m Rasterpunt linksonder y: 401 475 m Gebied lengte: (x): 2000 m, Aantal gridpunten: 50 Gebied lengte: (y): 2000 m, Aantal gridpunten: 50 In de volgende tabel is de achtergrondbelasting ter plaatse van de het plangebied weergegeven. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locaties betreffen hierbij de hoekpunten van het gehele plangebied.

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurbelasting [OU/m3] 1001 147656 402651 0,96 1002 147603 402475 0,87 1003 147789 402559 0,93 1004 147713 402412 1,84 Tabel 2: Achtergrondbelasting ter plaatse van plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van maximaal 1,84 oue/m³. Op basis van de achtergrondbelasting is ter plaatse sprake van een ‘zeer goed woon- en leefklimaat’.

4.4.4.4

Conclusie woon- en leefklimaat

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de voorgrondbelasting minder dan de helft van de achtergrondbelasting. Derhalve is de achtergrondbelasting ter plaatse bepalend. Met een dergelijke lage achtergrondbelasting kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een ‘zeer goed woon- en leefklimaat’.

4.4.5

Belangenafweging

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. De beoogde woningen ter plaatse van het plangebied zullen de eerst belemmerende geurgevoelige objecten zijn voor de veehouderij aan Haarenseweg 17. Deze veehouderij is op grond van de provinciale Interim omgevingsverordening gelegen binnen de aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’, waarbij uitbreiding van een veehouderij in principe

niet

behoort

tot

de

mogelijkheden.

De

huidige

geurbelasting

op

de

beoogde

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

woningbouwkavels is ook dusdanig laag dat gesteld kan worden dat de beoogde woningbouw eventuele uitbreiding, indien dit wel tot de mogelijkheden zou behoren, niet in de weg zou staan.

4.4.6

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijbedrijven

4.4.6.1

Endotoxine

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in deze notitie. In 2017 en 2018 is de handreiking geactualiseerd.

Dit is gebeurd naar aanleiding van de onderzoekrapporten "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden" uit 2016 en 2017, de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0" en de "Memo Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen" uit 2017. De geactualiseerde gegevens zijn vastgelegd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De veehouderijen in de omgeving van het plangebied stoten zodanig weinig fijnstof uit, dat dit in het kader van endotoxine verwaarloosbaar is. De beoogde herontwikkeling is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.

4.4.6.2

Geitenhouderijen

Uit VGO-onderzoeken is naar voren gekomen dat tot 2 kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. In verband hiermee vraagt men zich af men of woningbouwontwikkelingen binnen 2 km nog verantwoord zijn. De meest dicht bij het plangebied gelegen geitenhouderijen zijn gevestigd aan Noenes 16 te Haaren en Hal 17a te Esch. Met een afstand van circa 2,2 kilometer tot het plangebied vanuit beide

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

veehouderijen kan worden gesteld dat geen verhoogde risico’s zijn in het kader van gezondheid vanuit de geitenhouderij.

4.4.7

Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen en driftzonering

Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. De gronden in de omgeving van het plangebied zijn niet in gebruik voor de boomteelt. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Andersom heeft de sanering van het agrarisch bedrijf ter plaatse enkel een positief effect op de omgeving.

4.5 Niet-agrarische bedrijvigheid 4.5.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen/handhaven van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen en verblijfsrecreatieve voorzieningen. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. In het gemengd gebied gaat het om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De omgeving van het plangebied betreft, gezien de bestaande menging van functies op korte afstand van elkaar, een gemengd gebied. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

4.5.2

Bedrijven in de omgeving

In de omgeving van het plangebied is een tweetal bedrijfsbestemmingen gevestigd. Deze bedrijfsbestemmingen worden hierna nader toegelicht. Elektriciteitshuisje De Ruiting ong. Ten noorden van het plangebied is een nutsvoorziening gevestigd in de vorm van een elektriciteitshuisje. Een dergelijke nutsvoorziening is niet specifiek opgenomen in de VNG-brochure. De meest dicht bij de nutsvoorziening geprojecteerde woonbestemming is gelegen op een afstand van bijna 50 meter. Gesteld kan dan ook worden dat deze nutsvoorziening op een dergelijke afstand geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling. Agrarisch technisch hulpbedrijf Haarenseweg 29 Ten (noord)westen van het plangebied is een agrarisch-technisch hulpbedrijf gevestigd met grondverzet, containerverhuur (van 20 containers), bedrijfsafvalinzameling (zonder op- en overslag op deze locatie) en loonwerk. Deze activiteiten hebben op grond van de handreiking maximaal milieucategorie 3.1. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 3.1 dient binnen het gemengd gebied een afstand aangehouden te worden van ten minste 30 meter tot een gevoelig object. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van ruim 500 meter en is hiermee dan ook geen belemmering.

4.5.3

Bedrijven binnen plangebied

Andersom worden binnen het plangebied geen bedrijfsactiviteiten beoogd.

4.5.4

Conclusie

Het aspect Bedrijven en Milieuzonering is dan ook geen bezwaar.

4.6 Geluid Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke woonfuncties is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Niet alleen wordt hiermee uitsluitsel verkregen over de te verwachten geluidsbelasting over 10 jaar maar ook of en met welke planologische maatregelen eventueel nog wel kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Voor de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek: “Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen De Ruiting, Haarenseweg, Koolwijksestraat en Witvensedijk. De binnenplanse weg is beschouwd als zijnde akoestisch niet relevant en is in onderhavig onderzoek niet nader beschouwd.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Voor de wegen Haarenseweg, Koolwijksestraat en Witvensedijk geldt dat de geluidbelasting

ten

gevolge

van

het

wegverkeer

op

deze

wegen

de

voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de weg De Ruiting geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wel overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt echter nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is tevens niet doeltreffend in onderhavige situatie. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet erg doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard.

Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document “Ontheffingenbeleid hogere waardeprocedure Haaren” d.d. 27 mei 2009 van de gemeente Haaren. De nieuwbouw van woningen wordt verspreid gesitueerd en vervangt bovendien bestaande bebouwing waarbij een open plaats in het lint wordt opgevuld. Derhalve wordt voldaan aan de vereiste subcriteria. De aan te vragen hogere waarde is niet hoger dan 53 dB. Derhalve worden géén aanvullende eisen gesteld. Bovendien beschikken alle geluidbelaste woningen over een geluidluwe achtergevel. Conform vorenstaande motivatie voldoet het planvoornemen aan de gestelde eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.” Het uitgevoerde akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Tritium Advies BV, documentnummer 1810/011/AP-02, d.d. 19 maart 2019) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Een aanvraag hogere

grenswaarde

is

aangevraagd.

Het

ontwerpbesluit

zal

gelijktijdig

met

het

ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1

Inleiding

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer

in

een

gebiedsgerichte

aanpak

van

de

luchtkwaliteit

via

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

4.7.2

Regeling Niet in betekenende mate

Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien het plan slechts de realisatie van 6 nieuwe woningen mogelijk maakt, kan worden gesteld dat het plan valt binnen het begrip NIBM. Andersom dient ter plaatse wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee de huidige luchtkwaliteit van belang is.

4.7.3

Fijn stof

Fijn stof (PM10) is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal, cementdeeltjes en bijvoorbeeld stukjes afgesleten autoband of wegdek. Fijn stof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende gassen in de lucht. De gemiddelde hoeveelheid (concentratie) fijn stof in Nederland is hoger in het zuiden, nabij grotere steden en bij grote industriegebieden. Fijn stof is dus een vorm van luchtvervuiling en heeft een ongunstig effect op de gezondheid van mensen. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 dan wel 2,5 micrometer (µg) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst en daardoor met een verschillende chemische samenstelling. Verkeer, industrie en landbouw zijn de belangrijkste bronnen. Op grond van de Wet milieubeheer gelden voor fijn stof de volgende grenswaarden:

-

De jaargemiddelde concentratie PM10 is maximaal 40 µg/m³; De daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden overschreden;

-

De jaargemiddelde concentratie PM2,5 is maximaal 25 µg/m³.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

De achtergrondconcentratie voor fijnstof is de totale concentratie van alle bronnen per vak van 1 kilometer bij 1 kilometer. De achtergrondconcentratie wordt jaarlijks bepaald door de emissies van veehouderijen, industrieën en verkeer bij elkaar opgeteld. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving weer.

Figuur 31: Fijn stof PM10 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een jaargemiddelde concentratie PM10 van 15-16 µg/m³.

Figuur 32: Fijn stof PM2,5 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een jaargemiddelde concentratie PM2,5 van 8-9 µg/m³.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is.

4.7.4

Stikstof

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

Figuur 33: Stikstofdioxide NO2 2019 (Bron: Atlas leefomgeving)

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 10-12 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.

4.7.5

Endotoxine

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende

onderzoeksresultaten.

Gezondheidsraad

in

2012

De

aanleiding

voorlopige

geweest

om

onderzoeksresultaten

zijn

voor

de

voor

bevolking

een

de

algemene

gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de ruimtelijke ordening wordt dit berekeningsmodel geaccepteerd als richtlijn. Op de veehouderijen in de omgeving van het plangebied gelden op grond van het berekeningsmodel van de ODZOB de volgende richtafstanden:

-

Aan De Ruiting 4 bedraagt de fijnstofemissie 7 kg/jaar. De endotoxinecontour van dit veehouderijbedrijf is derhalve verwaarloosbaar.

-

De veehouderij aan De Wertjes 1 heeft geen fijnstofemissie. Aan Haarenseweg 17 bedraagt de fijnstofemissie 2 kg/jaar. De endotoxinecontour van dit veehouderijbedrijf is derhalve verwaarloosbaar.

-

Aan Overeind 4 bedraagt de fijnstofemissie 6 kg/jaar. De endotoxinecontour van dit

-

Aan Postelstraat 21 bedraagt de fijnstofemissie 5 kg/jaar. De endotoxinecontour van dit

veehouderijbedrijf is derhalve verwaarloosbaar. veehouderijbedrijf is derhalve verwaarloosbaar. De beoogde herontwikkeling is derhalve in het kader van endotoxinen geen bezwaar. Ter plaatse is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8 Bodemkwaliteit Uitgangspunt bij bodemkwaliteit is dat de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor de gewenste bestemming. Bij de toevoeging van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 50 m² moet, indien het een verblijfsruimte betreft (verblijf van mensen over meer dan 2 uur per dag), onderzoek

naar

de

bodemkwaliteit

worden

uitgevoerd.

Andersom

geldt

dat

ook

geen

bodemverontreinigende activiteiten mogen plaatsvinden. Ter plaatse van het plangebied is een aanvullend bodemonderzoek en een nader asbestonderzoek uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Aanleiding voor het uitvoeren van het aanvullend bodemonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de locatie en uitgifte met de bestemming wonen op het terrein. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem noodzakelijk.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Op basis van de resultaten van het aanvullend onderzoek is tevens een nader asbestonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten moet worden vastgesteld of de gewenste vorm van bodemgebruik, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, mogelijk is en zo niet, welke vervolgacties noodzakelijk zijn. Ter plaatse van de gehele locatie komt met name bijmenging aan puin en plastic in de grond voor en komt tevens incidenteel baksteen, beton en kolen in de grond voor. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn maximaal (plaatselijk) licht verhoogde gehalten aangetroffen aan zware metalen, PCB, PAK, DDD, beta-HCH, Drins en minerale olie. Over het algemeen voldoet zowel de bovengrond en de ondergrond aan de klasse “Altijd toepasbaar”. De bovengrond op het zuidelijk deel van Deelgebied 9 (vlak geschoven deel en bossage) is hierop een uitzondering en betreft klasse “Industrie”. Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek en tevens een nader asbestonderzoek uitgevoerd; hierbij is gebleken dat er geen sprake is van een verontreiniging met asbest. Bij het uitwerken van het verder bouwrijp opleveren van de locatie dient er rekening gehouden te worden dat een eventuele grondbewerking (zeven) van de bovenlaag op puin en ander bijmengingen wenselijk is.

Specifiek wordt hierbij opgemerkt dat, hoewel er geen sprake is van een verontreiniging met asbest op de locatie, aanbevolen wordt de zichtbare fractie van de asbesthoudende materialen eveneens af te zeven en aansluitend van de locatie af te voeren.” Het uitgevoerde onderzoek (Sweco Nederland B.V., projectnummer 364141, referentienummer SWNL0257510, d.d. 2 maart 2020) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

4.9 Externe veiligheid 4.9.1

Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:

-

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hierna worden beide begrippen verder uitgewerkt:

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

55

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1.

Spoor- rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Tabel 3: Onderdelen verantwoording uit Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico

1.

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het

groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

56

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz.. Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren De voormalige gemeente Haaren heeft met het werkdocument ‘Verantwoording Groepsrisico Haaren’ beschreven hoe de gemeente omgaat met externe veiligheidsvraagstukken binnen haar gemeente. Dit werkdocument dient aanvullend op de landelijke wetgeving betrokken te worden bij de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s.

4.9.2

Toetsing

Met behulp van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen herontwikkeling. In navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Het plangebied is hierbij aangeduid in de zwarte cirkel.

Figuur 34: Uitsnede risicokaart

Uit de risicokaart blijkt dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over het plangebied hebben liggen. Tevens zijn er geen wegen en vaarwegen gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ten oosten van het plangebied is wel een Defensie Pijpleiding (buisleiding) gelegen van I&M Transport.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

57

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

In de omgeving van het plangebied zijn ook geen hoogspanningslijnen gesitueerd. Plaatsgebonden risico De buisleiding heeft een vastgestelde risicocontour PR 10-06 van 0 meter. Groepsrisico Over het groepsrisico zijn op de risicokaart geen nadere gegevens bekend. De beoogde herontwikkeling leidt echter niet tot verhoging van het groepsrisico. Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren Conform het werkdocument heeft de DPO leiding een 1%-letaalgrens (invloedsgebied) van 18 meter. Het plangebied is met een afstand van ruim 70 meter gelegen buiten de 1%-letaalgrens. Er hoeft dan ook niet nader getoetst te worden aan de voorwaarden uit het werkdocument.

4.9.3

Conclusie

De beoogde herontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied groepsrisico. Het groepsrisico neemt als gevolg van de beoogde herontwikkeling ook niet toe.

4.10 M.E.R.-beoordeling 4.10.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden.

In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen. In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

58

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling

4.10.2 Toets aan drempelwaarde Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht.

4.10.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling is voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd. De aanmeldingsnotitie is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

59

Bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ - Toelichting

5.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Nieuw Koolwijk’ bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van onderhavige toelichting. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen aangeduid met daaraan gekoppelde regels met betrekking tot bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie en draagt derhalve bij aan de planinterpretatie.

5.2 Algemene toelichting verbeelding De

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=1e3ae414-f92e-4331-8b69-1c8bdfa596d2