CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststelling bp De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7 (1299851)- Bijlage 2b Toelichting A Algemeen deel ontwerp 28 juli 2022.pdf

Raadsvergadering Boxtel 20 december 2022, gemeente boxtelBij agendapunt: Bestemmingsplan De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 716.636 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

worden opgeworpen ter bescherming van de gronden noordelijk van de vispassage (rond het Huis Zwanenburg). In de nieuwe situatie worden de sloten langs de straat op elkaar aangesloten en zullen deze via een nieuw sloot langs een nieuw bosje worden kortgesloten op de bestaande kavelsloot tussen deze deellocatie en Huis Zwanenburg. Om hetzelfde beschermingsniveau als de huidige kade te bieden zal er een steilrand worden aangelegd. Voor deze steilrand wordt een nieuwe waterlossing gegraven en zal het in het verleden opgehoogde terrein weer op de oude maaiveldhoogte worden gebracht. Hiermee ontstaat meer waterberging en een nieuwe ontwatering van de natuurplas achter De Roudonck. De nieuwe sloot voert het water voor de steilrand en de daarop aansluitende nieuwe kade richting de Essche Stroom bij het eindpunt van de vispassage en staat los van de afwatering van de hoger gelegen gronden van de Buitenplaats Nieuw Koolwijk. Voor deze aanpassingen aan het watersysteem, waaronder het (ver)graven, dempen en verleggen van b-watergangen geldt een watervergunningplicht. Het is de bedoeling van de initiatiefnemers deze vergunning voor alle wijzigingen in één keer te realiseren. Hieronder is de beoogde nieuwe situatie verkleind weergegeven. De tekeningen met de huidige en beoogde afwateringssituatie zijn als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.

In deel B wordt de detailafwatering per deelgebied nader toegelicht. Voor wat betreft de locatie Nieuw Koolwijk wordt een separate bestemmingsplanherziening doorlopen en wordt dan ook in onderhavig bestemmingsplan niet inhoudelijk toegelicht.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

27

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Figuur 11: Een overzicht van het beoogde watersysteem binnen en aansluitend op het plangebied van de Gebiedsontwikkeling De Ruiting

3.1.10 Vuilwater De aansluiting van riolering wordt in overleg met de gemeente Boxtel bepaald. Aangesloten dient in ieder geval te worden bij de ‘Verordening rioolaansluitrechten 2021’ van de gemeente Boxtel. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

28

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

3.2

Ecologie

3.2.1

Inleiding

Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

3.2.2

Gebiedsbescherming

3.2.2.1

Inleiding

De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Op de volgende figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden weergegeven. Het plangebied is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel.

Figuur 12: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Het Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aan planten en dieren) bevorderd. Onderstaande ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

29

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

figuur geeft een beeld van de ligging van het plangebied ten opzichte van de betreffende natuurgebieden.

Figuur 13: Ligging plangebied ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant

3.2.2.2

Stikstof

Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Door NOX Advies is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd voor de beoogde herontwikkeling van de vier planlocaties tezamen.

Hierin is voor alle locaties tezamen de worst-case-scenario berekend. Uit de berekeningen blijkt dat voor de gebruiksfase geen sprake is van een toename aan depositie op Natura 2000-gebieden (0,00 mol N/ha/jaar) ten opzichte van de referentiesituatie. Er is sprake van een afname aan depositie. De maximaal berekende afname bedraagt 0,29 mol N/ha/jaar. Het stikstofdepositie-onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

3.2.3

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden.

3.3

Cultuurhistorie en archeologie

3.3.1

Cultuurhistorie

3.3.1.1

Omgeving

“Het dorp Esch is ontstaan aan een historische route die liep vanaf Alphen via Tilburg en Halder richting Cuijck. De naam Esch is afgeleid van de gelijknamige boom (Fraxinus excelsior) en betekent dus zoiets als "plaats waar essen groeien". De nederzetting wordt voor het eerst vermeld als "hesc" in een oorkonde uit 773, die een schenking van vier hoeven onder Esch aan de abdij van Echternach (in Luxemburg). Het grondgebied van Esch was al ver vóór 773 bewoond. Daarvan getuigen de Romeinse graven uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, maar de bewoning van Esch gaat nog veel verder terug: er is ook een urnenveld gevonden uit de late Bronstijd. De omgeving was dan ook aantrekkelijk voor bewoning met de vruchtbare leemhoudende zandgrond en ooit wildrijke (moeras)bossen. Bij Esch doorsnijdt de Essche stroom -vroeger Run geheten, dat “het snel stromend water” betekent- een dekzandrug. Op twee plaatsen waren er daardoor ondiepten in het riviertje waardoor deze hier doorwaadbaar was. Deze voordes -een aan de westzijde en een aan de noordzijde- werden in de loop van de middeleeuwen vervangen door vaste bruggen; de Hoge Brug bij het Oude Mannengasthuis (ook Gasthuisbrug) en de Lage Brug bij het omgrachte huis Baarschot (ook Kasteelse Brug).

De nederzetting Esch wijkt door de landschappelijke ondergrond met veel natte gronden af van het gebruikelijk type van een kransakkernederzetting; het dorp Esch is gesitueerd op het hoogste punt van de dekzandrug waarop ze is ontstaan en werd omringd door akkerland. Aan de rand van die akker aan de weg naar Tongeren lag het gehucht Nergena (nergens-te na, wat duidt op een afgelegen ligging) dat na 1920 ook wel de Heikant werd genoemd (naar de ligging aan de rand van de heide). Het grondgebied van Esch sterkte zich uit aan weerszijden van de Run (Essche Stroom), wat opvallend is omdat natuurlijke waterlopen meestal als grens fungeerden tussen rechtgebieden en (dorps)territoria. Buiten het kerkdorp op de akker zijn er vooral individuele kampontginningen op de hogere delen, die als verspreide, al dan niet omgrachte, huisplaatsen zichtbaar zijn en een enkel gehucht in de vorm van een hoevenzwerm (Esschervoort en Overeind).

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Het plangebied is gesitueerd aan de westzijde van de Essche Stroom zuidelijk van de Hoge Brug bij het Mannengasthuis. Op oude kaarten en in oude registers worden er in dit gebied meerdere historische huisplaatsen vermeld. Het gaat dan om het eerder genoemde Mannengasthuis bij de brug, het huis Kranenburg (ook Zwanenburg), huis Koolwijk, huis Piekenhoef en huis Rouwdonk. Samen vormen deze een zeer kenmerkend patroon van oude bewoningsplaatsen op hoger gelegen delen van het landschap. Dit betreft telkens een zogenoemde donk (een zandige opduiking in drassig terrein). Deze waren uitermate geschikt voor bewoning in dergelijke omstandigheden. Ontginning van dergelijke plekken vindt in Brabant plaats in de late middeleeuwen (na 1200) als de randen van beekdalen in leen worden gegeven. Visrechten zijn meestal gekoppeld aan de oudste lenen in een gebied. Dergelijke ontginningen op een donk ontwikkelde zich soms vanuit een boerderij met bijgebouwen tot een aanzienlijke woning met naastgelegen, functioneel boerenerf, of eventueel zelfs een buitenplaats. Om de drooglegging te verbeteren en de status van de bewoners te onderstrepen werd het huis vaak -deels- omgracht. Iedere ontginning kende ook een eigen akker op de donk met op de lagergelegen gronden weiland. De losse ontginningen groeide met de tijd aan elkaar vast tot een lappendeken van weiden, beemden en akkers.

Dit patroon is in versimpelde vorm nog herkenbaar in het gebied. De ontwateringssituatie was op dergelijke plekken sterk door de mens beïnvloed. Hier was zelfs sprake van een te reguleren stroomrichting in de Broekleij en sommige sloten.” (Bron: Inrichtingsplan Gebiedsontwikkeling De Ruiting, P15 (stads)landschappen). Ontwikkelingen mogen geen negatief effect hebben op cultuurhistorische waarden binnen het plangebied of in de omgeving hiervan. Eventueel aanwezige waarden moeten behouden blijven en waar nodig versterkt. Binnen het plangebied is een aantal cultuurhistorisch waardevolle gebouwen aanwezig. In het Inrichtingsplan wordt nader aandacht besteed aan de cultuurhistorische waarden van de bestaande bebouwing.

3.3.2

Archeologie

3.3.2.1

Inleiding

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houden ze rekening met archeologische waarden. Ook maken zij meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.

3.3.2.2

Provinciaal beleid

De archeologische waardering is gebaseerd op de provinciale waardenkaart. De volgende figuur betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, waarbij het plangebied is uitgelicht middels de zwarte bolletjeslijn.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant

Ter plaatse van het gehele plangebied is sprake van ‘Indicatieve Archeologische waarden’. Het hele plangebied kent tevens de aanduiding ‘Archeologische landschappen’. De voormalige gemeente Haaren heeft de waarden uit de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart verankerd middels de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’. Verankerd is dat binnen gebieden met een hogere archeologische verwachtingswaarde, middels archeologisch onderzoek aangetoond dient te worden dat geen archeologische waarden verloren gaan.

3.4

Agrarische bedrijvigheid

3.4.1

Inleiding

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen. Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

3.4.2

Gemeentelijke geurverordening

Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. Zo kunnen oplossingen worden gezocht voor de spanning tussen het voortbestaan/de ontwikkeling van veehouderijen en de ontwikkeling van dorpskernen of recreatie. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds. De ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2019 gemeente Haaren’ met de daarbij behorende Gebiedsvisie is in werking sinds 15 mei 2019. De volgende figuur betreft een uitsnede van de Normenkaart behorende bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2019.

Figuur 15: Uitsnede Normenkaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening

Het plangebied is grotendeels gelegen binnen gebied C: Gebied beperking veehouderij en aandachtspunten en voor het westelijke deel binnen gebied D: Agrarisch- en boomteelt ontwikkelingsgebied. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen gebied C 10 oue/m³ en binnen gebied D 14 oue/m³. Buiten de bebouwde kom van de voormalig gemeente Haaren geldt op grond van de gemeentelijke geurgebiedsvisie tevens de volgende andere vaste afstand voor dieren zonder vastgestelde emissiefactor: Op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de afstand tussen een veehouderij, waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter voor zover a. het uitsluitend betreft dieren van dezelfde categorie(ën) als die, welke overeenkomstig de vergunde situatie op 23-12-2016 mochten worden gehouden, en

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

b. het aantal dierplaatsen en de locatie daarvan tussen 25 en 50 meter tot het geurgevoelig object niet afwijkt van het aantal en de locatie overeenkomstig de onder a. bedoelde vergunde situatie.

3.4.3

Artikel 3, tweede lid Wet geurhinder en veehouderij

Op bedrijfswoningen die onderdeel uitmaken van een veehouderij en op naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoningen is artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing: In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a.

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b.

ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.”

Indien sprake is van omzetting van agrarische bedrijfswoning naar reguliere burgerwoning, wijzigt de bescherming van de betreffende woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid van derden derhalve niet. Een dergelijke omzetting zal eventuele toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dan ook niet meer belemmeren dan in de huidige situatie het geval is. De woning maakt namelijk thans onderdeel uit van een veehouderij en zal ook altijd een woning blijven die op of na 19 maart 2000 opgehouden heeft deel uit te maken van een veehouderij. De bescherming blijft derhalve op grond van artikel 3, tweede lid van de Wgv hetzelfde.

3.4.4

Veehouderijen in de omgeving van het plangebied

In de omgeving van het plangebied aan De Ruiting is een aantal veehouderijbedrijven gelegen. Onderstaand is een uitsnede van de veehouderijbedrijvenkaart weergegeven, waarbij de omliggende veehouderijen in een omtrek van ruim 500 meter vanuit het plangebied inzichtelijk zijn. De eigen veehouderij aan De Ruiting 4 is thans nog inzichtelijk. De rode bolletjes op navolgende kaart betreffen voormalige veehouderijen waarvoor geen vergunning meer vigerend is. Deze locaties worden verderop dan ook niet nader toegelicht.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Haarenseweg 17

De Wertjes 1

Nergena 18

Nergena 16

Figuur 16: Veehouderijbedrijvenkaart

Op deze veehouderijbedrijven zijn de volgende dieraantallen vergund:

Figuur 17: Vergunde dieraantallen De Wertjes 1 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 18: Vergunde dieraantallen Haarenseweg 17 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Figuur 19: Vergunde dieraantallen Nergena 16 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 20: Vergunde dieraantallen Nergena 18 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

3.4.5

Woon- en leefklimaat

3.4.5.1

Inleiding

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. 3.4.5.2

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gelegen waar (ook) dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Ten aanzien van deze veehouderijen kan de voorgrondbelasting worden bepaald met het programma V-Stacks vergunning. Bij veehouderijen waar enkel dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld kan geen geurberekening worden uitgevoerd, maar geldt een vaste afstand tussen de betreffende veehouderij en een geurgevoelig object. 3.4.5.3

Achtergrondbelasting

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting wordt berekend met V-Stacks gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting dienen de veehouderijen binnen een straal van 2 ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

kilometer rondom de onderzoekslocatie beoordeeld te worden. Derhalve zijn bij de berekening van de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied aan De Ruiting alle veehouderijen binnen de gemeenten Haaren en Boxtel meegenomen. De invoergegevens van de bedrijven binnen de toenmalige gemeente Haaren en Boxtel zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (uitdraai d.d. 8 oktober 2018). De emissie van het eigen bedrijf aan De Ruiting 4 is vooruitlopend op de intrekking van de betreffende vergunning op 0 gezet. De volgende uitgangspunten zijn bij de berekening genomen: Berekende ruwheid: 0,18 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 146 573 m Rasterpunt linksonder y: 401 225 m Gebied lengte: (x): 1500 m, Aantal gridpunten: 50 Gebied lengte: (y): 1500 m, Aantal gridpunten: 50 Onderstaand is de achtergrondbelasting van het plangebied weergegeven, geprojecteerd op luchtfoto.

Figuur 21: Achtergrondbelasting ter plaatse van plangebied

Ter plaatse van het plangebied is op grond van de achtergrondbelasting sprake van een ‘goed’ tot ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

3.4.6

Belangenafweging

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. Indien nieuwe geurgevoelige objecten worden opgericht, kan het gevolgen hebben voor veehouderijbedrijven in de omgeving.

3.5

Niet-agrarische bedrijvigheid

3.5.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen/handhaven van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen en verblijfsrecreatieve voorzieningen. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. In het gemengd gebied gaat het om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De omgeving van het plangebied betreft, gezien de bestaande menging van functies op korte afstand van elkaar, een gemengd gebied.

3.5.2

Bedrijven in de omgeving

In de omgeving van het plangebied is een tweetal bedrijfsbestemmingen gevestigd. Deze bedrijfsbestemmingen worden hierna nader toegelicht. Elektriciteitshuisje De Ruiting ong. Ten noorden van het plangebied is een nutsvoorziening gevestigd in de vorm van een elektriciteitshuisje. Een dergelijke nutsvoorziening is niet specifiek opgenomen in de VNG-brochure. Agrarisch technisch hulpbedrijf Haarenseweg 29 Ten (noord)westen van het plangebied is een agrarisch-technisch hulpbedrijf gevestigd met grondverzet, containerverhuur (van 20 containers), bedrijfsafvalinzameling (zonder op- en overslag op deze locatie) en loonwerk. Deze activiteiten hebben op grond van de handreiking maximaal

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

milieucategorie 3.1. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 3.1 dient binnen het gemengd gebied een afstand aangehouden te worden van ten minste 30 meter tot een gevoelig object.

3.5.3

Bedrijven binnen plangebied

Andersom dient ook rekening te worden gehouden met bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied, voor wat betreft milieuhinder op nabijgelegen gevoelige objecten. In deel B van onderhavige toelichting worden eventuele bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied per planlocatie nader toegelicht.

3.6

Geluid

Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke woonfuncties is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Niet alleen wordt hiermee uitsluitsel verkregen over de te verwachten geluidsbelasting over 10 jaar maar ook of en met welke planologische maatregelen eventueel nog wel kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

3.7

Luchtkwaliteit

3.7.1 Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer

in

een

gebiedsgerichte

aanpak

van

de

luchtkwaliteit

via

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

3.7.2 Regeling Niet in betekenende mate Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.

3.7.3 Fijn stof Fijn stof (PM10) is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal, cementdeeltjes en bijvoorbeeld stukjes afgesleten autoband of wegdek. Fijn stof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

gassen in de lucht. De gemiddelde hoeveelheid (concentratie) fijn stof in Nederland is hoger in het zuiden, nabij grotere steden en bij grote industriegebieden. Fijn stof is dus een vorm van luchtvervuiling en heeft een ongunstig effect op de gezondheid van mensen. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 dan wel 2,5 micrometer (µg) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst en daardoor met een verschillende chemische samenstelling. Verkeer, industrie en landbouw zijn de belangrijkste bronnen. Op grond van de Wet milieubeheer gelden voor fijn stof de volgende grenswaarden:

-

De jaargemiddelde concentratie PM10 is maximaal 40 µg/m³; De daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden overschreden;

-

De jaargemiddelde concentratie PM2,5 is maximaal 25 µg/m³.

De achtergrondconcentratie voor fijnstof is de totale concentratie van alle bronnen per vak van 1 kilometer bij 1 kilometer. De achtergrondconcentratie wordt jaarlijks bepaald door de emissies van veehouderijen, industrieën en verkeer bij elkaar opgeteld. De volgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving weer.

Figuur 22: Jaargemiddelde concentratie fijn stof PM10 (2019) (Bron: Atlas Leefomgeving)

De jaargemiddelde concentratie fijn stof PM10 ter plaatse van het plangebied bedraagt 18 - 19 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 40 µg/m³.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Figuur 23 : Jaargemiddelde concentratie fijn stof PM2,5 (2019) (Bron: Atlas Leefomgeving)

De jaargemiddelde concentratie fijn stof PM2,5 ter plaatse van het plangebied bedraagt 11 - 12 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 25 µg/m³.

3.7.4 Endotoxine De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine.

Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende

onderzoeksresultaten.

Gezondheidsraad

in

2012

De

aanleiding

voorlopige

geweest

om

onderzoeksresultaten

zijn

voor

de

voor

bevolking

een

de

algemene

gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de ruimtelijke ordening wordt dit berekeningsmodel geaccepteerd als richtlijn. Op de veehouderijen in de omgeving van het plangebied gelden op grond van het berekeningsmodel van de ODZOB de volgende richtafstanden:

-

De veehouderij aan De Wertjes 1 heeft geen fijnstofemissie. Aan Haarenseweg 17 bedraagt de fijnstofemissie 2 kg/jaar. De endotoxinecontour van veehouderijbedrijf is derhalve verwaarloosbaar.

-

Aan Nergena 16 bedraagt de fijnstofemissie 26 kg/jaar. De endotoxinecontour van

-

Aan Nergena 18 bedraagt de fijnstofemissie 316 kg/jaar. Derhalve dient hiertoe een

veehouderijbedrijf is derhalve verwaarloosbaar. endotoxinecontour van 114 meter aangehouden te worden tot een gevoelig object.

-

De veehouderij aan De Ruiting 10a heeft geen fijnstofemissie.

3.8

Bodemkwaliteit

Uitgangspunt bij bodemkwaliteit is dat de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor de gewenste bestemming. Bij de toevoeging van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 50 m² moet, indien het een verblijfsruimte betreft (verblijf van mensen over meer dan 2 uur per dag), onderzoek

naar

de

bodemkwaliteit

worden

uitgevoerd.

Andersom

geldt

dat

ook

geen

bodemverontreinigende activiteiten mogen plaatsvinden.

3.9

Externe veiligheid

3.9.1

Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:

-

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hierna worden beide begrippen verder uitgewerkt: Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente).

Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1.

Spoor- rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Tabel 2: Onderdelen verantwoording uit Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico

1.

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het

groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz.. Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren De voormalige gemeente Haaren heeft met het werkdocument ‘Verantwoording Groepsrisico Haaren’ beschreven hoe de gemeente omgaat met externe veiligheidsvraagstukken binnen haar gemeente. Dit werkdocument dient aanvullend op de landelijke wetgeving betrokken te worden bij de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s.

3.9.2

Toetsing

3.9.2.1

Inventarisatie

Met behulp van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen herontwikkeling. In de volgende figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

Figuur 24: Uitsnede risicokaart

Uit de risicokaart blijkt dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over het plangebied hebben liggen. Tevens zijn er geen wegen en vaarwegen gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ten oosten van het plangebied is wel een Defensie Pijpleiding (buisleiding) gelegen van I&M Transport.

3.9.2.2

Toetsing

Plaatsgebonden risico De buisleiding heeft een vastgestelde risicocontour PR 10-06 van 0 meter. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Groepsrisico Over het groepsrisico zijn op de risicokaart geen nadere gegevens bekend. De beoogde herontwikkeling leidt echter niet tot verhoging van het groepsrisico. Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren Conform het werkdocument heeft de DPO leiding een 1%-letaalgrens (invloedsgebied) van 18 meter. De meest dicht bij de buisleiding gelegen planlocatie betreft De Ruiting 3. Deze planlocatie is met een afstand van ruim 200 meter gelegen buiten de 1%-letaalgrens. Er hoeft dan ook niet nader getoetst te worden aan de voorwaarden uit het werkdocument.

3.9.2.3

Conclusie

De beoogde herontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied groepsrisico. Het groepsrisico neemt als gevolg van de beoogde herontwikkeling ook niet toe.

3.10

Verkeer en parkeren

3.10.1 Verkeer De straat De Ruiting is een smalle lokale ontsluiting. De weg loopt met een bocht van de Haarenseweg naar de Belversestraat, welke zelf weer het verlengde vormt van de Haarenseweg. Ook hier is de oude gemeentegrens het punt waar de straatnaam verandert (HaarensewegBelversestraat). De verharde weg is grotendeels voorzien van begeleidende boombeplanting; deels aangeplant door de gemeente en deels aangeplant door de bewoners van de belendende percelen (het zogenoemde ‘voorpootrecht’). Daardoor is dan ook sprake van een variatie van beplanting: de Gewone es is overwegend toegepast, naast Linde en Eik. Op de meeste plekken is de smalle rijbaan in asfalt aan weerszijden voorzien van een weggreppel. De aansluitende Koolwijksestraat is een soortgelijke, maar kortere, lokale ontsluiting. Verderop richting het zuiden sluit een zandpad aan dat parallel aan de Essche stroom verder loopt in zuidwestelijke richting. Sprake is van een gemengde omgeving met veelal (voormalige) agrarische locaties en enkele reguliere burgerwoningen. De omgeving richt zich daarnaast in toenemende mate op recreatie. Ook binnen het plangebied is op verschillende planlocaties reeds sprake van een bed and breakfastaccommodatie. Over De Ruiting is daarmee dan ook sprake van recreatief (fiets/wandel)verkeer, landbouwvoertuigen en personenvervoer.

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling komt de intensieve veehouderij met bijbehorende inrichting (boerderijwinkel/excursieruimte) aan de Ruiting 4 en 4a te vervallen, waarmee naar schatting 7 vervoersbewegingen van zwaardere voertuigen per etmaal en 30 vervoersbewegingen per etmaal van personenauto’s komt te vervallen. Daarvoor in de plaats komt naar schatting circa 20 vervoersbewegingen per etmaal terug in de vorm van busjes met meerdere personen ten behoeve van de dagrecreatie en zorgwoningen en circa 10 vervoersbewegingen van overig personenvervoer als personeel en bezoek. Door toevoeging van een woonfunctie in de Vlaamse schuur zal het aantal vervoersbewegingen van personenvervoer nog toenemen met circa 6 per etmaal. Het aantal vervoersbewegingen van personenvervoer blijft hiermee ongeveer gelijk, maar het aantal vervoersbewegingen van zwaardere voertuigen neemt aanzienlijk af. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Aan De Ruiting 3 zal het aantal vervoersbewegingen van personenvervoer minimaal toenemen door het geven van cursussen en trainingen. Dit gebeurt echter ook al in de huidige situatie, waardoor de toename als gevolg van de beoogde herontwikkeling verwaarloosbaar zal zijn. Aan De Ruiting 5 is recentelijk het aantal vervoersbewegingen van en naar het veehouderijbedrijf met daar bij behorend zwaardere voertuigbewegingen komen te vervallen. Met de beoogde herontwikkeling neemt het aantal vervoersbewegingen toe met circa 14 vervoersbewegingen per etmaal ten behoeve van de vakantieappartementen en circa 6 ten behoeve van de extra wooneenheid ter plaatse. Voor het boerenterras wordt ingezet op de fietsende voorbijganger en de eigen recreant. Een toename zal niet merkbaar zijn. Aan De Ruiting 7 wordt een wooneenheid toegevoegd binnen de bestaande boerderij, met toename van circa 6 vervoersbewegingen van personenvervoer per etmaal tot gevolg. Met de toevoeging van een maatschappelijke functie en de kleinschalige horeca zal het aantal vervoersbewegingen van personenvervoer toenemen, evenals door splitsing van een tweetal boerderijen in twee wooneenheden en de realisatie van een woonfunctie in de Vlaamse schuur.

Daar tegenover staat dat ter plaatse van het plangebied een veehouderijbedrijf reeds is gesaneerd en tevens nog een veehouderijbedrijf wordt gesaneerd, met daarbij een aanzienlijke afname van vervoersbewegingen van zwaardere voertuigen. De bed and breakfastaccommodaties binnen het plangebied zijn veelal reeds vergund en leiden dan ook niet tot een toename van personenvervoer. Gesteld kan worden dat de beoogde herontwikkeling van het plangebied in totaal een toename van vervoersbewegingen van personenvervoer als gevolg zal hebben. Daar de straat reeds de zwaardere voertuigen kan dragen, kan worden gesteld dat dit voor de straat De Ruiting niet leidt tot problemen.

3.10.2 Parkeren Parkeren en manoeuvreren dient plaats te vinden op eigen terrein. Per planlocatie wordt voorzien in de eigen parkeervoorziening. In deel B van onderhavige toelichting wordt de beoogde parkeervoorziening per planlocatie nader toegelicht. Sprake is van voldoende ruimte binnen het plangebied om te kunnen voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

3.11

M.E.R.- beoordeling

3.11.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen. In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing.

Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. De beoogde herontwikkeling komt niet voor op de C of de D lijst. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft dan ook niet plaats te vinden.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

4.

JURIDISCHE VORMGEVING

4.1

Inleiding

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De juridische systematiek van het bestemmingsplan is afgestemd op de ontwikkeling van de geplande ruimtelijke situatie. De mate van gedetailleerdheid van de bestemmingsregelingen en de ruimte die binnen die regelingen wordt geboden voor verdere uitbreiding of ontwikkeling is vooral afhankelijk van de aard van de functie, de planologische inpasbaarheid en de relatie tot andere functies in het plangebied.

4.2 De

Algemene toelichting verbeelding verbeelding

heeft

een

belangrijke

rol

bij

het

bepalen

van

de

gebruiks-

en

bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken en functie-aanduidingen opgenomen.

4.3

Algemene toelichting regels

In de regels staan regels voor het gebruik van gronden binnen de bestemming in het plangebied en voor het oprichten en gebruiken van bebouwing op die gronden. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen. In artikel 1 en 2 zijn begripsbepalingen en meetvoorschriften opgenomen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de voorschriften in de overige hoofdstukken. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen die corresponderen met de bestemmingen op de verbeelding. De regels in een bestemming zijn als volgt opgebouwd en benoemd: 1.

bestemmingsomschrijving;

2.

bouwregels;

3

afwijken van de bouwregels;

4

specifieke gebruiksregels;

5

afwijken van de gebruiksregels;

6

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

7

omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;

8

wijzigingsbevoegdheid.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien er sprake is van andere aan de grond toekende functies, worden deze daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen overzichtelijk is. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin regels zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en algemene procedure regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat 2 regels, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het hele plangebied, namelijk het overgangsrecht en de slotregel.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

5.

UITVOERBAARHEID

5.1 Economische uitvoerbaarheid Initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemers komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschadekosten. Tussen initiatiefnemers en de toenmalige gemeente Haaren is derhalve een anterieure overeenkomst gesloten.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan vindt een heroverweging op deze onderdelen plaats en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd of niet vast te stellen.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

6.

PROCEDURE

6.1

Inspraak

In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Dit voorontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 april 2022 voor 6 weken ter inzage gelegen voor inspraak. Gedurende deze termijn is een aantal inspraakreacties ingediend. Enkele reacties hebben geleid tot aanpassing dan wel aanvulling van onderhavig plan. Voor de reacties en eventuele wijzigingen wordt verwezen naar het verslag van inspraak en vooroverleg welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.

6.2

Omgevingsdialoog

In het kader van het voorontwerpbestemmingsplan is een uitgebreide dialoog gevoerd met de omgeving van Gebiedsontwikkeling De Ruiting. De dialoog heeft geleid tot een aantal aanpassingen van het plan. Een verslag van de gevoerde dialoog is als bijlage bij onderhavig bestemmingsplan gevoegd. Sinds de gevoerde dialoog in 2018-2019 hebben zich enkele wijzigingen voorgedaan in dit bestemmingsplan. De omgeving is tussentijds op de hoogte gehouden van de relevante wijzigingen. Gelijktijdig met de terinzagelegging van het voorontwerp zijn omwonenden geïnformeerd over de stand van zaken.

6.3

Overleg ex artikel 3.1.1. Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel zijn in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. De provincie Noord-Brabant heeft te kennen gegeven akkoord te zijn met de beoogde herontwikkeling. Als gevolg van deze reactie is onderhavig plan dan ook niet gewijzigd. Als gevolg van de vooroverlegreactie van het waterschap is onderhavige toelichting (met name deel B) op enkele punten aangepast dan wel aangevuld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het verslag van inspraak en vooroverleg welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.

6.4

Procedure

De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt:

-

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘De Ruiting 3, 3A, 4, 4A, 5 en 7’ Toelichting deel A

-

gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen bij de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; 

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan

pas

bekend

worden

gemaakt

nadat

zes

weken

zijn

verstreken.

Het

bestemmingsplan wordt dan voor zes weken gepubliceerd ten behoeve van beroep. Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan in werking en wordt het bestemmingsplan onherroepelijk. Wanneer een beroep aanhangig is gemaakt treedt het bestemmingsplan in werking maar wordt (vooralsnog) niet onherroepelijk. Bij het instellen van een voorlopige voorziening treedt het bestemmingsplan in afwachting van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, niet in werking totdat over het schorsingsverzoek is beslist.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=59afd980-1902-48e6-890d-cffb79bed304