Vaststellen gewijzigd bp Woningbouw Ronduutje- Bijlage 3 Toelichting en regels
Tekst van het document
Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid, voor het gebied dat buiten de 100% letaliteitsgrens valt, groter. Zelfredzaamheid is mogelijk, mits ontvluchting uit gebouwen en omgeving op een juiste manier mogelijk is. Vluchten kan dan alleen maar via een route buiten het 'zicht' van de fakkel. Om de zelfredzaamheid te vergroten is het raadzaam bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met het verhogen van de brandwerendheid van de gevels aan de zijde van de aardgasleiding en het realiseren van veilige vluchtroutes. Hierdoor worden de gevolgen van hittebestraling beperkt. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden. Bij de inrichting van het plangebied dienen voldoende vluchtwegen aanwezig te zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. De vluchtwegen dienen van de leiding af gericht te zijn. Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen voor advies aan de regionale brandweer/Veiligheidsregio te worden voorgelegd. De aanvullende adviezen van de regionale brandweer/Veiligheidsregio dient de gemeente Boxtel mee te wegen in haar besluitvorming.
Hoofdstuk 4
28
Bevi - LPG-tankstation Het bevoegd gezag dient bij de besluitvorming omtrent de planontwikkeling de hoogte van het groepsrisico te verantwoorden aan de hand van de onderdelen uit het Bevi artikel 13. 1. Aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting/inrichtingen. 2. De hoogte van het groepsrisico per inrichting op het tijdstip waarop dat besluit wordt vastgesteld. 3. Indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door degene die de inrichting drijft. 4. Indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die in dat besluit zijn opgenomen. 5. Voorschriften ter beperking van het groepsrisico die het bevoegd gezag voornemens is te verbinden aan de voor een inrichting. 6. Voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. 7. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst. 8. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp in de inrichting(en). 9. De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de Inrichting, om zich in veiligheid te brengen indien zich in die inrichting een ramp voordoet. Ad 1 De planlocatie ligt volledig binnen het invloedsgebied van het reservoir en het vulpunt van het LPGtankstation.
Het resterende deel van de omgeving, liggende binnen het invloedsgebied van het LPGtankstation, bestaat grotendeels uit woningen en onderwijsinstellingen. Als gevolg van de planontwikkeling neemt de personendichtheid binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation toe met 24 personen in de dagperiode en 48 personen in de nachtperiode. Ad 2 Uit de berekening van het groepsrisico blijkt het groepsrisico dat wordt veroorzaakt door het LPG tankstation, zowel voor als na de ontwikkeling van de 20 nieuwbouwwoningen op de locatie van de voormalige basisschool De Walpoort (Ronduutje 11), beneden de oriëntatiewaarde is gelegen. De maximale overschrijdingsfactor is in beide situaties 0,58. Door de voorgenomen woningbouw is er slechts sprake van een zeer beperkte toename van het groepsrisico.
Hoofdstuk 4
29
Figuur 4.3: Groepsrisico (Bron: Groepsrisicoberekening Ronduutje, LPG-tankstation, Baanderherenweg 7, Boxtel, 15 augustus 2021, Silva consultancy)
Ad 3, 4 en 5 De installatie voor het afleveren van LPG valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Ingevolge dit besluit zijn diverse veiligheidsmaatregelen voorgeschreven om risico's te voorkomen en te beheersen. Zo dient het beheer van een LPG-afleverinstallatie te worden uitgevoerd door ter zake geinstrueerde personen. De met het toezicht belaste persoon moet over voldoende deskundigheid beschikken, zowel ten aanzien van de bij een normaal bedrijf in acht te nemen veiligheidsvoorschriften, als ten aanzien van de in geval van een gaslekkage of brand noodzakelijk te verrichten handelingen. Daarnaast dient een noodplan te zijn uitgewerkt. Het bedienend personeel moet op de hoogte zijn van de inhoud van het noodplan en de werkbaarheid van de vastgestelde noodprocedure moet regelmatig in de praktijk worden beproefd. Tevens zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van blusmiddelen. Voor het onderhavige tankstation is de LPG doorzet in de omgevingsvergunning milieu beperkt tot maximaal 999 m3 per jaar. Daarnaast heeft het leveren van LPG in een tank met een hittewerende coating een sterk risicoreducerend effect. Overige maatregelen die getroffen kunnen worden is het opnemen van venstertijden voor het lossen van de LPG-tankwagen. Deze kan wordt afgestemd op de periode met de laagste personendichtheid in de omgeving.
Dergelijke maatregelen hebben echter invloed op de bedrijfsvoering van het LPG-tankstation en kunnen dan ook uitsluitend in overleg en met instemming van de inrichtinghouder worden doorgevoerd. Aangezien in onderhavig geval de oriëntatiewaarde van de hoogte van het groepsrisico wordt overschreden, zou een dergelijke maatregel overwogen kunnen worden. Ad 6 en 7 Het plan omvat de realisatie van 20 woningen. De planvorming leidt niet tot een toename van de hoogte van het groepsrisico van het tankstation. De hoogte van het groepsrisico ligt zowel in de huidige als toekomstige situatie hoger dan de oriëntatiewaarde. Het planvoornemen heeft geen rekenkundige invloed op de hoogte van het groepsrisico. Mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico zijn derhalve niet van invloed.
Hoofdstuk 4
30
Ad 8 Voor het voorkomen van een warme BLEVE (Boiling liquid expanding vapour explosion) dient een aangestraalde tankwagen tijdig (afhankelijk van vullingsgraad en omgevingstemperatuur binnen circa 15 minuten) te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. De brandweer heeft hiervoor voldoende bluswatercapaciteit nodig. Voor het wegtransport is de "Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid" en de daarmee samenhangende Safety-deal tussen het ministerie van I&M en de LPG-sector, in werking getreden. Uitgangspunt is dat de LPG-tankwagens die een LPG-tankstation bevoorraden voorzien zijn van een hittewerende bekleding. De hittewerende bekleding vertraagt het ontstaan van een warme BLEVE. Bij een plasbrand zorgt de bekleding ervoor dat het ten minste 75 minuten duurt voordat een warme BLEVE kon plaatsvinden. Hierdoor heeft de brandweer meer tijd om de brand te bestrijden, zodat een warme BLEVE voorkomen kan worden. Ook kan deze tijd benut worden om de omgeving te waarschuwen. Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tank meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden.
Ad 9 Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied (150 meter) is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten en duidelijk aan te gegeven. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations In de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations' wordt het bevoegd gezag verzocht rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Het plangebied bevindt zich niet binnen een afstand van 60 meter van de grens van de inrichting. Tevens is geen sprake van de realisatie van zeer kwetsbare objecten.
4.7.4 Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft op 23 mei 2021 advies uitgebracht en het advies is als bijlage bijgevoegd. De Veiligheidsregio onderschrijft de verantwoording en de hierin opgenomen maatregelen om de gevolgen van een incident in het plangebied te beperken. De Veiligheidsregio adviseert aanvullend om de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief te informeren. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit zich op de locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaatsvindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.
Hoofdstuk 4
31
4.7.5 Conclusie Het onderdeel externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Hoofdstuk 4
32
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek en conclusie Er is door Sweco een beknopte verkennende natuurtoets onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de sloop van het schoolgebouw. De natuurtoets bakent duidelijk het plangebied af, zijnde de school en het direct omliggende terrein (wat verharding en gras betreft). De quickscan geeft ook aan dat hier nieuwbouw plaats zal vinden en de eventuele effecten van de nieuwbouw hiervan zijn ook beoordeeld. Het plangebied is na de sloop van het schoolgebouw niet interessanter geworden voor een beschermde soort. Het onderzoek zal geactualiseerd worden en bij het vastgestelde bestemmingsplan worden gevoegd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van circa 2,4 km van het plangebied is gelegen. Dit betreft het gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Directe effecten op Natura 2000-gebieden in het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn op voorhand uit te sluiten. Indirecte effecten zijn eveneens op voorhand uit te sluiten, aangezien het gebied zich buiten de mogelijke beïnvloedingsafstand bevindt. De mogelijke verstoring door licht, geluid en beweging als gevolg van voorgenomen activiteiten bedraagt maximaal enkele honderden meters en wordt weggenomen door het tussenliggende gebied) en er geen directe ecologische relaties zijn tussen het plangebied en de beschermde gebieden.
Hoofdstuk 4
33
Stikstof Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ en ligt op circa 2,7 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 20 woningen betreft, kan een toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om deze reden is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden in het kader van het NNB. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van aangewezen gebieden. Soortenbescherming Rust- en verblijfsfuncties voor vleermuizen konden op voorhand niet uitgesloten worden.
Om te weten of er vleermuizen voorkomen en wat de functie van het plangebied voor hen is, is er onderzoek (Notitie Aanvullend vleermuisonderzoek Ronduutje, Boxtel door Sweco) uitgevoerd. Er zijn geen rust- en verblijfplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. Tevens maakt het plangebied geen deel uit van een essentieel foerageergebied. Er zijn derhalve geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming en het nemen van vervolgstappen is niet noodzakelijk. Ook op overige soorten en soortgroepen zijn geen negatieve effecten te verwachten. Zij komen niet voor of worden niet beïnvloed door de werkzaamheden (dit betreft bijvoorbeeld de roek, die op veilige afstand buiten de werkzaamheden aanwezig is). Er komen tevens enkele beschermde soorten voor waarvoor provinciale vrijstellingen gelden vanwege hun algemeenheid en landelijk gunstige staat van instandhouding, bijvoorbeeld gewone pad, konijn en egel. Voor deze soorten is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Wel geldt voor de uitvoering altijd voor alle soorten de zorgplicht.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
34
4.9.2 Onderzoek Lankelma heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoeksverslag wordt verwezen naar de bijlage. In het bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn ervanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op het plangebied. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot de geplande nieuwbouw. 4.9.3 Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 4.10.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder wordt een samenvatting weergegeven. Het plangebied ligt in stedelijk gebied. De maaiveldhoogte bedraagt ca. 7,5-7,8 meter +NAP en ligt circa 20-30 cm boven het wegpeil van het Ronduutje. De verwachte GHG ligt op ca. 0,8-1 m-mv (circa 6,7 m +NAP). Voor de nieuwbouw is een bouwpeil zoals bestaand of minimaal 30 cm boven de kruin van de weg geadviseerd waardoor er ter plaatse geen grondwateroverlast te verwachten is. Ter plaatse wil men 20 wooneenheden realiseren met een kleine tuin en parkeergelegenheden. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden. Door de bijkomende wooneenheden zal de afvalwaterafvoer toenemen tot gemiddeld 0,60 m3/uur. Het toekomstige stelsel op het perceel wordt hierop voorzien en het gemeentelijk stelsel zal dit kunnen verwerken gezien het geldende hemelwaterbeleid met waterberging op eigen terrein. De wijziging aan de aansluiting dient ten tijde bij de gemeente aangevraagd te worden (omgevingsvergunning).
Het verhard oppervlak in het plangebied zal toenemen met circa 910 m2. Bij nieuw- en herbouw dient het hemelwater redelijkerwijs op eigen perceel verwerkt te worden om te komen tot een klimaatbestendige planontwikkeling. Vanuit het waterschap is er geen verplichting tot de aanleg van een compensatie voor de planontwikkeling (nieuwbouw < 500 m2)). De gemeente Boxtel wenst dat bij nieuwbouw 70 mm op eigen terrein verwerkt wordt (als dat redelijkerwijs mogelijk is). Gezien de voorgenomen planinvulling en het huidige klimaat adaptieve beleid van de gemeente dient een hemelwatervoorziening van 70 mm aangelegd te worden op eigen perceel. Ten behoeve van het
Hoofdstuk 4
35
klimaatbestendig ontwikkelen bedraagt de benodigde waterretentie voor de gehele planontwikkeling circa 231 m3. Verder is verwerking in de tuin niet wenselijk geacht. Wel kan aanvullend op de berging een sedumdak aangelegd worden. Wegens het beperkte bovengrondse oppervlak en de bestaande bomen worden ondergrondse bergingsvoorzieningen aangelegd onder de rijbanen en/of parkeervakken. Om de waterberging op te lossen zijn er twee varianten:
Variant 1: het plangebied ophogen zodat de waterberging onder de parkeervakken kan worden gerealiseerd met rockflow van 0,66m hoog met een dekking van ca. 0,5m dit resulteert in een waterbergingsoppervlak van 385 m 2. De waterberging kan in deze variant worden opgelost onder de openbare parkeervakken.
Variant 2: Het plangebied niet ophogen en waterbergende fundering in de rijbaan toepassen t.b.v. circa 80 m3 in combinatie met rockflowsysteem van 0,5 m hoog in de parkeervakken met 0,5m dekking t.b.v. 154 m3.
In beide varianten is er voldoende infiltratie oppervlak aanwezig om de waterberging binnen 48 uur leeg te laten lopen. Omdat een combinatie van meerdere waterbergende voorzieningen niet wenselijk/ praktisch is, is variant 1 het meest waarschijnlijk. Het plangebied wordt dan met circa 0,2m opgehoogd waardoor de waterbergende voorziening in de parkeervakken kan worden opgelost met infiltratiekratten van 0,6m hoog. De hemelwatervoorziening zal in (toekomstig) openbaar gebied liggen. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat hemelwater kan afstromen naar de hemelwatervoorziening of het aanwezige groen en niet naar de omliggende (particuliere) percelen. Instroom in de nieuwbouw wordt door het toekomstige hogere bouwpeil tegenover de kruin van de weg niet verwacht. 4.10.3 Conclusie Het onderdeel ‘water’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Hoofdstuk 4
36
Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek Er is door Salisbury een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Geadviseerd wordt om in eerste instantie een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uit te laten voeren. Dit advies is door de gemeente overgenomen. Door Lycens is vervolgens een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Beide onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Het plangebied ligt op een dekzandrug op de overgang naar het aan de oostzijde gelegen beekdal van de Dommel. De laagopeenvolging binnen het plangebied bestaat zeer waarschijnlijk uit een esdek op dekzand. De bouw van de school binnen het plangebied heeft de bodem tot minimaal. 78 cm beneden maaiveld verstoord. De bomen binnen het plangebied hebben de bodem tot onbekende diepte verstoord. Er zijn in de omgeving van het plangebied aanwijzingen voor bewoning vanaf de LateBronstijd. Resten uit de periode Laat Paleolithicum tot de Midden Bronstijd zijn niet bekend maar kunnen niet worden uitgesloten. Wanneer sprake is van een intacte bodemopbouw is de kans op goed geconserveerde en intacte archeologische waarden zeer groot. Het plangebied is vanaf het Laat Paleolithicum een zeer aantrekkelijke vestigingslocatie geweest.
Op basis van het verkennend booronderzoek wordt geadviseerd om binnen het plangebied aanvullend onderzoek uit te voeren wanneer dieper wordt ontgraven dan 0,5 m beneden maaiveld. Aangezien binnen het plangebied rekening gehouden moet worden met een vindplaats met een relatief lagen vondstdichtheid en een sporenvlak wordt geadviseerd om een karterend proefsleuvenonderzoek uit te voeren om vast te stellen of sprake is van een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Daartoe dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld waarin de kader van het onderzoek worden bepaald en vastgelegd. Dit PvE moet vooraf door de bevoegde overheid te worden goedgekeurd. Door de bevoegde overheid (gemeente Boxtel) is het verkennend booronderzoek van Lycens definitief goedgekeurd door middel van een selectieadvies. Het selectieadvies is opgenomen in de bijlagen. 4.11.3 Conclusie Om te borgen dat er tijdig een karterend proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd is in de regels en op verbeelding een archeologische dubbelbestemming (‘Waarde – Archeologie 2)’ opgenomen.
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.
Hoofdstuk 4
37
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek De cultuurhistorische waarden binnen de provincie Noord-Brabant zijn weergegeven op de Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) 2010. Hieronder is een uitsnede van deze kaart weergegeven ter plaatse van het plangebied.
Figuur 4.4: Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) 2010 (plangebied is zwart omkaderd)
Op de kaart is te zien dat het plangebied niet binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied ligt. Het ligt buiten het waardevolle centrum met historische stedenbouw en buiten gebieden met historisch groen, zoals park Molenwijk. In de omgeving bevinden zich geen gemeentelijke of Rijksmonumenten. Het plan valt ook niet binnen het archeologisch landschap ‘Dommeldal Nuenen-Gestel’. De begraafplaats bij gebouw aan het adres Ronduutje 12 wordt gezien als een “overige bouwkunst”. Zoals al eerder is beschreven is het plangebied afgesloten van deze begraafplaats. De cultuurhistorische waarden van de gemeente Boxtel blijven intact na realisatie van onderhavig plan. 4.12.3 Conclusie Het onderdeel ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
38
4.13 M.e.r.-plicht Met dit bestemmingsplan worden maximaal 20 woningen in het plangebied mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.-(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 20 woningen mogelijk. Doorwerking plangebied De ontwikkeling van 20 woningen is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is.
Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapport nodig. In een aanmeldingsnotitie is onderzocht of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Door burgemeester en wethouders van Boxtel zal ingevolge artikel 7.17, vierde lid, van de Wet milieubeheer op basis van de aanmeldingsnotitie de beslissing worden genomen dat uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling die ten behoeve van de realisatie is uitgevoerd, blijkt dat er geen significante nadelige gevolgen voor het milieu zijn die het maken van een milieueffectrapport dan wel milieueffectbeoordelingsrapport rechtvaardigen. Er kan worden volstaan met de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Hoofdstuk 4
39
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Dit bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkeling van 20 aaneengebouwde woningen in het plangebied mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. Voor de omliggende gronden, waar de ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen zijn beoogd, is eveneens een actueel bouw- en gebruikskader opgesteld. De regels zijn daarnaast zoveel mogelijk afgestemd op het Handboek bestemmingsplannen van de gemeente Boxtel. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Boxtel nagestreefd. Op onderdelen is maatwerk geleverd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte be-
Hoofdstuk 5
40
grippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.
Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels: hierin is geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten, zoals een afwijking tot 10% van voorgeschreven maatvoeringen of een verhoging van de bouwhoogte voor plaatselijke verhogingen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
Hoofdstuk 5
41
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen. Groen Aan de weg en aan de zuidelijke rand van het plangebied is de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Voor deze gronden is een hoofdzakelijk groene inrichting beoogd. De gronden zijn primair bestemd voor groenvoorzieningen. Daarnaast zijn onder meer waterlopen, waterpartijen en waterberging, paden, voorzieningen van algemeen nut, parkeer- en speelvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd. De bouwregels geven de maximale maatvoering aan. Ter plaatse van de aanduiding ‘waardevolle boom’ is een omgevingsvergunning vereist voor bepaalde categorieën van werken en werkzaamheden, die de mogelijkheden tot behoud en herstel van de waarden van de boom zouden kunnen schaden. De criteria om een vergunning te kunnen verlenen zijn weergegeven, evenals uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals het vervangen van bestaande leidingen. Verkeer Deze bestemming is opgenomen voor de beoogde ontsluiting van het plangebied. Binnen deze bestemming zijn onder meer woonstraten en pleinen, parkeervoorzieningen, paden, groen- en speelvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd.
De bouwregels geven de maximale maatvoering aan. Wonen De rest van het plangebied, bestaande uit de toekomstige woonpercelen en bijbehorende gronden, alsmede enkele gronden die bij bestaande woonpercelen worden betrokken, is bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn primair bestemd voor het wonen in (aaneengebouwde) woningen. Een beroep aan huis bij het wonen is onder voorwaarden toegestaan. Daarnaast zijn bijbehorende functies, zoals tuinen en erven en parkeervoorzieningen binnen de bestemming toegestaan. Binnen de bestemming zijn vijf bouwvlakken opgenomen, waar de woningen zijn voorzien. Per bouwvlak is het maximum aantal woningen aangeduid. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogten zijn op de verbeelding weergegeven. Verder zijn binnen de bestemming bijbehorende bouwwerken bij de woningen, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. In de bouwregels is de maatvoering hiervoor aangegeven. Met een afwijkingsbevoegdheid kan een hogere erfafscheiding (maximaal 2 meter) worden toegestaan.
Hoofdstuk 5
42
In het plan (algemene regels) is tevens een regeling voor het parkeren opgenomen. Deze houdt in dat er voldoende parkeerplaatsen (in dit geval: ten minste 1,8 parkeerplaats per aaneengebouwde woning) in het plangebied gerealiseerd dienen te worden om een omgevingsvergunning voor het bouwen te kunnen verkrijgen.
Hoofdstuk 5
43
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal plaatsvindt. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een nieuw bouwplan. De gronden in het plangebied zijn eigendom van de gemeente. Er is een koopovereenkomst gesloten met addendum. De benodigde gronden worden verkocht aan de initiatiefnemer, waarbij tevens afspraken worden gemaakt over het verhalen van gemeentelijke kosten, waaronder afwenteling van planschade. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Omgevingsdialoog; Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met Waterschap De Dommel.
Het bestemmingsplan is bij de provincie Noord-Brabant aangemeld, maar er is geen sprake van provinciale belangen. De Veiligheidsregio heeft advies uitgebracht over het aspect Externe veiligheid.
Hoofdstuk 6
44
6.2.2 Omgevingsdialoog Met een omgevingsdialoog wordt getoetst hoe bewoners uit de directe omgeving van het plangebied aankijken tegen de voorgenomen ontwikkelingen. Er is veel en intensief overleg gevoerd met de directe omgeving. Op basis van dit overleg en dan met name naar aanleiding van het overleg met de bewoners aan de noord-, en noordwestzijde van het plangebied is het plan aangepast en is gezamenlijk het voorliggende plan tot stand gekomen. Ook is overleg gevoerd met de eigenaar van de begraafplaats en huurder aan de zuidzijde. Met de beheerder/het bestuur van de begraafplaats zijn bijvoorbeeld afspraken gemaakt over de (plaats van) de erfafscheidingen en over het nemen van maatregelen tijdens de bouw, onder andere op het moment dat een begrafenis plaatsvindt. Op 22 november 2021 is een inloopavond in gemeenschapshuis De Walnoot georganiseerd. Direct omwonenden waren daarvoor uitgenodigd via een huis-aan-huis bezorgde brief. Verder is de inloopavond bekend gemaakt via de website, digitale mailing en aan betrokkenen, zoals het bestuur van de protestantse gemeente Boxtel en Platform Selissen. In totaal waren er 18 aanmeldingen, 19 personen hebben zich ter plaatse ingeschreven als aanwezigen. Daarnaast hebben er vanaf begin 2023 diverse gezamenlijke en individuele gesprekken met eigenaren van direct omliggende percelen plaatsgevonden.
Deze gesprekken zijn zeer positief verlopen. De belangrijkste opmerking is dat wat meer tempo gewenst wordt. De eerder gemaakte afspraken zijn door initiatiefnemer opnieuw bevestigd en enkele details in het plan zijn verder uitgewerkt. De wensen van de ‘buren’ aan de noordzijde van het plan zijn of worden allemaal ingevuld. Met de beheerder en bestuurder(s) van de begraafplaats zijn nadere afspraken gemaakt over de bescherming van (wortels) in de laan met waardevolle bomen (toegang begraafplaats). Daarnaast is er gesproken over het handhaven en realiseren van enkele nieuwe erfafscheidingen en het ruilen van enkele stroken grond. Een verslag van de gevoerde omgevingsdialoog is opgenomen in de bijlagen.
6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Met de kennisgeving van de ter inzage legging van het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan is de formele procedure voor de vaststelling van start gegaan. Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor het inbrengen van zienswijzen. Gelijktijdig met de plaatsing van de kennisgeving is het ontwerpbestemmingsplan langs elektronische weg toegezonden aan de reeds betrokken gemeenten, provincie, waterschappen en uitvoeringsdiensten van het Rijk. In deze periode zijn geen/aantal zienswijzen kenbaar gemaakt.
Hoofdstuk 6
45
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Externe veiligheid Bijlage 3: Ecologie Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Archeologisch onderzoeken Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8: Omgevingsdialoog Bijlage 9: Aanmeldingsnotitie Bijlage 10: Advies Veiligheidsregio Bijlage 11: Selectieadvies
Woningbouw Ronduutje
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 9
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
10
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Groen Verkeer Wonen Waarde - Archeologie 2
10 12 13 15
Hoofdstuk 3
Algemene regels
18
Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
18 19 20 21 22
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
23
Artikel 12 Artikel 13
Overgangsrecht Slotregel
23 24
2
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan 'Woningbouw Ronduutje' met identificatienummer NL.IMRO.0757.BP06Ronduutje-OTW1 van de gemeente Boxtel; 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
aaneengebouwde woning
een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen; 1.6
afhankelijke woonruimte
een onderdeel van het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is; 1.7
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.8
bedrijf aan huis
bedrijfsmatige activiteiten, die door hun beperkte omvang in of bij een woning met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt, en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.9
beroep aan huis
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten en naar de aard daarmee gelijk te stellen dienstverlenende beroepen;
4
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
1.10
beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlak
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.11
bestaand
voor zover dit betrekking heeft op bebouwing, gaat het om de oppervlakte van de bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van grond en opstallen, gaat het om het gebruik zoals dat aanwezig was op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; 1.12
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.13
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.14
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.15
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.16
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.17
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel; 1.19
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
5
1.20
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.21
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.22
eerste bouwlaag
de bouwlaag op de begane grond; 1.23
eigen wand
wand die tot de constructie zelf behoort; 1.24
erotisch getinte vermaaksfunctie
een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal; 1.25
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26
hoofdgebouw
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.27
huishouden
een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksverbinding of een met een huwelijksverbinding gelijk te stellen samenlevingsverband; 1.28
mantelzorg
het bieden van hulp bij het dagelijks functioneren, die vrijwillig en onbetaald, buiten organisatorisch verband, wordt verleend aan personen uit het sociale netwerk die vrij ernstige fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen hebben. Voor personen die 65 jaar en ouder zijn, wordt geen indicatie noodzakelijk geacht; 1.29
overkapping
een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een slechts van boven afgesloten ruimte van lichte constructie, met: a. indien aangebouwd aan een gebouw: maximaal 2 niet-eigen wanden en geen eigen wanden;
6
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
b. indien niet aangebouwd aan een gebouw: maximaal 1 eigen wand; 1.30
peil
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil); 1.31
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.32
seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.33
voorgevel
een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een gebouw; 1.34
voorgevellijn
denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen; 1.35
voorzieningen van algemeen nut
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.36
water en waterhuishoudkundige voorzieningen
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.; 1.37
wonen
het gehuisvest zijn of het huisvesten van personen in een woning; 1.38
woning
een complex van ruimten dat dient voor de huisvesting van: 1. één huishouden, of;
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
7
2. één huishouden plus maximaal twee individuele personen, of; 3. maximaal 4 individuele personen.
8
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten: 2.1
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.2
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3
oppervlakte van een bouwwerk;
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.4
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van de daken en dakkapellen.
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'waardevolle boom', tevens voor het behoud en de bescherming van de ter plaatse aanwezige waardevolle boom; met de daarbij behorende: c. d. e. f. g. h. i. j.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen; bermen en beplanting; paden; speelvoorzieningen; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; voorzieningen van algemeen nut; straatmeubilair, afvalcontainers, ondergrondse containers, kunstwerken en hondentoiletten.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Gebouwen
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen, met uitzondering van verlichtingsarmaturen, vlaggenmasten, speelvoorzieningen en kunstwerken, waarvan de maximale bouwhoogte 6 meter mag bedragen; b. de oppervlakte en bouwhoogte van een afvalcontainer mogen maximaal 4 m² en 2 meter bedragen (bij bovengronds plaatsen); c. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen mag niet meer dan 3 m beter bedragen; d. de oppervlakte van nutsvoorzieningen mag niet meer dan 15 m² bedragen.
3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.3.1
Werken en werkzaamheden
Het is verboden om ter plaatse van de aanduiding 'waardevolle boom' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. b. c. d.
het kappen en/of rooien van bomen; het aanbrengen van verhardingen; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond; het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,1 meter ten opzichte van het maaiveld,
10
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
e. f. g. h.
waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van drainage en ontginnen; het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of drainageleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het ophogen van het maaiveld, anders dan middels het aanbrengen van houtsnippers, boomschors en/of bladafval.
3.3.2
Uitzonderingen
Het in 3.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit bestemmingsplan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. het vervangen van bestaande verhardingen of leidingen betreffen. 3.3.3
Toelaatbaarheid
De in 3.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de ontwikkeling van de waardevolle boom; b. de mogelijkheden tot herstel van de waarden van de boom niet onaanvaardbaar worden of kunnen worden verkleind.
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
11
Artikel 4 4.1
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.
woonstraten en pleinen; voet- en fietspaden; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
met de daarbij behorende: h. voorzieningen van algemeen nut; i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 4.2.2
Voorzieningen van algemeen nut
Voor het bouwen van voorzieningen van algemeen nut gelden de volgende bepalingen: a. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter; b. de maximale oppervlakte bedraagt 15 m². 4.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 9 meter bedragen; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 4 meter bedragen.
12
Bestemmingsplan "Woningbouw Ronduutje" (ontwerp)
Artikel 5 5.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in een woning, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 80 m²; met de daarbij behorende: b. c. d. e. f.