CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellen gewijzigd bp Woningbouw Ronduutje- Bijlage 3 Toelichting en regels

Raadsvergadering Boxtel 27 juni 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Woningbouw Ronduutje’20.752 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Woningbouw Ronduutje 6 december 2023

Bestemmingsplan Woningbouw Ronduutje Gemeente Boxtel Ontwerp

Rapportnummer:

P03151_7

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0757.BP06Ronduutje-OTW1

Datum:

6 december 2023

Opdrachtgever:

Janssen de Jong Projectontwikkeling B.V.

Projectteam BRO:

CVe, TSc, JvdA

Concept:

19 februari 2021, 15 maart 2021, 3 mei 2021, december 2021

Ontwerp:

6 december 2023

Vaststelling:

-

Bron foto kaft:

Gemeente Boxtel

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Plangebied 1.3Vigerend bestemmingsplan 1.4Leeswijzer

4 4 4 6 6

2.PLANBESCHRIJVING 2.1Voormalige en huidige situatie 2.2Toekomstige situatie

7 7 8

2.2.1 Bebouwing 2.2.2 Openbaar gebied en bomen

8 8

3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid

10 10

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid

10 11 12

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3Gemeentelijk beleid

12 12 13

3.3.1 Structuurvisie Verfrissend Boxtel 13 3.3.2 Woonvisie 2016-2025 en Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027 14 3.3.3 Bomenbeleidsplan gemeente Boxtel 15

4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1Verkeer en parkeren 4.2Geluid

17 17 19

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3Luchtkwaliteit

19 20 20 20

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4Bedrijven en milieuzonering

20 21 21 22

4.4.1 Toetsingskader

Inhoudsopgave

22

1

4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5Geur agrarisch

22 24 24

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid

24 24 25 25 25

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Verantwoording groepsrisico 4.7.4 Advies Veiligheidsregio 4.7.5 Conclusie 4.8Ecologie

25 26 27 31 32 32

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek en conclusie 4.9Bodem

32 33 34

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10Water

34 35 35 35

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11Archeologie

35 35 36 36

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12Cultuurhistorie

36 37 37 37

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13M.e.r.-plicht

37 38 38 39

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1Inleiding 5.2Plansystematiek 5.3Bestemmingen

40 40 40 42

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

44 44

Inhoudsopgave

2

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

44

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Omgevingsdialoog 6.2.3 Vaststellingsprocedure

44 45 45

Separate bijlagen Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Externe veiligheid Bijlage 3: Ecologie Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Archeologisch onderzoeken Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8: Omgevingsdialoog Bijlage 9: Aanmeldingsnotitie Bijlage 10: Advies Veiligheidsregio Bijlage 11: Selectieadvies

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan het adres Ronduutje 11 te Boxtel heeft tot het jaar 2020 een gebouw met voormalige onderwijsfunctie gestaan. De bebouwing is gesloopt. De wens bestaat om op dit perceel woningbouw mogelijk te maken. In totaal zullen 20 rij-/hoekwoningen gerealiseerd worden: 12 sociale huurwoningen, 6 koopwoningen en 2 koop- of vrije sector huurwoningen. De woningbouw gaat gepaard met een herinrichting van het terrein, waarbij nieuwe ontsluitingen en parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Op dit moment is het bestemmingsplan ‘Boxtel Noord’ (vastgesteld op 2 december 2010) geldend. In dit bestemmingsplan kent het plangebied een maatschappelijke bestemming. Om de woningbouw mogelijk te maken zal een wijziging van dit bestemmingsplan noodzakelijk zijn. Onderhavig document vormt deze partiële herziening van het bestemmingsplan en maakt de realisatie van de 20 woningen mogelijk.

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen in het noorden van Boxtel. De locatie ligt aan het adres Ronduutje 11. Het Ronduutje bestaat uit twee wegen rondom een groenperk: een hoofdweg die de straten Stenen Kamer, Doornakkerlaan, Leenhoflaan en Molenwijkseweg met elkaar verbindt en een aftakking. Het voormalige gebouw op het terrein en ook de toekomstige woningen worden ontsloten via deze aftakking. Rondom het plangebied bevinden zich andere woningen. In het noordoosten grenst het plangebied aan een Protestantse begraafplaats die ook vanaf de weg van het Ronduutje en via de zuidzijde met een pad met bomen naast het plangebied bereikbaar is. Kadastraal staat het plangebied bekend als de gemeente Boxtel, sectie M en perceelnummer 2285. Het perceel heeft een oppervlak van circa 5.000 m2. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.1: Indicatieve ligging en begrenzing van het plangebied (bron: pdok.nl)

Hoofdstuk 1

5

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Boxtel Noord’ (vastgesteld op 2 december 2010 en onherroepelijk). In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. In het plangebied geldt een maatschappelijke bestemming. Daarnaast is een bouwvlak opgenomen (dat voor 85% bebouwd mag worden) ten behoeve van het inmiddels gesloopte gebouw. De maatvoering van de toegestane bebouwing is begrensd op een bouwhoogte van 5 meter en goothoogte van 3 meter. Woningbouw is niet toegestaan binnen een maatschappelijke bestemming. Er is dus een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig document vormt deze partiële herziening van het bestemmingsplan en maakt de realisering van de 20 woningen mogelijk.

Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan Boxtel Noord (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. De onderzoeksrapporten van de uitgevoerde onderzoeken zijn als aparte bijlagen toegevoegd.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Voormalige en huidige situatie Het plangebied omvat een terrein van circa 5.000 m2 aan het Ronduutje in Boxtel. Dit terrein is tot 2020 bebouwd geweest. Het voormalige gebouw had van oorsprong een onderwijsfunctie. Vanaf 1954 was namelijk de Jenaplanschool Molenwijk gevestigd in het gebouw (basisschool). In de loop der tijd is het gebouw uitgebreid met een kleuterschool en enkele noodlokalen. Vanaf 2005 is de school verhuisd naar het gebouw op de hoek van de Achterberghstraat en de Speelmanstraat. Vanaf dat moment is de onderwijsfunctie niet meer aanwezig geweest in het plangebied. Het pand heeft een tijd leeg gestaan en is onder andere tijdelijk in gebruik geweest ten behoeve van de voedselbank. Het gebouw is in de periode 2019-2020 gesloopt. Op dit moment ligt het terrein vrijwel geheel braak en is het nog omringd door bestaande bomen. Het terrein wordt in de huidige situatie ontsloten via de éénrichtingsweg van de straat Ronduutje. Een foto van het voormalige gebouw op het terrein is weergegeven in figuur 2.1.

Figuur 2.1: Foto plangebied in de zomer van 2017 (bron: Google Street View)

Hoofdstuk 2

7

2.2 Toekomstige situatie 2.2.1 Bebouwing Met dit bestemmingsplan worden in totaal 20 rij-/hoekwoningen mogelijk gemaakt in het plangebied. Een globale weergave van de situering van deze woningen is in figuur 2.2 weergegeven. De 20 woningen worden gebouwd in 5 blokken van 4 woningen die verspreid liggen over het plangebied. De woningen krijgen een maximale goothoogte van 7 meter en een maximale bouwhoogte van 12 meter. De woningen krijgen alleen een tuin met de mogelijkheid om een berging/garage te realiseren. In figuur 2.2 is een impressie weergegeven van de inrichting van het plan en de locatie van de woningen.

Figuur 2.2: Impressie plangebied in toekomstige situatie (bron: B2architecten)

2.2.2 Openbaar gebied en bomen Op het perceel wordt een nieuwe ontsluiting gerealiseerd om de woningen te kunnen bereiken, zoals te zien is in figuur 2.2. De parkeerplaatsen worden ook voornamelijk aan deze weg gerealiseerd. Er worden dan circa 36 parkeerplaatsen binnen het plangebied gerealiseerd. Er is een restcapaciteit van 4 langsparkeervakken aan de straatzijde (bij het Ronduutje). Op figuur 2.2 is dat aangegeven met de gestippelde parkeerplaatsen. In figuur 2.3 is een overzicht weergegeven van de bomen in het plangebied en de te kappen / te behouden bomen.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.3: Weergave bomen huidige situatie

Hoofdstuk 2

9

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;

Hoofdstuk 3

10

5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering; 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21.

ontwikkelen van een duurzame visserij. Doorwerking plangebied Hoewel de NOVI geldend is voor het gehele Nederlandse grondgebied, is er geen sprake van directe doorwerking in het plangebied. Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn er geen nationale belangen in het geding. Afwegingen met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen dienen in dat geval te worden gemaakt op gemeentelijk niveau. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

11

stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied In totaal worden 20 rij-/hoekwoningen mogelijk gemaakt. Hierbij is sprake van hergebruik van een bestaand braakliggend perceel in het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast kende het perceel tot kort hiervoor ook al een stedelijke functie, namelijk een schoolgebouw. Met deze herinrichting van het perceel is sprake van invulling van een concrete woningbehoefte in de gemeente Boxtel. De woningen zijn betaalbaar en geschikt voor verschillende doelgroepen, zoals starters en gezinnen met een middeninkomen. Hier is in de gemeente Boxtel genoeg vraag naar, zoals ook blijkt uit de gemeentelijke Woonvisie. In de woonvisie ligt het plangebied binnen het gebied “Noord”. De accenten van de woningbouwprogrammering (12 sociale huurwoningen en 6 koopwoningen en 2 koop- of vrije sector huurwoningen in dit gebied liggen juist op grondgebonden woningen voor middeninkomens en betaalbare woningen voor starters met een middeninkomen. Het programma sluit daarom goed aan op de visie van de gemeente Boxtel. De gemeente Boxtel wil tussen 2014 en 2025 per saldo 1.315 woningen toevoegen. Deze locatie lijkt hier bij uitstek geschikt voor, aangezien een nieuwe passende invulling gegeven kan worden aan het perceel.

Daarnaast zorgt de ligging in het groen en nabij uitvalswegen voor een aantrekkelijk woonmilieu.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie bevat ambities voor de volgende vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities uit de Omgevingsvisie. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze Omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Nadere regels die voortkomen uit de Omgevingsvisie zijn vertaald in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, zie paragraaf 3.2.2.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Deze is op 1 april 2022 geconsolideerd. De Interim omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze die gevraagd wordt in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende

Hoofdstuk 3

12

provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot de Interim omgevingsverordening. Het is een interim-omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. Doorwerking plangebied De planlocatie is in de Interim omgevingsverordening aangeduid als ‘Stedelijk Gebied’ en ‘Landelijke kern’. Het volgende artikel is van toepassing voor onderhavige ontwikkeling: Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling. Dit artikel luidt als volgt: Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c.

geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Voorliggende document voorziet in de onderbouwing dat de ontwikkeling bijdraagt aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving. Het betreft de realisatie van 20 rijwoningen op een voormalig bebouwde locatie die in gebruik was als school. Een verouderd pand wordt hiermee omgezet naar woningen die gasloos en duurzaam worden gebouwd. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavig planvoornemen in lijn is met de Interim omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Verfrissend Boxtel In juli 2011 heeft de gemeenteraad van Boxtel de Structuurvisie Verfrissend Boxtel voor het gemeentelijk grondgebied vastgesteld. Hierin wordt een integrale visie gegeven op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De visie bestaat ten eerste uit een Atlas, hierin wordt een inventarisatie van het huidige beleid gemaakt en een beschrijving van het huidige Boxtel gegeven. Vervolgens is een analyse gemaakt op vier integrale thema’s: wonen en leven, beleven, ondernemen en verbinden. Daaropvolgend zijn een agenda, welke de belangrijkste vraagstukken bevat, en een bedrijfsplan gemaakt. De vier thema’s vormen de rode draad van de visie. In het thema ‘wonen en leven’ wordt een voorwaardenkaart voor aangenaam leven geschetst, in het thema ‘beleven’ wordt een troevenkaart van Boxtel gegeven, in het thema ‘ondernemen’ wordt een kansenkaart voor vitaliteit geschetst en in het thema

Hoofdstuk 3

13

‘verbinden’ wordt een vervlechtingskaart van duurzame relaties gegeven. In de structuurvisie wordt de nadruk gelegd op de ligging van Boxtel en de omringende dorpen in het Nationale Landschap Het Groene Woud. Beide entiteiten zijn onmiskenbaar aan elkaar gekoppeld, het wonen en werken kunnen daar direct van profiteren. Ondanks de wenselijke verschillen tussen de bebouwde kommen en het buitengebied, wordt juist ook gezocht naar overeenkomsten. Hierbij wil de gemeente Boxtel de omgeving niet grondig in aanzien veranderen, maar de bestaande sterke punten van de gemeente beter benutten. Hiertoe worden in de structuurvisie onder andere een aantal concentratiegebieden aangegeven waar de voor de visie belangrijke projecten worden geplaatst. De woonomgeving in Boxtel is gevarieerd. De opgave voor het woningaanbod is te komen tot meer differentiatie en variatie. Onder andere via het organiseren van goed verspreide zorgvoorzieningen. De woningvraag in Boxtel leidt niet tot grootschalige uitbreidingen, maar eerder tot ‘afronden’ (met kleinschalige uitbreidingen) en ‘inbreiden’ en herstructureren. De leefomgeving kan nog beter worden benut, onder andere door de openbare ruimte direct in te richten op het wonen. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in ‘De Gordel’ van Boxtel. De Gordel bestaat uit de wijken tussen de Poorten en het Centrum.

In de deelgebieden die de Gordel maken wordt de Dommel nog beter zichtbaar gemaakt en wordt het “Groen in de wijken, gericht op het wonen” expliciet gemaakt door middel van een Groenstructuurplan. Met als nieuwe onderlegger het nog af te ronden Woonwensenonderzoek, en een confrontatie daarvan met de bestaande woonkwaliteiten van Boxtel, wordt een ‘woonmilieukaart’ (categoriseringsplan) voor Boxtel geproduceerd. Onderdeel daarvan is een logische spreiding van (zorg)voorzieningen. Uitgangspunt daarbij is dat iedere wijk voorzien is van een basisschool en een ‘ontmoetingsplaats’. In dit geval wordt een voormalig bebouwd terrein heringericht ten behoeve van woningbouw. In de structuurvisie zijn geen uitgangspunten beschreven die deze ontwikkeling belemmeren of waar deze ontwikkeling niet bij aansluit. Het plan is dan ook in zijn algemeenheid in lijn met de structuurvisie van de gemeente Boxtel. 3.3.2 Woonvisie 2016-2025 en Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027 De ‘Woonvisie 2016-2025’, die op 28 juni 2016 door de gemeenteraad van Boxtel is vastgesteld, vormt het vervolg op de woonvisie 2010-2014. Voor een belangrijk deel zijn de doelen bereikt door nieuwbouw en locatieontwikkeling, zij het niet altijd volledig door de economische crisis, stagnatie op de woningmarkt en tijd die het vroeg om plannen vlot te trekken.

Boxtel legt in de woonvisie de prioriteiten van het woonbeleid vast voor de periode 2016-2025. Naast een beschrijving van de plancapaciteit in de gemeente Boxtel analyseert de woonvisie ook de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van de verschillende wijken. In de Regionale Agenda Wonen wordt de netto-behoefte aan toevoeging van woningen in Boxtel in de periode 2015 tot 2025 geraamd op 1.315. Inclusief compensatie voor sloop zijn dat er 145 per jaar. Gemiddeld lag de bouwproductie in Boxtel de afgelopen tien jaar daar ruim onder. Zonder extra inspanningen kan Boxtel niet in de geraamde woningvraag voorzien, omdat plancapaciteit vooralsnog ontoereikend is. De gemeente is daarom altijd op zoek naar voldoende geschikte bouwlocaties en er is ruimte voor particuliere wooninitiatieven. Op 4 juli 2023 heeft de gemeenteraad een nieuwe woonvisie vastgesteld, genaamd ‘Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027’. In deze visie gaat het niet meer alleen over wonen, maar over wonen in relatie tot welzijn en zorg. Hierdoor wordt de term ‘Woonvisie’ vervangen door ‘Toekomstvisie’. In deze toekomstvisie zijn drie zogenaamde punten samengevat: 1. Passende woningen en doorstroming; 2. Wonen met welzijn en zorg;

Hoofdstuk 3

14

3. Duurzaam wonen in wijken en dorpen. Doorwerking plangebied De woningen zijn grotendeels betaalbaar en geschikt voor verschillende doelgroepen, zoals starters en gezinnen met een middeninkomen. Hier is in de gemeente Boxtel genoeg vraag naar, zoals ook blijkt uit de gemeentelijke Woonvisie. In de woonvisie ligt het plangebied binnen het gebied “Noord”. De accenten van de woningbouwprogrammering in dit gebied liggen juist op grondgebonden woningen voor middeninkomens en betaalbare woningen voor starters met een middeninkomen. Daarnaast wordt beschreven dat in de wijk “Noord” meer diversiteit moet ontstaan door het realiseren van koopwoningen, waardoor huishoudens kunnen doorstromen van hun huurwoningen. Ook hier sluit het plan bij aan door het realiseren van 12 sociale huurwoningen en 6 koopwoningen en 2 koop- of vrije sector huurwoningen. De woningbouw sluit daarom goed aan op de visie van de gemeente Boxtel. 3.3.3 Bomenbeleidsplan gemeente Boxtel Het Bomenbeleidsplan 2008 van de gemeente Boxtel betreft de bomen die op gemeenteterrein staan, de bomen die in beheer zijn en/of onderhouden worden door de gemeente en de monumentale en bijzondere bomen die op het terrein van particulieren staan. Het bomenbeleid heeft als doel om de kwaliteit van de leefomgeving en de beeldkwaliteit in de gemeente te handhaven en te bevorderen.

Het bomenbeleid van de gemeente Boxtel is erop gericht om de bomen in Boxtel duurzaam in stand te houden omdat deze een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het Bomenbeleidsplan bevat streefbeelden voor de hoofd- en secundaire boomstructuren die als toetsingskader voor de inrichting en beheer dienen. Voor de monumentale en bijzondere bomen die deel uitmaken van de boomstructuur geldt een extra bescherming. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van hoofd- of secundaire boomstructuren. Ook is geen sprake van bijzondere of monumentale bomen. Voor de bomen die geen onderdeel uitmaken van de boomstructuren en die niet zijn aangemerkt als monumentale of bijzondere bomen is hoofdstuk 2 ‘Programma van eisen voor bomen’ uit het Bomenbeleidsplan 2008 van toepassing. Ondanks het streven om bomen duurzaam in stand te houden kunnen er argumenten zijn om bomen te kappen. Valide argumenten kunnen onder meer zijn de conflicterende belangen met ruimtelijke ontwikkelingen, het ruimtebeslag of aspecten zoals hinder en gevaar. Voor het kappen van bomen is een omgevingsvergunning (kapvergunning) vereist. De gemeente zal bij het beoordelen van een kapvergunning het landschappelijk belang van de boom afwegen tegen de motieven die een rol spelen bij de aanvraag om de bomen te kappen een rol spelen.

Doorwerking plangebied Bij de start van de planvorming heeft onderzoek plaatsgevonden naar de kwaliteit van de bomen in en rondom het plangebied. Tevens is gekeken welke bomen wel of niet gehandhaafd kunnen blijven gelet op de kwaliteit van de bomen en vanwege mogelijke knelpunten met de herontwikkeling van het terrein voor woningbouw. Daarnaast is gekeken naar gemeentelijk beleid dat opgenomen is in het bomenbeleidsplan 2022-2040 van de gemeente Boxtel. Deze afweging heeft geleid tot het voorliggende plan waarbij een viertal bomen (Acacia en Moeras Eiken) aan de voorzijde van het plangebied worden gehandhaafd en in het nieuwbouwplan zijn opgenomen. Deze vier bomen staan aangeduid als een nevenstructuur in het bomenbeleidsplan en zijn als zodanig bepalend voor de uitstraling en structure-

Hoofdstuk 3

15

ring van het plangebied. Aandachtspunt voor de toekomst is wel dat de conditie van de Acacia (monumentale boom) beperkt is. De 3 Moeras Eiken zijn waardevolle bomen. Deze vier te handhaven bomen staan in de toekomstige groenstrook van het plan. Deze bomen zijn op de verbeelding opgenomen met een functieaanduiding ‘waardevolle boom’. Ter plaatse van de aanduiding ‘waardevolle boom’ is een omgevingsvergunning vereist voor bepaalde categorieën van werken en werkzaamheden, die de mogelijkheden tot behoud en herstel van de waarden van de boom zouden kunnen schaden. De criteria om een vergunning te kunnen verlenen zijn weergegeven, evenals uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals het vervangen van bestaande leidingen. Deze groenstrook blijft eigendom van de gemeente. Verder is bij de planvorming rekening gehouden met het behoud en de bescherming van het beukenlaantje naar de protestante begraafplaats (5 beuken) en de rij bomen op de begraafplaats aan de oostzijde van het plangebied (4 beuken en 4 Amerikaanse eiken). Ter bescherming van de te behouden bomen in en rondom het plangebied is een boombeschermingsplan opgesteld. Ten behoeve van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk om een aantal bomen binnen het plangebied te kappen. Voor een deel van de bomen is een kapvergunning vereist. Dit vormt een aparte procedure.

Aan de kapvergunning worden de nodige voorwaarden verbonden waaronder het tijdstip van de inwerkingtreding van de vergunning en de voorwaarde dat uitvoering gegeven moet worden aan het boombeschermingsplan. Ook wordt de voorwaarde opgenomen dat enige vorm van compensatie moet plaatsvinden. De mogelijkheden in en rondom het plangebied zijn hiervoor beperkt. Afgesproken is:.  Voor de (eventuele) te kappen bomen wordt een kapvergunning aangevraagd.  De bomen worden gecompenseerd op of in de nabijheid van de plangebied.  Is compensatie op of in de nabijheid van het plangebied niet mogelijk, dan wordt in overleg met de initiatiefnemer en de gemeente een andere locatie gezocht voor de compensatie.  Blijkt compensatie niet mogelijk dan vindt er per te compenseren boom een afdracht plaats in het bomencompensatiefonds. Het uitvoeren van het boombeschermingsplan vormt ook een voorwaarde bij de inrichting van de bouwplaats, het bouwrijp maken van het plangebied en de bouw van de woningen 3.3.4

Welstandsnota Boxtel 2016

In de Welstandsnota 2016 heeft het plangebied het thema “Bijzondere bebouwing, instellingen en instituten” en Welstandsniveau 1 gekregen. Bij nieuwbouw gelden de eigen stijlkenmerken als criterium. Deze dienen wel te passen in de eigen omgeving. De toetsing houdt in dat de gemeente de bijzondere kwaliteiten van het betreffende gebied wil behouden en/of verbeteren, ofwel een gebied met bijzondere kwaliteiten wil realiseren. Dat betekent voor nieuwe plannen, wijzigingen en toevoegingen dat deze een bijdrage dienen te leveren aan het gestelde doel. Doorwerking plangebied Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zal het bouwplan getoetst worden aan de Welstandnota.

Hoofdstuk 3

16

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.

4.1 Verkeer en parkeren Verkeer Om de effecten van een plan op de verkeerssituatie ter plaatse te bepalen wordt gekeken naar de verkeersgeneratie. Deze kan worden ingeschat op basis van kencijfers uit de meest recente CROW-publicatie (381). In de CROW is beschreven dat de maximale verkeersgeneratie van een rijwoning (woning ‘koop, huis, tussen/hoek’ gelegen in ‘rest bebouwde kom’ van een ‘matig stedelijk gebied’) neerkomt op 7,5 motorvoertuigen (mvt) per etmaal. In dit geval zal het plan dus zorgen voor maximaal 150 mvt/etmaal. Dit verkeer zal het plangebied bereiken via het Ronduutje. Bewoners en bezoekers zullen het plangebied hoofdzakelijk via de route Redoutestraat, Leenhoflaan of Molenwijkseweg verlaten. Om het plangebied te bereiken zullen voornamelijk de wegen Stenen Kamer, Van Hornstraat, Baanderherenweg en Van Hugenpothstraat gebruikt worden. De genoemde wegen kunnen het extra verkeer gemakkelijk verwerken. Er wordt bijvoorbeeld ook geen extra parkeerdruk of wachttijd verwacht bij het kruispunt met stoplichten bij de Baanderherenweg. Aangezien het Ronduutje al is ‘opgesplitst’ in twee delen is ook hier de invloed op het verkeer minimaal. Het doorgaand verkeer over het Ronduutje wordt niet verhinderd. Daarnaast wordt het deel dat niet voor doorgaand verkeer fungeert vrijwel alleen door fietsers gebruikt.

De voormalige school had naar verwachting ook al een verkeersgeneratie die groter of gelijk is aan die van de toekomstige 20 woningen. Op basis van het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het plan geen tot nauwelijks invloed heeft op de verkeerssituatie. De nieuwe ontsluiting op het perceel wordt daarnaast op een verkeersveilige manier aangelegd. De nieuwe weg sluit haaks aan op secundaire weg van het Ronduutje en vanaf daar vervolgd het verkeer pas naar het noordwesten en komt het veilig op het Ronduutje terecht. Het plan zorgt niet voor meer verkeersdruk of voor onveilige verkeerssituaties. Parkeren Het parkeerbeleid voor Boxtel geeft inzicht in de parkeernormen en de parkeerbalans. Indien er sprake is van ruimtelijke ontwikkeling of wijziging van functiegebruik, dient aan de parkeernormen voldaan te worden. Op grond van het beleidsdocument Parkeernormen Gemeente Boxtel (vastgesteld in 2007) wordt op het moment dat een concrete bouwaanvraag wordt ingediend een parkeereis vastgesteld. In dit geval worden 20 rij-/hoekwoningen gerealiseerd. In het parkeerbeleid van de gemeente Boxtel is hiervoor een parkeernorm opgenomen. Deze norm luidt dat er minimaal 1,8 parkeerplaatsen nodig zijn per woning (uitgangspunt: woning ‘midden’ in rest bebouwde kom).

In dit geval zullen dus 36 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn binnen het plangebied en buiten het plangebied aan het Ronduutje. In dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waardoor wordt gezorgd dat voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden. In figuur 4.1 is te zien dat de 36 parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden en er wordt voldaan aan de parkeernorm. Er is een restcapaciteit van 4 langsparkeervakken aan de straatzijde (bij het Ronduutje).

Hoofdstuk 4

17

Figuur 4.1: Parkeren (bron: B2architecten)

Hoofdstuk 4

18

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Hoofdstuk 4

19

4.2.2 Onderzoek Er is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven: Hogere waarden Een hogere waarde is niet nodig omdat alle berekende geluidsniveaus komende van de omliggende wegen onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 58 dB. Voor de geveldelen van de gewenste woningen bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k dan maximaal 58 - 33 = 25 dB. Een dergelijke gevelwering wordt in het kader van nieuwbouw zeer goed mogelijk geacht zonder dat daarbij (grote) aanvullende voorzieningen nodig zijn. Het bevoegd gezag zal bepalen of een nader onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende geveldelen noodzakelijk wordt geacht. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan wel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.8.1 en 3.8.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. 4.2.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

Hoewel de gecumuleerde geluidsbelasting 58 dB bedraagt is een binnenwaarde van 33 dB te behalen met de geluidwering van de toekomstige gevels van het nieuwbouwplan. Er zal dan ook sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in de woningen.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

Hoofdstuk 4

20

 

het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).

Om te bepalen wat de invloed is van het dit plan op de luchtkwaliteit kan gebruik worden gemaakt van de NIBM-tool. Het doel van de NIBM-tool is:  Eenvoudig en snel bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.  Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten.  Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de NIBM-grens. 4.3.2 Onderzoek NIBM Het voorziene project is een project als bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Het aantal te realiseren woningen, namelijk 20, ligt namelijk ver beneden de grenzen voor aantallen voor woningbouwlocaties die genoemd worden in Bijlage 3A. Dat houdt in dat het project in kwestie niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Om die reden is het niet noodzakelijk om ten behoeve van vaststelling van het bestemmingsplan eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 3%. De NIBM-tool wordt dan ook buiten toepassing gelaten. Goed woon- en leefklimaat Ook moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In de volgende tabel zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven.

Norm:

40

40

35

25

Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. 4.3.3 Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ zorgt niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 4

21

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Invloed plan op omgeving Met dit plan worden 20 woningen mogelijk gemaakt. Woningen kennen geen milieucategorie of aan te houden richtafstand tot milieugevoelige objecten. Het plan zorgt dan ook niet voor effecten op het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen of andere milieugevoelige objecten.

2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

22

Figuur 4.2: Uitsnede geldend bestemmingsplan met bestemmingen in de omgeving van plangebied (plangebied is rood omkaderd)

Invloed omgeving op plan In figuur 4.2 zijn de verschillende bestemmingen/functies in kaart weergegeven. Hierop is te zien dat in de omgeving voornamelijk woonbestemmingen liggen. Deze kennen geen milieucategorie en hebben dan ook geen invloed op het woon- en leefklimaat bij de toekomstige woningen. Kantoor Ten oosten van het plangebied ligt een kantoorbestemming. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Het plangebied ligt hier buiten (namelijk op circa 45 meter). Maatschappelijk Aangrenzend en ten oosten van het plangebied liggen maatschappelijke bestemmingen. Ten oosten van het plangebied, aan de andere zijde van de Baanderherenweg, ligt middelbare school het Baanderherencollege. Hiervoor geldt de milieucategorie 2 en een bijbehorende richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt op circa 85 meter van de school en dus buiten de richtafstand. Ten noorden van het Baanderherencollege zijn nog twee andere scholen gevestigd. Het betreft een school voor speciaal onderwijs (Hub Noord-Brabant) en een basisschool (Molenwijk Oecumenische Jenaplanschool). Ook hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt hier ruim buiten (ruim 150 meter van beide scholen). Aangrenzend aan het plangebied (0 meter afstand) ligt ook een maatschappelijke bestemming. Hier ligt namelijk een protestantse begraafplaats.

Ook het gebouw aan het adres Ronduutje 12 heeft een maatschappelijke bestemming. Dit gebouw wordt op dit moment gebruikt als

Hoofdstuk 4

23

woning en zal dan ook geen invloed hebben op het woon- en leefklimaat bij de toekomstige woningen. Volgens de tabel van het VNG met richtafstanden, geldt voor een begraafplaats de milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Deze richtafstand wordt slechts gevormd door het aspect ‘geluid’. Hinder vanuit ‘geur’, ‘stof’ of ‘risico’ is uit sluiten. Het plangebied ligt binnen de richtafstand. Echter kan geconcludeerd worden dat de begraafplaats geen invloed heeft op het woon- en leefklimaat bij de woningen. De begraafplaats wordt namelijk niet vaak gebruikt voor diensten of nieuwe begrafenissen. Het terrein van de begraafplaats is openbaar toegankelijk voor bezoekers. Zij zullen de begraafplaats hoofdzakelijk te voet of per fiets bereiken. De verwachting is dan ook niet dat de begraafplaats voor geluidsoverlast zal zorgen bij de toekomstige woningen. Bedrijf Ten westen van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming. Op deze locatie is een ‘sociale werkvoorziening’ gevestigd. De locatie wordt voornamelijk gebruikt voor opslag van onderhoudsmaterialen en voertuigen en als vergaderruimte vanuit de gemeente Boxtel en de WSD. De locatie kent een milieucategorie van maximaal 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. Het plangebied ligt op circa 165 meter en hier dus ruim buiten. Ten westen van het plangebied ligt ook een tankstation, zie paragraaf 4.7.

Geconstateerd wordt dat ter plaatse van de toekomstige woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. 4.4.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.5.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied komen geen veehouderijen of andere (agrarische) bedrijven voor met een bepaalde geuruitstraling. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur.

Hoofdstuk 4

24

4.5.3 Conclusie Het aspect ‘geur’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.6 Kabels en leidingen Ter plaatse van het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of leidingen. Ten noorden en westen van het plangebied loopt een gasleiding. De invloed van deze gasleiding op dit plan wordt nader beschreven in paragraaf 4.7. Overige kabels en leidingen in de omgeving zorgen niet voor belemmeringen.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Hoofdstuk 4

25

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied ligt een aardgasleiding en een tankstation. Voor deze risicobronnen is een onderzoek verricht en is het groepsrisico verantwoord. Overige risicobronnen in de verdere omgeving zijn niet van belang voor deze ontwikkeling. Voor het onderzoek naar de buisleiding en het tankstation wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Buisleiding Onderzocht is of de buisleiding Z-544-01 een belemmering vormt voor de planontwikkeling. De berekening hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Uit de berekening volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgevonden 10 -6-risicocontour van de buisleiding. Het plangebied ligt wel nagenoeg volledig binnen de 100% letaliteitsafstand voor externe veiligheid van buisleiding Z-544-01, waaronder de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding is bepaald. Voor de buisleiding is de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in de huidige situatie de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en het groepsrisico zelfs lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Uit de berekening blijkt verder dat de planrealisatie leidt tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico, echter is ook in de toekomstige situatie het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht voor de buisleiding. Tankstation Onderzocht is of het LPG-tankstation een belemmering vormt voor de planontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de plaatsgebonden 10-6-risicocontouren ten gevolge van het LPG tankstation aan de Baanderherenweg 7 te Boxtel niet reiken tot aan het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de planvorming. Uit de berekening van het groepsrisico blijkt het groepsrisico dat wordt veroorzaakt door het LPG tankstation, zowel voor als na de ontwikkeling van de 20 nieuwbouwwoningen op de locatie van een voormalige basisschool, beneden de oriëntatiewaarde is gelegen. De maximale overschrijdingsfactor is in beide situaties 0,58. Door de voorgenomen woningbouw is er slechts sprake van een zeer beperkte toename van het groepsrisico. In de ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations’ wordt het bevoegd gezag verzocht rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten en 160 meter tot zeer kwetsbare objecten.

Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 60 meter van het tankstation en er worden geen zeer kwetsbare objecten gerealiseerd, waardoor de bovengenoemde afstanden gerespecteerd worden.

Hoofdstuk 4

26

4.7.3 Verantwoording groepsrisico Voor de verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van de buisleiding en het tankstation wordt verwezen naar de notitie in de bijlagen. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen zijn getroffen om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het Bevb en het Bevi geven de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/ Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Bevb- Transport door buisleidingen Het maatgevende ongevalsscenario voor een hoge druk aardgasleiding is een fakkelbrand, die na een beschadiging van een buisleiding ontstaat als gevolg van een ontsteking.

In artikel 12 lid 3 van het Bevb juncto artikel 8 van de Revi is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht voor de buisleiding, waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: 1. Aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, 2. Het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico; 3. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval, 4. De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Ad 1 Het plangebied is gelegen binnen de 100% letaliteitsafstand voor externe veiligheid van de buisleiding Z-544-0 1. De buisleiding is gesitueerd ten noorden van het plangebied. Het plangebied omvat de bouw van 20 woningen.

Daarmee neemt het aantal personen binnen het invloedsgebied toe met 24 personen in de dagperiode en 48 personen in de nachtperiode. Ad 2 Voor het plangebied is zowel voor de huidige als toekomstige situatie een berekening uitgevoerd. Hierbij is in de huidige situatie ervan uitgegaan dat geen personen binnen het plangebied aanwezig zijn (worst case). In de toekomstige is situatie is uitgegaan van de planinvulling, te weten 20 woningen.

Hoofdstuk 4

27

Ad 3 Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaats vindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kon het enkele uren duren voor de leiding is leeg gelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestroming de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten 'bereikbaarheid calamiteit' en de '(primaire en secundaire) bluswatervoorziening' spelen hierin een rol. Ad 4 Het maatgevende scenario voor ongevallen met aardgastransportleidingen is fakkelbrand. Slachtoffers kunnen vallen door de warmtestraling en een drukgolf. Alle aanwezigen die door de vuurbal worden getroffen komen te overlijden. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen.

De mogelijkheden om zelfredzaamheid te vergroten Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijkste bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Daarnaast is in het bestemmingsplan reeds opgenomen dat binnen de belemmeringsstrook (4 meter vanaf het hart van de buisleiding) een bouwverbod geldt. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat het zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario's waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Personen die aanwezig zijn binnen de l00% letaliteitsgrens komen te overlijden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=bbdff3bb-5e69-4fb6-a6dd-f4134ced7a39