CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Nieuw-Bijlage 2. Bijlagen bij de BOPA motivering (onderbouwing) De Beerze d.d. 28 juli 2025

Raadsvergadering Boxtel 16 september 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Bindend advies zonnepark De Beerze20.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

-

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage

Het is verboden eieren te rapen en deze onder

Het is verboden eieren van dieren in de natuur

A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde soorten

zich te hebben

opzettelijk te vernielen of te rapen

vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitat-

Art. 11.37 lid 1 onderdeel d en lid 3 Bal

Art. 11.46 lid 1 onderdeel b Bal

richtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Ver-

Het is verboden vogels opzettelijk te storen, ten-

Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

drag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie

zij de storing niet van wezenlijke invloed is op

beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergunningsplichtige activitei-

de staat van instandhouding van de desbetref-

ten. De regels voor vogels en overige Europese soorten zijn letterlijk over-

fende vogelsoort

Vogels (artikel 11.37 Bal)

Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal)

Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal)

genomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gelden regels die geïnspireerd

-

zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de vergunningsplichtige activiteiten per regime weergegeven.

Quickscan Flora en Fauna Zonnepark Beerze te Boxtel

-

Art. 11.46 lid 1 onderdeel e Bal

Art. 11.54 lid 1 onderdeel c Bal

Het is verboden plantensoorten in hun natuur-

Het is verboden plantensoorten in hun natuur-

lijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken

lijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken

en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen

en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen

of te vernielen

of te vernielen

9

Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle

Op het terrein is enkel een stal aanwezig. Bij de interne controle hiervan

5.1.1

‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat nadelige

zijn geen nest(rest)en of sporen (zoals braakballen of krijtstrepen) van een

Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een

gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of ongedaan ge-

soort met jaarrond beschermd nest aangetroffen. Hierdoor kunnen broed-

jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel

maakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de

locaties van soorten als kerkuil, steenuil en huismus worden uitgesloten.

nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betref-

rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke ha-

In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied zijn tevens

fende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand

bitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen

geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en

groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen

worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatrege-

ransuil aangetroffen, al is een nest door het aanwezige bladerdek niet vol-

overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de

len te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen.

ledig uitgesloten. Wel kunnen in het opgaand groen rond het plangebied

wetteksten wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.

mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop,

Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor,

winterkoning, grasmus, tjiftjaf en houtduif tot broeden komen. Binnen het

worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broed-

dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de

plangebied kan incidenteel een soort als graspieper of kievit tot broeden

geval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van

beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te wor-

komen. Het plangebied heeft weinig tot geen waarde als (essentieel) leef-

een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient

den of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te

gebied voor vogels gezien het kale karakter. In de toekomstige situatie

een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen

werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alterna-

kan de kruidenrijke vegetatie zorgen voor een hoogwaardiger leefgebied.

zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale po-

tieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een omgevingsvergunning voor een

In de verdere omgeving van het plangebied zijn echter wel enkele broed-

flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelingen aangevraagd moeten

gevallen of nestlocaties bekend van de steenuil en de kerkuil. Mogelijk valt

worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat

het plangebied gedeeltelijk binnen het territorium van deze individuen. In

van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De

de huidige situatie is er enkel opgaand groen, en daarmee zichtposities,

vergunning kan dan onder voorwaarden worden verleend.

voor deze soorten aan de rand van het plangebied. Bij de toekomstige in-

5.1

passing worden meerdere groen inprikkers binnen het zonnepark voor-

Vogels

Conform het Ministerie van EZK wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).

Toetsing

zien. Hierbinnen worden tevens bomen aangeplant, waardoor de zichtposities en daarmee foerageermogelijkheden worden vergroot. Daarnaast wordt het agrarische karakter van het plangebied veranderd doormiddel van het plaatsen van groenelementen en het inzaaien van kruidenrijk grasland, waardoor de hoeveelheid prooidieren (muizen, pieren) zal toenemen. Tegen de westgrens van het zonnepark is een natte zone met wadi’s en poelen voorzien. Door deze inpassing zal het aantal woelmuizen in de omgeving toenemen. Woelmuizen zijn teven een belangrijke voedselbron voor zowel steenuil als kerkuil. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op beide soorten, mede gezien de nieuwe inpassing binnen het plangebied. Gezien het groen in de directe omgeving behouden blijft is

pulaties is dan ook uitgesloten.

5.2

Vleermuizen

Volgens de NDFF en verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. De paardenstal bevat geen spouwmuur of dakbeplating waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De binnenruimte is te tochtig en licht voor vleermuizen. Binnen het plangebied zijn geen potentiele verblijfplaatsen aanwezig. De lijnvormige landschapselementen langs de randen van het plangebied kunnen dienen als foerageergebied en vliegroutes. Deze blijven behouden. Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitschijnend op opgaand groen en open water te worden vermeden, zowel tijdens de aanleg als in de toekomstige situatie Er is geen sprake van po-

er voldoende alternatief leefgebied aanwezig.

Quickscan Flora en Fauna Zonnepark Beerze te Boxtel

10

tentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbre-

soorten. Van de steenmarter zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooi-

5.5

ken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewa-

resten, aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van deze soort bin-

In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als

ter en lijnvormige landschapselementen.

nen het plangebied. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of

bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander.

sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetspo-

Volgens de NDFF zijn in de omgeving van het plangebied ook waarnemin-

5.2.1

Toetsing

Amfibieën

ren, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik

gen van de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, heikikker, boomkik-

Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn

van het plangebied door de das. De bever maakt gebruik van de Beerze

ker, Alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander be-

van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaat-

en zijn oevers. Het plangebied zelf biedt echter geen geschikt leefgebied

kend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgele-

sen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen, indien verlichting

voor deze soort. De waterspitsmuis kan eveneens gebruik maken van de

genheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten bin-

gericht en uitschijnend op opgaand groen en open water vermeden wordt.

Beerze en zijn oevers. Ook voor deze soort biedt het plangebied zelf geen

nen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een in-

geschikt leefgebied. De oeverzone wordt bij de ontwikkeling wel versterkt.

cidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is en-

De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoog-

kel de zorgplicht van toepassing.

5.3

Grondgebonden zoogdieren

Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel, veldmuis, ree en vos kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verla-

diersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten.

5.5.1

Toetsing

De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel ha5.3.1

Toetsing

bitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat

Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van

van instandhouding van populaties en potentiële schadelijke handelingen

niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefge-

zijn dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het

bied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gun-

wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende

stige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en po-

individuen.

tentiële schadelijke handelingen zijn niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.

Reptielen

5.6

Vissen

De Beerze is onder andere in gebruik door de beschermde soorten grote

ten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst

5.4

naar buiten het werkgebied.

Volgens de NDFF en verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omge-

geen werkzaamheden plaatsvinden zijn negatieve effecten op deze soort-

ving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende ha-

groep op voorhand uitgesloten.

modderkruiper en kwabaal. Aangezien aan de Beerze en zijn aftakkingen

Volgens de NDFF komen in de omgeving van het plangebied ook de niet

gedis en hazelworm. De waarnemingen hebben betrekking op de natuur-

vrijgestelde soorten wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter, eekhoorn,

gebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving

5.6.1

das, bever en waterspitsmuis voor. Gezien de ligging tegen NNB is het te

biedt geen geschikt habitat voor deze soort. Het voorkomen ervan binnen

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

verwachten dat meerdere van deze soorten incidenteel binnen het plange-

het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten.

schermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

Toetsing

bied aanwezig zijn. Door het ontbreken van vegetatie en geschikte verblijfplaatsen betreft het hier geen essentieel habitat voor de betreffende kleine

5.4.1

marterachtigen. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van reptielen

aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze

zijn op voorhand uitgesloten.

Quickscan Flora en Fauna Zonnepark Beerze te Boxtel

Toetsing

11

5.7

Ongewervelde diersoorten

reeds benoemde soorten. Wel zijn er in de directe omgeving waarnemin-

Volgens de NDFF zijn in de ruime omgeving van het plangebied waarne-

gen bekend van haas, konijn, bruin blauwtje, heide blauwtje, oranje zand-

In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van

mingen bekend van kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder, genti-

oogje, beekrombout en bosbeekjuffer.

de grote waternavel, hemelboom, reuzenbalsemien, reuzenberenklauw,

aanblauwtje, grote vos, speerwaterjuffer, bosbeekjuffer, beekrombout, ge-

smalle waterpest. In het plangebied zijn echter geen waarnemingen van

vlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel en oostelijke witsnuitlibel. Al deze

Het plangebied bestaat uit momenteel uit veelgebruikte agrarische akkers

deze soorten gedaan tijdens het veldbezoek noch in de NDFF. Vervolg-

soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het

binnen een agrarisch gebied. De kans op aanwezigheid van en/of nega-

stappen zijn daarmee niet aan de orde.

plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde

tieve effecten op soorten van de rode lijst is daarmee zeer laag. Mede

libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uit-

door de inrichting en het beheer zal het plangebied een kwaliteitsimpuls

gesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of

voor de benoemde soorten krijgen. Binnen het zonnepark zal een kruiden-

vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de

rijk grasland worden ontwikkeld. Hierdoor kan het plangebied als foera-

overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese

geergebied voor de haas gaan dienen en als nectarbron voor de verschil-

rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plan-

lende vlinder- en libellensoorten gaan dienen. Daarnaast zal het gebied al-

gebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig.

tijd toegankelijk zijn voor de haas, gezien het hekwerk circa 10 centimeter boven het maaiveld komt.

5.7.1

Toetsing

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

Gezien het huidige gebruik van het plangebied is verstoring door de werk-

schermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.

zaamheden op een van de benoemde soort niet aan de orde. Een overtre-

5.8

Vaatplanten

In de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de NDFF beschermde soorten bekend als drijvende waterweegbree, schubvaren

ding met betrekking tot de specifieke zorgplicht is daarmee niet aan de orde, mits algemene zorgplichtmaatregelen worden genomen om het doden en verwonden van individuen te voorkomen.

kranskarwij en stijve wolfsmelk. Deze soorten stellen echter zeer speci-

5.10

fieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en bin-

Enkele soorten binnen Nederland mogen niet worden verhandeld of ver-

nenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk

voerd, of moeten actief worden geweerd. Voor soorten op de zogenoemde

beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten.

Unielijst (EU-exotenverordening) geldt een verbod op bezit, handel,

Invasieve exoten

kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten 5.8.1

Toetsing

en dieren. Voor lidstaten geldt de plicht om in de natuur aanwezige popu-

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

laties op te sporen en te verwijderen. Per soort zijn doelen en acties om-

schermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

schreven (Onderbouwing strategie Unielijstsoorten). Daarnaast geldt voor

5.9

enkele soorten een nationaal handelsverbod, waaronder drie soorten Azi-

Specifieke zorgplicht

Behalve de genoemde soorten geldt een bescherming onder de specifieke zorgplicht voor soorten van de rode lijst. Dit zijn circa 4.300 soorten. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van rode lijst-soorten, buiten de

atische duizendknopen. Deze mogen niet worden verhandeld of vervoerd. Dit geldt ook voor grond waarin resten of zaden van duizendknoop in aanwezig zijn. Er geldt enkel een uitzondering ten behoeve van het uitroeien, bestrijden of beheersen van de duizendknopen.

Quickscan Flora en Fauna Zonnepark Beerze te Boxtel

12

6

Conclusie

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt genomen: 

Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen;

Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden;

Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNB) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een vergunningsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.

6.1

Vervolgtraject en advies

geen spouwmuur of dak beplating waar vleermuizen, huismussen of gier-

6.1.1

AERIUS-berekening

zwaluwen gebruik van kunnen maken. Binnen het plangebied zijn hierdoor

Om op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege

dus geen potentiele verblijfplaatsen aanwezig. De lijnvormige landschaps-

stikstofdepositie uit te sluiten kan een AERIUS-berekening uitgevoerd wor-

elementen langs de randen van het plangebied kunnen dienen als foera-

den. Als uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanleg- en gebruiksfase

geergebied en vliegroutes, welke behouden blijven.

niet meer dan 0,00 mol/ha/j aan depositie plaatsvindt op stikstofgevoelige habitatten, kunnen negatieve effecten uitgesloten worden en is voor het

6.1.3

aspect stikstofdepositie geen aparte vergunning benodigd. Als uit de bere-

Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmo-

kening een resultaat komt boven 0,00 dienen vervolgstappen ondernomen

gelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en

te worden.

omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe in-

Aanbevelingen

spanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuisOm een AERIUS-berekening uit te voeren zijn verschillende gegevens no-

kasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de

dig voor de aanlegfase en gebruiksfase. Voor de aanlegfase is het van be-

nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huis-

lang dat in beeld wordt gebracht welke (mobiele) werktuigen (hijskraan,

mussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder ver-

graafmachine etc.) er gebruikt gaan worden, want bij de verbranding van

dwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige

fossiele brandstoffen komt stikstof vrij, de totale gebruiksduur van deze

maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een

werktuigen, het bouwjaar van de werktuigen is en het vermogen (kW).

soort.

Daarnaast dienen het aantal verwachte verkeersbewegingen in de aanlegfase (vrachtwagens die materiaal aan- en afvoeren, busjes, personen-

Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een

auto’s, enz.) ook meegenomen te worden.

checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het be-

Als het gebouw gasgestookt wordt, is informatie nodig over de stikstofe-

antwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen

missie die jaarlijks vrijkomt vanwege de verwarming en het overige gas-

worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vo-

verbruik tijdens de gebruiksfase. Als het gebouw gasloos is hoeft alleen

gels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website

gekeken te worden naar de verkeersgeneratie. Dat zijn alle vervoersbewe-

van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast

gingen die samenhangen met het gebruik van het nieuwe gebouw. Er

is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk

dient aangegeven te worden of het gaat om lichte voertuigen (personen-

bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de

auto’s en kleine busjes), middelzware vervoersbewegingen (kleine vracht-

Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochure-verschenen-

wagens) of zware vervoersbewegingen (grote vrachtwagens).

over-vleermuisvriendelijk-bouwen/).

6.1.2

Soortgericht onderzoek

De werkzaamheden binnen het plangebied hebben geen negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen. Daarom is vervolgonderzoek hier niet noodzakelijk. De paardenstal bevat immers

Quickscan Flora en Fauna Zonnepark Beerze te Boxtel

13

7

Samenvatting

Tabel 2: Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling ne-

Gebiedsbescherming

Afstand tot gebied

Sprake van aantasting

Vervolgtraject

Bijzonderheden / opmerkingen

Natura 2000

Ca. 0,4 km

Mogelijk

AERIUS-berekening

Uitvoering mogelijk indien

gatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of een omgevingsvergunning. In de tabel is tevens weergegeven of maat-

uitkomst onder 0,00

regelen noodzakelijk zijn om flora- en fauna-activiteiten met schadelijke

mol/ha/j

handeling voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Natuurnetwerk Nederland

Ca. 0 m

Nee

-

Ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk

Houtopstanden

-

Nee

-

Niet van toepassing

Tabel 3: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Soortgroep Broedvogels

Algemeen Jaarrond be-

Potentieel aanwezig

Sprake van schadelijke handeling

Vervolgtraject / maatregelen

Bijzonderheden / opmerkingen

Ja

Te voorkomen

Plangebied buiten broedseizoen bouwrijp

Globale broedseizoen loopt van maart tot

maken of controle vooraf

half augustus

Nee

Nee

-

-

Verblijfplaatsen

Nee

Nee

-

-

Foerageerhabitat

Nee

Nee

-

-

Vliegroutes

Nee

Nee

-

-

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de egel

Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de ge-

schermd Vleermuizen

wone pad Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Quickscan Flora en Fauna Zonnepark Beerze te Boxtel

14

8

Geraadpleegde bronnen

Algemene Literatuur  Diepenbeek, A. 2021. Veldgids Dierensporen Europa. Tweede druk, KNNV Uitgeverij Zeist.  Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht.  Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.  Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.  SOVON Vogelonderzoek Nederland 2019. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Zesde druk, Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen.  Van Hoof, P & R, Creemers, 2023. Fotoveldgids amfibieën. alle soorten en stadia in beeld.1e Druk, Stichting RAVON, Nijmegen.  https://www.ndff.nl/, Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Geraadpleegd op 15 mei 2024

https://www.zoogdiervereniging.nl/ (soortgegevens zoogdieren)

Provinciale bronnen  Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortbescherming. Provincie Noord-Brabant  https://www.brabant.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/natuurnetwerk-brabant-(nnb) (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)  https://www.dassenwerkgroepbrabant.nl/ (gegevens das in Noord-Brabant)  https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=b6414403ef5e4e9aa8875a7c366209c6 (grenzen beschermde gebieden)

Algemene websites  https://www.bij12.nl/ (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)  https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/informatieproductennatuur/informatiekaart-natuur/ (informatiekaart natuur (IKN))  https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/informatieproductennatuur/beschermde-soortenindicator-besi/ (beschermde soortenindicator (BeSI)  https://www.eis-nederland.nl/ (soortgegevens ongewervelden)  https://www.floron.nl/ (soortgegevens planten)  https://www.ravon.nl/ (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)  https://sovon.nl/ (soortgegevens vogels)  https://www.natura2000.nl/gebieden (Natura 2000-gebieden)  https://www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten (verspreidingsgegevens planten)  https://www.vlinderstichting.nl/ (soortgegevens vlinders en libellen)  https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/geconsolideerde-teksten-omgevingswet/ (wettekst Omgevingswet)

Quickscan Flora en Fauna Zonnepark Beerze te Boxtel

15

Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam +31 (0)20 506 19 99

Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400

Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl Quickscan Flora en Fauna Zonnepark Beerze te Boxtel

16

Bijlage 3 - Weging van waterbelang

Weging van het waterbelang Zonnepark Scheepdonkseweg Boxtel (Gemeente Boxtel)

Weging van het waterbelang Zonnepark Scheepsdonkseweg te Boxtel

Aeres Milieu Projectnummer

: AM23491

Status rapport

: Definitief vs2

Datum

: 13 februari 2025

Opdrachtgever

: BRO Willemsplein 2 5211 AK ‘s-Hertogenbosch

Opgesteld door

: dhr. J. Martens MSc.

Gecontroleerd door

: dhr. M. Vrolix bc.

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

Pagina | 2

AM23491

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ...................................................................................................................................................................................................................4

2.

BUREAUSTUDIE BESTAAND WATERSYSTEEM ..............................................................................................................................................8 2.1.

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................8

2.2.

Watersystemen ...............................................................................................................................................................................................8

3.

PLANVOORNEMEN EN AFWEGING ................................................................................................................................................................. 13

4.

OVERIGE AANDACHTSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN ................................................................................................................... 15

Bijlagen: 1. Topografische overzichtskaart 2. Concepttekening planvoornemen 3. Geraadpleegde literatuur

Pagina | 3

AM23491

1. INLEIDING In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een weging van het waterbelang opgesteld voor een voorgenomen ontwikkeling ter hoogte van de Scheepdonkseweg te Boxtel. Ter plaatse bevindt zich momenteel akkerland met enkele watergangen. De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op afbeelding 1. Adres onderzoekslocatie

: Zonnepark Scheepsdonkseweg te Boxtel

Gemeente

: Boxtel

Waterschap

: Dommel

Kadastrale registratie

: Boxtel, sectie L, nrs. 162, 167, 844, 888, 954, 1128 en 1135

Oppervlakte

: ca. 13,1 ha

Peil maaiveld

: 7,3 tot 8,6 m +NAP

Peil grondwater

: 7,0 tot 7,2 m +NAP

Afbeelding 1: Begrenzing van de onderzoekslocatie (rood omlijnd). Bron luchtfoto en kadastrale situatie: PDOK-viewer

Aanleiding De aanleiding voor het opstellen van deze weging van het waterbelang is de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse. Men is voornemens een nieuwe zonneweide aan te leggen. Momenteel heeft het plangebied een agrarische bestemming. Deze ontwikkeling heeft mogelijks invloed op de bestaande waterhuishouding. Tevens dient rekening gehouden te worden met het geldend beleid. Het is noodzakelijk om vroegtijdig de toekomstige waterstromen in beeld te brengen, zodat deze op een duurzame manier verwerkt kunnen worden en het planvoornemen geen verhoogd risico op wateroverlast tot gevolg heeft. Een plantekening is opgenomen in bijlage 2. Pagina | 4

AM23491

Afbeelding 2: Voorgenomen planontwikkeling d.d. februari 2025 (bron: opdrachtgever)

Pagina | 5

AM23491

Doel Het doel van deze rapportage is een beschrijving te geven aan de huidige bodemkundige en (geo)hydrologische situatie (bureaustudie), de gehanteerde uitgangspunten, de randvoorwaarden, en de mogelijkheden om neerslag in de toekomstige situatie te verwerken om tot een duurzame neutrale herontwikkeling te komen. Aeres Milieu B.V. werkt voor de opdrachtgever als onafhankelijk onderzoek- en adviesbureau, en heeft geen binding met de onderzoekslocatie.

Beleid Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal, waterschaps- naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te (laten) voeren en door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. In de Omgevingswet staan alle regels voor de ruimte waarin we wonen, werken en ontspannen: onze leefomgeving. Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld.

Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaat adaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. De concretere invulling om dit te verwezenlijken is opgenomen in o.a. de omgevingsverordening. Verder is een Regionaal Water en Bodem programma (RWP 2022-2027) door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Dommel.

De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma “Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving”. Het waterschap werkt aan drie waterdoelen die elk een programmatische aanpak hebben. In het plan voor de komende jaren kiest het waterschap voor een aanzienlijke wijziging en aanscherping van de doelstellingen om de watertransitie mogelijk te maken.

Pagina | 6

AM23491

Dit heeft ook gevolgen voor gemeentelijke ruimtelijke plannen. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen: een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving, én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Voor deze watertransitie worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven: - Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. - Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. - Wat schoon is moet schoon blijven. Deze programma’s zijn in het WBP verder uitgewerkt naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; waterschapsverordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De regels zijn nu specifiek gekoppeld aan bepaalde gebieden waar ze gelden en toegespitst op activiteiten die iemand kan doen. Activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de verordening. Middels het omgevingsloket kan dit gecontroleerd worden.

De gemeente Boxtel heeft een verbreed gemeentelijk rioleringsplan (2020-2024), waarin het beleid ten aanzien van grond-, vuil- en regenwater is vastgelegd overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Hierbij heeft de gemeente als doelstelling om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht te zijn. Om dit te bereiken moet er hydrologisch neutraal ontwikkeld worden. Gezien de geohydrologische omstandigheden binnen de gemeente hanteert de gemeente het uitgangspunt dat perceeleigenaren in nieuw- en herbouw situaties (uit- en inbreidingen) hun hemelwater altijd redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. Dit betekent het kunnen bergen/verwerken van de neerslaggebeurtenissen uit de Keur (bergingseis van 60 mm). Als ondergrens hanteert de gemeente een toename van 250 m2. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden een aantal uitgangspunten gehanteerd ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerders. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor plannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem.

Leeswijzer Door middel van deze rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven in hoofdstuk 2. Vervolgens is in hoofdstuk 3 het planvoornemen beschreven met de verwachte wijzigingen en aandachtspunten. Tot slot worden er in hoofdstuk 4 nog algemene aandachtspunten beschreven.

Pagina | 7

AM23491

2. BUREAUSTUDIE BESTAAND WATERSYSTEEM 2.1.

Inleiding

Het plangebied ligt zuidwestelijk in het buitengebied van de gemeente Boxtel. Aanliggend westelijk van de onderzoekslocatie ligt de beek “Beerze”. Noord-, Zuid-, en oostelijk grenst akkerland. Noordoostelijk ligt bedrijventerrein Ladonk. Het plangebied is geheel onverhard, binnen en rondom het plangebied bevinden zich diverse watergangen met westelijk de Beerze. Aanliggend noordelijk van het plangebied bevindt zich de Scheepdonksweg. Aanliggend oostelijk ligt de Loxvenseweg. Afbeelding 1 geeft de huidige situatie weer en in bijlage 1 is een topografische overzichtskaart opgenomen. Over het algemeen is er een beperkt hoogteverschil aanwezig binnen de onderzoekslocatie. Het maaiveld kent een maaiveldhoogte variërend tussen 7,5 en 8 met oostelijk enkele verhoogde delen tot 8,4 en 8,6 m +NAP. Afbeelding 3 geeft de genoemde hoogteverschillen visueel weer.

7,5

8,0

8,4

7,5

8,6

Afbeelding 3: Hoogtekaart plangebied en omgeving met aanduiding ligging (rood) (bron: AHN Nederland)

2.2.

Watersystemen

De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grond-, oppervlakte-, afvalen hemelwater. Bijkomend wordt de visie van de gemeente omtrent klimaat adaptief ontwikkelen kort samengevat. Hieronder zijn de relevante aspecten kort beschreven.

Pagina | 8

AM23491

Bodemopbouw en grondwater Van de onderzoekslocatie is diverse informatie geraadpleegd bij o.a. het Omgevingsloket, BRO-loket, bodematlas NoordBrabant, bodemdata Nederland en ons eigen archief. Volgens de geomorfologische kaart van Nederland (2023) ligt het plangebied gedeeltelijk op een beekdalbodem, dekzandrug en vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss (afbeelding 4).

R42 Beekdalbodem

B53 Dekzandrug

M53 Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss

Afbeelding 4: Geomorfologische kaart 2023 (bron: BROloket)

Volgens de Bodemkaart komt binnen het plangebied naar verwachting westelijk een beekeerdgrond met oostelijk eenhoge zwarte enkeerdgrond voor. Deze is naar verwachting opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand (afbeelding 5).

Beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (pZg21)

Hoge

zwarte

enkeerdgronden;

leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21)

Afbeelding 5: Bodemkaart 2023 (bron: BROloket)

Pagina | 9

AM23491

De verwachte bodemopbouw bepaald middels het BRO-loket wordt schematisch weergegeven in tabel 1. Diepte [m-mv.]

Lithostratigrafie

Lithologie

0,0 – 2,2

Holocene afzettingen, complexe

Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei,

eenheid (enkel ter hoogte van

midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand

beekdalbodem) 2,2 – 16,4

Formatie van Boxtel

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand

16,4 – 19,3

Formatie van Boxtel

Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, midden en fijn zand, met weinig klei, veen en grof zand

19,3 – 27,8

Formatie van Boxtel

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand

Tabel 1: Verwachte bodemopbouw (bron: BRO-loket)

Op basis van de verwachte bodemopbouw zal er een goede tot matige (verticale) doorlatendheid aanwezig zijn in het plangebied. Volgens de kwel- en infiltratiekaart van de provincie Noord-Brabant ligt het plangebied in een gebied waar kwel kan optreden. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterwingebied of -beschermingsgebied. Binnen en in de ruime omgeving van het plangebied zijn verschillende grondwatermonitoringspunten bekend bij het BROloket. Op basis van deze meetreeksen kan een inschatting gemaakt worden van de lokale verwachte grondwaterstanden. Tevens is gekeken naar de indicatieve kaart met grondwaterstanden van waterschap de Dommel (zie afbeelding 6). Binnen het plangebied komt naar verwachting een GLG voor tussen 1,0 (westelijk en zuidelijk) en 1,6 m +NAP (oostelijk). De GHG binnen het plangebied komt naar verwachting voor tussen 0,2 (westelijk) en 0,6 (oostelijk) m +NAP.

Afbeelding 6: Indicatieve grondwaterstanden binnen het plangebied (bron: Waterschap Dommel)

Pagina | 10

AM23491

Oppervlaktewater Rondom het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig die onder het beheer van het waterschap De Dommel vallen, zie afbeelding 7. Door het waterschap wordt onderscheid gemaakt tussen A- en B-watergangen op basis van de functie en omvang van de watergang. A-watergangen zijn de belangrijkste wateren met een afvoer van minimaal 30 liter per seconde of met een bijzondere functie. B-watergangen zijn minder belangrijke wateren met een afvoer tussen de 10 - 30 liter per seconde. In onderstaande afbeelding zijn de aanwezige A- en B-watergangen weergegeven. Noord-, zuid-, en Westelijk grenst een Awatergang. Centraal en omliggend van het plangebied zijn er enkele B-watergangen. A-watergangen hebben een beschermingszone van 5 meter gemeten vanaf de insteek. Hierbinnen mogen geen obstakels of bepaalde werkzaamheden zonder omgevingsvergunning plaats vinden in verband met o.a. het onderhoud aan de watergang. De beschermingszone van de west- en zuidelijk gelegen primaire watergangen vallen niet binnen de grenzen van het plangebied. Noordelijk ligt het plangebied wel binnen de grenzen van de beschermingszone. Verder valt het plangebied west- en zuidelijk binnen de grenzen van een profiel van vrije ruimte. Hierbinnen is het verboden zonder vergunning een werk te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

Als deze binnen het plangebied vallen, dienen de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte opgenomen te worden in de plantekeningen. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de planontwikkeling/-invulling. Voor het eventueel dempen van (delen van) B-watergangen is een watervergunning verplicht. Het planvoornemen ziet echter niet op aanpassingen aan de aanwezige B-watergangen. Afhankelijk van eventuele werkzaamheden binnen (de beschermingszone van) een watergang dient hiervoor een melding of vergunning aangevraagd te worden. Verder blijkt dat nabij de watergangen sprake is van een natuurlijk overstromingsgebied. Een nadere toelichting van de regels is opgenomen in de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant.Een omgevingsplan ter plaatse van Regionale waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Middels het planvoornemen dient het waterbergend vermogen binnen het plangebied behouden te blijven. Een overzicht van de wijzigingen door het planvoornemen is opgenomen in hoofdstuk 3.

Afbeelding 7: Uitsnede leggerkaart met aanduiding plangebied (bron: waterschap De Dommel) Pagina | 11

AM23491

Afvalwater Binnen het plangebied zijn geen panden aanwezig. Bij een zonnepark verblijven er geen personen op het perceel en zal ook geen afvalwater geproduceerd worden waardoor dit aspect geen belemmering vormt.

Hemelwater Het plangebied is geheel onverhard (akkerland). Hemelwater kan derhalve lokaal in de bodem infiltreren of oppervlakkig afstromen naar de aanwezige oppervlaktewateren. Ten behoeve van het agrarisch gebruik zijn enkele grachten aanwezig welke voor de afvoer van overtollig water in nattere periodes instaan. Volgens de Bodematlas van Provincie Noord-Brabant ligt het plangebied binnen een gebied waar meestal kwel optreed (gelegen anabij beekdal). De mogelijkheid tot infiltratie en de infiltratiesnelheid is onder andere afhankelijk van de lokale bodemopbouw en optredende grondwaterstanden. Indien noodzakelijk voor de (natuur)ontwikkeling kan (indicatief) een beter beeld van de lokale bodemopbouw verkregen worden door het plaatsen van profielboringen en enkele infiltratiemetingen. Aanbrengen van verhard oppervlak leidt tot versnelde afstroom van hemelwater. Dit is slecht voor het waterhuishoudkundige systeem doordat er minder vocht de bodem in trekt en hemelwater versneld naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd. Des te meer hemelwater de bodem in kan trekken, des te kleiner wordt de kans op wateroverlast en droogte. Echter de kwaliteit van het hemelwater mag niet verslechteren en binnen het plangebied mogen geen handelingen plaatsvinden die de milieuhygiënische condities van het water schaden.

Een nadere toelichting op de toekomstige verhardingen door de planontwikkeling is opgenomen in hoofdstuk 3.

Klimaatadaptatie Water en ruimtelijke ordening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zeker in ons veranderende klimaat. Extreme buien worden steeds vaker afgewisseld met perioden van droogte. De gemeente Boxtel werkt samen met Brabant Water en waterschap Dommel aan water en klimaatadaptatie. Hierbij is het streefdoel om voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar te hebben. Samen hebben ze de taak om te zorgen voor een klimaatbestendige inrichting van onze leefomgeving. Hieraan kan een plan een bijdrage leveren door dit zo klimaatbestendig mogelijk in te richten. Om de invloeden van de klimaatveranderingen in beeld te brengen heeft de gemeente een klimaatstresstest uitgevoerd. De gemeente Boxtel is bezig met het opstellen van een omgevingsvisie waarin de gemeentelijke ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn worden vastgelegd. De gemeente Boxtel zal inspanningen moeten leveren om de in deze visie vastgestelde doelen te realiseren. Aan de hand van een omgevingsplan kunnen regels worden vastgesteld om de gemeentelijke doelen te bereiken. Het is van belang om Nederland klimaatbestendig en water robuust in te richten. Risico’s voor waterveiligheid, wateroverlast en droogte mogen ondanks de klimaatverandering niet toenemen. Ook in de gemeente Boxtel is er sprake van verdroging en hittestress.

Hier kan de gemeente iets aan doen door vergroening van de leefomgeving en het openbaar gebied, het grondwaterpeil door regenwater af te koppelen van het riool en lokaal vast te houden. Naast een voldoende hoge ligging dient water zoveel mogelijk groen en lokaal verwerkt te worden. De kwaliteit van de leefomgeving of de biodiversiteit kan zo worden vergroot. Naast het zoveel mogelijk beperken van de hoeveelheid verhard oppervlak dient voorkomen te worden dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. Verder kan water zoveel mogelijk hergebruikt of vastgehouden worden voor droge periodes. Dit kan door de inpassing van hemelwaterinfiltratie, grondgebonden groenstructuren of groene daken. Middels bijkomend groen wordt het risico op hittestress zoveel mogelijk beperkt. Op de website https://bouwadaptief.nl/ zijn voorbeelden van mogelijke maatregelen en klimaatadaptatieve projecten opgenomen. Pagina | 12

AM23491

3. PLANVOORNEMEN EN AFWEGING Men is voornemend een nieuwe zonneweide aan te leggen binnen de gemeente Boxtel. Het plangebied wordt momenteel agrarisch gebruikt en is volledig onverhard, met enkele aanwezige oppervlaktewateren. Het planvoornemen ziet toe op een meervoudig ruimtegebruik waarbij er aandacht is voor bijkomende waterbergingscapaciteit, vernatting en bijkomend groen (verhogen lokale biodiversiteit). Zo is het voornemen om ter plaatse van de zonnepanelen bassins te creëren door de grond tot ca. 0,25 meter af te graven. Langs de Beerze worden poelen en boomgroepen aangelegd. Het terrein vertoont een gering hoogteverschil variërend van ca. 7,5 tot 8 en plaatselijk 8,4 en 8,6 m +NAP. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt naar verwachting tussen 1,0 en 1,8 meter onder maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (HG) tussen ca. 0,2 en 0,6 m-mv. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden worden gehandhaafd of zelfs verhoogd. Gezien het toekomstige gebruik als zonnepark (geen bewoonde bebouwing en installaties op stellingen) speelt het grondwater geen belemmerende factor behoudens ter plaatse van de benodigde transformatorhuis(jes). Voor de benodigde transformatorhuisjes wordt aanbevolen deze minimaal 60 cm boven het maaiveld te plaatsen om wateroverlast te voorkomen.

Deze transformators worden binnenplans opgenomen, geclusterd achter elkaar, parallel aan de panelen, langs één centrale lijn op onderling gelijke afstand georganiseerd. Indien er toegangswegen worden aangelegd, is een lichte verhoging van 10 cm boven het bestaand maaiveld geadviseerd zodat (grond)water geen overlast oplevert. Bij normale wegen wordt een minimale ontwateringsdiepte van 70 cm geadviseerd maar omdat het eigen toegangswegen zijn voor een beperkt toegankelijk gebied, is een minimale ontwateringsdiepte minder van belang en mag hiervan afgeweken worden. Toekomstige onderhoudswegen worden net als de bestaande paden bij voorkeur voorzien van een grof grindpakket op een doorlatend geotextiel (dikte afhankelijk van de benodigde draagkracht) waardoor grondwater geen overlast zal veroorzaken. Het perceel kan plaatselijk natuurlijk overstromen waardoor delen (ligging afhankelijk van de bijkomende poelen en bassin(s) tijdelijk niet goed toegankelijk is. Dit vormt geen directe overlast. Conform het geldende beleid is compensatie vereist vanaf een verhardingstoename van meer dan 500 m 2 en kan tot 10.000 m2 gebruik gemaakt worden van de rekenregel (zie Algemene regels verhard oppervlak Brabantse waterschappen). Vanuit de gemeente dient compensatie aangelegd worden vanaf 250 m2.

Door de aanleg van een zonnepark (panelen op stellingen met open grondoppervlak) en het planvoornemen met bijkomende wateropvang (bassins en poelen) is geen aanvullende compensatievoorziening noodzakelijk geacht voor het planvoornemen met beperkte verhardingstoename. Hemelwater kan verder rechtstreeks tussen de panelen infiltreren in de bodem welke ingezaaid wordt met gras. Rondom een panelenveld wordt een vochtig bloem- en kruidenrijk grasland aangelegd. Mogelijk is een lokale verlaging nabij de enkele toegangswegen en transformators benodigd om afstroom van water op te vangen zodat dit net als bestaand lokaal in de bodem kan infiltreren. Binnen en rondom het plangebied zijn meerdere watergangen aanwezig. Voor het dempen van een overige watergang is geen vergunning benodigd.

Pagina | 13

AM23491

Rondom de A- en B-watergangen is een beschermingszone aanwezig (1 of 5 meter vanaf de insteek) waarbinnen het niet toegestaan om obstakels te plaatsen zonder toestemming van het waterschap. In het huidige ontwerp zijn behoudens de plaatsing van enkele duikers ten behoeve van een toekomstig onderhoudspad geen werkzaamheden gepland binnen het oppervlaktewater. Voor de aanleg van een duiker en voldoen aan de regels in de waterschap verordening volstaat naar verwachting een melding voor de aanleg van deze duikers. Dit is voornamelijk afhankelijk van het type watergang en de lente. Dit kan gecontroleerd worden via het omgevingsloket. Van de A-watergang dient de beschermingszone opgenomen te worden in de plantekening(en) als deze in het plangebied ligt. Dit is tevens een aandachtspunt voor de plaatsing van de geplande bomen/houtwal. Het plangebied ligt west- en zuidelijk binnen de grenzen van het profiel van vrije ruimte. Hierbinnen is het verboden zonder vergunning een werk te plaatsen, te wijzigen of te behouden. Dit verbod geldt niet voor het plaatsen, hebben of verwijderen van een afrastering als deze evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst. Indien voor afrastering wordt voldaan aan de algemene regel, kan een melding bij het waterschap volstaan en is geen vergunning nodig. Tevens dient het profiel van vrije ruimte opgenomen te worden in de plantekening.

Door de voorgenomen landschappelijke inpassing en rekening te houden met het bestaand oppervlaktewater (en beschermingszones) met bijkomende hemelwaterverwerking zonder overloop naar aangrenzende percelen wordt door het planvoornemen hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is er ter plaatse en in de directe omgeving door het planvoornemen geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten (meer opvangcapaciteit van water). Eventueel benodigde vergunningen of meldingen worden niet middels deze weging van het waterbelang geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden zoals onder andere het Omgevingsloket.

Pagina | 14

AM23491

4. OVERIGE AANDACHTSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN Afkoppelen/niet aankoppelen staat voor het (ge)scheiden (houden) van hemelwater- en afvalwaterafvoer, op een afgewogen manier, zodat een duurzaam watersysteem ontstaat. Daarbij moet men rekening houden met de waterhuishouding, de inrichting van de openbare ruimte, de milieuhygiënische gevolgen en de zorg voor de volksgezondheid en welzijn. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve van het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: •

Daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal of bekleed met (EPDM) rubber.

•

Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/staal (niet verzinkt)/aluminium, bij voorkeur geen gecoate materialen i.v.m. verwering.

•

Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten.

Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet ten alle tijden worden voorkomen dat wateroverlast bij bebouwing en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen. Schade, direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een infiltratie- en/of bergingsvoorziening worden aangesloten. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Het is verboden om chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen.

Pagina | 15

AM23491

Aeres Milieu

Bijlage 1 Topografische overzichtskaart

AM23491

Aeres Milieu

Bijlage 2 Concepttekening planvoornemen

AM23491

Sche

epdo

nkse

4

Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap

weg

1

5

LADONK

2 A’

A

3 2

2

Attentiegebied EHS

C’

C

1

KAMPINA

4 5

weg

e

ense

er z

Loxv

Be 2

Agrarisch met waarden Natuur en landschap

Ontwerpprincipe landschap •

•

Indicatief getekend panelenveld in lijn met verkavelingsrichting oost/west opstelling; transformators binnenplans opgenomen, geclusterd achter elkaar, parallel aan de panelen, langs één centrale lijn op onderling gelijke afstand georganiseerd;

D

3

Faunavriendelijk sober hekwerk, geplaatst binnenzijde beplante berm op ruime afstand tot de openbare weg;

LENNISHEUVEL

D’

2

Maatregelen landschappelijke inpassing 1) meervoudig ruimtegebruik - natuur: vochtig bloemen kruidenrijk grasland;

4

2) meervoudig ruimtegebruik - natuur: waterbergingscapaciteit/vernatting;

2

Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap

3) robuust struweel haaks op de Beerze; 4) aanleg poelen met wilgen en struiken langs de Beerze; 5) aanleg houtwal. Vigerend bestemmingsplan B

Dubbelbestemming - Leiding - Gas (met dien verstande dat op deze strook geen boringen mogen plaatsvinden wordt i.s.m. de leidingbeheerder naar een oplossing gezocht)

5

Gebiedsaanduiding milieuzone - beekherstel

B’

Gebiedsaanduiding milieuzone - ecologische verbinding Interim omgevingsverordening NB Natuur Netwerk Brabant

Landschappelijke inpassing Zonnepark Boxtel-Beerze Gemeente Boxtel

datum

getekend

projectnr.

pagina

formaat

schaal

12-02-2025

TN

P06384

1/1

A3

1:2.500

Aeres Milieu

Bijlage 3 Geraadpleegde literatuur

AM23491

Bijlage 3: Geraadpleegde literatuur Wet- en regelgeving •

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024, Gemeente Boxtel;

•

Waterbeheerprogramma 2022-2027, Waterschap Dommel;

•

Waterschapsverordening Waterschap Dommel;

•

Omgevingsvisie en omgevingsverordening provincie Noord-Brabant;

•

Landelijke Handreiking Watertoets;

•

Waterbeleid voor de 21e eeuw, Commissie Waterbeheer 21e eeuw;

•

Nationaal Bestuursakkoord Water, 2003 en actueel 2008;

•

Waterwet;

•

Het Nationaal Waterplan;

•

Kader Richtlijn Water;

•

Wet en Besluit op de ruimtelijke ordening.

Overige literatuur •

Handleiding alternatieve materialen voor bouwmetalen, DuBo Consulenten, 2006;

•

Ruimtelijke plannen Nederland;

•

Bodematlas provincie Noord-Brabant.

Internet •

www.dewatertoets.nl

•

www.boxtel.nl

•

www.dommel.nl

•

www.brabant.nl

•

www.BROloket.nl

•

www.ahn.nl

•

www.pdok.nl

Pagina | 16

AM23491

Bijlage 4 - Stikstofonderzoek

notitie

projectnaam Aeriusnotitie Zonnepark BoxtelBeerze

1. Inleiding

Bij de bepaling van de stikstofdepositie kan een activiteit door het ver-

Novar (hierna: initiatiefnemer) is voornemens een zonnepark van circa

oorzaken van stikstofdepositie in een Natura 2000- gebied als een Na-

12,68 hectare, met een bruto oppervlakte voor de panelen van 6,6 hec-

tura 2000-activiteit moet worden aangemerkt. Dit volgt uit artikel 4.15 lid

datum 28 juli 2025

tare te realiseren op een aantal percelen in het buitengebied van de ge-

1 van de omgevingsregeling. De methode voor het berekenen van stik-

meente Boxtel. De percelen worden aan de noordzijde ontsloten door

stofdepositie op Natura-2000 gebieden is de AERIUS calculator van toe-

projectnummer P06384

de Scheepdonkseweg en aan de westzijde door de rivier de Beerze.

passing. Mocht er aan de hand van een stikstofberekening blijken dat er

In verband met de aan te vragen omgevingsvergunning is het van be-

gende Natura 2000 gebieden dan is een passende beoordeling aan de

opdrachtgever Novar

lang om inzicht te hebben of met onderhavige ontwikkeling sprake is van

hand van het omgevingsplan niet nodig, aangezien er geen significante

stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

gevolgen verwacht zijn.

2. Wettelijk kader Natura 2000-gebieden

Doorwerking plangebied

De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrek-

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat

king op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelricht-

aangewezen is als Natura 2000-gebied. Figuur 1 geeft de ligging van

lijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als

het projectgebied weer ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-

Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-

gebieden.

Opgesteld door WvdH

Review JvE

geen stikstofdepositie ontstaat hoger dan 0,00 mol/ha/jaar bij omlig-

jecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is 'Kampina en Oister-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=4224a0ba-0462-4cbb-8fab-58c54fd6a4f5