CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering_TAM-omgevingsplan_Hoofdstuk 22d Domein aan de Dommel Fase 1_vastgesteld_2026-05-07

Commissie Leefomgeving en Duurzaamheid Sint-Michielsgestel 17 juni 2026, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan Domein aan de Dommel fase 125.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In onderstaande tabel 5.6 is berekend dat door dubbelgebruik de hoogste parkeerbehoefte 152 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen bedraagt. Op een werkdag middag is deze behoefte aanwezig, op andere tijdstippen is de parkeerbehoefte in de openbare ruimte lager. Op maaiveld moeten dus (152 + 20 (toegewezen parkeerplaatsen) =) 172 parkeerplaatsen worden gefaciliteerd.

73/140

Tabel 5.6: berekening parkeerbehoefte in de openbare ruimte per moment (Bron: Rho adviseurs)

Op de gronden waar in de toekomst 'Fase 2 van Domein aan de Dommel' (deelgebied 2) wordt gerealiseerd, is tijdelijk ruimte aanwezig voor (74 + 98 =) 172 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen zijn daarom voorzien op eigen terrein en blijven beschikbaar totdat de definitieve parkeeroplossing in 'Fase 2 van Domein aan de Dommel' in samenhang met 'Fase 1 van Domein aan de Dommel' is gerealiseerd. De parkeerbehoefte van 172 parkeerplaatsen in de buitenruimte voor 'Fase 1 van Domein aan de Dommel' kan daarmee volledig op eigen terrein worden opgevangen. Daarmee is in het kader van de uitvoerbaarheidstoets aangetoond dat het autoparkeren 'niet evident onuitvoerbaar is'. Bij de formele vergunningaanvraag zal de exacte autoparkeer opgave bepaald worden en nader aangeduid worden waar de autoparkeerplaatsen zijn voorzien. 5.4.3 Conclusie Er zijn geen wegvakken waar de toename van het autoverkeer ten gevolge van de beoogde planontwikkeling de verkeersveiligheid of verkeersafwikkeling verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. Voor voetgangersverkeer en fietsverkeer is de beoogde ontwikkeling goed ontsloten en bereikbaar. De oversteekbaarheid van de Theerestraat vereist voorzichtigheid vanuit verkeersveiligheid, gezien de verkeersdrukte op deze weg.

Nader onderzoek voor de oversteekbaarheid van voetgangers en fietsers in combinatie met een veilige afwikkeling van het gemotoriseerd verkeer zal in een later stadium plaats vinden. Er is voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de auto parkeerbehoefte en fiets parkeerbehoefte te faciliteren. De mobiliteitsaanbieder OnzeAuto biedt één deelauto aan op het Meanderplein, direct naast de planlocatie. Extra deelmobiliteit wordt in elk geval in Fase 2 gefaciliteerd maar mogelijk ook nog extra In Fase 1 bij de eerste bewoners.

5.5

Ecologie: soortenbescherming en gebiedsbescherming

5.5.1 Beoordelingskader Onder artikel 5.1, lid 1 Ow is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een natura 2000activiteit te verrichten. Ook is onder artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.

74/140

In het Bkl staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11, Bkl). In dit hoofdstuk zijn ook de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Als er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een floraen fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit). Natura 2000-gebieden Om de natuur te beschermen, heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een Natura 2000-activiteit. Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Bkl).

Natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Ow en artikel 7.6, lid 1 van het Bkl. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Provinciale omgevingsverordening Vanuit de Provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant (d.d. 5 december 2023) geldt ter plaatse artikel 5.31: Artikel 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant Lid 1 Een omgevingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, bepaalt in aanvulling op het Bkl dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 5.37 Compensatie.

Lid 3 Het eerste lid is niet van toepassing op een aantasting van het Natuur Netwerk Brabant door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Conform paragraaf 7.3.1. (Natuurnetwerk Nederland) van het Bkl dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen (artikel 7.8 Bkl).

75/140

Houtopstanden De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bkl. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bkl) en herplantplicht (art. 11.129 Bkl) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten 'bebouwingscontour houtkap'. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5.165b Bkl). Ook is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bkl) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. Soortenbescherming Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: • omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bkl); • omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bkl); • omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bkl). Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bkl, schadelijke handelingen Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bkl en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bkl.

5.5.2 Toetsing Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Vlijmens ven, Moerputten & Bossche broek, bevindt zich op ongeveer 3,7 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. Als er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten zoals geluid, licht en trilling, als gevolg van de voorgenomen plannen zijn gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie niet te verwachten. Omdat significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie niet op voorhand zijn uit te sluiten, zijn stikstofdepositie onderzoeken verricht, zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase. Hierbij is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratie zoals berekend in paragraaf 5.4. Dit is in afwijking van de input voor het wegverkeerslawaaionderzoek (zie bijlage 20), waarbij gebruik is gemaakt van de input voor het verkeersonderzoek Vlinder. Voor stikstof is hier geen gebruik van gemaakt, omdat in het verkeersmodel van Vlinder ook autonome ontwikkelingen zijn meegenomen. Het stikstofonderzoek dient uitsluitend de depositie van deze ontwikkeling in beeld te brengen.

Uit de Aerius-berekening met AERIUS Calculator (versie 2025) blijkt dat voor zowel de bouwfase (zie bijlage 12) als de gebruiksfase (zie bijlage 13) er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het resultaat betreft 0,00 mol N/ha/jaar. Op hexagonen met hersteldoelen of buitenlandse Natura 2000-gebieden worden geen depositietoenames berekend. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn derhalve uit te sluiten. De beoogde ontwikkeling is uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. De toelichtende memo op de stikstofdepositieberekeningen staat in bijlage 14.

76/140

Natuur Netwerk Brabant In de huidige situatie is binnen het plangebied aan de zuidzijde een kleine locatie aangeduid als Natuurnetwerk Brabant. Zoals beschreven in paragraaf 4.2.2 wordt deze aanduiding verwijderd en gecompenseerd binnen fase 2 van de gebiedsontwikkeling conform de provinciale omgevingsverordening. Zodoende leidt de ontwikkeling binnen fase 1 niet tot vernatting, verdroging, verzuring, vermesting, verzoeting, verzilting, verontreiniging, oppervlakteverlies en versnippering van NNB.

Figuur 5.4: Natuur Netwerk Brabant aan de zuidzijde tegen het plangebied aan (Bron: TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant) Houtopstanden De Ow beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De bomen op de onderzoeklocatie vallen niet onder deze definitie houtopstanden. In de volgende paragraaf zijn de bomen in het plangebied aan de hand van het bomen beleid van de gemeente getoetst.

77/140

Soortenbescherming Quickscan flora en fauna Een quickscan flora en fauna is uitgevoerd naar het deels te slopen Marthagebouw en het terrein rondom het Hoofdgebouw, zie bijlage 15. Ten tijde van het uitvoeren van de quickscan was nog niet duidelijk hoe het terrein rondom het Hoofdgebouw eruit zou komen te zien. Ter volledigheid is er van een "worst case" scenario uitgegaan. In dit scenario zal al het aanwezige groen gerooid worden en wordt het gehele terrein rondom het Hoofdgebouw tot bouwplaats omgevormd totdat het hele gebied binnen fase 1 is herontwikkeld. De conclusie van de quickscan luidt als volgt: Vaste rust of voortplantingsplaatsen van beschermde planten, insecten & ongewervelde, reptielen en vissen worden niet in het plangebied verwacht. Vaste rust of voortplantingsplaatsen van amfibieën, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen niet in het plangebied worden uitgesloten. In de quickscan is geconcludeerd dat aanvullend onderzoek naar deze soortgroepen noodzakelijk is. NB: In de quickscan wordt aanvullend onderzoek naar de kerkuil niet noodzakelijk geacht. In het aanvullend onderzoek is de kerkuil wel meegenomen. Tijdens dit onderzoek is een roestplaats van de kerkuil aangetroffen.

Aanvullend ecologisch onderzoek Natuur Inclusief heeft aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar amfibieën (Alpenwatersalamander, poelkikker en kamsalamander), kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel), steen- en boommarter, vleermuizen en vogels (kerkuil, sperwer, ransuil). In deze rapportage in bijlage 16 zijn de resultaten beschreven van deze onderzoeken. In verband met het voortijdig afbreken van het cameraval onderzoek door diefstal, is in overleg met de ODBN besloten om een habitatanalyse uit te voeren naar kleine marterachtigen (overeenkomstig Kennisdocument Kleine Marterachtigen van BIJ12) en naar boommarter. Binnen het projectgebied zijn 15 zomerverblijfplaatsen, 3 paarverblijfplaatsen en 1 massawinterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Er is een roestplaats van kerkuil aangetroffen, er is poelkikker aangetroffen in de slootgracht, en er is essentieel foerageergebied van eekhoorn aangetroffen. Tevens bevindt zich er een vaste voortplantings- of rustplaats van steenmarter op de zolder van het Martha gebouw, en kunnen vaste verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn) en boommarter niet uitgesloten worden. Er zijn geen vaste rust- of slaapplaatsen van sperwer en ransuil aangetroffen, ook zijn Alpenwatersalamander en kamsalamander niet aangetroffen.

Als de sloten en vijver in het gebied worden gedempt, heeft dit effect op overige amfibieën en vissen. De overige, tijdens het onderzoek aangetroffen amfibieën- en vissoorten (naast poelkikker), vallen niet onder een beschermingsregime van de Ow, maar voor deze soorten geld wel de Specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Echter is er geen onderzoek uitgevoerd naar kwabaal of grote modderkruiper; dit onderzoek zal noodzakelijk zijn wanneer het dempen of anderzijds aantasten van de sloten gepland staan.

78/140

De geplande werkzaamheden resulteren in het vernietigen of verstoren van 19 verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, 1 vaste voortplantings- of rustplaats van steenmarter en verblijfplaatsen van kleine marters en boommarter. Als er werkzaamheden uitgevoerd worden aan de noordoost zolder, resulteert dit ook in het verstoren van een vaste rustplaats van kerkuil, en als de oevers, grachten en/of het omliggende groen aangetast worden resulteren de werkzaamheden ook in het verloren gaan van voortplantingswater en essentieel winterhabitat van poelkikker. In het aanvullend onderzoek is geconcludeerd dat het noodzakelijk is om een vergunning aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant en aanvullende en compenserende maatregelen te nemen. Eekhoorn en uilen Door Ecosprong is aanvullend onderzoek gedaan op de gronden van fase 2, waarbij ze voor de eekhoorn en uilen ook de gronden van fase 1 hebben meegenomen. De bedelroep van een ransuil jong is waargenomen nabij het hoofdgebouw. Dit wijst op de aanwezigheid van een nest in de omgeving. De precieze locatie is echter onbekend. Bij het kappen van bomen gaat mogelijk de jaarrond beschermde nestlocatie van ransuil verloren. Daarnaast kunnen werkzaamheden nabij de nestlocatie in het broedseizoen leiden tot verstoring. Binnen het plangebied is een nestlocatie van eekhoorn aangetroffen.

Met de kap van bomen kunnen nestlocaties van eekhoorn vernietigd worden. Daarnaast kunnen werkzaamheden leiden tot verstoring. Zorgplicht Ook is het noodzakelijk dat zorgvuldig handelen en het naleven van de specifieke zorgplicht flora en fauna (Afdeling 1.3 Ow) wordt gegarandeerd. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Een ecologisch werkprotocol wordt daarom aanbevolen zodat alle medewerkers op locatie op de hoogte zijn en weten wat te doen. 5.5.3 Conclusie Uit de Aerius-berekening met AERIUS Calculator (versie 2025) blijkt dat voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het resultaat betreft 0,00 mol N/ha/jaar. Op hexagonen met hersteldoelen of buitenlandse Natura 2000-gebieden worden geen depositietoenames berekend. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn daarom uit te sluiten. De beoogde ontwikkeling is uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. Met de ontwikkeling is vanwege de beoogde werkzaamheden sprake van een flora en fauna activiteit. Ter bescherming van de hierboven benoemde soorten wordt ontheffing bij de provincie Noord-Brabant aangevraagd.

Met aanvullende compenserende maatregelen en een ecologisch werkprotocol kan voldaan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en instructieregels van de provincie.

79/140

5.6

Bomen

5.6.1 Beoordelingskader Bomenbeleidsplan Sint-Michielsgestel 2020-2030 De gemeente hecht aan het behoud van al haar bomen, in het bijzonder de structuren en monumentale en waardevolle bomen. Deze bomen kunnen zowel op gemeentelijk als op particulier terrein staan. Dit bomenbeleid geeft de visie van Sint-Michielsgestel op bomen, het geeft de randvoorwaarden aan en brengt samenhang in het bomenbeleid door afstemming van diverse beleidsonderdelen. Het is de sleutel tot een verantwoord bomenbeleid waaraan de gemeente werkt, met als doel een hoogwaardig en duurzaam bomenbestand. Daarbij ligt de focus op kwaliteit, minder op kwantiteit. De belangrijkste uitgangspunten zijn: • het zoveel mogelijk behouden van gezonde bomen met een levensduur van meer dan 15 jaar. • het behouden van, uitbreiden van en/of aansluiten op de bomenstructuur. • herplant en compensatie van groen. Bomenkap: lijst waardevolle bomen Bomen op de lijst waardevolle bomen zijn zo belangrijk dat hiervoor een strikt velverbod wordt gehanteerd. Als iemand van mening is dat een dergelijke boom toch moet worden gekapt, moet hiervoor een ontheffing in de vorm van een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Een ontheffing voor het vellen van een waardevolle boom kan, wanneer alternatieven voor behoud van de boom deskundig zijn onderzocht, alleen bij uitzondering worden verleend.

Onderstaande situaties kunnen toch reden zijn voor het verlenen van een ontheffing: 1. Het behoud van de boom is naar boomtechnische normen niet langer verantwoord omdat: a. door tak- of stambreuk veroorzaakt letsel of schade niet te voorkomen is; b. onrechtmatige hinder niet verder te voorkomen is; c. de houtopstand/boom een slechte conditie heeft met een lage levensverwachting. 2. Er is sprake van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang dat opweegt tegen duurzaam behoud van de boom. Ook moet uit deskundig onderzoek blijken dat alternatieven om de boom te behouden in beeld zijn gebracht en afgewogen Een boom die is ingepast bij een ruimtelijke ontwikkeling of ter compensatie van een ruimtelijke ontwikkeling is aangeplant kan ook de status van waardevolle houtopstand toegewezen krijgen en bij de volgende actualisatie aan de lijst waardevolle bomen worden toegevoegd. Vervangen van waardevolle bomen Wanneer een waardevolle boom gekapt moet worden (bijvoorbeeld door ouderdom, ziekte, schade of zeer zwaarwegend maatschappelijk belang) is herplant altijd een streven. • Bij vervanging van een waardevolle boom in het kader van behoud van een waardevolle boom op een specifieke locatie krijgt de nieuwe boom direct de status ‘waardevol’. De nieuwe boom komt dan direct op de lijst waardevolle bomen te staan. De nieuwe boom hoeft niet per definitie dezelfde soort te zijn.

80/140

•

Herplant op locatie van een voormalige waardevolle boom hoeft niet altijd te leiden tot een nieuwe waardevolle status. Dit speelt vooral wanneer de waardevolle status is toegekend op basis van specifieke kenmerken van de boom (vorm, leeftijd, e.d.), en niet op basis van de locatie of het ‘verhaal’ van de boom.

Bomenverordening Sint-Michielsgestel 2010 In artikel 2 van de bomenverordening is een beperkt kapverbod geregeld: 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een boom, zoals gedefinieerd in art 1.1.a (boom, boomgroep, bomenrij opgenomen in de laatst vastgestelde lijs Waardevolle bomen Sint-Michielsgestel) te vellen of te doen vellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 'bijzondere vergunningsvoorschriften' en 'afstand tot de erfgrenslijn; b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud; c. het periodiek knotten of candelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten van bomen die al eerder geknot of gecandelaberd zijn geworden. In artikel 6 van de bomenverordening is de herplant- en instandhoudingsplicht geregeld: 1.

Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op ander wijze is teniet gedaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond, dan wel aan degene die uit ander hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen de door hen te stellen termijn. 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoorde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 5.6.2 Toetsing Bomenstructuurkaart De parkachtige voortuin van het Hoofdgebouw is aangeduid als 'secundaire structuur - vlak' op de Bomenstructuurkaart.

De secundaire structuur is bepalend voor de uitstraling en structurering van de wijken. De secundaire structuur: • Bestaat vooral uit (wijk)ontsluitingswegen en wijkgroen. • Is gericht op ontwikkelingen die de leefbaarheid in de wijk verhogen. • Is gericht op het realiseren van een volwassen boomstructuur, maar is niet altijd kapvergunningplichtig en daardoor flexibeler te ontwikkelen dan de primaire structuur. • Vormt een structurele basis voor het bomenbestand in woonwijken. • Bevat de belangrijkste gebieden en structuren die in de woonwijken worden ingezet voor de ontwikkeling van lokale doelen voor klimaat en biodiversiteit.

81/140

Figuur 5.5: Uitsnede Bomenstructuurkaart Sint-Michielsgestel Waardevolle bomen Er staan verschillende waardevolle bomen binnen het plangebied. De waardevolle bomen zijn op de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan weergegeven.

Figuur 5.6: Uitsnede Waardevolle bomen kaart Sint-Michielsgestel

82/140

In een Boom Effect Analyse zijn de waardevolle bomen onderzocht die direct beïnvloed worden door het planvoornemen. De onderzochte bomen 12, 13 en 14 vallen buiten het plangebied.

Figuur 5.7: Aanduiding onderzochte waardevolle bomen in BEA Boom Effect Analyse Het doel van de BEA was om te bepalen welke bomen behouden kunnen blijven, welke onder bepaalde maatregelen kunnen worden behouden en welke niet behouden kunnen blijven. De BEA is uitgevoerd volgens de richtlijnen van de Bomenstichting en CROW en biedt het rapport een objectieve en onderbouwde beoordeling van de effecten op de bomen van de geplande activiteiten. Voor een overzichtelijke beoordeling waren de bomen ingedeeld in verschillende groepen op basis van hun situatie. In bijlage 17 is de BEA in te zien met in hoofdstuk 6 een samenvatting per bomengroep.

Figuur 5.8: Onderzochte bomen in BEA geprojecteerd op schetsontwerp (Bron: SmitsRinsma)

83/140

Figuur 5.9: Bomeninvertarisatie (Bron: SmitsRinsma) Samenvattend laten de bevindingen zien dat de winterlindes in de binnentuin in een goede conditie verkeren en een centrale rol zullen spelen in de nieuwe tuinindeling. De bovengrondse wijzigingen, zoals de aanleg van paden en plantvakken, zullen de conditie van deze bomen slechts minimaal beïnvloeden. Echter, de ondergrondse impact, door de verdichting van de bodem, kan de wortelgroei belemmeren. Met de juiste voorzorgsmaatregelen, zoals het behouden van voldoende afstand tussen paden en stam, kunnen de bomen zich goed aanpassen aan de veranderingen. De Amerikaanse eiken verkeren momenteel in een matige conditie en zullen verder verzwakken door de geplande herinrichting en aanleg van een watergang. Deze bomen zijn minder ecologisch waardevol en het is daarom raadzaam om ze te vervangen door inheemse bomen die beter passen in het ecosysteem en de biodiversiteit van het gebied zullen verbeteren. Boom 15, hoewel in goede staat, vereist speciale aandacht tijdens de werkzaamheden. Om de gezondheid van deze boom te waarborgen, moeten maatregelen worden getroffen om bodemverdichting en wortelschade te minimaliseren, en moet de afstand tot nieuwe infrastructuur zorgvuldig worden beheerd.

In het algemeen is het essentieel om tijdens de uitvoering van de herinrichtingswerkzaamheden extra zorg te besteden aan de bescherming van de bomen. Door de aanbevolen maatregelen op te volgen, kan de impact op de bomen geminimaliseerd worden, en kan de kwaliteit en ecologische waarde van het groene gebied op lange termijn worden behouden en verbeterd. Addendum Boom Effect Analyse Naar aanleiding van het doorontwerpen van het schetsontwerp (SO) naar het voorlopig ontwerp (VO) door Delva is besloten de eerder opgestelde Boomeffectanalyse (BEA) aan te vullen. In deze aanvulling worden de wijzigingen in het ontwerp beschreven en beoordeeld in hoeverre deze aanpassingen invloed hebben op de aanwezige en te behouden

84/140

bomen binnen het plangebied. De oorspronkelijke BEA vormde de basis voor inzicht in de boomtechnische consequenties van het schetsontwerp. In het voorlopig ontwerp zijn op diverse onderdelen wijzigingen doorgevoerd, zoals in de situering van verhardingen, leidingtracés en inrichtingselementen. Daarnaast zijn er maatregelen getroffen om de bestaande bomen beter te beschermen, onder andere door voldoende afstand tot de stam te houden. Daarom is een actualisatie van de BEA noodzakelijk om de gevolgen voor de bomen opnieuw te kunnen beoordelen. Dit is bijgevoegd in bijlage 18 als een addendum op de BEA. In dit addendum worden de ontwerpaanpassingen toegelicht en, waar relevant, visueel weergegeven. Vervolgens wordt per wijziging aangegeven wat de mogelijke effecten zijn op de groeiplaatsen en de levensverwachting van de betreffende bomen. Indien nodig worden aanvullende maatregelen of aandachtspunten benoemd om schade aan bomen tijdens de uitvoering te voorkomen. De slotconclusie van het addendum luidt als volgt: De meeste bomen (bomen 1–11 en boom 15) behouden hun groeiruimte en worden nauwelijks beïnvloed door het ontwerp of de werkzaamheden, mits de standaard beschermingsmaatregelen conform het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen worden toegepast. De Amerikaanse eiken (bomen 12–14) verkeren in een verslechterde conditie en vormen een risicogroep.

Bij het verwijderen van de verharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden nabij de stamvoet bestaat een verhoogde kans op uitval. Voor deze bomen zijn extra beschermingsmaatregelen en een zorgvuldige uitvoering en nazorg noodzakelijk. De aanpassingen in het voorlopig ontwerp, waaronder het inkorten van de watergang en het vergroten van de afstand tussen bebouwing en bomen, dragen positief bij aan het behoud van de boomstructuur. Door het strikt naleven van de boombeschermingszones, het voorkomen van verdichting en het zorgvuldig uitvoeren van werkzaamheden en bronnering, kan de gezondheid en stabiliteit van de volledige boomvoorraad duurzaam worden gewaarborgd. Kwantitatief en compensatie Ten behoeve van de nieuwbouw aan de noordzijde van het Hoofdgebouw zal echter toch een aantal bomen verwijderd moeten worden. Zoals op onderstaande figuur in beeld is gebracht zullen 20 solitaire bomen, 30 leibomen en bosschages gekapt gaan worden. In bijlage 19 is een overzicht te vinden van de te kappen bomen met daarbij de toelichting op de kap. Binnen het plangebied ten noordwesten van de wasserij worden twee waardevolle bomen, zoals aangeduid op de Waardevolle Bomen kaart Sint-Michielsgestel, gekapt ten behoeve van nutsvoorzieningen. In de figuur hieronder aangewezen met een gele pijl.

Conform de Bomenverordening Sint-Michielsgestel 2010 is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een boom, zoals opgenomen in de laatst vastgestelde lijst Waardevolle bomen SintMichielsgestel, te vellen of te doen vellen. Wanneer een waardevolle boom gekapt moet worden is, conform het Bomenbeleidsplan Sint-Michielsgestel 2020-2030, herplant altijd een streven. De gekapte bomen worden ruimschoots gecompenseerd met een gevarieerde heraanplant van inheemse boomsoorten in verschillende leeftijden. Er worden meer bomen nieuw geplant dan er worden gekapt.

85/140

Figuur 5.10: Overzicht te behouden (zwarte) en te kappen (rood) bomen, leibomen en bosschages. Gele pijl geeft 2 te kappen waardevolle bomen aan (Bron: SmitsRinsma) 5.6.3 Conclusie Twee waardevolle bomen, zoals aangegeven op de Waardevolle Bomen kaart Sint-Michielsgestel, worden geveld, hiervoor dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. De bomen en bosschages die noodgedwongen gekapt moeten worden ten behoeve van het plan worden ruimschoots gecompenseerd binnen het plangebied.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1 Beoordelingskader Als een wijziging omgevingsplan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaard activiteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.

86/140

Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Sint-Michielsgestel heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst. 5.7.2 Toetsing Dit project voorziet in de realisatie van 196 woningen in het stedelijk gebied van Sint-Michielsgestel. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: • één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of • twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen. Daarnaast is de gemeente Sint-Michielsgestel niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof of stikstofdioxide. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven.

Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Sint-Michielsgestel heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst.

Figuur 5.11: uitsnede CIMLK-viewer, met het projectgebied rood omlijnd en ten noorden het toetspunt aan het wegdeel 'Bosschebaan' (Bron: CIMLK.nl/kaart) Hierboven is een uitsnede opgenomen van de CIMLK-viewer waarop te zien is waar het relevante toetspunt zich bevindt ten opzichte van het projectgebied. De afbeelding geeft de PM10-overschrijdingsdagen weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden, monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een afbeelding op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante

87/140

luchtverontreinigende stoffen. Tabel 5.7: relevante concentraties op dichtstbijzijnde toetspunt Toetspunt:

Bosschebaan (x: 153408.4140309719; y: 406641.9233302588)

Monitoringsronde:

2023

Monitoringsjaar

NO2-concentratie

PM10-concentratie

PM10PM2,5-concentratie overschrijdingsdagen

2025

14,1764

15,333

6

8,737

2030

12,1266

14,3044

6

7,7728

40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde

35 dagen per kalenderjaar

25 µg/m³ kalenderjaargemiddelde

Ten hoogste 40 µg/m³ toelaatbaar (art. 2.4 en kalenderjaar2.5 Bkl) gemiddelde

5.7.3 Conclusie De ontwikkeling voldoet voor het aspect luchtkwaliteit aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de planlocatie toe te delen.

5.8

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.8.1 Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels in het Bkl over geluid gaan onder andere over het beheersen van geluid door wegen en spoorwegen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit worden geluidsregels toegevoegd aan de Ow en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Tabel 5.8: standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw voor (spoor)wegen Geluidbronsoorten

Standaardwaarde

Gemeentewegen

53 Lden

Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen

55 Lden

Afdeling 3.5 (artikel 3.18 lid 1) van het Bkl voorziet in het toetsingskader/instructieregels over de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft.

88/140

5.8.2 Toetsing Het wegverkeerslawaai heeft zowel invloed op de geluidgevoelige gebouwen binnen de ontwikkeling als buiten de ontwikkeling. Geluidgevoelige gebouwen binnen de ontwikkeling Binnen de bestaande gebouwen en de nieuwe gebouwen worden voornamelijk woningen gerealiseerd in de nieuwe situatie. Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelig. Ook het kinderdagverblijf is geluidgevoelig. Geluidgevoelige gebouwen buiten de ontwikkeling Aan de Theerestraat staan bestaande woningen die geluidhinder kunnen ondervinden van het wegverkeer op de Theerestraat. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. In bijlage 20 is het wegverkeerslawaaionderzoek opgenomen. In dit onderzoek is het geluid vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen voor het plan Domein aan de Dommel fase 1 aan de Theerestraat in Sint-Michielsgestel berekend. Daarnaast is de geluidstoename bij omliggende bestaande gevoelige functies als gevolg van de verkeerstoename vanuit het plan berekend. Toetsing standaardwaarden en grenswaarden Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 56 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden maar de grenswaarde van 70 dB niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, zie paragraaf 3.4. van het onderzoeksrapport in bijlage 20.

Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 52 dB wanneer de snelheid van de Theerestraat van 50 km/u naar 30 km/u wordt gebracht. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden wanneer de maatregel van de Theerestraat wordt doorgevoerd. Gevelwering en woon- en leefklimaat Gevelwering transformatie en nieuwbouw Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 56 dB ter plaatse van de zuidgevels van de woningen grenzend aan de Theerestraat. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal: • 56 – 33 = 23 dB, wanneer de eisen overeenkomen met nieuwbouw. • 56 – 38 = 18 dB, wanneer het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift een hoger binnenniveau toestaat van 38 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de geluidwering van de gevels op de bestaande en nieuwbouw woningen. Gevelwering transformatie en nieuwbouw (maatregel Theerestraat) Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 52 dB ter plaatse van de zuidgevels van de woningen grenzend aan de Theerestraat. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal: • 52 – 33 = 19 dB, wanneer de eisen overeenkomen met nieuwbouw. • 52 – 38 = 14 dB, wanneer het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift een hoger binnenniveau toestaat van 38 dB.

89/140

Een gevelwering van 19 dB wordt bij bestaande bouw in de meeste gevallen bijna altijd behaald. Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels van de bestaande bouw en nieuwbouw is niet nodig wanneer de Theerestraat wordt teruggebracht naar 30 km/u. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Matig’ tot ‘Zeer goed’ en ‘Redelijk’ tot ‘Zeer goed’ met de doorgevoerde maatregel Theerestraat. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.5.1 en 3.5.2 van het onderzoeksrapport in bijlage 20 kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Berekende geluidstoename bestaande gevoelige functies in omgeving Gemeentelijke wegen De geluidsbelastingen ter plaatse van de bestaande woningen aan de Theerestraat voor rekenmodel A en B bedraagt maximaal 67 dB. De maximale toename van de geluidbelasting ten opzichte van de heersende waarde is 0,50 dB. Een dergelijke toename van de geluidsbelasting wordt niet als significant beschouwd. Er hoeven geen verdere maatregelen te worden onderzocht. Gemeentelijke wegen (maatregel Theerestraat 30 km/u) De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 67 dB in referentiemodel A (snelheid Theerestraat 50 km/u) en 64 dB in planmodel B (snelheid Theerestraat 30 km/u) ter plaatse van de woning aan de Theerestraat 77 op toetspunt tp_T77_A (begane grond).

Wanneer de gemeente de maatregel doorvoert en de snelheid van de Theerestraat van 50 km/u naar 30 km/u verlaagt zal de geluidbelasting op de gevels met 2 á 3 dB reduceren ondanks de toenemende verkeersintensiteiten van het plan Domein aan de Dommel fase 1. 5.8.3 Conclusie De toename van geluidbelasting door de ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

5.9

Geluid door activiteiten

5.9.1 Wettelijk kader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Ow) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:  menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;  scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Richtafstanden conform handreiking Activiteiten en milieuzonering 2024 De basisprincipes van milieuzonering zoals gehanteerd in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering 2009 blijven

90/140

hetzelfde. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geluid en geur. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Met gemengd gebied met wonen wordt in de handreiking Activiteiten en milieuzonering 2024 een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. In die gebieden wordt het wonen (of ander milieugevoelig gebruik) toegelaten, samen met activiteiten die geschikt zijn om te mengen met wonen, zoals horeca, onderwijs, zorg, dienstverlening, cultuur en lichte bedrijvigheid. Het zijn vaak levendige gebieden.

Standaardwaarden In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen: Tabel 5.9: standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

LAr,LT als gevolg van activiteiten

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen

--

70 dB(A)

70 dB(A)

LAmax door andere piekgeluiden

--

65 dB(A)

65 dB(A)

Tabel 5.10: standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

LAr,LT als gevolg van activiteiten

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen

--

55 dB(A)

55 dB(A)

LAmax door andere piekgeluiden

--

45 dB(A)

45 dB(A)

5.9.2 Toetsing Geluidgevoelige gebouwen Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt in de vorm van woningen.

91/140

Geluid door activiteiten Daarnaast worden activiteiten aan het plangebied toegevoegd die geluid kunnen veroorzaken, zowel binnen als buiten het plangebied. Binnen het plangebied Binnen het plangebied worden de volgende functies mogelijk gemaakt met voorliggend TAM-omgevingsplan: • Multifunctionele ruimte met een zaal en een podium voor maatschappelijke activiteiten; • Horeca, zowel zelfstandig als ondergeschikt; • Een kinderdagverblijf; • Verdiepte parkeergarage. Afgezien van de parkeergarage, staat het in deze fase nog niet vast in welke vorm deze activiteiten gerealiseerd gaan worden. Pas wanneer de exploitaties rond zijn en de bouwvergunningen worden aangevraagd, wordt pas concreet duidelijk welke activiteiten mogelijk geluid kunnen veroorzaken en in welke mate (niveaus). Pas in die fase kan er onderzoek gedaan worden naar de benodigde geluidwerende en/of geluidisolerende voorzieningen. Dit is een doorgeschoven toetsmoment die daarmee pas in een later stadium uitgevoerd kan worden (in lijn met de bedoeling van de Omgevingswet). Bij die onderzoeken worden de regels uit de Bruidsschat rand voorwaardelijk toegepast. In deze fase, waarin voorliggend omgevingsplan slechts globaal functies mogelijk maakt, kan slechts aangetoond worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hierna wordt aangetoond dat het planvoornemen 'niet evident uitvoerbaar is' Als aan de Bruidsschat-regels wordt voldaan, is er ook sprake van een aanvaardbare situatie. Voor wat betreft mogelijk optredend stemgeluid. In de basis mag dit bij de beoordeling worden uitgesloten, maar moet er wel een oordeel worden gegeven. Ook hiervoor geldt dat een kwantitatief oordeel niet mogelijk is omdat er geen uitgangspunten bekend zijn. Stemgeluid is in veel situaties niet hinderlijk en passend bij een woonomgeving, evenals het mogelijke geluid van parkeren in een woonomgeving. In het hoofdgebouw: Multifunctionele ruimte Denk daarbij aan: exposities, kleine evenementen zoals muziekuitvoeringen of presentaties. De grootste richtafstand conform handreiking 2024 is voor 'Theaters, muziek- en dansscholen' 1 (30 meter). Tussen de multifunctionele ruimte en de dichtstbijzijnde woning zit in ieder geval een brede toiletruimte. Voor deze activiteiten wordt een akoestisch aanvaardbare situatie voor de nieuwe woningen gewaarborgd door de noodzakelijke geluidwerende maatregelen op gebouwniveau toe te passen.

92/140

Figuur 5.12: Afstand multifunctionele ruimte tot woningen Horeca Denk daarbij aan: • High end horeca/Experiënce horeca, ook voor vieringen en trouwerijen met livemuziek. • Brasserie/Grand café. • Private dining. • Sociale horeca, broodjeszaak evt. dagbesteding werk Kentalis. De grootste richtafstand volgens handreiking 2024 is voor 'restaurants en café's' FM (0-10 meter). Tussen de horeca en de dichtstbijzijnde woning zit een brede hal met grote trap. Dit past binnen de richtafstand van 0-10 meter. Voor deze activiteiten wordt een akoestisch aanvaardbare situatie voor de nieuwe woningen gewaarborgd door de noodzakelijke geluidwerende maatregelen op gebouwniveau toe te passen.

93/140

Figuur 5.13: Afstand horeca tot woningen Enkele aandachtspunten bij horeca-activiteiten, welke maatgevend kunnen zijn, zijn het gebruik van eventuele terrassen, mogelijke activiteiten in de avond- en nachtperiode, en de mogelijke aanwezigheid van muziekgeluid. In de voormalige wasserij: Kinderopvang Denk daarbij aan: Kinderdagverblijf (KDV) en/of Buitenschoolse Opvang (BSO). De grootste richtafstand conform handreiking 2024 voor 'kinderopvang' is 30 meter. Tussen de kinderopvang en de dichtstbijzijnde woning zit ongeveer 9,5 meter. Op basis van artikel 5.73 van het Bkl moet in het omgevingsplan worden bepaald dat de geluidgrenswaarden niet van toepassing zijn op onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij er sprake is van muziekgeluid en/of vermenging met muziekgeluid. In de Bruidsschat (tijdelijk deel omgevingsplan) is opgenomen dat dit (overeenkomstig voorheen het Activiteitenbesluit) specifiek geldt voor basisscholen in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs en ook het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen goede ruimtelijke ordening) dient stemgeluid wel te worden beoordeeld (kwalitatief of kwantitatief).

In de praktijk zullen de kinderen alleen overdag op weekdagen aanwezig zijn en buiten spelen. In de avond- en nachturen en in de weekenden wanneer mogelijk stemgeluid het meest hinderlijk kan zijn, zijn er geen spelende kinderen aanwezig. Het stemgeluid in met name de dagperiode is passend en hoort bij een woonomgeving. Bij de activiteiten behorende bij kinderdagverblijven en/of buitenschoolse opvang zal rekening gehouden moeten worden met geluiduitstraling door buitenruimtes waar kinderen kunnen spelen, aan- en afrijdend verkeer en

94/140

(dak)installaties.

Figuur 5.14: Afstand kinderdagverblijf tot woningen Parkeergarage De grootste richtafstand conform handreiking 2024 voor 'parkeergarages' is 1 (30 meter). Tussen de ingang van de parkeergarage en de dichtstbijzijnde woning zit ongeveer 15 meter. Voor deze activiteit wordt een akoestisch aanvaardbare situatie voor de nieuwe woningen gewaarborgd door de noodzakelijke geluidwerende maatregelen op gebouwniveau toe te passen.

95/140

Buiten het plangebied

Figuur 5.15: Bedrijven rondom plangebied, rood omkaderd Tankstation zonder LPG Op ongeveer 15 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een tankstation (zonder LPG). Volgens de VNGhandreiking Activiteiten milieuzonering 2024 heeft een benzineservicestation zonder LPG een richtafstand van 1 (30 meter) voor geluid. De dichtstbijzijnde planologische mogelijkheid tot het bouwen van gevoelige functies binnen het plangebied komt op ongeveer 95 meter van het tankstation te liggen. Gevoelige functies kunnen daarmee niet binnen de richtafstand van het tankstation worden gerealiseerd binnen het plangebied. Daarnaast liggen bestaande woningen dichter bij het tankstation, dan de beoogde woningen binnen het plangebied. Daarmee wordt dit bedrijf niet belemmerd in de bedrijfsvoering door de oprichting van nieuwe woningen binnen het plangebied. Hostiemakerij Op ongeveer 110 meter ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een hostiemakerij. Volgens de VNGhandreiking Activiteiten en milieuzonering 2024 heeft een 'Broodfabriek v.c. <7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens' een richtafstand van 1 (30 meter). Het plangebied ligt daarmee op ruim voldoende afstand. Parkeerterrein gemeentehuis Op ongeveer 50 meter ten zuidoosten van de rand van het plangebied bevindt zich het parkeerterrein van het gemeentehuis.

Volgens de VNG-handreiking Activiteiten milieuzonering 2024 heeft een autoparkeerterrein een richtafstand van 1 (30 meter) voor geluid. Het plangebied ligt daarmee op ruim voldoende afstand.

96/140

In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich ook het instituut Kentalis, dit bedrijf staat geen milieubelastende activiteiten toe. 5.9.3 Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor geluid door activiteiten, omdat is aangetoond dat er geen geluidhinder optreedt door de activiteiten op de omliggende geluidgevoelige functies. De ontwikkeling voldoet voor het aspect geluid door activiteiten daarom aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Geur 5.10.1 Beoordelingskader Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl 'Geur', onderdeel van paragraaf 5.1.4 'Beschermen van de gezondheid en van het milieu'. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. De Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel (17-3-2017) maakt onderdeel uit van het omgevingsplan. In de geurverordening wordt voor het begrip 'geurgevoelig object' verwezen naar artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het [omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit] mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf.' Geur veroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: • zuivering technische werken

(sub paragraaf 5.1.4.6.2); • houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); • enkele andere agrarische activiteiten (sub paragraaf 5.1.4.6.4). Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De geur veroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het omgevingsplan. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

97/140

Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. In het omgevingsplan zijn de instructieregels ten aanzien van geur opgenomen in paragraaf 22.3.6. Het betreft instructieregels ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuivering technische werken. 5.10.2 Toetsing Op basis van Artikel 5.92 van het Bkl moet de aanvaardbaarheid van de geur door omliggende bedrijven op geurgevoelige gebouwen worden aangetoond. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van Sint-Michielsgestel. Rondom de planlocatie zijn diverse andere geurgevoelige gebouwen gelegen. Veehouderijen In de omgeving van het plangebied zijn er geen veehouderijen die een negatieve invloed kunnen hebben op het woonen leefklimaat wat betreft het aspect geur.

Vice versa zijn er ook geen veehouderijen die in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de beoogde woningen en ook geen andere zuivering technische werken en andere agrarische activiteiten. Op onderstaande kaart is te zien dat de achtergrondbelasting geur als zeer goed wordt beoordeeld. Ter plaatse van het plangebied is daarom qua geur sprake van een goede kwaliteit leefomgeving.

Figuur 5.16: uitsnede kaart achtergrondbelasting geur met plangebied rood omkaderd (Bron: atlas.odzob.nl)

98/140

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=ac7baabf-18c9-4344-82f6-8fb36f71ae90