CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Gewijzigde vaststelling Uilenbroek 4 te Boxtel- Bijlage 3 Toelichting (motivering) van het vast te stellen bestemmingsplan

Raadsvergadering Boxtel 4 februari 2026, gemeente boxtelBij agendapunt: Gewijzigd bestemmingsplan Uilenbroek 4 te Boxtel; herstel van gebreken15.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conform artikel 1.1a van de Wabo wordt deze woning dan ook, evenals de bedrijfswoning Uilenbroek 2, beschermd als ware het een bedrijfswoning van de eigen bedrijfsvoering. Herbestemming naar plattelandswoning wijzigt de VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

27

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

bescherming van deze woning, en daarmee de mate van het woon- leefklimaat niet. De gemeente Boxtel acht deze huidige afstand aanvaardbaar.

4.6.5 Woon- en leefklimaat Het woon- en leefklimaat wordt bepaald door de mate van de achtergrondbelasting. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting en wordt berekend met het programma V-Stacks Gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting dienen de veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie beoordeeld te worden. Hiertoe zijn alle bedrijven binnen de gemeenten Boxtel, Oisterwijk en Vught ingevoerd. De invoergegevens van deze bedrijven zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (uitvoer 7 maart 2022). Deze invoergegevens zijn als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen hierbij de hoekpunten van de naar plattelandswoning om te zetten bedrijfswoning. Navolgend zijn de invoergegevens en de berekening weergegeven.

Berekende ruwheid: 0,11 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 146 275 m Rasterpunt linksonder y: 400 446 m Gebied lengte (x): 1000 m, Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 1000 m, Aantal gridpunten: 50 Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurbelasting [OU/m3] 1001 146764 400953 3,95 1002 146775 400946 3,95 1003 146771 400964 3,95 1004 146781 400959 3,96 Tabel 2: Achtergrondbelasting ter plaatse van plattelandswoning

Ter plaatse van de naar plattelandswoning om te zetten bedrijfswoning is sprake van een achtergrondbelasting van maximaal 3,96 oue/m³. Op grond van de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij Bijlagen 6 en 7’ kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een ‘goed woon- en leefklimaat’.

4.6.6 Belangenafweging Aangezien de beoogde plattelandswoning dezelfde bescherming geniet als ware het een bedrijfswoning, worden agrarische bedrijven in de omgeving van de plattelandswoning als gevolg van de ontwikkeling niet verder belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden dan in de huidige situatie. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen volgt dat met de figuur van de plattelandswoning is beoogd om niet het feitelijk gebruik van een woning, maar de VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

28

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

planologische status ervan bepalend te laten zijn voor de bescherming van de bewoners ervan tegen milieuhinder. Indien een (voormalige) agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de betreffende agrarische inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieueffecten ervan. De exploitatie van de inrichting wordt op deze manier niet belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als reguliere woning. Zo volgt uit jurisprudentie (o.a. uitspraak 202005652/1/R4, d.d. 17 november 2021 en 201309926/1/R1, d.d. 15 april 2015). Gesteld kan worden dat exploitant van het bedrijf niet verder wordt belemmerd in de bedrijfsvoering dan in de huidige situatie reeds het geval is. Bovendien ligt uitbreiding van de veehouderij dan wel omschakeling naar intensieve veehouderij om verschillende redenen niet in de lijn der verwachting. Uitbreiding van bebouwing behoort niet tot de mogelijkheden conform de provinciale regelgeving. Omschakeling zou niet mogen leiden tot een toename aan milieu-emissie. Exploitant heeft tevens te kennen gegeven geen concrete uitbreidingsplannen te hebben en ook geen ambities te hebben in omschakeling naar intensieve veehouderij. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Gezondheid 4.7.1 Endotoxinen 4.7.1.1 Inleiding De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.

4.7.1.2 Toetsing Met de rekentool uitgebracht door de Omgevingsdienst is een berekening gemaakt van de afstand waarop de adviesnormen van 30 EU/m³ wordt overschreden voor omliggende veehouderijbedrijven: - De veehouderij aan Luissel 9 betreft een melkveebedrijf met een fijnstofemissie van 44 kg./jr. Deze emissie is in het kader van endotoxine verwaarloosbaar. - De veehouderij aan Uilenbroek 2 betreft een rundveebedrijf met een fijnstofemissie van 17 kg./jr. Deze emissie is in het kader van endotoxine verwaarloosbaar. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

29

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

-

De veehouderij aan Uilenbroek 3 betreft een paardenhouderij zonder fijnstofemissie. De veehouderij aan Uilenbroek 6 betreft een rundveebedrijf met een fijnstofemissie van 7 kg./jr. Deze emissie is in het kader van endotoxine verwaarloosbaar.

In het kader van het aspect endotoxinen is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect endotoxine is in de huidige situatie geen bezwaar voor herbestemming van de bedrijfswoning naar plattelandswoning. 4.7.1.3 Belangenafweging Als gevolg van de beoogde herontwikkeling mag de veehouderij Uilenbroek 2 niet worden belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. Rekening dient daarbij te worden gehouden met het feit dat bestemmingsplanmatig de mogelijkheid bestaat tot omschakeling naar intensieve veehouderij. Om verschillende redenen (zie paragraaf 2.1.3.3 en 4.6.6 van deze toelichting) behoort omschakeling niet tot de mogelijkheden. Uitbreiding van bedrijfsgebouwen is niet mogelijk, en omschakeling zou niet mogen leiden tot een toename aan emissies. Herbestemming van voormalige agrarische bedrijfswoning Uilenbroek 4 naar plattelandswoning doet hier niets aan af. De beoogde herontwikkeling leidt daarmee niet tot belemmering in de bedrijfsvoering of de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf.

4.7.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. De meest dicht bij het plangebied gelegen geitenhouderij is gelegen aan Belversestraat 10a, op 1,6 kilometer ten westen van het plangebied. Op deze veehouderij is sprake van een vergunde situatie voor het houden van maximaal 1.022 geiten. De beoogde herontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang. De naar plattelandswoning om te zetten bedrijfswoning zal niet worden gebruikt door ‘meer kwetsbare personen’ op het vlak van gezondheidsredenen.

Ter plaatse van het plangebied wordt geen nieuwe woonfunctie toegevoegd, maar de bestaande bedrijfswoning mag eveneens worden bewoond door derden. Het gaat hier om een reeds langer bestaande situatie. Omdat nog geen duidelijkheid bestaat over de oorzaak en aanpak van de longontstekingen in de omgeving van geitenhouderijen, en het slechts een voorlopig advies is vanuit de GGD, wordt in dit geval door de gemeente Boxtel afgewogen dat de afstand van 1,6 kilometer een aanvaardbaar risico vormt en het geen belemmering vormt voor de omzetting naar plattelandswoning.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

4.7.3 Gewasbeschermingsmiddelen Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit rechtspraak volgt dat dit een locatie-specifiek onderzoek moet zijn.

Binnen een straal van 50 meter vanuit de naar plattelandswoning om te zetten bedrijfswoning Uilenbroek 4 wordt geen land- of tuinbouw gevoerd waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Dit aspect vormt dan ook voor de beoogde herontwikkeling geen belemmering.

4.8 Geluid 4.8.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Bij vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige objecten niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. De gemeente Boxtel heeft een indicatieve geluidkaart opgesteld, gebaseerd op het verkeersmodel. De indicatieve geluidbelasting voor de woning Uilenbroek 4 bedraagt 39 dB. Dit is ruimschoots onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Vanuit wegverkeerslawaai is ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8.2 Industrielawaai 4.8.2.1 Inleiding Voor geluid is een bedrijfswoning een geluidsgevoelige functie, net als een plattelandswoning en een gewone burgerwoning. De omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning heeft dan ook geen gevolgen voor het bedrijf gelegen aan Uilenbroek 6. Uitzondering hierop is de inrichting waar de bedrijfswoning bij hoort. Voor deze inrichting is de bedrijfswoning in de milieuregelgeving geen geluidgevoelige functie. Op grond van de Wet plattelandswoningen en daarmee artikel 1.1a van de Wabo en artikel 1.3c van het Activiteitenbesluit wordt de plattelandswoning in het kader van het aspect ‘geluid’ gelijk gesteld aan de bedrijfswoning. Ten aanzien van de eigen inrichting wordt de plattelandswoning niet gezien als ‘geluidsgevoelige functie’. De bescherming van de woning wijzigt als gevolg van de beoogde herontwikkeling op grond van de Wet milieuhinder en het Activiteitenbesluit niet. Geen sprake zal zijn van een nieuwe geluidgevoelige functie. Niettemin moet voldaan worden

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

aan een ‘goede ruimtelijke ordening’. Sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit aspect wordt navolgend nader toegelicht. 4.8.2.2 Toetsing Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie van de activiteiten en werkzaamheden van de inrichting gelegen aan Uilenbroek 2. In dit onderzoek is het woon- en leefklimaat bepaald op de naar plattelandswoning om te zetten bedrijfswoning Uilenbroek 4 ten aanzien van het aspect geluid. Uit de conclusies moet worden opgemaakt dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat (redelijk tot goed). In dit onderzoek is zelfs een berekening gemaakt van de geluidbelasting in de representatieve bedrijfssituatie van de maximale planologische situatie. Gerekend is als ware het een intensieve veehouderij. Op basis daarvan kan nog steeds worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat (matig tot goed). Geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van onaanvaardbare hinder en daarmee dan ook dat de veehouderij niet in de ontwikkelingsmogelijkheden wordt belemmerd. De volledige rapportage (Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V., rapportnummer M210923.002.003/JME, d.d. 26 april 2023) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In dit rapport is eventuele geluidemissie vanuit Uilenbroek 6 niet meegenomen.

Feitelijk is hier geen sprake meer van een melkinrichting, waarmee de geluidemissie vanuit deze locatie gering is. In de laatste berekeningen van geluidhinder vanuit Uilenbroek 4 is de worst-case-scenario gehanteerd (maximale planologische situatie). Eventuele geluidemissie vanuit Uilenbroek 6 zal dit nooit overstijgen. Hiermee kan worden gesteld dat ook bij een cumulatie van de huidige geluidemissie vanuit Uilenbroek 2 en Uilenbroek 6 tezamen nooit zal leiden tot een onacceptabel woon- en leefklimaat.

4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Inleiding De Nederlandse overheid heeft de Europese Richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet luchtkwaliteit. Dit is geen op zichzelf staande wet, maar onderdeel van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer met als titel “luchtkwaliteitseisen”. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De Wet luchtkwaliteit is nader uitgewerkt in een aantal besluiten en regelingen: - Besluit niet in betekende mate (NIBM); - Regeling niet in betekende mate; - Besluit gevoelige bestemmingen; - Regeling beoordeling Luchtkwaliteit (RBL2007); - Regeling projectgerichte saldering; - Besluit maatregelen richtwaarden; - Besluit derogatie; - Smogregeling 2010. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). De aanleiding hiervoor was de derogatie die is verleend VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

door de Europese Unie voor het behalen van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Deze derogatie was een voorwaarde om het NSL in werking te laten treden. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

4.9.2 Regeling Niet in Betekenende Mate Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien het plan slechts de omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning mogelijk maakt, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.

4.9.3 Europese Richtlijn luchtkwaliteit (Richtlijn 2008/50/EG) 4.9.3.1

Inleiding

De Europese Richtlijn luchtkwaliteit (Richtlijn 2008/50/EG) voorziet in maatregelen die erop gericht zijn: - doelstellingen voor de luchtkwaliteit te omschrijven en vast te stellen die bedoeld zijn om de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen; - de luchtkwaliteit in de lidstaten op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria te beoordelen; - gegevens over de luchtkwaliteit te verkrijgen, teneinde luchtverontreiniging en hinder te helpen bestrijden en de langetermijntrends en –verbeteringen die het gevolg zijn van nationale en communautaire maatregelen te bewaken; - ervoor te zorgen dat deze gegevens over de luchtkwaliteit en de bevolking ter beschikking worden gesteld; - de luchtkwaliteit waar zij goed is in stand te houden en in andere gevallen te verbeteren; - een verhoogde samenwerking tussen de lidstaten bij de vermindering van de luchtverontreiniging te bevorderen. De Europese Unie geeft in de Europese Richtlijn luchtkwaliteit grenswaarden en streefwaarden voor stoffen in de lucht. De grenswaarden gelden voor de stoffen zwaveldioxide, fijn stof, stikstofdioxide, lood, benzeen en koolmonoxide. Deze waarden mogen niet worden overschreden. De streefwaarden gelden voor ozon, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen. EU-lidstaten moeten zorgen dat zij onder deze streefwaarden blijven.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

4.9.3.2

Europese Richtlijn in relatie tot plattelandswoning

Op 4 februari 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in het kader van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Weert (uitspraak 201306630/5). De vraag die in dit kader aan de orde werd gesteld, is of de toekenning van de aanduiding ‘plattelandswoning’ gevolgen kan hebben voor het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. Specifiek ging het hier om het aspect luchtkwaliteit. Op grond van de Wet plattelandswoningen blijft de door derden bewoonde bedrijfswoning deel uitmaken van de inrichting en hoeft er daardoor niet te worden getoetst of de luchtkwaliteit ter plaatse van de plattelandswoning voldoet aan de gestelde normen. De Afdeling haalt echter met deze uitspraak een streep door deze regeling voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Anders dan in de wet is bepaald, dient ter plaatse van een plattelandswoning de luchtkwaliteit namelijk wel beoordeeld te worden. Op grond van de Europese Richtlijn luchtkwaliteit (Richtlijn 2008/50/EG) dient namelijk overal een beoordeling plaats te vinden van de luchtkwaliteit. Slechts in een aantal specifiek in de richtlijn genoemde gevallen hoeft geen beoordeling plaats te vinden van de naleving van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid.

De Afdeling concludeert dat de plattelandswoning niet valt onder één van de in de richtlijn genoemde uitzonderingen, zodat het bevoegd gezag moet beoordelen of het toekennen van de aanduiding mogelijk is met het oog op de luchtkwaliteit.

4.9.4 Fijn stof 4.9.4.1 Inleiding Fijn stof (PM10 en PM2,5) is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal, cementdeeltjes en bijvoorbeeld stukjes afgesleten autoband of wegdek. Fijn stof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende gassen in de lucht. De gemiddelde hoeveelheid (concentratie) fijn stof in Nederland is hoger in het zuiden, nabij grotere steden en bij grote industriegebieden. Fijn stof is dus een vorm van luchtvervuiling en heeft een ongunstig effect op de gezondheid van mensen. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 dan wel 2,5 micrometer (µg) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst en daardoor met een verschillende chemische samenstelling. Verkeer, industrie en landbouw zijn de belangrijkste bronnen. Op grond van de Wet milieubeheer gelden voor fijn stof de volgende grenswaarden: - De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes PM10 is maximaal 40 µg/m³; - De daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden overschreden; - De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes PM2,5 is maximaal 25 µg/m³.

Bij toetsing van berekende concentraties PM10 aan de grenswaarden, mogen de concentraties worden gecorrigeerd voor de aanwezigheid van zeezout in de lucht. De zeezoutaftrek mag op het resultaat worden toegepast, als er sprake is van een grenswaarde-overschrijding van PM10. Het betreft dan een aftrek van de bijdrage van een natuurlijke bron op de achtergrondconcentratie. Het toepassen van de zeezoutaftrek is vastgelegd in de Wet milieubeheer. De hoogte van deze aftrek is vastgelegd in de ministeriële ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

Per provincie is eveneens een correctie op het aantal overschrijdingsdagen voor de etmaalgemiddelde norm bepaald dat in mindering kan worden gebracht. Het voor zeezout gecorrigeerde aantal overschrijdingsdagen bedraagt: - 4 dagen in Noord-Holland en Zuid-Holland; - 3 dagen voor Friesland, Flevoland, Utrecht en Zeeland; - 2 dagen in Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Voor het berekenen van de concentratie fijn stof PM2,5 zijn nog niet in alle gevallen emissiefactoren bekend. Echter, de grenswaarde voor PM2,5 levert geen aanvullende beperkingen op voor de agrarische sector. De veehouderijen zijn geen belangrijke bron van fijn stof uitstoot. Zo bedraagt het aandeel PM2,5 binnen de uitgestoten hoeveelheid PM10 bij volière pluimveestallen ongeveer 6%. Dit geldt zowel voor de pluimveehouderij als de varkenshouderij. Gesteld wordt dat indien de luchtkwaliteit aan de PM10 norm voldoet, dat ook geldt voor de PM2,5 normen. Uit RIVM-onderzoek blijkt dat de kans op een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie PM2,5 kleiner dan 1% is bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32 µg/m³. Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde.

(Bron: Rapport 195, Publicatie “Maatregelen ter vermindering van fijnstofemissie uit de pluimveehouderij; effect van een oliefilm op het strooisel in volièrehuisvesting voor leghennen”, Animal Science Group, Wageningen UR, februari 2009). Een berekening voor PM10 is derhalve voldoende, mits wordt voldaan aan de grenswaarden. 4.9.4.2 Berekening Achtergrondconcentratie De achtergrondconcentratie is de totale concentratie van alle bronnen per vak van 1 kilometer bij 1 kilometer. De achtergrondconcentratie wordt jaarlijks bepaald door de emissies van veehouderijen, industrieën en verkeer bij elkaar opgeteld. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de landelijke kaart van fijnstofemissie, waarop het plangebied is aangeduid met de zwarte cirkel.

Figuur 18: Fijnstof 2020 PM10 (Bron: atlasleefomgeving)

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

De achtergrondconcentratie PM10 ter plaatse van de onderzoeklocatie is 15-16 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane normen van 40 µg/m³. Deze achtergrondconcentratie is gebaseerd op vergunninggegevens, om bronnen op enkel postadressen te voorkomen. Landbouwstallen zitten dus wel in de achtergrondconcentratie verwerkt, maar zijn uitgevlakt over 1 bij 1 kilometer. Te beschermen object In het kader van luchtkwaliteit betreft de beoogde plattelandswoning het te beschermen object. De concentratie wordt in onderhavig onderzoek berekend op iedere hoekpunt van de beoogde plattelandswoning, waarmee sprake zal zijn van vier receptorpunten. In navolgende figuur zijn deze toetspunten van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 19: Toetspunten te beschermen object

In het kader van de luchtkwaliteit dient een berekening te worden uitgevoerd ten aanzien van omliggende veehouderijbedrijven, maar ook van het ‘eigen’ bedrijf, waartoe de beoogde plattelandswoning behoort. Niet alleen de achtergrondconcentratie is daarbij van belang, maar voor onderhavig onderzoek dient ook bekeken te worden wat de bronbijdrage van fijn stof is afkomstig van de eigen veehouderij. Daarbij is de veehouderij aan Uilenbroek 6 op dusdanig korte afstand gelegen van de beoogde plattelandswoning, dat met de berekening ook rekening is gehouden met de bronbijdrage van deze veehouderij. Met het programma ISL3a (versie V2022) kan de emissie van industriële, agrarische of oppervlaktebronnen worden berekend. Naast de contouren in de directe omgeving rekent het programma ook direct de concentratie uit voor een aantal ‘te beschermen objecten’. Het ISL3a model berekent de concentratie fijn stof, inclusief de achtergrondwaarde.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

Emissie veehouderij Uilenbroek 2 Een berekening is gemaakt op basis van de werkelijke emissiepunten van de veehouderij Uilenbroek 2, afkomstig van de vigerende vergunning (Bron: Beschikking van Gedeputeerde Staten van NoordBrabant ingevolge de Natuurbeschermingswet, d.d. 8 februari 2016). De gehanteerde emissiepunten zijn weergegeven in navolgende figuur, waarbij tevens de in de berekening gehanteerde stalnummers en toetspunten zijn weergegeven.

Figuur 20: Emissiepunten afkomstig van Uilenbroek 2

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in maart 2022 nieuwe gegevens vrijgegeven die gebruikt kunnen worden bij de berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Deze gegevens zijn ruwe gegevens die bedoeld zijn voor gebruik in rekenmodellen. De emissie fijn stof is dan ook berekend aan de hand van de door het ministerie vrijgegeven emissiefactoren, versie maart 2022. In navolgende tabel is de fijn stof emissie van de veehouderij Uilenbroek 2 per stal weergegeven. Stal

X coördinaat Y coördinaat Diercategorie 1 146779 401008 (A1.100) melkvee (A3.100) jongvee (A4.100) vleeskalveren (A6.100) vleesstieren 2 146722 401011 (A3.100) jongvee 3 146826 401020 (K1.100) paard

Aantal

Emissie fijn stof Emissie fijn stof Fijn-stofemissie per stal (g/jaar) (g/dier/jaar), afgerond (g/jaar) 90 118 10620 67 38 2546 3 33 99 3 170 510 13775 5 38 190 190 2 0 0 0

Tabel 3: Fijn stof emissie Uilenbroek 2 per stal (g/jaar)

Emissie veehouderij Uilenbroek 6 De berekening is gemaakt op basis van de werkelijke emissiepunten, afkomstig van de vigerende vergunning (Bron: Melding Activiteitenbesluit Omgevingsdienst Brabant Noord, d.d. 25 september

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

2018). De gehanteerde emissiepunten zijn weergegeven in navolgende figuur, waarbij tevens de in de berekening gehanteerde stalnummers en toetspunten zijn weergegeven.

Figuur 21: Emissiepunten afkomstig van Uilenbroek 6 conform vergunning

In navolgende tabel is de fijn stof emissie van de veehouderij Uilenbroek 6 per stal weergegeven.

Stal

X coördinaat Y coördinaat Diercategorie 1 146751 400906 (A3.100) jongvee 2 146742 400943 (A7.100) Fokstieren

Emissie fijn stof Emissie fijn stof (g/jaar) per stal (g/jaar) 38 2850 2850 170 4250 4250

Fijn-stofemissie (g/dier/jaar), afgerond

Aantal 75 25

Tabel 4: Fijn stof emissie Uilenbroek 6 per stal (g/jaar)

Berekening De berekening is uitgevoerd met het programma ISL3a (V2022). Navolgend zijn de rekenresultaten op de toetspunten van de beoogde plattelandswoning Uilenbroek 4 weergegeven. Hierbij zijn de emissies van de veehouderijen Uilenbroek 2 en Uilenbroek 6 gecumuleerd. De volledige rekenresultaten zijn als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

Te beschermen object 1 2 3 4

RD X Coord. [m] 146764 146775 146771 146781

RD Y Coord. [m] 400953 400946 400964 400959

Concentratie [microgram/ Overschrijding m3] [dagen] 15,86 6 15,86 6 15,87 6 6 15,86

Tabel 5: Rekenresultaten depositie veehouderijen Uilenbroek 2 en Uilenbroek 6 op de beoogde plattelandswoning

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

Het ISL3a model berekent de concentratie fijn stof, inclusief de achtergrondwaarde. In navolgende tabel zijn de rekenresultaten weergegeven, waarbij tevens de bronbijdrage op de beoogde plattelandswoning van de twee veehouderijen tezamen is weergegeven.

Te beschermen object 1 2 3 4

X coördinaat 146764 146775 146771 146781

Y coördinaat 400953 400946 400964 400959

Jaargemiddelde achtergrondconcentratie µg/m³ 15,73 15,73 15,73 15,73

Jaargemiddelde concentratie incl. bronbijdrage µg/m³ 15,86 15,86 15,87 15,86

Bronbijdrage veehouderij µg/m³ 0,13 0,13 0,14 0,13

Overschrijding dagen 6 6 6 6

Tabel 6: Rekenresultaten met bronbijdrage veehouderijen Uilenbroek 2 en Uilenbroek 6 op de beoogde plattelandswoning

De bronbijdrage van de twee veehouderijen tezamen op de beoogde plattelandswoning Uilenbroek 4 bedraagt maximaal 0,14 µg/m³. Uit de berekening blijkt dat de maximale jaargemiddelde concentratie 15,73 µg/m³ bedraagt. Voldaan wordt daarmee aan de grenswaarde van 40 µg/m³. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt maximaal 6,0 dagen per kalenderjaar, waarmee dan ook wordt voldaan aan het maximum van 35 overschrijdingsdagen van de daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³. De concentratie fijn stof ter plaatse van de beoogde plattelandswoning, afkomstig van de veehouderijen Uilenbroek 2 en Uilenbroek 6 tezamen, is dermate laag, dat gesteld kan worden dat ook bij eventuele uitbreiding van de agrarische bedrijven redelijkerwijs kan worden voldaan aan de eisen voor luchtkwaliteit. Door omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning worden de veehouderijen Uilenbroek 2 en Uilenbroek 6 niet in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Fijn stof PM2,5 De emissiefactoren PM2,5 zijn voor de veehouderij nog niet bekend. Uit RIVM-onderzoek blijkt dat de kans op een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie PM2,5 kleiner is dan 1% bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32 µg/m³. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een jaargemiddelde concentratie PM10 van maximaal 15,88 µg/m³.

De kans op overschrijding van het jaargemiddelde concentratie PM2,5 is dan ook altijd kleiner dan 1%. Gesteld kan worden dat altijd kan worden voldaan aan de normen voor PM2,5. Een berekening voor PM10 is daarmee dan ook voldoende. 4.9.4.3 Conclusie woon- en leefklimaat De concentratie fijn stof ter plaatse van de beoogde plattelandswoning is dermate laag, dat gesteld kan worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Toekenning van de aanduiding ‘plattelandswoning’ aan de bedrijfswoning Uilenbroek 4 te Boxtel is in het kader van de luchtkwaliteit geen bezwaar.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

4.9.4.4 Belangenafweging Als gevolg van de beoogde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijen ook niet worden belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. De concentratie fijn stof ter plaatse van de beoogde plattelandswoning is dermate laag, dat gesteld kan worden dat ook bij eventuele uitbreiding van de betreffende veehouderijen, de concentratie fijn stof nooit zal worden overschreden. Er zal daarmee altijd sprake blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De veehouderij Uilenbroek 2 heeft bestemmingsplanmatig wel nog de mogelijkheid tot omschakeling naar intensieve veehouderij. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen volgt dat met de figuur van de plattelandswoning is beoogd om niet het feitelijk gebruik van een woning, maar de planologische status ervan bepalend te laten zijn voor de bescherming van de bewoners ervan tegen milieuhinder. Indien een (voormalige) agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de betreffende agrarische inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieueffecten ervan. De exploitatie van de inrichting wordt op deze manier niet belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als reguliere woning. Zo volgt uit jurisprudentie (o.a. uitspraak 202005652/1/R4, d.d. 17 november 2021 en 201309926/1/R1, d.d.

15 april 2015). Gesteld kan worden dat exploitant van het bedrijf niet wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. Uitbreiding van de veehouderij dan wel omschakeling naar intensieve veehouderij ligt om verschillende redenen niet in de rede (zie paragraaf 2.1.3.3 van deze toelichting). De omzetting van voormalige agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning doet hier niets aan af. Deze ontwikkeling belemmert de veehouderij niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden dan in de huidige situatie reeds het geval is. Exploitant heeft bovendien ter zitting bij de Raad van State te kennen gegeven geen concrete uitbreidings- of aanpassingsplannen te hebben en ook geen ambities te hebben in omschakeling naar intensieve veehouderij. 4.9.4.5 Conclusie woon- en leefklimaat In het kader van het aspect fijn stof wordt door de gemeenteraad van Boxtel het woon- en leefklimaat ter plaatse van de naar plattelandswoning om te zetten bedrijfswoning aanvaardbaar geacht. Fijn stof vormt in geen geval een belemmering voor herbestemming naar plattelandswoning.

4.10 Bodemkwaliteit Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt ter plaatse van het plangebied geen bebouwing toegevoegd dan wel gesloopt. Enkel wordt bewoning van de bedrijfswoning Uilenbroek 4 te Boxtel door een derde zonder binding met de agrarische inrichting ter plaatse, eveneens mogelijk gemaakt. Het gebruik van de woning blijft met de beoogde herontwikkeling gelijk. In het kader van de beoogde herontwikkeling wordt een onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse niet noodzakelijk geacht.

4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen)

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de veiligheidsregio. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.

Spoor- rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Tabel 7: Wanneer verantwoorden?

Bij het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

4.11.2 Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Boxtel De gemeente Boxtel beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2010). Hierin is een gebiedsgerichte benadering van externe veiligheid opgenomen. Het doel van de beleidsvisie externe veiligheid is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het ruimtelijke scheiden van risicovolle activiteiten en (zeer) kwetsbare objecten. Voorliggend plan betreft een nieuwe ruimtelijke situatie. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de volgende gebiedsgerichte omgevingskwaliteiten:  Risicoluw gebied;  Gemengd gebied;  Intensief gebied. Per gebied is in dit beleid het ambitieniveau met betrekking tot plaatsgevonden en groepsrisico vastgelegd.

4.11.3 Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, etc.

4.11.4 Inventarisatie Met behulp van de nationale Risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

Figuur 22: Uitsnede risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl, professionele versie)

Uit de gegevens van de nationale risicokaart blijkt, dat in de omgeving van het plangebied geen wegen, vaarwegen, spoorlijnen, buisleidingen of inrichtingen aanwezig zijn, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. De afstand tot spoorlijnen bedraagt minimaal 1 kilometer. De afstand tot hoge druk aardgasleidingen bedraagt ongeveer 2 kilometer. De afstand tot de Rotterdam Rijn Pijpleiding bedraagt ruim 400 meter. De afstand tot risicovolle bedrijfsactiviteiten (grotere propaantanks) bedraagt ongeveer 1 kilometer.

4.11.5 Toetsing Landelijk wet- en regelgeving Omdat over het plangebied geen risicocontouren van risicobronnen zijn gelegen, hoeft nadere toetsing aan landelijke wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid niet plaats te vinden. Beleidsvisie omgevingsveiligheid Het plangebied is volgens de beleidsvisie gelegen in het gemengd gebied. In dit gebied wordt de aanwezigheid van bepaalde risicobronnen als vanzelfsprekend gezien. Door historische ontwikkelingen heeft er een mengeling van verschillende activiteiten plaatsgevonden. Bestaande risicovolle activiteiten blijven toegestaan. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn alleen toegestaan voor zover expliciet aangegeven. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle infrastructuur zijn eveneens toegestaan, mits wordt voldaan aan de wettelijke normen en de verantwoordingsplicht. Voor het gemengd gebied is de volgende ambitie opgenomen in de beleidsvisie externe veiligheid:

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

Ambitieniveau ‘gemengd’ m.b.t. plaatsgebonden risico 

Beperkt kwetsbare objecten, waarvoor richtwaarden gelden in plaats van grenswaarden, mogen in nieuwe situaties nergens binnen de PR 10-6/jaarcontour van een bedrijf of transportas liggen. Voor bestaande situaties geldt het stand-still principe.

Ambitieniveau ‘gemengd’ m.b.t. groepsrisico  

Overschrijding van de oriënterende waarde van het GR wordt niet geaccepteerd. Een significante toename van het groepsrisico wordt geaccepteerd zolang de oriënterende waarde niet overschreden wordt.

Tabel 8: Ambitie gemengd gebied conform beleidsvisie externe veiligheid

Binnen het plangebied is geen bestaande risicobron aanwezig en worden ook geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Het plan betreft de wijziging van een bedrijfswoning naar plattelandswoning. Over het plangebied zijn geen PR 10-6, brand- en/of explosieaandachtsgebieden gelegen. Het plan voldoet daarmee aan de ambitie gesteld voor het gemengd gebied uit de beleidsvisie externe veiligheid. Er is geen sprake van strijd met de beleidsvisie.

4.11.6 Conclusie Externe veiligheid is geen belemmering voor het plan.

4.12 Verkeer en parkeren Ter plaatse van het plangebied is sprake van een veehouderijbedrijf met twee bedrijfswoningen. Ter plaatse is dan ook sprake van parkeren en manoeuvreren ten behoeve van de bewoning en ten behoeve van de agrarische bedrijfsactiviteiten met daar bij behorende vervoersbewegingen van zwaardere voertuigen. Met de beoogde herontwikkeling wordt aan de bedrijfswoning Uilenbroek 4 de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ toegekend, waarmee de bewoning van deze bedrijfswoning door derden zonder binding met het agrarisch bedrijf tevens mogelijk wordt gemaakt. Deze toekenning heeft geen toename van vervoersbewegingen of parkeerbehoefte tot gevolg.

4.13 Milieueffectrapportage Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

5.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van onderhavige toelichting. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen aangeduid met daaraan gekoppelde regels met betrekking tot bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie en draagt derhalve bij aan de planinterpretatie.

5.2 Algemene toelichting verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer een bestemmingsvlak, dubbelbestemmingen, functieaanduidingen en gebiedsaanduidingen opgenomen.

5.3 Algemene toelichting regels In de regels staan regels voor het gebruik van gronden binnen de bestemming in het plangebied en voor het oprichten en gebruiken van bebouwing op die gronden. Met het opstellen van de regels is aangesloten bij de regels behorend bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ van de gemeente Boxtel. Enkele regels zoals aangegeven in hoofdstuk 2 van de regels worden aangepast dan wel aangevuld. Voor het overige blijven de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ ongewijzigd van toepassing.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn in afdeling 6.4 Wro en afdeling 6.2 Bro regels opgenomen voor grondexploitatie bij een ruimtelijke ontwikkeling. Centraal doel van deze regels voor grondexploitatie is, om te komen tot een verbetering van het stelsel van kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie en een verbetering van de gemeentelijke regie met betrekking tot locatieontwikkeling. Het uitgangspunt van het dit stelsel vormt de verplichting tot kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat een gemeente de te maken kosten op de exploitant moet verhalen in het geval deze exploitant tot een ontwikkeling van de gronden overgaat. Deze verplichting wordt vormgegeven door het verplicht stellen van een grondexploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Alle kosten voor onderhavig plan worden verhaald op initiatiefnemer van de beoogde herontwikkeling. Het kostenverhaal is geregeld in de gemeentelijke legesverordening. Tussen initiatiefnemer en de gemeente Boxtel zal daarnaast een planschadeverhaalsovereenkomst worden gesloten.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan is conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan heeft een heroverweging op deze onderdelen plaatsgevonden.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

7.

PROCEDURE BESTEMMINGSPLAN

7.1 Inspraakprocedure In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 17 mei 2019 voor een termijn van zes weken ter inzage gelegen voor de zienswijzentermijn. Gedurende deze inzagetermijn is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft geleid tot het aanpassen van de regels van onderhavig bestemmingsplan. Voor de inhoud en de beantwoording van de ingediende zienswijze wordt verwezen naar de nota van zienswijzen.

7.4 Beroep Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Boxtel vastgesteld op 14 juni 2020. Dit vastgestelde bestemmingsplan heeft met ingang van 21 augustus 2020 voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegen voor de beroepstermijn. Gedurende de beroepstermijn is een beroep ingediend bij de Raad van State. Als gevolg van het ingediende beroep heeft de Raad van State geoordeeld dat de gemeenteraad van Boxtel het bestemmingsplan via een bestuurlijke lus opnieuw dient vast te stellen. Onderhavig bestemmingsplan is op punten verder aangevuld ter verantwoording van de ‘goede ruimtelijke ordening’ en is derhalve door de gemeenteraad van Boxtel opnieuw vastgesteld op 4 oktober 2022.

7.5 Tussenuitspraak Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (202207061/1/R2, d.d. 2 oktober 2024) is onderhavig bestemmingsplan nader aangevuld voor wat betreft het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde plattelandswoning.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Uilenbroek 4 te Boxtel’ – Toelichting

Tevens wordt invulling gegeven aan de provinciale richtlijnen door de aanduiding ‘overige zone beperkingen veehouderij’ op te trekken tot 220 meter vanuit het Natuur Netwerk Brabant (NNB), waarmee deze aanduiding over het overgrote deel van het plangebied is gelegen. De agrarische inrichting wordt als gevolg van het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning niet belemmerd in de bedrijfsvoering, zo blijkt uit vaste jurisprudentie (zie onder anderen uitspraak 201309926/1/R1, d.d. 15 april 2015 en uitspraak 202005652/1/R4, d.d. 17 november 2021). Dit betekent niet zonder meer dat ter plaatse van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Dit dient nader te worden uitgewerkt, zo stelt de Afdeling. In dit plan is aangetoond dat ter plaatse van de naar plattelandswoning om te zetten bedrijfswoning Uilenbroek 4 sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Ook is nog nader uitgewerkt dat de agrarische inrichting ter plaatse ook niet wordt belemmerd in de ontwikkelingsmogelijk voor wat betreft eventuele omschakeling naar intensieve veehouderij.

Voornamelijk gezien de (gedeeltelijke) ligging van het agrarisch bouwblok in het voormalig extensiveringsgebied (thans geheten ‘Beperkingen veehouderij’), de laatste ontwikkelingen omtrent het aspect Stikstof, alsook het feit dat er geen concrete plannen voorhanden zijn, maakt dat de huidige situatie kan worden aangehaald als representatieve bedrijfssituatie van de maximale planologische situatie. Daarmee kan worden uitgegaan van de feitelijke situatie, waarbij geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de naar plattelandswoning om te zetten bedrijfswoning sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Deze aspecten zijn in deze toelichting van het bestemmingsplan nader uitgewerkt ten opzichte van de vaststelling van het bestemmingsplan op 4 oktober 2022.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=ef5bf1ac-7a6a-4194-a13e-1d3ebc2d7713