CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Schijndelsedijk 3 te Boxtel - Bijlage 2 Regels en toelichting

Raadsvergadering Boxtel 12 december 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: Bestemmingsplan Schijndelsedijk, Boxtel25.164 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);

andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.6.2

Onderzoek

Er is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd en een stikstofberekening. De meeste belangrijke conclusies zullen in deze paragraaf vermeld worden voor de gehele onderzoeken verwijzen wij naar de bijlage. Ecologie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: 

Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bomenrij langs de Oude Boomgaard te worden vermeden;

Ten aanzien van broedvogels dienen werkzaamheden, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Schijndelsedijk 3

27

Stikstof Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de bouw- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. 4.6.3

Conclusie

Het aspect ‘’ecologie en stikstof’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.7

Bodem

4.7.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2

Onderzoek

Door Aeres Milieu is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage opgenomen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn met uitzondering van boring 1 en 2, zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met koper, lood, zink, PCB en som DDD. De bovengrond ter plaatse van boring 1 op het zuidwestelijk deel van de onderzoekslocatie is sterk verhoogd met zink. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en nikkel. De resultaten van dit bodemonderzoek geven formeel aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek naar de omvang van aangetoonde zinkverontreiniging ter plaatse van boorpunt 1. Uit het planvoornemen blijkt dat ter plaatse van dit deel van het plangebied momenteel geen ontwikkeling is gepland. Dit deel van de locatie blijft in gebruik voor boomteelt.

Indien in de toekomst ter plaatse van dit deel van de onderzoekslocatie ontwikkelingen zijn voorzien dan wordt het uitvoeren van een nader bodemonderzoek noodzakelijk geacht. Ook bij toekomstige grond- of herinrichtingswerkzaamheden dient hiermee rekening gehouden te worden. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning en de beoogde nieuwbouw van de twee woningen aan de Oude Boomgaard. 4.7.3

Conclusie

Het aspect “bodem” zorgt niet voor belemmeringen.

Schijndelsedijk 3

28

4.8

Archeologie

4.8.1

Toetsingskader

In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: 

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);

in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;

de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.8.2

Onderzoek

Uit het geldende bestemmingsplan blijkt dat voor het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 4’ geldt. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen met een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstorings-oppervlakte van meer dan 500 m². Indien met alle werkzaamheden onder deze grenzen gebleven kan worden is onderzoek niet noodzakelijk. Voor de omzetting van de bestaande bedrijfswoning zijn geen bodemwerkzaamheden gepland. Voor de gronden onder de te verwijderen kassen zijn grotendeels geen (nieuwe) grondwerkzaamheden beoogd. Enkel ter plaatse van de te realiseren Ruimte-voor-Ruimte woningen zijn grondwerkzaamheden gepland. Uitgaande van een gemiddelde oppervlakte van circa 150 m2 en maximaal 100 m2 aan bijgebouwen zullen de grenzen niet worden overschreden. Indien de grenzen bij de realisatie van de ruimte voor ruimte woningen worden overschreden dient bij de omgevingsvergunning aanvraag voor bouwen een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 4.8.3

Conclusie

Het aspect “archeologie” zorgt niet voor belemmeringen.

4.9

Cultuurhistorie

4.9.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

Schijndelsedijk 3

29

De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.9.2

Onderzoek

Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in een cultuurhistorische waardevol gebied ligt. 4.9.3

Conclusie

Het aspect “cultuurhistorie” zorgt niet voor belemmeringen.

4.10

Water

4.10.1

Toetsingskader

Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het plangebied valt onder het beheer van het Waterschap de Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode 2022-2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma. Deze doelen zijn gericht op de watertransitie, een toekomstbestendige leefomgeving, bouwstenen voor het waterbeheer, droge voeten, schoon water en voldoende water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. 4.10.2

Onderzoek

Door Aeres Milieu is een waterparagraaf opgesteld. Het onderzoeksrapport is als bijlage opgenomen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. De bestaande bebouwing ligt reeds iets hoger dan de wegen. Gezien de huidige situatie wordt voor de toekomstige woningbouw geadviseerd om een vloerpeil van minimaal 7,5 m +NAP of hoger aan te houden. Hierdoor wordt de benodigde ontwateringsdiepte gewaarborgd. Hierdoor is ter plaatse van de twee nieuwe woningen geen grondwateroverlast te verwachten.

Schijndelsedijk 3

30

Voor de bouw van de twee RvR-woningen dient te zijner tijd naar verwachting een vergunning aangevraagd te worden ondanks de huidige verhardingsafname (aanleg nieuwe verharding afwaterend op A-watergang). Verder is er parallel aan de Oude Boomgaard een A-watergang met een afwijkende afvoercapaciteit aanwezig (DO213-AA_HO2a). Aan de plangebiedzijde bevindt zich een 5 meter beschermingszone voor o.a. het regulier onderhoud. Dit kan niet vanaf de weg plaatsvinden door de aanwezige bomenrij. Westelijk is richting de Oude Boomgaard een bestaande dam met duiker aanwezig voor de ontsluiting van het plangebied. Voor een bijkomende ontsluiting naar de woning en voorgenomen haagbeplanting of werkzaamheden binnen de (beschermingszone van de) A-watergang dient een watervergunning aangevraagd te worden. Onderhoud dient namelijk mogelijk te blijven. Door de forse verhardingsafname wordt hydrologisch gezien reeds positief ontwikkeld en is geen aanvullende hemelwaterberging vereist. Ten opzichte van de bestaande situatie neemt de totale en piekafvoer naar het oppervlaktewater af waardoor door de planontwikkeling geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten is. Vanuit het beleid dient voor de verhardingsafname geen aanvullende hemelwaterberging ingepast te worden. Uitgangspunt is wel dat hemelwater zoveel mogelijk lokaal verwerkt wordt (indien redelijkerwijs mogelijk).

Het toekomstig opgevangen hemelwater van de verhardingen kan net als bestaand over maaiveld afstromen naar het nabijgelegen oppervlaktewater. Verder kan gedacht worden aan opvangen voor hergebruik, beperken van dichte gesloten verhardingen, etc. Bij de definitieve planuitwerking zal het uiteindelijke hemel- en afvalwaterstelsel gedetailleerd uitgewerkt worden waarmee dan ook de benodigde vergunningen aangevraagd kunnen worden. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar een hemelwatervoorziening, laagte op eigen perceel of aangrenzend oppervlaktewater en niet naar de omliggende bebouwing/percelen. 4.10.3

Conclusie

Het aspect “water” zorgt niet voor belemmeringen.

4.11

Geur

4.11.1

Toetsingskader

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.11.2

Onderzoek

Door de Roever Omgevingsadvies is een geuronderzoek uitgevoerd naar de voor- en achtergrondbelasting van de omliggende veehouderijen. Voor de volledige conclusies wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven.

Schijndelsedijk 3

31

Voorgrondbelasting Gelet op de totale geuremissie en de afstand tot het plangebied is de veehouderijen aan de Vennekens 1 maatgevend voor de voorgrondbelasting. De geurberekening is uitgevoerd op basis van de omgekeerde werking van de Wgv. Daarbij is gekozen voor een worst-case emissiepunt op rand van het bouwvlak, zo dicht mogelijk bij het plangebied. Voor de overige parameters is ook uitgegaan van een worst-case situatie. De geurbelasting is berekend met het rekenprogramma V-Stacks vergunning 2020 (meest recente milieuhygiënische inzichten). De geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het plangebied bedraagt op zijn hoogst 4,9 ouE/m3. Er wordt voldaan aan de geurnorm van 14,0 ouE/m3. De veehouderij wordt niet in haar belangen geschaad. Achtergrondbelasting Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. Op basis van KRD Noord-Brabant zijn de relevante veehouderijen geselecteerd en zijn de totale geuremissie en de overige (algemene) parameters voor de geurberekeningen bepaald. De totale achtergrondbelasting bedraagt op zijn hoogst 3,9 ouE/m3, wat overeenkomt met een ‘goed’ woon- en leefklimaat.

Omdat veehouderijen op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 50 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de berekende voor- en achtergrondbelasting is niet gebleken dat de veehouderijen worden beperkt. 4.11.3

Conclusie

Het aspect “geur” zorgt niet voor belemmeringen. Het rapport is gebaseerd op de landschappelijke inpassing van 8 december 2022. Op 11 april 2023 is de landschappelijk inpassing aangepast, waarbij de twee te realiseren woningen meer naar het noorden worden gesitueerd. De toetspunten WON02 en WON03 komen verder van de maatgevende veehouderijen af te liggen. Dat is goed te zien op afbeelding 5 en afbeelding 6 in dit rapport. Zowel de voor- als de achtergrondbelasting ter plaatse van deze toetspunten zullen lager zijn dan de waarden die in dit rapport zijn gepresenteerd. Omdat de gepresenteerde waarden al aanvaardbaar zijn, is er voor gekozen om de berekeningen van de voor- en achtergrondbelasting niet opnieuw uit te voeren, aangezien een

4.12

Spuitzones

4.12.1

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er ook te worden ingegaan op de afstand van het plangebied tot de percelen die in gebruik zijn door de tuinbouwbedrijven en de daarbij behorende spuitzones. Voor afstanden tot locaties waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt gelden geen wettelijk vastgelegde eisen. In de jurisprudentie (rechterlijke uitspraken) wordt echter uitgegaan van een spuitzone van 50 meter. Binnen deze zone mag in beginsel geen gevoelige functie worden gerealiseerd. 4.12.2

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied zijn een aantal akkers gelegen waarop akkerbouw plaatsvindt. Daarnaast vindt ook boomteelt plaats binnen het plangebied. Als vuistregel wordt een afstand van 50 meter gehanteerd. De indicatieve afstand van gevoelige objecten tot open teelten volgt uit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tijdens het bespuiten van de gewassen komt als gevolg van de wind een deel van het beschermingsmiddel buiten het teeltgebied terecht (drift). De

Schijndelsedijk 3

32

technieken voor gewasbescherming worden steeds beter: enerzijds om het gewas beter te kunnen beschermen, anderzijds om de negatieve effecten op de omgeving (zoals drift) te beperken c.q. te voorkomen. In de toekomst zal het gebruik van zogenaamde best practices toenemen en daarmee de overlast afnemen. Daarnaast zal conform de landschappelijke inpassing, rondom de woonpercelen een haag worden aangeplant, wat leidt tot het beperken en reduceren van de drift. De landschappelijke inpassing is tevens als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. 4.12.3

Conclusie

Het aspect ‘spuitzones’ vormt geen belemmering voor onderhavige plan.

4.13

M.e.r- beoordeling

4.13.1

Toetsingskader

Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. De voorgenomen activiteit komt niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Er is sprake van de sanering van een glastuinbouwbedrijf en de realisatie van slechts 2 RvR-woningen (incl. omzetting bedrijfswoning naar burgerwoning). Gelet op de beperkte schaal van het project wordt de ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteit. De voorgenomen activiteit komt daarom niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r. Een vormvrije m.e.r.- beoordeling is daarom niet aan de orde.

Schijndelsedijk 3

33

5

Juridische planopzet

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2

Plansystematiek

Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op de structuur van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2011”. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Boxtel nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Schijndelsedijk 3

34

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): 

bestemmingsomschrijving;

bouwregels;

nadere eisen;

afwijken van de bouwregels;

specifieke gebruiksregels;

afwijken van de gebruiksregels;

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;

wijzigingsbevoegdheid.

De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: 

anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.

algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.

algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet-ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

algemene procedureregels: deze regels gaan in op de procedure die gevolgd dient te worden indien er nadere eisen worden gesteld.

Schijndelsedijk 3

35

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3

Toelichting op de bestemmingen

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de verschillende bestemming. Agrarisch De voormalige agrarische gronden met aanduiding glastuinbouw krijgen de bestemming ‘Agrarisch’. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor agrarisch grondgebruik en het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke waarden. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Groen De landschappelijke inpassingselementen hebben de bestemming ‘Groen’ gekregen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Wonen Binnen deze bestemming is wonen toegestaan. Voor de systematiek is aangesloten bij het moederplan ‘Buitengebied 2011’. Per bestemmingsvlak is maximaal 1 woning toegestaan. Voor de bestaande bedrijfswoning die met onderhavig plan wordt omgezet naar een burgerwoning is aansluiting gevonden op de regels uit het moederplan voor ‘Wonen’. De inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 600 m3. De goot- en bouwhoogte mag respectievelijk 4,5 en 9 meter bedragen. Voor bijgebouwen geldt dat de gezamenlijke grondoppervlakte niet meer dan 100 m2 mag bedragen, met dien verstande dat voor Schijndelsedijk 3 een maximum oppervlakte van 250 m2 aan bijgebouwen geldt.

Indien in de bestaande situatie een afwijkende maatvoering aanwezig is, dan geldt deze als maximum. Voor de ruimte-voor-ruimte woningen is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' tevens voor ruimte voor ruimte woningen’ opgenomen. Hierin is opgenomen dat de woningen een maximale inhoud mag hebben van 1.000 m 2. Voor het overige wordt aangesloten bij de systematiek van het vigerende bestemmingsplan. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 Deze bestemming voorziet in het behoud en de bescherming van de in de grond mogelijk aanwezige archeologische waarden. Waarde – waardevolle vegetaties Deze dubbelbestemming voorziet in het behoud en bescherming van de aanwezige waarden binnen het plangebied.

Schijndelsedijk 3

36

6

Uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een anterieure overeenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het gewenst dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: 

Vooroverleg;

Vaststellingsprocedure.

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. De maatschappelijke uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd. 6.2.1

Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Na het voeren van vooroverleg zullen de uitkomsten van het overleg voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.

Schijndelsedijk 3

37

6.2.2

Omgevingsdialoog

Initiatiefnemers hebben direct omwonenden geïnformeerd over het plan. Een verslag van de omgevingsdialoog, inclusief uitgenodigden en aanwezigen is opgenomen in de bijlagen. De omgevingsdialoog heeft op de locatie Schijndelsedijk 3 plaatsgevonden op 26 september 2022. Tijdens de omgevingsdialoog is het plan nader toegelicht en zijn vragen van aanwezigen beantwoordt. De reacties op het initiatief waren positief, met name het feit dat er voor het kassencomplex een passende functie wordt gevonden waardoor de omgevingskwaliteit van het gebied wordt verbeterd. Voor een uitgebreide toelichting op de gevoerde omgevingsdialoog wordt verwezen naar de bijlagen. 6.2.3

Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van de ter inzagelegging en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.

Schijndelsedijk 3

38

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Geuronderzoek Bijlage 4: Omgevingsdialoog Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Onderbouwing wateraspect Bijlage 7: Akoestisch onderzoek Bijlage 8: Advies brandweer Bijlage 9: Aerius berekening Bijlage 10: Certificaat Bouwtitel Bijlage 11: Hogere grenswaarde besluit

Schijndelsedijk 3

39

Schijndelsedijk 3 te Boxtel

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 12

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Agrarisch Groen Wonen Waarde - Archeologie - Categorie 4 Waarde - Waardevolle vegetaties

13 15 16 21 25

Hoofdstuk 3

Algemene regels

27

Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels

27 28 29 30 31 32 33

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

34

Artikel 15 Artikel 16

Overgangsrecht Slotregel

34 35

Bijlagen bij regels

37

Bijlage 1

38

2

Landschappelijke inpassing

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

REGELS

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

Het bestemmingsplan Schijndelsedijk 3 te Boxtel met identificatienummer NL.IMRO.0757.BP01SCHIJNDELSEDK3-OTW1 van de gemeente Boxtel. 1.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

AAB

Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; 1.4

Aan-huis-verbonden-bedrijf

Een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend, en waarbij deze activiteit door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend. 1.5

Aan-huis-verbonden beroep

Een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, en waarbij deze activiteit door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend; 1.6

Aanbouw

Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.7

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.8

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

4

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

1.9

Aardkundige waarden

Waarden van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen danwel anderszins vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van algemeen belang zijn vanuit aardkundig oogpunt; 1.10

Agrarisch grondgebruik

Het weiden van vee en/ of het verbouwen van gewassen, boomgaardfruitteelt en teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie daaronder begrepen, met uitzondering van het verbouwen van gewassen in een volkstuincomplex; 1.11

Agrarisch natuurbeheer

Natuurbeheer op landbouwgronden uitgevoerd door boeren gecombineerd met de agrarische bedrijfsvoering; 1.12

Archeologische (verwachtings)waarde

De waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis; 1.13

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.14

Bebouwingscluster

Een vlakvormige verzameling van gebouwen buiten bestaand stedelijk gebied. 1.15

Bebouwingsconcentratie

Een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. 1.16

Bed & breakfast

Het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan een beperkt aantal personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.17

Beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

De totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.18

Bestaand stedelijk gebied

Gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies;

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

5

1.19

Bestaande (bedrijfs)gebouwen

Bouwwerken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.20

Bestaand

voor zover dit betrekking heeft op bebouwing, gaat het om de oppervlakte van de bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van grond en opstallen, gaat het om het gebruik zoals dat aanwezig was op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen. 1.21

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.22

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; indien en voorzover twee bestemmingsvlakken middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bestemmingsvlak; 1.23

Bijgebouw

Een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.24

Bodemarchief

De sporen van (vooral) menselijke bewoning en bewerking die in de bodem zijn achtergebleven; 1.25

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.26

Bouwlaag

Doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.27

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien en voorzover twee bouwpercelen middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel;

6

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

1.28

Bouwperceelgrens

Een grens van een bouwperceel; 1.29

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.30

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.31

Cultuurhistorische waarden en kenmerken

Waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden; 1.32

Dak

Iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.33

Diepploegen

Grondbewerking dieper dan 40 cm, waartoe wordt gerekend het vermengen, woelen en keren van (alle) lagen in het bodemprofiel; 1.34

Extensief recreatief medegebruik

Een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; 1.35

Gebiedswaarden

De landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van het gebied, zoals deze tot uiting komen in de omschrijvingen van de bestemmingen en dubbelbestemmingen; 1.36

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.37

Halfvrijstaande woning

Een twee-onder-één-kap-woning;

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

7

1.38

Hoofdgebouw

Een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.39

Huishouden

Een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksverbinding of een met een huwelijksverbinding gelijk te stellen samenlevingsverband. 1.40

Kampeermiddel

Een tent, tentwagen, een kampeerauto of een caravan, niet zijnde een stacaravan; 1.41

Kleinschalige activiteiten

Activiteiten die geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, die geen elektronisch opgewekt geluid produceren en waaraan maximaal 40 personen deelnemen, zoals workshops, lezingen, wandelingen en dergelijke; 1.42

Landschappelijke waarde

Gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap en de natuurwaarden, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten; 1.43

Landschapsversterkingsplan

Een rapportage waarin is aangegeven op welke wijze een bepaalde ontwikkeling leidt tot een substantiele versterking van de gebiedswaarden. De rapportage bevat versterkingsmaatregelen als het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het aanbrengen van beeldkwaliteit en/of het herstellen van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of omgeving; 1.44

Milieucategorie

Milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering, Den Haag 2009; 1.45

Milieuhygiënische uitvoerbaarheid

Overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, natuur, etcetera, aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden; 1.46

Natuurontwikkelingsgebied

Gebied dat zijn waarde ontleent aan de bijzondere geschiktheid voor het ontwikkelen van nieuwe natuur, verhogen van de kwaliteit van bestaande natuur en het verbinden van natuurkerngebieden;

8

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

1.47

Natuurwetenschappelijke waarde

Aan een gebied toegekende waarde in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen, voorkomend in dat gebied; 1.48

Nevenactiviteiten

Activiteiten die ondergeschikt zijn aan de primair aan de gronden toegekende functie; 1.49

Normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden

Werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming; 1.50

Onderbouw

Een ruimte die beneden peil is gelegen; 1.51

Onderkomens

Voor verblijf geschikte al dan niet aan de bestemming onttrokken voer- en vaartuigen en kampeermiddelen; 1.52

Overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zonder eigen wanden dat aan maximaal een deel van één zijde een gesloten wand kent, waaronder begrepen een carport. 1.53

Paardenbak

Een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 1.54

Permanente teeltondersteunende voorziening

Teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas; 1.55

Peil

a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: 1. de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: 1. de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: 1. de gemiddelde hoogte van de aan het water grenzende gronden; 1.56

Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

9

1.57

Seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.58

Teeltondersteunende kassen

Ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een vollegrondstuinbouwbedrijf of boomkwekerij. Ze worden gebruikt om de bedrijfsvoering te optimaliseren. In teeltondersteunende kassen vindt de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productkwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of -verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik; 1.59

Teeltondersteunende voorziening

Ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij; 1.60

Voorgevel

De naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel aan de weg waaraan het gebouw op basis van de gemeentelijke basisadministratie (huisnummer) is gesitueerd; 1.61

Voorgevellijn

Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de bouwperceelsgrenzen. 1.62

Vormverandering van een bouwblok

Wijziging van de begrenzing van een bouwblok zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte; 1.63

Water en waterhuishoudkundige voorzieningen

Water en voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 1.64

Wonen

Het gehuisvest zijn of het huisvesten van personen in een woning/woonhuis. 1.65

Woning

Een complex van ruimten dat dient voor de huisvesting van: a. één huishouden, of;

10

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

b. één huishouden plus maximaal twee individuele personen, of; c. maximaal 4 individuele personen. 1.66

Woonhuis

Een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat; 1.67

WUBBB

De Werkgroep Uitvoering Bestemmingsplannen Buitengebied Boxtel;

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

11

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

Gebouwen en bouwwerken

2.1.1

De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.1.2

De breedte van een gebouw

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren. 2.1.3

De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.1.4

De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.1.5

De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.1.6

De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.2

Ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. 2.3

Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders aangegeven: a. b. c. d. e. 2.4

voor lengten in meters (m); voor oppervlakten in vierkante meters (m²); voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³); voor verhoudingen in procenten (%); voor hoeken/hellingen in graden (º). Meten

Bij de toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van de lijn.

12

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

agrarisch grondgebruik; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; extensief recreatief medegebruik; doeleinden van openbaar nut; het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden, groenvoorzieningen en sloten 3.2

Bouwregels

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienst van de bestemming, met dien verstande dat: a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan; 3.2.1

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.

teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter zijn niet toegestaan; voeropslagvoorzieningen zijn niet toegestaan; paardenbakken zijn niet toegestaan; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (waaronder erf- en terreinafscheidingen) bedraagt niet meer dan 1 m; e. poorten zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 m. 3.3

Nadere eisen

3.3.1

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de bouwhoogte van bebouwing; b. de aard, bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen. 3.3.2

Afwegingskader

De in 3.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld: a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of landschappelijke inpassing; b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van omliggende waarden; c. ter verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik; d. ten behoeve van de milieusituatie e. ten behoeve van de verkeersveiligheid;

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

13

f.

ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.3.3

Procedure

Bij de gebruikmaking van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is de procedure als genoemd in 13.1 van toepassing. 3.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik of laten gebruiken gronden voor het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen.

14

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

Artikel 4 4.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, waaronder het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing met de daarbij behorende: b. c. d. e. f. g.

waterlopen, waterpartijen en waterberging; bermen en beplanting; paden; voorzieningen van algemeen nut; waterstraatkundige werken; extensief recreatief medegebruik.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de gevellijn ter plaatse van de bestemming 'Wonen' niet meer dan 1 meter mag bedragen; b. overige bouwwernek geen gebouw zijnde zijn niet toegestaan. 4.2.3

Algemeen nut

Voor het bouwen van voorzieningen van algemeen nut gelden de volgende bepalingen: a. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter; b. de maximale oppervlakte bedraagt 15 m².'

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

15

Artikel 5 5.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in een woning; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' tevens voor ruimte voor ruimte woningen; c. aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven in de hoofd- en bijgebouwen tot een vloeroppervlakte van 50 m2; d. het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden; een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. 5.2

Bouwregels

Op de tot 'Wonen' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming. 5.2.1

Hoofdgebouwen

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de voorgevel van een hoofdgebouw mag uitsluitend in of maximaal 3 meter achter de voorste bouwvlakgrens worden gebouwd; c. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 1 m te bedragen; d. per bestemmingsvlak mag ten hoogste 1 woonhuis worden gebouwd, e. de inhoud mag niet meer dan 600 m3 bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' de inhoud niet meer dan 1.000 m3 mag bedragen; f. de goothoogte mag niet meer dan 4,50 m bedragen; g. de bouwhoogte mag niet meer dan 9 m bedragen; h. de dakhelling mag niet minder dan 25° en niet meer dan 60° bedragen; i. in afwijking van het bepaalde onder b geldt dat een woonhuis dat niet voldoet aan het bepaalde in 9.1 mag worden herbouwd met inachtneming van het bepaalde in genoemd artikel; j.

in afwijking van het bepaalde onder c tot en met f geldt dat indien een grotere inhoud, een hogere goothoogte, een hogere bouwhoogte respectievelijk een lagere of hogere dakhelling legaal aanwezig is op het tijdstip van de terinzagelegging van het plan, deze afstand, inhoud, goothoogte, bouwhoogte respectievelijk dakhelling is toegestaan en als minimale afstand, maximale inhoud, maximale goothoogte, maximale bouwhoogte en minimale respectievelijk maximale dakhelling geldt; k. ondergrondse gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd onder de oppervlakte van de woning; 5.2.2

Bijgebouwen

Voor bijgebouwen gelden de volgende regels: a. de dichtst bij het hoofdgebouw gelegen gevel van het bijgebouw mag alleen binnen een straal van 30 meter van de gevel van het hoofdgebouw worden opgericht; b. het bijgebouw mag niet vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw

16

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

of het verlengde daarvan mogen worden opgericht; c. de gezamenlijke grondoppervlakte mag niet meer dan 100 m2 bedragen, tenzij met een aanduiding op de verbeelding is aangegeven wat de maximale oppervlakte mag bedragen. d. de goothoogte mag niet meer dan 3,25 m bedragen; e. de bouwhoogte mag niet meer dan 5 m bedragen; f. ondergrondse bijgebouwen zijn niet toegestaan. 5.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen; b. voor overkappingen geldt dat de maximale bouwhoogte niet meer dan 3,25 m mag bedragen, met dien verstande dat de maximale oppervlakte maximaal 40 m2 bedraagt; c. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,50 m bedragen. 5.3

Nadere eisen

5.3.1

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing; b. de aard, bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen; c. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing. 5.3.2

Afwegingskader

De in 5.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld: a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of landschappelijke inpassing; b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden; c. ter verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik; d. ten behoeve van de milieusituatie; e. ten behoeve van de verkeersveiligheid; f. ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 5.3.3

Procedure

Bij de gebruikmaking van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is de procedure als genoemd in 13.1 van toepassing. 5.4

Specifieke gebruiksregels

5.4.1

Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

a. Gebruik van de gronden en gebouwen overeenkomstig het bepaalde in lid 5.1 is toegestaan, mits de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing van de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan, uiterlijk binnen twee jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, is gerealiseerd. De landschappelijke inpassing dient na realisatie duurzaam te worden beheerd en in stand gehouden; b. Gebruik van het perceel conform de bestemming 'Wonen' is toegestaan mits de te saneren bebouwing, zoals weergegeven op de inrichtingsschets van de Landschappelijke inpassing in Bijlage 1, bij deze regels, is gesaneerd binnen 12 maanden na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

17

5.4.2

Voorwaardelijke verplichting sloop

Het (doen/laten) gebruik(en) van de bestemming 'Wonen' is uitsluitend toegestaan indien de voormalige bedrijfsbebouwing zoals weergegeven in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing van deze regels, maximaal 12 maanden na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, is gesloopt.

5.4.3

Voorwaardelijke verplichting geluid

Ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat, is het in gebruik nemen van gronden en gebouwen voor een gebruik als bedoeld in artikel 5.1 uitsluitend toegestaan indien: a. voor de zuidelijke woning, de gevel van het hoofdgebouw, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van Bijlage 7 van de toelichting: 1. vanaf een bouwhoogte van meer dan 4,5 m als dove gevel wordt uitgevoerd, of; 2. vanaf een bouwhoogte van meer dan 4,5 aan de voorgevel geen verblijfsruimtes met te openen delen zijn gesitueerd; b. in afwijking van het bepaalde in sub a zijn andere akoestische maatregelen toegestaan, voor zover er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. 5.5

Afwijken van de bouwregels

5.5.1

Geringere dakhelling gebouwen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 5.2.1 onder f ten behoeve van een geringere dakhelling. 5.5.2

Oppervlakte aan bijgebouwen vergroten via bonussloopregeling

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 5.2.2 onder c ten behoeve van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning, onder de voorwaarden dat: a. binnen het bestemmingsvlak zelf of elders bestaande gebouwen worden gesloopt. Daarbij geldt dat maximaal 100 m2 als bijgebouw bij de woning is toegestaan, met dien verstande dat wanneer de bestaande oppervlakte aan bijgebouwen meer bedraagt dan 100 m2 ten hoogste 20% van deze meerdere oppervlakte behouden of vervangen mag worden tot een maximale gezamenlijke oppervlakte van 250 m2; b. verzekerd is dat de elders gesloopte oppervlakte aan gebouwen daar niet opnieuw kan worden gebouwd. 5.5.3

Hogere erfafscheiding / hekwerken voor de voorgevel

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 5.2.3 ten behoeve van een grotere hoogte voor erfafscheidingen en hekwerken vóór de voorgevel van het hoofdgebouw, onder de voorwaarden dat: a. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m; b. de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. 5.5.4

Voorwaarden afwijking

De in 5.5 genoemde vergunning worden slechts verleend, onder de voorwaarden dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

18

Bestemmingsplan "Schijndelsedijk 3 te Boxtel" (ontwerp)

5.5.5

Advies

Met betrekking tot de toepassing van de in 5.5 genoemde bevoegdheden wordt advies ingewonnen bij de WUBBB ten aanzien van de vraag of de gebiedswaarden in voldoende mate worden versterkt bij uitvoering van het ingediende landschapversterkingsplan (voor zover deze voorwaarde bij de afwijkingsbevoegdheid is opgenomen), waarbij de WUBBB zich zo nodig baseert op een deskundigenrapport. 5.6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=d2ed1a19-7ff4-4c2a-9a93-766436e207fc