CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Kerkweide-West Bijlage 1 Toelichting Planregels.pdf

Raadsvergadering Boxtel 11 april 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: Gewijzigd bestemmingsplan Kerkweide-West, Liempde (reg nr 1314773)23.079 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze verdeling wordt onder meer gesteund door de volgende uitspraken van de Raad van State: Uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2021:1586 van 21 juli 2021: ‘De raad heeft de directe omgeving van het plangebied aangemerkt als gemengd gebied, omdat zich in de omgeving van het plangebied meerdere bedrijven bevinden: aan de overzijde van de Zomerweg bevinden zich bestaande bedrijven op bedrijventerrein ’t Broek, zo staat in de plantoelichting. De Afdeling vindt deze kwalificatie van de omgeving juist. Opmerking: in de directe omgeving van het bestemmingsplan Kerkweide-West is geen sprake van een bedrijventerrein, maar wel van de aanwezigheid van diverse bedrijven.

Hoofdstuk 4

27

Uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2022: 1005 van 6 april 2022: ‘De Afdeling is van oordeel dat de omgeving van het plangebied van het wijzigingsplan kwalificeert als een gemengd gebied omdat in de omgeving van het plangebied, naast woningen, ook diverse bedrijven gevestigd zijn.’ Beoordeling Voor de beoordeling van de aspecten geur, stof en gevaar is uitgegaan van het omgevingstype rustige woonwijk. Maar in lijn met de typering van het omgevingstype van het plangebied zoals hierboven omschreven geldt ook voor deze aspecten dat er sprake is van gemengd gebied. Wanneer wordt voldaan aan de richtafstanden van een rustige woonwijk wordt ook voldaan aan de richtafstanden van gemengd gebied. Uit de beoordeling blijkt dat de richtafstanden van enkele bedrijven, voor één of meerdere milieuaspecten reiken tot over de grens van het plangebied. Voor het aspect geluid wordt hiervoor verwezen naar het akoestisch onderzoek industrielawaai (zie paragraaf 4.6). De overige aspecten, waarbij sprake is van een richtafstand die tot het plangebied reikt, worden onderstaand per bedrijf beschouwd. Het betreft de volgende bedrijven en milieuaspecten:  Pour Vous Chaussures – geur, stof, gevaar;  Koppen Bouwbedrijf b.v. – stof;  VOF Interunique – Ciro – stof. Tabel 4.2 Richtafstanden per bedrijf per milieuaspect (Bron: Bedrijven en milieuzonering, Kragten)

Pour Vous Chaussures, Bergstraat 15A Pour Vous Chaussures is aangeduid als groothandel in overige consumentenartikelen. Op basis van deze omschrijving zijn de milieuaspecten geur, stof en gevaar mogelijk relevant. Onderstaand zijn deze aspecten nader beschouwd. Voor dit bedrijf is op 30 juli 2001 een melding in het kader van het Besluit opslag en/of transportbedrijven milieubeheer ingediend, van rechtswege overgegaan naar het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Hoofdstuk 4

28

Geur en stof Uit de informatie van het door het bedrijf ingediende meldingsformulier blijkt dat geen sprake is van geur- en/of stof-emitterende activiteiten. Ten aanzien van geurhinder en stofhinder is bovendien in afdeling 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een zorgplicht opgenomen ter voorkoming dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van geurhinder en stofhinder. Aangezien het bedrijf bestemd is voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg van goederen of producten waarbij geen sprake is van geur- en/of stofemitterende activiteiten wordt het bedrijf niet in haar bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de planontwikkeling en is geen sprake van geur- en of stofhinder ter plaatse van het plangebied. Gevaar In het vigerende bestemmingsplan Liempde 3 is vastgelegd dat binnen de enkelbestemming ‘bedrijf’ BEVI-inrichtingen als strijdig gebruik zijn aangemerkt. Dit betekent dat binnen het bedrijventerrein geen bedrijven kunnen worden gevestigd waarvan een risicocontour tot over de plangebieden reikt. Uit de informatie van het door het bedrijf ingediende meldingsformulier blijkt dat binnen bet bedrijf geen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Het aspect gevaar is dan ook niet relevant voor de planvorming. Koppen Bouwbedrijf b.v., Bergstraat 16 en 21 (1 inrichting) Koppen Bouwbedrijf b.v. is aangeduid als bouwbedrijf algemeen.

Op basis van deze omschrijving is het milieuaspect stof mogelijk relevant. Onderstaand is dit aspect nader beschouwd. Voor dit bedrijf is op 17 juli 2012 een melding Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend voor het wijzigen van de inrichting. Daarnaast is door de inrichtinghouder informatie over het bedrijf beschikbaar gesteld (zie bijlage B1, zoals opgenomen in de onderzoeksrapportage Bedrijven en milieuzonering). Stof Uit de informatie van het door het bedrijf ingediende meldingsformulier Activiteitenbesluit milieubeheer blijkt dat voor de inrichting de volgende activiteit uit het Activiteitenbesluit, waarbij de emissie van stof mogelijk relevant is, van toepassing is:  Mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen. Daarnaast zijn de zorgplicht en de algemene milieuregels voor emissie naar de lucht uit het Activiteitenbesluit van toepassing. In paragraaf 4.3.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn emissie-eisen opgenomen ten aanzien van de emissie van stof. Daarnaast geldt voor dit bedrijf de zorgplicht op basis van afdeling 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Doordat emissie-eisen zijn gesteld (voor gekanaliseerde emissies) en daarnaast een zorglicht geldt voor eventuele diffuse emissies wordt het bedrijf, als gevolg van de planontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de planontwikkeling en is geen sprake van stofhinder ter plaatse van het plangebied.

3

vastgesteld 17 december 2013

Hoofdstuk 4

29

VOF Interunique – Ciro, Bergrstraat 19 VOF Interunique - Ciro is aangeduid als Timmerwerkfabriek, vervaardiging overige artikelen van hout. Op basis van deze omschrijving is het milieuaspect stof mogelijk relevant. Onderstaand is dit aspect nader beschouwd. Voor dit bedrijf is geen melding in het kader van het Activiteitenbesluit beschikbaar. Wel is door de inrichtinghouder informatie over het bedrijf beschikbaar gesteld (zie bijlage B1, zoals opgenomen in de onderzoeksrapportage Bedrijven en milieuzonering). Stof Hoewel geen meldingsformulier in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer is overlegd kan op basis van de aard van de inrichting er vanuit worden gegaan dat voor deze inrichting de volgende activiteit uit het Activiteitenbesluit, waarbij de emissie van stof mogelijk relevant is, van toepassing is:  Mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen. Daarnaast zijn ook voor deze inrichting de zorgplicht en de algemene milieuregels voor emissie naar de lucht uit het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de door de inrichting beschikbaar gestelde informatie blijkt dat de inrichting gebruik maakt van een afzuiginstallatie voor het afzuigen van zaagsel. Er is derhalve sprake van een gekanaliseerd emissiepunt.

In paragraaf 4.3.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn emissie-eisen opgenomen ten aanzien van de emissie van stof. Daarnaast geldt voor dit bedrijf de zorgplicht op basis van afdeling 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Doordat emissie-eisen zijn gesteld (voor gekanaliseerde emissies) en daarnaast een zorglicht geldt voor eventuele diffuse emissies wordt het bedrijf, als gevolg van de planontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de planontwikkeling en is geen sprake van stofhinder ter plaatse van het plangebied. Uit de beoordeling van de aspecten geur, stof en gevaar volgt dat enkele richtafstanden van de afzonderlijke milieuaspecten van de omliggende bedrijven reiken tot over de grens van het plangebied. Uit een nadere beschouwing van deze specifieke richtafstanden van de betreffende bedrijven volgt dat deze bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van de planontwikkeling en dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van geur- en/of stofhinder als gevolg van deze bedrijfsmatige activiteiten. Er zijn vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6 Akoestisch onderzoek industrielawaai Door M+P is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Een van de aspecten die hierbij is onderzocht is de geluidsbelasting op het plan vanwege de naast het plan gelegen bedrijven. In dit onderzoek wordt deze geluidsbelasting onderzocht en worden de mogelijkheden besproken om te komen tot een goed

Hoofdstuk 4

30

akoestisch woon- en leefklimaat in het plan, zonder dat de bedrijven (relevant) worden gehinderd in de bedrijfsvoering. Door Adviesbureau Kragten is in dit kader vooronderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd om te bepalen: 1. of de omliggende bedrijven worden gehinderd in hun huidige en voorgenomen concrete toekomstige bedrijfsvoering door de realisatie van de woningen en; 2. of sprake is van een goede ruimtelijke ordening/goed akoestisch woon- en leefklimaat bij de te realiseren woningen. Het eerste lid wordt onderzocht aan de hand van een toetsing aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit (alle omliggende bedrijven zijn type B inrichtingen in het Activiteitenbesluit). Het tweede lid wordt onderzocht aan de hand van een toetsing van de planologisch maximale situatie aan het stappenplan uit de VNG richtlijn Bedrijven en milieuzonering. Onderzoek is uitgevoerd naar de invloed van de omgeving op het plangebied. Centraal hierin staat enerzijds de vraag of, en onder welke voorwaarden, er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en anderzijds of omliggende bedrijven in hun bedrijfsvoering en/of milieurechten worden beperkt. Hierna volgt enkel de conclusie van de beoordeling voor het aspect geluid. Het akoestisch onderzoek is als separate bijlagen bij het bestemmingsplan gevoegd.

Op basis van de beoordeling van de aanwezige bedrijven en de toegestane categorieën bedrijven conform het bestemmingsplan is geconcludeerd dat voor (een deel van) de gronden met een bedrijfsbestemming en de daarop gelegen bedrijven nabij het plangebied door middel van een akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond dat enerzijds bestaande geluidrechten van bedrijven worden gerespecteerd en dat anderzijds sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. De beoordeling van de rekenresultaten heeft plaatsgevonden conform het gestelde in de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG 2009 en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het onderzoek volgen onderstaande resultaten per bedrijf. Berkelmans Camper Agency en Motor Depot Home, Bergstraat 11  Planologisch maximale situatie: geen knelpunt  Representatieve bedrijfssituaties: geen knelpunt  Verkeersaantrekkende werking: geen knelpunt Wandtotaal afbouw opslag, Bergstraat 13  Planologisch maximale situatie: geluidsbelasting maximaal 53 dB(A)  Representatieve bedrijfssituaties: geen knelpunt.  Verkeersaantrekkende werking: geen knelpunt

Hoofdstuk 4

31

Oplossing met betrekking tot de planologisch maximale situatie:  in het plan integreren van transparante vliesgevel, waarmee de geluidsbelasting op de gevel wordt gereduceerd tot onder 50 dB(A)  ofwel, indien t.z.t na een nieuwe melding op dit adres nodig, maatwerkvoorschriften vaststellen, hetgeen tot 53 dB(A) geen probleem mag zijn Brabant Budget Cars/ Joey’s Car Detailing, Bergstraat 15  Planologisch maximale situatie: geluidsbelasting maximaal 52 dB(A)  Representatieve bedrijfssituaties: geen knelpunt  Verkeersaantrekkende werking: geen knelpunt Oplossing met betrekking tot de planologisch maximale situatie:  in het plan integreren van transparante vliesgevel, waarmee de geluidsbelasting op de gevel wordt gereduceerd tot onder 50 dB(A)  ofwel, indien t.z.t na een nieuwe melding op dit adres nodig, maatwerkvoorschriften vaststellen, hetgeen tot 52 dB(A) geen probleem mag zijn Koppen Bouwbedrijf, Bergstraat 16 en 21  Planologisch maximale situatie: geluidsbelasting maximaal 52 dB(A)  Representatieve bedrijfssituaties: overschrijdingen van grenswaarden uit Activiteitenbesluit  Verkeersaantrekkende werking: geen knelpunt Oplossing met betrekking tot de planologisch maximale situatie:  Planologisch maximale situatie wordt begrensd door de aanwezigheid van woningen in de bestaande situatie. Indien hiermee rekening wordt gehouden, is er geen knelpunt.

Oplossing met betrekking tot representatieve bedrijfssituaties:  Indien wordt uitgegaan van een situatie zonder overschrijdingen bij bestaande woningen, is er geen knelpunt. VOF Interunique – Ciro, Bergstraat 19  Planologisch maximale situatie: geluidsbelasting maximaal 57 dB(A)  Representatieve bedrijfssituaties: geen knelpunt  Verkeersaantrekkende werking: geen knelpunt Oplossing met betrekking tot de planologisch maximale situatie: De verwachting is gezien de oriëntatie van het bedrijf (afgericht van plan) een geluidsbelasting niet hoger dan 55 dB(A). Indien deze situatie zich voordoet kan deze worden geregeld met behulp van maatwerkvoorschriften of door het plaatsen van een vliesgevel voor het appartementengebouw in het plan. Golden Years Classic Cars, Bergstraat 21  Planologisch maximale situatie: geen knelpunt  Representatieve bedrijfssituaties: geen knelpunt

Hoofdstuk 4

32

Verkeersaantrekkende werking: geen knelpunt

Conclusie Er is plaatse van het woningbouwplan sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat, en daarmee is er ook, wat geluid betreft sprake van een goede ruimtelijke ordening. De zittende bedrijven worden door het bestemmingsplan niet gehinderd in hun bedrijfsvoering of in ieder geval niet meer gehinderd in hun bedrijfsvoering dan door de vigerende geluidsvoorwaarden uit het Activiteitenbesluit. De planologisch maximale situaties vormen geen knelpunt, zij het dat in een enkele situatie mogelijk maatwerkvoorschriften nodig zijn of het realiseren van een vliesgevel voor (een deel van) het appartementengebouw. Gekozen is om voor deze situatie een vliesgevel voorwaardelijk verplicht te stellen. Voor zover een vliesgevel niet kan worden gerealiseerd, zal een dove gevel gerealiseerd moeten worden. Op deze manier wordt voorkomen dat toetspunten op de betreffende gevels tot belemmeringen voor de aangrenzende bedrijvigheid leiden. In paragraaf 5.3 van deze toelichting wordt deze regeling nader toegelicht.

4.7 Akoestiek wegverkeer Woningen zijn geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. In dit bestemmingsplan is sprake van het realiseren van 29 woningen. In de zin van de Wet geluidhinder is sprake van een nieuw geluidgevoelig object. Het plangebied ligt in de geluidzone van de A2, derhalve is door Windmill een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna volgen enkel de conclusies van dit onderzoek. De volledige onderzoeksrapportage is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Doorwerking plangebied De voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de Rijksweg A2 wordt nergens overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Kerkheiseweg is maximaal 47 dB. Cumulatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (zoneplichtige als de niet-zoneplichtige) inzichtelijk gemaakt. Uit de rekenresultaten blijkt dat de milieukwaliteit overeenkomstig de methode Miedema te classificeren is als ‘redelijk’. Hier is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gemeentelijk geluidbeleid De hoogst berekende cumulatieve geluidbelasting vanwege alle wegen (gezoneerd en niet gezoneerd) bedraagt 52 dB (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder).

Conform de eisen die het Bouwbesluit stelt aan de karakteristieke geluidwering van de geluidbelaste gevels (GA;k minimaal 20 dB) is het risico op overschrijding van de grenswaarde voor het binnenniveau (33 dB) minimaal.

Hoofdstuk 4

33

Verkeersaantrekkende werking Het effect van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe planontwikkeling op de geluidbelasting ter plaatse van de bestaande woningen is eveneens onderzocht. Hieruit blijkt dat de geluidbelasting vanwege verkeer op de Kerkheiseweg, waar het plan op wordt ontsloten, ter plaatse van bestaande woningen met maximaal 1,4 dB toeneemt. Gesteld kan worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet leidt tot een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting op de bestaande woningen. De Wet geluidhinder legt geen restricties op aan het plan, daarnaast is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.8 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en parkeren. De Rekentool Verkeersgeneratie is ingevuld. Uitgegaan is van een worst-case situatie, namelijk 29 vrijstaande woningen (koop, vrijstaand, ligging in rest bebouwde kom). In het ontwerp is uitgegaan van 10 aaneengebouwde woningen, 8 twee-onder-een-kapwoningen en 11 gestapelde woningen in de vorm van een appartementenblok. De resultaten zijn in onderstaande tabellen weergegeven en ook opgenomen in het akoestische onderzoek wegverkeer t.b.v. de verkeersaantrekkende werking van het initiatief (zie paragraaf 4.7). Resultaat - Verkeersgeneratie gemiddelde weekdag gemiddelde openingsdag maatgevende openingsdag (gemiddelde maand) maatgevende openingsdag (maatgevende maand)

237 mvt/etmaal +/- 4% 237 mvt/etmaal +/- 4% 250 mvt/etmaal +/- 4% (gemiddelde werkdag) 250 mvt/etmaal +/- 4% (gemiddelde werkdag / gemiddeld)

Tabel 4.3 Verkeersgeneratie

Het plangebied wordt ontsloten aan de zuidzijde via de Kerkheiseweg. Bewoners en bezoekers zullen het plangebied hoofdzakelijk bereiken en verlaten via Kerkheiseweg, Bergstraat en Boxtelseweg (hoofdroute). De nieuwe wijk genereert 237 nieuwe motorvoertuigbewegingen/etmaal op een gemiddelde weekdag. De berekende verkeersintensiteiten zijn relatief beperkt als deze over een etmaal worden uitgezet. Het drukte uur is de avondspits: dan is de verkeersgeneratie 10%. Het gebied ligt in een 30 km/u zone. Op basis van het verkeersmodel is een inschatting gemaakt van de verkeersintensiteiten van de omliggende wegen, zie tabel.

Hoofdstuk 4

34

Wegvak

Etmaalintensiteit mve/etmaal*

Boxtelseweg

6.000

Nieuwstraat

5.000

Bergstraat

1.700

Kerkheiseweg

400

*schatting o.b.v. het verkeersmodel (door gemeente aangegeven) Tabel 4.4 Verkeersintensiteiten omliggende wegen

Er zijn geen harde criteria gesteld aan 30 km/u erftoegangswegen, maar het wenselijk geachte maximum van gemotoriseerd verkeer ligt op circa 3.000 tot maximaal 4.000 mvt/etmaal voor dergelijke wegen. Dat wordt zeker niet gehaald met de nieuwe verkeersgeneratie m.u.v. de doorgaande wegen Boxtelseweg en de Nieuwstraat. De genoemde wegen kunnen het extra verkeer verwerken en voor de ontsluiting van het plangebied is één ontsluiting voldoende. Het is wel wenselijk dat op termijn, als ook het plandeel Kerkweide-Oost ontwikkeld is, het verkeer het plangebied ook via een doorlopende weg via Kerkweide-Oost kan verlaten. De nieuwe ontsluiting wordt op een verkeersveilige manier aangelegd. De relatief beperkte verkeersgeneratie kan dan ook zonder noemenswaardige problemen prima verwerkt worden op de huidige infrastructuur. Het plan zorgt niet onveilige verkeerssituaties. In het plan zijn 10 aaneengebouwde woningen, 8 twee-onder-een-kapwoningen en 11 gestapelde woningen in de vorm van een appartementenblok voorzien met een parkeernorm van 1,8 pp.. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van 52,2 parkeerplaatsen. Bij de twee-onder-een-kapwoningen en aaneengebouwde woningen op de kopse kant zijn parkeerplaatsen aanwezig op eigen terrein, in totaal 10 stuks.

Voor de ‘ingesloten’ aaneengebouwde woningen en appartementen kan geparkeerd worden in de daarvoor aangewezen parkeerkoffers, totaal 42 parkeerplaatsen. Er zijn in totaal 52 parkeerplaatsen beschikbaar. Er wordt voldaan aan de parkeernorm. Doorwerking plangebied Er ontstaan geen belemmeringen omtrent verkeer en parkeren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.

4.9 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid 4: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

4

let wel op een zorgvuldige belangenafweging, en het (toekomstige) Besluit gevoelige bestemmingen

Hoofdstuk 4

35

c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. Dit volgt uit artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM. b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden.

Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Er zijn immers alleen categorieën van gevallen aangewezen, waarvan aannemelijk is dat de toename van de concentraties in de betreffende gevallen niet de 3% grens overschrijdt. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. De Regeling NIBM geeft vooralsnog invulling aan de volgende categorieën:  woningbouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan;  Inrichtingen. Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Veehouderijen van beperkte omvang zijn nog niet in de Regeling NIBM opgenomen, dit zal op een later moment wel gebeuren. Daarnaast is een voorschrift gereserveerd voor defensie-inrichtingen, maar hieraan is nog geen invulling gegeven. Met betrekking tot woningen is het volgende opgenomen:  1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg;  3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2). Het initiatief valt onder de voornoemde categorieën. Het gaat om totaal 29 wooneenheden. Het initiatief blijft ruim onder de gestelde criteria.

Het initiatief zorgt dan ook niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

36

Woon- en leefklimaat Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijn stof en stikstofdepositie bepaald met behulpt van de Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. In onderstaande tabel zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven.

2016 2025 Norm

Totale concentratie (µg/m3) NO2 25-30 15-20 40

Totale concentratie (µg/m3) PM10 20-22 18-20 40

Totale concentratie (µg/m3) PM2,5 12-14 10-12 25

Tabel 4.5 Achtergrondwaarden en de normen

Het onderhavige project valt onder voornoemde lijst met categorieën van gevallen. Een luchtkwaliteitsonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat het onderliggende initiatief geen nadelige invloed heeft op de luchtkwaliteit. Ook is sprake van een goed woonen leefklimaat.

4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico (dat aan activiteiten verbonden is) voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvisie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid (meer personen toevoegen aan een gebied) kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

Hoofdstuk 4

37

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Boxtel Het doel van de Beleidsvisie externe veiligheid (2010) is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het ruimtelijke scheiden van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten. Er wordt in de visie invulling gegeven aan de omgang met risiconormen en richtlijnen voor drie verschillende gebiedstypen:  risicoluw gebied;  gemengd gebied en  intensief gebied. Voorliggend plangebied kan worden gekenmerkt als risicoluw gebied. Blijkens de beleidsvisie externe veiligheid zijn dit locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en gemengde activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente wil de burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving bieden en daarom worden er geen risicovolle inrichtingen toegelaten. Onderhavig initiatief maakt woningen mogelijk op een onbebouwd perceel (met woonbestemming, zonder bouwvlak) te midden van woonpercelen en enkele bedrijfsbestemmingen en kan derhalve worden aangemerkt als inbreidingslocatie. Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als grasland. Er is dan ook geen sprake van strijd met de beleidsvisie. Doorwerking plangebied Binnen externe veiligheid zijn twee aspecten te onderscheiden: externe veiligheidsaspecten van inrichtingen en leidingen en van het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Onderstaande kaart toont een overzicht van de aanwezige risicovolle inrichtingen, leidingen en transportroutes in de omgeving van het plangebied. Op grond van de risicokaart is vastgesteld dat er geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen in het plangebied doorsnijden. Wel liggen er enkele transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleiding in de omgeving (zie figuur 4.1).

Hoofdstuk 4

38

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart. Het plangebied is globaal aangegeven met de rode lijn.

Vervoer van gevaarlijke stoffen Rijksweg A2 Over de rijksweg A2 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Uit de Regeling basisnet volgt dat de A2 geen plaatsgebonden risico 10-6 contour (PR 10-6), plasbrandaandachtsgebied (PAG) en/of veiligheidszone heeft. Wel heeft de rijksweg een maximaal invloedsgebied van 880 meter. De planlocatie bevindt zich op ca. 580 meter. Volgens het Bevt kan daarmee worden volstaan met een beperkte verantwoording. Een beperkte verantwoording gaat – conform artikel 7 van het Bevt – in op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp Voor dit onderdeel en het onderdeel zelfredzaamheid is (verplicht) advies ingewonnen bij de Brandweer Brabant-Noord (zie bijlage bij dit bestemmingsplan). Voor de bestrijdbaarheid is het van belang het (de) relevante scenario(’s) te onderscheiden. Gezien de afstand van het plangebied tot de A2 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk.

Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel op-

Hoofdstuk 4

39

treden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. Mogelijkheden zelfredzaamheid - Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Voor het toxische scenario geldt schuilen als beste handelingsperspectief. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. In dit geval neemt de personendichtheid in het plangebied sterk af. Bij de verbouw van het kantoorpand dient bij de voldaan te worden aan het nieuwe Bouwbesluit. Als gevolg van de eisen in het Bouwbesluit moeten woningen goed geïsoleerd zijn, waardoor deze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van toxische stoffen. De zelfredzaamheid is voldoende aangetoond.

Leidingen In de omgeving van het plangebied liggen drie hogedruk aardgasleidingen, transportroutes 68179, 67714 en 67921. De 1%-letaliteitsgebieden in relatie met de afstand tot het plangebied van deze leidingen strekken zich als volgt uit:

A526 A525 A527

100% letaliteit in meters 190 180 210

1% letaliteit in meters

Werkelijke afstand in meters

490 430 540

590 472 982

Tabel 4.6 Hogedruk aardgasleidingen

De ontwikkeling is niet gelegen binnen de 1% letaliteitszone van een hogedruk aardgastransportleiding. De gasleidingen hebben geen PR 10-6contour. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico levert derhalve geen belemmeringen op voor voorliggend bestemmingsplan. Het advies van de Veiligheidsregio (Brandweer Brabant-Noord) is als bijlage bij het bestemmingplan gevoegd. Doorwerking plangebied Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico geen belemmering hoeft te zijn voor het plangebied.

Hoofdstuk 4

40

4.11 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn voor zover bekend ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een klic-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.

4.12 M.e.r.-plicht Met dit bestemmingsplan worden maximaal 29 woningen in het plangebied mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Doorwerking plangebied De ontwikkeling van circa 29 woningen is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Door het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. De aanmeldingsnotitie is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.

Burgemeester en wethouders van Boxtel hebben ingevolge artikel 7.17, vierde lid, van de Wet milieubeheer op basis van de aanmeldingsnotitie de volgende beslissing genomen en dit besluit gepubliceerd: “Het bestemmingsplan Kerkweide-West wordt opgesteld om de ontwikkeling van woningbouw in Kerkweide-West in Liempde mogelijk te maken. De beoogde activiteiten (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject) staan vermeld in bijlage D, categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage 1994 (Besluit m.e.r.). Omdat de drempelwaarde van bijlage D, categorie 11.2 niet wordt overschreden, geldt de vormvrij m.e.r.-beoordelingsplicht. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling die ten behoeve van de realisatie is uitgevoerd, blijkt dat er geen significante nadelige gevolgen voor het milieu zijn die het maken van een milieueffectrapport dan wel milieueffectbeoordelingsrapport rechtvaardigen. Er kan worden volstaan met de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling.” De kennisgeving van dit besluit is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.

Hoofdstuk 4

41

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op de standaardregels van gemeente Boxtel. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2

Hoofdstuk 5

42

bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd.

Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.

Hoofdstuk 5

43

algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Groen De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor groenvoorzieningen en onder andere voor water(lopen), bermen, speelvoorzieningen en paden. Er mogen geen gebouwen gebouwd worden, met uitzondering van gebouwen voor algemeen nut. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen niet hoger dan 3 meter zijn, een aantal uitzonderingen zoals verlichtingsarmaturen daargelaten. Tuin De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor (voor)tuinen behorende bij de hoofdgebouwen die op de aangrenzende woonbestemming zijn gelegen. Er morgen erven, parkeervoorzieningen en overige verhardingen aangelegd worden. De bouwmogelijkheden van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn beperkt. Verkeer – Verblijfsgebied De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor onder andere woonstraten en pleinen, groenvoorzieningen en water(lopen). Er mogen geen gebouwen gebouwd worden, met uitzondering van gebouwen voor algemeen nut. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen niet hoger dan 4 meter zijn, tenzij deze ten behoeve van geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer staan. De maximale goot- en nokhoogte zijn weergegeven op de verbeelding. Water Aan de westzijde van het plangebied ligt een A-watergang.

Deze watergang heeft de bestemming ‘Water’ en de gronden zijn onder andere bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en waterstaatkundige kunstwerken. Er mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd tot een hoogte van maximaal 4 meter.

Hoofdstuk 5

44

Wonen De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen, inclusief tuinen en erven en parkeervoorzieningen. De hoofdgebouwen (woningen) mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd en moeten overeenkomen met het opgenomen woningtype (bijvoorbeeld aaneengebouwd). Ook zijn regels opgenomen met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en kan onder voorwaarden afgeweken worden voor een bedrijf aan huis, mantelzorg en Bed & Breakfast. Ter plaatse van het appartementengebouw is door middel van een aanduiding een specifieke voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van een vliesgevel dan wel dove gevel aan de west- en zuidkanten. De realisatie van een vliesgevel/dove gevel voorkomt dat aangrenzende bedrijvigheid wordt belemmerd. De vliesgevel dient een geluidwering van minimaal 18 dB te hebben. De voorwaardelijke verplichting kan onder nader in de regels benoemde omstandigheden vervallen. Waarde – Archeologie 4 De gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere bestemmingen die daar voorkomen (zoals ‘Groen’ of Wonen’) bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden. Vandaar dat een omgevingsvergunning bij bepaalde ingrepen aangevraagd moet worden, die alleen verleend wordt als de archeologische waarden niet onevenredig geschaad worden.

'Vrijwaringszone-watergang' In een zone naast de A-watergang (met bestemming ‘Water’) is deze dubbelbestemming opgenomen om de A-watergang te beschermen en ervoor te zorgen dat onderhoud plaats kan vinden. Dit gebeurt onder andere door bouwen voor andere bestemmingen niet zonder omgevingsvergunning toe te staan en ook voor bepaalde werken- en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist.

Hoofdstuk 5

45

6.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Boxtel verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Boxtel besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Echter is met de ontwikkelende eigenaar van de gronden een anterieure overeenkomst gesloten zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro, voordat het bestemmingsplan is vastgesteld. Ook zijn er geen redenen om nadere eisen te stellen dan wel het plan te faseren, zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt. In de anterieure overeenkomst is het verhaal van kosten op afdoende wijze vastgelegd. Financiële haalbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is in handen van de Kerkweide Ontwikkeling.

Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal is verzekerd. Daarmee is verzekerd dat alle projectgebonden kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van deze partij. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 6

46

7.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart.

7.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan plan zijn geïnformeerd en er heeft vooroverleg plaatsgevonden met Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en de Veiligheidsregio. De resultaten hiervan zijn in het plan verwerkt.

7.2 Procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan heeft in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken (vanaf donderdag 4 september tot en met woensdag 14 oktober 2020). Er is sprake van een gecoördineerde procedure en gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan heeft de ontwerpomgevingsvergunning voor de 29 woningen ter inzage gelegen. Op het bestemmingsplan zijn 7 zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is op 13 juli 2021door de gemeenteraad gewijzigd vastgesteld. De Nota zienswijzen en de Nota van wijzigingen zijn opgenomen in de bijlagen bij dit bestemmingsplan.

7.3 Beroep Tegen het vastgestelde bestemmingsplan is tijdig en ontvankelijk beroep ingediend. De Afdeling heeft op 9 februari 2023 het beroep behandeld. De gemeente is in de gelegenheid gesteld het bestemmingsplan op onderdelen te herstellen. Hiertoe zijn aanpassingen en aanvullingen gedaan in de onderhavige plantoelichting en in de planregels (incl. bijlage). Het bestemmingsplan is op 11 april 2023 gewijzigd vastgesteld, waarmee tegemoetgekomen wordt aan de gegronde beroepsgronden. De Afdeling zal omtrent de gewijzigde vaststelling definitief uitspraak doen.

Hoofdstuk 7

47

7.4 Zorgvuldige dialoog In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog gehouden met de in de omgeving van het plangebied gelegen bedrijven en woningen aan de Kerkheiseweg, Bergstraat en Boxtelseweg. In de loop der jaren (vanaf september 2017) is meermaals en op verschillende momenten met hen gesproken. Op 27 juni 2018 heeft een informatieavond plaatsgevonden voor alle direct aanwonenden van Kerkheide-West en Kerkweide-Oost. Op 9 oktober 2019 heeft er opnieuw een informatieavond plaatsgevonden voor alle omwonenden van Kerkweide-West en andere geïnteresseerden in het plan Kerkweide-West. Met de direct omwonenden is op 2 maart en op 16 april 2020 gesproken over de mogelijkheid dat hun percelen bereikbaar blijven via het plangebied (verslag is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen). Naar aanleiding van dit overleg is het plan aangepast en zijn er mogelijkheden voor een doorsteek naar deze percelen. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft er overleg plaatsgevonden tussen de initiatiefnemer en de in omgeving gelegen bedrijven. Verder is door initiatiefnemer aangegeven dat de omgeving op de hoogte wordt gesteld over de vorderingen binnen het project, met name wanneer dit richting start procedure en uitvoering gaat.

Hoofdstuk 7

48

SEPARATE BIJLAGEN

Bijlage 1: Woonladder Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Akoestisch onderzoek Industrielawaai Bijlage 7: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 8: Archeologisch onderzoek Bijlage 9: Aanmeldingsnotitie m.e.r. Bijlage 10: Notulen bewonersoverleg 16 april 2020 Bijlage 11: Asbestonderzoek en sloopvergunning Bijlage 12: Raadsvoorstel- en besluit, inclusief Nota van Wijziging en Nota van Zienswijzen Bijlage 13: Quickscan bedrijven en milieuzonering Bijlage 14: Infiltratieonderzoek Bijlage 15: Verleende omgevingsvergunning Bijlage 16: Raadsbesluit welstandsvrij Bijlage 17: Kennisgeving besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 18: Advies Veiligheidsregio

Kerkweide-West

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 10

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

11

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Groen Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Water Wonen Waarde - Archeologie 4 Vrijwaringszone - watergang

11 12 14 15 16 20 23

Hoofdstuk 3

Algemene regels

24

Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Anti-dubbeltelbepaling Algemene gebruiksregels Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

24 25 26 27 28

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

29

Artikel 15 Artikel 16

Overgangsrecht Slotregel

29 30

2

Bestemmingsplan "Kerkweide-West" (vastgesteld)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan

het bestemmingsplan ' Kerkweide-West' met identificatienummer 'NL.IMRO.0757.BP07KerkweideWest-VST2' van de gemeente Boxtel; 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aaneengebouwde woning

een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen, niet zijnde een gestapelde woning; 1.5

afhankelijke woonruimte

een onderdeel van het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is; 1.6

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.7

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.8

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9

bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

4

Bestemmingsplan "Kerkweide-West" (vastgesteld)

1.10

bedrijf aan huis

bedrijfsmatige activiteiten, die door hun beperkte omvang in of bij een woning met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt, en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.11

bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, beroepen aan huis daaronder niet begrepen; 1.12

beroep aan huis

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten en naar de aard daarmee gelijk te stellen dienstverlenende beroepen; 1.13

beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.14

bestaand

voor zover dit betrekking heeft op bebouwing, gaat het om de oppervlakte van de bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van grond en opstallen, gaat het om het gebruik zoals dat aanwezig was op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen. 1.15

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak; 1.16

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.18

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

Bestemmingsplan "Kerkweide-West" (vastgesteld)

5

1.19

bouwgrens

de grens van een bouwvlak; 1.20

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21

bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel; 1.22

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.23

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24

bouwverordening

Bouwverordening als bedoeld in artikel 8 van de Woningwet; 1.25

dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.26

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.27

dove gevel

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.28

eigen wand

wand die tot de constructie zelf behoort;

6

Bestemmingsplan "Kerkweide-West" (vastgesteld)

1.29

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30

geluidgevoelige ruimte

een geluidgevoelige ruimte als bedoeld in de Wet geluidhinder; 1.31

geschakelde woning

een woning, waarvan het hoofdgebouw door middel van een bijbehorend bouwwerk verbonden is aan een ander hoofdgebouw en waarbij één zijgevel van het hoofdgebouw in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd; 1.32

gestapelde woningen

een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat; 1.33

gevellijn

de als zodanig aangegeven lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd; 1.34

hoofdgebouw

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.35

mantelzorg

het bieden van hulp bij het dagelijks functioneren, die vrijwillig en onbetaald, buiten organisatorisch verband, wordt verleend aan personen uit het sociale netwerk die vrij ernstige fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen hebben. Voor personen die 65 jaar en ouder zijn, wordt geen indicatie noodzakelijk geacht; 1.36

nevenactiviteiten

activiteiten die ondergeschikt zijn aan de primair aan de gronden toegekende functie; 1.37

overkapping

een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een slechts van boven afgesloten ruimte van lichte constructie. Indien een overkapping aangebouwd is aan een gebouw mag een overkapping maximaal 2 niet eigen wanden hebben. Eigen wanden zijn dan niet toegestaan. Indien een overkapping niet is aangebouwd aan een gebouw mag een overkapping maximaal 1 eigen wand hebben; 1.38

peil

a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; Bestemmingsplan "Kerkweide-West" (vastgesteld)

7

c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil); 1.39

recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden en bouwwerken dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; 1.40

seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.41

twee-aaneen gebouwde woning

een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee aaneengebouwde woningen; 1.42

vliesgevel

een niet-dragende gevel of afscheiding tussen exterieur en het interieur c.q. de gevel van een gebouw, al dan niet voorzien van een opening aan de onderkant, welke niet door middel van een dak is verbonden met het bijbehorende gebouw; 1.43

voorgevel

een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw; 1.44

voorgevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen; 1.45

voorzieningen van algemeen nut

voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.46

vrijstaande woningen

woningen waarbij het hoofdgebouw vrijstaat van naast gelegen hoofdgebouwen; 1.47

water en waterhuishoudkundige voorzieningen

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.;

8

Bestemmingsplan "Kerkweide-West" (vastgesteld)

1.48

wonen

gehuisvest zijn in een woning; 1.49

woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=3ea206e9-190b-4153-8202-8c88c7a06376