bp Groenweg 7, Esch- Bijlage 5b Toelichting.pdf
Tekst van het document
De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
31
functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Consequenties Door Buro Maerlant is een quickscan uitgevoerd naar het aspect soorten. De rapportage is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). De conclusies en het advies van het onderzoeksbureau zijn als volgt: “In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende po- tentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: » Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd). Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve ef- fecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Advies Zorplichtmaatregelen broedvogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in of nabij de werkgrenzen aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen werkzaamheden zoals de verwijdering van beplantingen en grondwerk met groter materieel bij voorkeur uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken.
Het verstoren van broedende vogels, wat leidt tot het definitief verlaten van een nest, is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Kansen blijven bieden voor de huismus (niet verplicht) De aanwezige hagen aan de rand van het plangebied worden gebruikt door de huismus, als ook hagen in de omgeving. De verwijdering van de hagen heeft doordat voldoende alter- natieven aanwezig blijven, op de huismus geen negatief effect. Men kan ten gunste van de huismus overwegen zoveel mogelijk hagen te behouden. Ander kleinere zangvogels kunnen hier ook van profiteren.” Op circa 3 kilometer van het plangebied ligt Natura 2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op circa 6 kilometer ligt Natura 2000 gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Op circa 7 kilometer ligt Natura 2000 gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Met de Aerius-calculator is berekend in hoeverre het project zowel voor wat betreft de realisatie- als gebruiksfase invloed heeft op alle nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Uit de berekening die is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting blijkt dat in zowel de realisatie- als de gebruiksfase geen sprake is van de depositie van stikstof op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Ter hoogte van een van de inritten van de woningen in het plangebied staat een boom in het openbaar gebied. Deze boom kan niet blijven staan. Op kosten van de initiatiefnemer
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
32
zal de huidige boom naar elders in het openbaar gebied (zo dicht mogelijk nabij de huidige groeiplaats) worden verplaatst of een nieuwe vergelijkbare boom worden herplant. Uit voorgaande blijkt dat in verband met onderhavige ontwikkeling geen sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming.
4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor woningen wordt hierbij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg. Van belang is naast de bijdrage van het project aan de luchtkwaliteit dat ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten behoeve van een nieuwe gevoelige bestemming. Consequenties In onderhavig projectgebied worden 2 woningen toegevoegd. Hiervoor geldt een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 8 verkeersbewegingen per etmaal. Dat betekent dat het project een toename van 16 motorvoertuigen per etmaal totaal genereert. Dit aantal in ingegeven in de NIBM-tool die in 2008 door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil is ontwikkeld. De
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
33
uitkomst is dat de grens voor ‘niet In betekenende mate’ met dit aantal niet wordt overschreden. Zie de uitsnede van de ingevulde tool hieronder waaruit dit blijkt.
Naast het effect van het project op de luchtkwaliteit is het ook van belang dat de toestand van de luchtkwaliteit in de bestaande (voorspelde) situatie geschikt is voor de nieuwe functie. Er moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd. Gekeken naar de voorspellingen voor PM10 en NO2 met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan de gestelde grenswaarden. Uitsneden van de kaarten ter hoogte van het projectgebied zijn hieronder opgenomen.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
34
Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderhavige ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.9 Water Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. De gemeente dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap De Dommel, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren. Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Hydrologisch kader Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben in hun keuren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Dit gezamenlijke beleid heeft onder andere geresulteerd in de rapportage Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
35
‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ van 9 december 2014. Uit (onder andere) deze uitgangspunten blijkt het volgende: 'Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel-)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doel- matigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging.
Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.' De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote (toename verhard oppervlak groter dan 10.000 m2) en kleine plannen (toename verhard oppervlak tussen de tussen de 500 m2 en 10.000 m2 ). Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft ertoe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatieeis. Voor plannen met een toename van het verharde oppervlak minder dan 500 m2 geldt geen compensatie-eis. Hemelwaterbeleidsplan Op 18 december 2018 is door de raad van de voormalige gemeente Haaren de hemelwater- en grondwaterverordening vastgesteld. Hierin is bepaald dat bij nieuwbouw het hemelwater niet mag worden aangeboden aan het (bestaande) rioolstelsel en volledig verwerkt moet worden op het eigen terrein. Bij aanleg van nieuwe verhardingen geldt dat 60 mm berging aangelegd dient te worden voor hemelwater op eigen terrein.
Compensatie-eis In de Keur van de Brabantse Waterschappen is als compensatie-eis 60 mm vastgesteld (hoeveelheid in mm die ‘overblijft’ en die geborgen moet worden binnen 24 uur), waarbij is uitgegaan van de vastgestelde afgeronde gemiddelde maatgevende afvoer van 1,0 l/s/ha en met aftrekposten zoals berging op straat en berging in het riool. In de Algemene Regel is tevens een gevoeligheidsfactor voor
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
36
de compensatie-eis opgenomen. Afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied wordt een gevoeligheidsfactor toegepast. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Volgens tabel 2 in de Keur is sprake van een gevoeligheidsfactor van 1; dit houdt in dat de waarde van 60 mm van de compensatie-eis voor onderhavige onderzoekslocatie volgens de keur ongewijzigd blijft. Voor een toename van het verhard oppervlak bij kleine plannen kan volgens de Keur de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met de compensatie-eis (60 mm) en de gevoeligheidsfactor. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Wanneer de vereiste compensatie berekend is, kan een voorziening ontworpen en nader uitgewerkt worden. De rekenregel is als volgt: Toename verhard oppervlak (m2) * 0,06 (m) * Gevoeligheidsfactor = 3 Benodigde compensatie (m ) De gemeente hanteert ingevolge haar hemelwaterbeleidsplan dezelfde compensatie-eis als het waterschap. De gemiddeld hoogste grondwaterstand is nabij het plangebied 1,95 -mv. Consequenties Voor dit plan is de toename van het verhard oppervlak maximaal 406 m2.
Op basis van de in het gemeentelijke hemelwater beleidsplan gestelde compensatie-eis dient een voorziening van 24,36m3 (406 m2 verharding * 0,06 (m) * 1 =24,36 m3) aanwezig te zijn. Om de wateropgave in te vullen is er – gezien de vrij lage ligging van de gemiddeld hoogste grondwaterstand - keuze uit een groot aantal bergingsvoorzieningen. Voorzieningen die gebruikt kunnen worden, zijn onder andere: wadi’s, sloten, grindkoffers, kratten, ondergrondse bergingskelder, waterdoorlatende betrating. De initiatiefnemer kiest voor het op eigen terrein aanleggen van infiltratiekratten met een bergingscapaciteit van 25 m3. De kratten hebben een bergingsdiepte van 50 centimeter. Dat houdt in dat per kavel 25 m2 aan infiltratiekratten wordt aangelegd. Dit wordt gedaan onder de bestrating ter hoogte van de aan te leggen parkeerplaatsen op eigen terrein. Er is voldoende ruimte voor gronddekking van de infiltratiekrattenzonder dat de kratten de gemiddeld hoogste grondwaterstand (2,20m -mv) raken. De waterdoorlatendheid van de bodem is goed. In de eerste twee meter -mv is ter plaatse slechts sprake van zand. Ten behoeve van de overstort van de kratten in verband met hevige regenval wordt een overstortvoorziening op eigen terrein gemaakt.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
37
Gezorgd wordt voor een goede aansluiting van het maaiveld in het plangebied op dat van de omgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de afwatering van het hemelwater uit het plangebied zodat dat niet bij buurpercelen terecht komt. Het maaiveld wordt zodanig afgewerkt dat dit gelijk komt te liggen met dat van de buren. Mocht om een of andere reden bij de feitelijke uitvoering blijken dat dit niet mogelijk is dan wordt ervoor zorggedragen dat het hemelwater dat in het plangebied valt ook in het plangebied blijft en niet afstroomt naar buurpercelen. Hierdoor zal geen wateroverlast ten gevolge van dit bouwplan voor de buren worden gecreerd. Met vorenstaande voorziening wordt aan de compensatie-eis i.v.m. de berging en afvoer van hemelwater voldaan, waardoor het plan uitvoerbaar wordt geacht. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden bij het openbare gemeentelijke riool. Conclusie Uit deze waterparagraaf blijkt dat het initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. 4.10
Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde microorganismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 2.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen varkens-, en/of pluimveehouderijen aanwezig. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
38
110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGOonderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGOrapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Binnen 2 km van het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 1.800 meter een geitenhouderij aan Hal 17a-19 (3859 geiten). De gemeente moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.
Op basis van de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” kan een dergelijke afweging worden gedaan. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. Uit toetsing aan het stappenplan volgt dat geen advies van de GGD nodig is voor dit plan. Er wordt voldaan aan de normen voor geur en fijn stof. Daarnaast worden geen bijzondere gevoelige personen gehuisvest. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Stap 1 Endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 2.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling bestaat uit twee nieuwe woningen en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak.
Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
39
Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Er zijn geen bedrijven met meer dan één diersoort als bedoeld in de opsomming van stap 4a. Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen en overige veehouderijen Binnen een straal van 2 kilometer bevindt zich een geitenhouderij. Binnen een straal van 1 kilometer bevinden zich geen pluimveehouderijen. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom. Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is bij de bewoners in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied op geruime afstand van de geitenhouderij, waardoor er meerdere woningen binnen 2 kilometer van de geitenhouderij gelegen zijn. Uit voorgaande motivatie kan worden opgemaakt dat initiatiefnemer de met de onzekerheid samenhangende risico’s heeft gewogen en geaccepteerd en deze aan eventuele (toekomstige) kopers zal meegeven. Advies van de GGD wordt daarom niet nodig geacht.
4.11 Straling Beleidskader Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is door het ministerie verder verduidelijkt in een brief van november 2008. Het advies is gebaseerd op onderzoek naar kinderleukemie in relatie tot blootstelling aan bepaalde hoeveelheden aan microtesla. Alhoewel geen sprake is van een bewezen oorzakelijk verband adviseert het ministerie gemeenten en netbeheerders om nieuwe situaties te voorkomen waarin kinderen (tot 15 jaar) langdurig (1 jaar, minimaal 14 uur per dag) worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla. Dit geldt in geval
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
40
nieuwe hoogspanningslijnen worden aangelegd of nieuwe woningen/ scholen/ crèches of kinderdagverblijven worden ontwikkeld. In alle andere situaties kan de grenswaarde van 100 microTesla – internationaal gehanteerde (veilige) grenswaarde van ICNIRP (1999/519/EG) - aangehouden worden. Consequenties In de naijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. 4.12 Kabels en leidingen Naar verwachting zijn in de directe omgeving van de projectlocatie geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de nieuwbouw. In het vigerende bestemmingsplan worden ter hoogte van het plangebied geen kabels- en leidingen beschermd. Mochten er grondwerkzaamheden plaats gaan vinden dan zal te zijner tijd voorafgaand aan de werkzaamheden een KLIC-melding opgevraagd moeten worden bij de betrokken netwerk-/leidingbeheerders. 4.13 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Beleidskader Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Of en wat aan de orde is blijkt uit bijlage C en D van het belsuit m.e.r. Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r.
staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Voor elke aanvraag moet, als de activiteit voorkomt in bijlage D van het besluit m.e.r.: - door de initiatiefnemer onderzocht worden in hoeverre er aanleiding is voor het doen van een m.e.r.-beoordeling; - het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; - de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Consequenties Onderzocht is of een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling nodig is. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen voor een project een mer (beoordeling) nodig is. In overweging kan worden genomen of het initiatief een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
41
Besluit m.e.r. betreft, echter kan afgaande op jurisprudentie (201901439/1/R1) worden beoordeeld dat dit gezien de aard en de omvang van de ontwikkeling niet het geval is. De omvang is te klein (minder dan 12 woningen), het ruimtebeslag beperkt. Het initiatief komt gezien voorgaande motivatie niet voor in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. en is met die reden niet m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Conclusie Voor dit initiatief hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
42
5.
Juridische planbeschrijving 5.1 Vormgeving juridisch plan Ten behoeve van nieuwe postzegelbestemmingsplannen, hanteert de gemeente Boxtel vigerende plannen en recent vastgestelde vergelijkbare plannen. Het bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ voorziet in de realisatie van twee twee-onder-één-kap woningen. Voor dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Kom Esch 2020’. 5.2 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en digitalisering Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden (Wro). In deze wet is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Dit betekent dat bestemmingsplannen alleen in digitale vorm rechtskracht kunnen krijgen. De papieren versie betreft slechts een verbeelding van de digitale versie. Deze digitaliseringsverplichting is op 1 januari 2010 van kracht geworden. Dit bestemmingsplan is daarom volledig digitaal en IMRO-gecodeerd opgesteld, zodat het digitaal beschikbaar kan worden gesteld. Bij het opstellen van het onderhavige is aangesloten bij de landelijk standaard voor bestemmingsplannen, de RO-Standaarden 2012. 5.3 Doelstellingen en planopzet Het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de verbeelding tezamen. De basis voor de verbeelding is een recente kadastrale ondergrond, aangevuld met topografische gegevens.
Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren weergegeven. Voorts zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. De planregels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken: • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen; • Hoofdstuk 2 bevat de planregels in verband met de bestemmingsbepalingen. Per bestemming bevat dit hoofdstuk planregels, welke specifiek voor die bestemming gelden; • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Hierbij gaat het om planregels die op nagenoeg alle bestemmingen betrekking hebben en die vooral om praktische redenen zijn ondergebracht in dit hoofdstuk, alsmede een aantal specifieke planregels, waaronder een anti-dubbeltelbepaling; • Tenslotte bevat hoofdstuk 4 de overgangs- en slotregels. Deze planregels bevatten onder meer het overgangsrecht en de titel van het bestemmingsplan. 5.4 Toelichting afzonderlijke bestemmingen en regelingen In deze paragraaf worden de bestemmingen afzonderlijk toegelicht. Voor een goed begrip van de regeling dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
43
5.4.1 Wonen De bestemming Wonen regelt dat binnen het bestemmingsvlak en bouwvlak twee tweeonder-één-kap woningen zijn toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw is op de verbeelding aangeduid. De maximale hoogte van de bijbehorende bouwwerken en overige bouwregels zijn in de regels opgenomen. Een en ander is gebaseerd op de regels van het vigerend bestemmingsplan. 5.4.2 Waarde – Archeologie 3 Ter bescherming van eventuele, in de bodem voorkomende archeologische waarden is de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 aan de regels toegevoegd. De dubbelbestemming regelt dat voor gebouwen, groter dan 500 m2 een onderzoek naar eventuele archeologische waarden verplicht is.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
44
6. Uitvoeringsaspecten 6.1 Economische haalbaarheid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Naast de kosten voor de realisatie van onderhavig plan draagt de initiatiefnemer ook zorg voor de kosten die gepaard gaan met het opstellen van dit bestemmingsplan inclusief onderzoeken et cetera. Verder is de initiatiefnemer onder andere verantwoordelijk voor de kosten die de gemeente maakt voor het toetsen en in procedure brengen van dit bestemmingsplan en planschade. Deze kosten worden door de gemeente op de initiatiefnemer via een anterieure overeenkomst verhaald. Het is daardoor niet noodzakelijk een exploitatieplan op- en vast te stellen. De kosten zijn anderszins verzekerd. Uit bovenstaande blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is. 6.2 Overleg en maatschappelijke haalbaarheid De ruimtelijke procedures tot en met de vergunningverlening van een omgevingsvergunning zijn door de wet geregeld.
De wet regelt bijvoorbeeld dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Dit vooroverleg is ook in het kader van onderhavig plan gevoerd. Bij de provincie is het plan aangemeld via het inventarisatieformulier RO belangen. De uitkomst hiervan is dat de in het voorontwerp betrokken ruimtelijke aspecten de provincie geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen. Met het aanmelden van het plan via het inventarisatieformulier is het vooroverleg dan ook afgerond. Verder is het plan naar Waterschap De Dommel gestuurd. Het waterschap heeft laten weten dat zij in kan stemmen met het ontwerpbestemmingsplan. Omgevingsdialoog Voordat dit bestemmingsplan tot stand is gekomen heeft de initiatiefnemer in de voorfase een omgevingsdialoog georganiseerd. Hiervoor zijn diverse omwonenden en omliggende bedrijven – in verband met Covid-19 - per brief uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek. Drie van de genodigden hebben hiervan gebruik gemaakt: Woonveste (eigenaar van diverse huurwoningen nabij het plangebied), de eigenaren van De Langvelden 4 en de bewoonster van De Langvelden 2.
In december 2021 en januari 2022 hebben de bezoeken plaatsgehad. Tijdens de bezoeken zijn de plannen toegelicht.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
45
Door Woonveste is aandacht gevraagd voor overleg te zijner tijd tussen de nieuwe bewoner van De Langvelden 1 en het plangebied. Dit zal door de initiatiefnemer worden opgevolgd. Door De Langvelden 2 en 4 is aandacht gevraagd voor de inrichting van het openbaar gebied rondom het plangebied. Dit zal veranderd moeten worden om de woningen goed te kunnen ontsluiten/ een logisch openbaar vs. privé-terrein te krijgen. Daarbij geldt dat verlies van parkeerplaatsen niet wenselijk is en er een boom verplaatst/ herplant zal moeten worden. Dit wordt door de initiatiefnemer in overleg met de gemeente opgevolgd. Door de deelnemers van Langvelden 2 en 4 aan de omgevingsdialoog werd verder nog geconstateerd dat ze nu uitkijken op een haag, straks is dit een gevel. Deze verandering is niet iets dat ze toejuichen, er zijn echter geen concrete bezwaren geuit. Ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende procedure De gemeente Boxtel kan ervoor kiezen om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. De gemeente maakt hiervan geen gebruik, omdat in het voortraject al een omgevingsdialoog is gevoerd. Dat betekent dat de gemeente Boxtel derhalve geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage legt. Direct is een ontwerpbestemmingsplan gepubliceerd dat voor 6 weken voor eenieder ter inzage heeft gelegen (vanaf 23 juni 2022 tot en met 4 augustus 2022).
In die periode is het voor iedereen mogelijk geweest om schriftelijk of mondeling een zienswijze bij de gemeenteraad van de gemeente Boxtel in te dienen. Er is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is beantwoord via de Nota van zienswijzen ‘bestemmingsplan Groenweg 7’ (bijlage 7 bij deze toelichting). Vaststelling bestemmingsplan en bijbehorende procedure Dit bestemmingsplan is op 4 oktober 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Boxtel en kent kent ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan enkele wijzigingen. Er is naar aanleiding van een zienswijze aan het bestemmingsplan een inrichtingsplan van de openbare ruimte toegevoegd en er zijn enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd, namelijk: 1. de toevoeging van de resultaten van het vooroverleg in de toelichting van het bestemmingsplan, en; 2. het wijzigen van de in de toelichting opgenomen situatieschetsen zodat hierop 4 parkeerplaatsen op eigen terrein zichtbaar zijn. Na publicatie van het vaststellingsbesluit hebben belanghebbenden de mogelijkheid om gedurende 6 weken beroep in te stellen bij de Raad van State.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
46
7. Bijlagen Bijlage 1 – Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 2 – Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3 – Werkdocument verantwoording groepsrisico Haaren Bijlage 4 – Quickscan flora en fauna Bijlage 5 – AERIUS-berekeningen + toelichtende notitie Bijlage 6 – inrichtingsplan openbare ruimte Bijlage 7 – nota van zienswijzen ‘bestemmingsplan Groenweg 7’.
Bestemmingsplan ‘Groenweg 7’ – 4 oktober 2022
47