CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bindend advies zonnepark De Vorst- Bijlage 2 BOPA motivering (onderbouwing)

Raadsvergadering Boxtel 27 mei 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Bindend advies zonnepark Renbaan-Esschebaan en zonnepark De Vorst20.216 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.5.3

Visie zonne- en windenergie Boxtel

als regio voorop te lopen met betrekking tot duurzaamheid.

In 2020 heeft de gemeente Boxtel de Visie zonne- en windenergie Boxtel vastgesteld. Deze visie vormt een afwegingskader voor zonneparken

Doorwerking plangebied

en een verkenning van het potentieel voor windparken. Deze visie is in

Met het vaststellen van de Omgevingsvisie Boxtel is de structuurvisie

navolging op het beleid Visie duurzaam Boxtel 2030, waarbij de ambitie

verfrissend Boxtel komen te vervallen. Deze structuurvisie is echter wel

is uitgesproken om in 2030 energieneutraal te zijn.

de basis geweest voor de selectie van het zonnepark in de tender, doordat in die structuurvisie onderhavige locatie voor verstedelijk afweeg-

De gemeente Boxtel heeft daarom een onderzoek laten verrichten naar

baar is aangemerkt. Een nadere uitwerking van deze ambitie is beschre-

de potentiële behoefte aan energie in 2030 in combinatie met de moge-

ven in de ‘Visie duurzaam Boxtel 2030’ en ‘Visie zonne- en windenergie

lijkheden voor opwekking van duurzame energie. In totaal kan hiermee

Boxtel’.

1,4 TJ aan duurzame energie worden opgewerkt, echter voorziet dit slechts in 61% van de toekomstige vraag aan elektriciteit.

5.5.2 Figuur 7: Uitsnede zoekgebieden zonne-energie. Plangebied rood omcirkeld. (bron: Energie Werkplaats Brabant)

Visie duurzaam Boxtel 2030

De gemeente Boxtel heeft het beleid ‘Visie duurzaam Boxtel 2023’ vast-

Bij de opwekking van duurzame energie wordt de zonneladder, die ook

gesteld. In deze visie heeft de gemeente als doelstelling gegeven om in

in het provinciale en landelijke beleid is opgenomen, gehanteerd (zie fi-

2030 energieneutraal te zijn. De gemeenteraad van Boxtel heeft in 2011

guur 8). Uitgangspunt is dat de voorkeur geniet op zonnepanelen op da-

al een forse ambitie uitgesproken door het vaststellen van de nota “Box-

ken te plaatsen en binnen stedelijke omgeving. Als laatste geniet het de

In juli 2011 heeft de gemeenteraad van Boxtel de Structuurvisie Verfris-

tel Energieneutraal 2040”. In 2016 heeft de raad deze ambitie nog ver-

voorkeur van zonneparken buiten bestaand stedelijk gebied. De ge-

send Boxtel voor het gemeentelijk grondgebied vastgesteld. Hierin wordt

der aangescherpt door zich uit te spreken voor energieneutraliteit in

meente erkent wel in haar visie dat als de treden na elkaar worden inge-

een integrale visie gegeven op de ruimtelijke ontwikkeling van de ge-

2030. Duurzaamheid staat nu internationaal en nationaal hoog op de

vuld het niet lukt om de opgave tijdig te realiseren. Daarnaast kun je ei-

meente. In de structuurvisie wordt de nadruk gelegd op de ligging van

politieke agenda. De samenleving groeit en de behoefte aan grondstof-

genaren niet verplichten om zonnepanelen op daken te plaatsen. De ge-

Boxtel en de omringende dorpen in het Nationale Landschap Het

fen neemt alleen maar toe. De vraag is nu al zo groot, dat dit het herstel-

meente Boxtel wil aan de hand van deze visie maximaal 50 hectare (=

Groene Woud. Beide entiteiten zijn onmiskenbaar aan elkaar gekop-

lend vermogen van onze planeet overschrijdt. Dit heeft consequenties

50 MW) aan zonneparken in de gemeente toestaan, waarbij per zonne-

peld, het wonen en werken kunnen daar direct van profiteren. Ondanks

voor toekomstige generaties.

park de omvang niet groter zijn dan 20 hectare. De gemeente zal wel de

5.5

Gemeentelijk beleid

5.5.1

Structuurvisie verfrissend Boxtel

zonneladder aanhouden, waarbij initiatieven die in trede 2 vallen de

de wenselijke verschillen tussen de bebouwde kommen en het buitengebied, wordt juist ook gezocht naar overeenkomsten. Hierbij wil de ge-

Doorwerking plangebied

voorkeur genieten. Echter blijk uit de visie dat de ruimte in trede 2 te be-

meente Boxtel de omgeving niet grondig in aanzien veranderen, maar

In deze visie is besproken dat het verwachte energieverbruik 1,94 PJ

perkt is voor de gehele opgave en dat grondgebonden zonne-initiatieven

de bestaande sterke punten van de gemeente beter benutten.

bedraagt. Dit staat gelijk aan circa 486 hectare aan zonnevelden. Om de

in trede 3 noodzakelijk zullen zijn.

doelstellingen te behalen geeft de gemeente aan dat de energietransitie

Zonnepark De Vorst te Boxtel

19

delijking afweegbaar is, verwacht dat in de toekomst een stedelijke ontwikkeling zal plaatsvinden. De realisatie van een zonnepark op deze locaties is daarom minder wenselijk. Trede 2 gebieden liggen met name in

1

de Noordwest hoek en nabij de Vorst waardoor de zonneparken de Vorst en Renbaan-Esschebaan voorrang hebben gekregen. Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling is gesitueerd op de locatie De Vorst, één van de vier geselecteerde locaties. De ontwikkeling is gelegen op een passende locatie voor opwekking van zonne-energie en levert een significante bijdrage aan de doelstellingen op het gebied van energietransitie. Onderhavige planontwikkeling is daarmee passend binnen de visie zonne- en windenergie Boxtel. Tevens staat in de adviesbrief van de commissie zonneparken van de gemeente Boxtel (d.d. februari 2022) opgenomen dat de gemeente in eerste instantie alleen initiatieven uit

2

trede 2 in behandeling neemt. Als de beoogde beschikbare ruimte niet Figuur 8: Zonneladder uit de Visie zonne- en windenergie Boxtel 2020

wordt benut of als initiatieven uit trede 2 onvoldoende kwaliteit bezitten, pas dan komen initiatieven in trede 3 in aanmerking. 3

In de visie zonne- en windenergie is de uitgifte van de 50 hectare zonneparken in de vorm van een tender opgenomen. Vanuit die tender zijn vier initiatiefnemers, waaronder de gemeente Boxtel zelf, door een onafhankelijke commissie geselecteerd. De locaties van de vier geselecteerde initiatieven zijn weergegeven in figuur 9 en bestaan uit: 1. Zonnepark Tussen de Renbaan en de Esschebaan. 2. Zonnepark Boxtel Beerze.

4

3. Zonnepark De Vorst. 4. Zonnepark Ontginningsweg. Zonneparken die (grotendeels) in trede 2 liggen krijgen voorrang ten op-

Figuur 9: Tenderlocaties uitgifte zonneparken Boxtel

zichte van trede 3, daar deze relatief eenvoudiger te realiseren zijn omdat er geen – of in mindere mate – participatie of medewerking van (grond)eigenaren benodigd is. Ook wordt op gebieden waar een verste-

Zonnepark De Vorst te Boxtel

20

5.5.4

Duurzaamheidsagenda Boxtel 2022-2026

Ten aanzien van deze onderwerpen zal de Duurzaamheidsagenda dus

De Duurzaamheidsvisie 2030 die in 2017 door de gemeenteraad van

nog worden aangevuld, wat ook consequenties heeft voor de middelen

Boxtel is vastgesteld, vormt de basis voor het Boxtelse duurzaamheids-

die uiteindelijk nodig zijn en de KPI’s waarmee de uitvoering wordt be-

beleid en de uitvoering daarvan. Sinds 2017 zijn op dit vlak al stappen in

waakt.

de goede richting gezet. Duurzaamheid is geen thema wat op zichzelf staat. Het is de ambitie om Uit recente internationale rapporten blijkt echter dat klimaatverandering

het als een rode draad te verweven in alles wat in Boxtel wordt gedaan.

veel sneller gaat dan eerder werd aangenomen en dat de gevolgen

Het gaat om het verankeren van ambities in het gemeentelijke beleid ten

steeds duidelijker merkbaar worden. Dit betekent dat de uitvoering van

aanzien van gebieds- en plattelandsontwikkeling, mobiliteit, bouwen en

het duurzaamheidsbeleid ook in Boxtel sneller en grootschaliger moet

wonen, economie en de gemeentelijke bedrijfsvoering. Zo wordt de inzet

worden aangepakt. Met deze Duurzaamheidsagenda 2022 – 2026 wordt

versterkt en wordt duurzaam handelen vanzelfsprekend.

een overzicht gegeven van de trajecten en projecten waar de komende jaren op in wordt gezet.

De gemeente voert de Duurzaamheidsagenda niet alleen uit. Er wordt gewerkt met inwoners, bedrijven en organisaties in Boxtel en daarbui-

Bij de vertaling van de Duurzaamheidsvisie 2030 naar een concrete

ten. In ze agenda wordt beschreven hoe de samenwerking wordt geor-

agenda voor 2022 – 2026 worden de volgende uitgangspunten gehan-

ganiseerd en welke rol de gemeente daarin speelt.

teerd: 

De basisuitgangspunten blijven hetzelfde.

Doorwerking plangebied

Aandacht voor duurzaamheid is niet meer vrijblijvend.

In hoofdstuk vijf van de Duurzaamheidsagenda wordt ingegaan op de

Communicatie en participatie zijn onze belangrijkste instrumenten.

energietransitie door middel van grootschalige opwekking van duurzame

We focussen op de meest urgente duurzaamheidsthema’s:

elektriciteit. Van deze energietransitie maakt de realisatie van zonnepar-

Energietransitie: besparen en naar aardgasvrij;

ken onderdeel uit. De realisatie van grootschalige opwekking is gestart

Energietransitie: grootschalige opwek van duurzame elektriciteit;

door o.a. het uitzetten van een tender voor zonneparken. Dit zonnepark

Klimaatadaptatie, groen en biodiversiteit;

doet mee in deze tender. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikke-

Circulair en lokaal.

ling in lijn is met de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Boxtel.

We hanteren duurzaamheid als rode draad bij alles wat we doen.

We bieden ruimte aan innovatie.

Per duurzaamheidsthema worden alle trajecten en projecten waar al aan wordt gewerkt of mee aan de slag wordt gegaan beschreven. Hierbij wordt er ook aangegeven met welke indicatoren (KPI’s of kritieke prestatie-indicatoren) de uitvoering wordt gemonitord. De onderwerpen Warmtetransitie en Klimaatadaptatie en het Duurzaamheidsakkoord met de woningcorporaties worden de komende periode nog verder uitgewerkt.

Zonnepark De Vorst te Boxtel

21

6

Omgevingsaspecten

tijdelijkheid van de verkeersbewegingen en het relatief beperkte aantal

Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings-

zal het initiatief geen negatieve effecten in verkeerskundig opzicht ople-

plichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbe-

6.1

Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

veren.

sluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevings-

6.1.1

Toetsingskader

besluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste ko-

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond of

Parkeren

lom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoorde-

sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat

Het zonnepark betreft een bedrijfsmatige functie, maar van vaste werk-

lings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de

het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag

nemers of verblijvende personen ter plaatse is geen sprake. Incidenteel

m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de

geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden.

zal er sprake zijn van een parkeerbehoefte bij onderhouds-, beheer-,

toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de om-

controlewerkzaamheden e.d. In dat geval kan gebruik worden gemaakt

gevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog

Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrek-

van een toegang tot het terrein. Met de inrijroute wordt rekening gehou-

gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de ver-

kende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt

den met de bestaande landschapselementen. Het parkeren vindt hier-

gunning op basis van de Kernenergiewet.

van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in

mee plaats binnen het hekwerk op eigen terrein. De incidentele, mini-

Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht

grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publi-

male parkeerbehoefte kan daarmee in voldoende mate worden opge-

geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de

catie 381). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indica-

vangen op eigen terrein binnen het hekwerk. In het geval dat gepar-

voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een

tie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie.

keerd dient te worden in de berm, zal dit gezien de incidentele en mini-

m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen.

male parkeerbehoefte niet leiden tot belemmeringen van de bereikbaar-

De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden.

heid ter plaatse. Gelet op de beperkte aanwezigheid van personen voor

Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aan-

Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeer-

onderhouds-, beheer-, controlewerkzaamheden is het aanleggen van

zienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd ge-

normen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten vol-

permanente parkeerplaatsen in beginsel niet noodzakelijk. In het plan-

zag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:

doen.

voornemen wordt echter wel voorzien in enkele parkeerplaatsen met

a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;

halfverharding.

b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles

6.1.2

Onderzoek

of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van veror-

Verkeer

6.1.3

In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit agrarische gronden.

Voor wat betreft het aspect Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkre-

De nieuwe functie heeft een verwaarloosbare verkeersaantrekkende

is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

gen.

werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van incidenteel verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer van het zonnepark en de groene inpassing. Hierbij is uitgegaan van maximaal 120 motorvoertuigbewegingen per jaar. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur.

Conclusie

6.2

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

6.2.1

Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omge-

In de aanlegfase van het zonnepark zal wel (tijdelijk) een toename

deningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.

vingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.

plaatsvinden van verkeer. Het gaat hier onder meer in de vorm van vrachtwagens en busjes die de materialen komen leveren. Gelet op de

Zonnepark De Vorst te Boxtel

22

6.2.2

Onderzoek

Kwetsbare gebouwen en locaties

Op basis van het Omgevingsbesluit kan een zonnepark (mogelijk) wor-

In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en loca-

den beschouwd als een:

ties’ waarvoor de regels bescherming bieden:

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Stedelijk ontwikkelingsproject;

1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);

Plaatsgebonden risico

Landinrichtingsproject;

2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties);

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt

Industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit,

3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).

door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het

stoom, en warm water.

plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal

voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot

In bijlage V van het Omgevingsbesluit is onder categorie C. Energie-In-

personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en

gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar

dustrie een zonnepark niet opgenomen als m.e.r. plichtig. Verder is op

in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De

worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour

basis van jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak ABRvS 14 augus-

aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat

10-6-contour van een activiteit vallen.

tus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) vastgesteld dat de realisatie van

in bijlage VI van het Bkl.

een zonnepark geen stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een landin-

Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden

richtingsproject of een industriële installatie bestemd voor de productie

Risicobronnen

Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat

van elektriciteit, stoom en warm water. Op basis hiervan is er geen

Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage

het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit.

VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen.

moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

Het gaat om de volgende soorten activiteiten:

Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen

activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende

overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen

milieubelastende activiteiten uit het Bal;

een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aan-

6.2.3

Conclusie

Het planvoornemen voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het opstellen van een

het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;

dachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl):

m.e.r.(-beoordeling) is derhalve niet benodigd.

buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieu-

1. brandaandachtsgebied;

belastende activiteit in het Bal;

2. explosieaandachtsgebied;

windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in

3. gifwolkaandachtsgebied.

6.3

Omgevingsveiligheid

6.3.1

Toetsingskader

het Bal.

Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op

Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en be-

de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op lo-

Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden be-

perkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied

caties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is

schouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobron-

moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet ad-

het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval

nen:

vies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl).

van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.

  

Zonnepark De Vorst te Boxtel

opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4);

6.3.2

Onderzoek

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (af-

Gezien de aard van de beoogde functie is er geen sprake van een

deling 5.1.2.5);

kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object dan wel van handelingen met ge-

exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosie-

vaarlijke stoffen. Omdat er slechts beperkt en kortdurend personen in

ven (afdeling 5.1.2.5);

het projectgebied verblijven, heeft de ontwikkeling geen invloed op de

23

hoogte van het groepsrisico. Het aspect omgevingsveiligheid is voor

Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of

Ook dient te worden onderzocht, of het woon- en leefklimaat ter plaatse

deze ruimtelijke ontwikkeling dan ook niet relevant. Nader onderzoek is

mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus

van omliggende woningen (milieugevoelige functies) niet onevenredig

niet noodzakelijk.

belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat

wordt aangetast als gevolg van het zonnepark. Daarom dient te worden

betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek

getoetst of in de omgeving van het projectgebied functies voorkomen

6.3.3

Conclusie

te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die

die een belemmering kunnen vormen voor de nieuwe ontwikkeling. Ten

Voor wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een

voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie,

aanzien van de zonnepanelen zelf kan redelijkerwijs worden gesteld, dat

evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet

geen milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is. Voor de bijbe-

op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er

horende transformators kan enige geluidproductie overdag worden ver-

sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.

wacht. Het gebruik van de transformatoren is het best vergelijkbaar met

6.4

Activiteiten en milieuzonering

6.4.1

Toetsingskader

Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan én gewenst is; 2. scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’.

Zonnepark De Vorst te Boxtel

de in de VNG-brochure vermelde categorie ‘elektriciteits-distributiebeHandreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’

drijven 10-100 MVA’ (milieucategorie 3.1). In rustig woongebied/rustig

De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder

buitengebied dient daarom een richtafstand van 50 meter tot omlig-

de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en ver-

gende milieugevoelige functies te worden aangehouden.

vangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de

Het gebied heeft overwegend een agrarisch karakter, met weinig bebou-

oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer

wing. Ten oosten en zuiden van het plangebied zijn wel enkele wonin-

van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling

gen gesitueerd. Deze woningen zijn echter allen gelegen op een afstand

code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daar-

van minimaal 150 meter ten opzichte van de plek waar ruimte voor de

van wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor

batterijen en de transformatoren is beoogd. Eventuele geluidsbelasting

geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van

afkomstig van de bijbehorende transformatoren op omliggende wonin-

geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende as-

gen is hiermee minimaal.

pect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gel-

6.4.3

den aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omge-

Voor wat betreft het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake

vingsplan van gemeenten.

van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.4.2

6.5

Geluid – (spoor)wegverkeer

6.5.1

Toetsingskader

Onderzoek

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat bij het projectgebied. Het beoogde zonnepark betreft geen milieugevoelige functie. Omliggende milieubelastende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor het oprichten van een zonnepark waardoor een toets aan de omliggende milieubelastende bestemmingen achterwegen worden gelaten.

Conclusie

Er dient rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Indien het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare

24

woon- en leefomgeving. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het

6.6

Bodem

6.7

Water

geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair

6.6.1

Toetsingskader

6.7.1

Toetsingskader

als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van

Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden

aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven

de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bo-

in de effecten van de ontwikkeling op stedelijk afvalwater, grondwater en

en slapen.

demgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw

hemelwater (par. 5.1.3.1 Bkl). De weging van het waterbelang zorgt er-

of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen

voor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescher-

meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook

en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de plan-

ming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of

de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het

vorming worden betrokken. Daarbij is het van belang dat er op een ge-

aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van

bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de ge-

structureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente

nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg.

meente rekening houdend met de interventiewaarden voor de verschil-

plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van

Geluidsgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of

lende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij over-

belang is.

een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of

schrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als

zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de ge-

de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere bescher-

6.7.2

meente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel

mende maatregelen worden getroffen.

Ten behoeve van het planvoornemen is door onderzoeksbureau Aeres een onderbouwing van het waterbelang opgesteld. De belangrijkste con-

4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.5.2

Onderzoek

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grond-

clusies zijn navolgend beschreven. Het volledige rapport is opgenomen

verzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie

in de bijlage2 van onderhavige motivering.

ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen

Onderzoek

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een zonnepark.

in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

Weging van het waterbelang Het terrein vertoont een gering hoogteverschil variërend tussen ca. 7,9

Een zonnepark is geen geluidgevoelig gebouw als bedoeld in het Bkl. Nader onderzoek in de vorm van akoestisch onderzoek naar

6.6.2

(spoor)wegverkeer kan dan ook redelijkerwijs achterwegen blijven. De

Bij de realisatie van onderhavig zonnepark zal enkel sprake zijn van

lijke richting met lokaal een verlaging richting de aanwezige greppels.

gevolgen van geluidsuitstraling van het zonnepark op gevoelige functies

zeer beperkt bodemroerende werkzaamheden. Bovendien worden met

De gemiddelde grondwaterstand ligt naar verwachting op ca. 7,2 m

in de omgeving is nader onderzocht onder paragraaf 6.4.

het planvoornemen geen gebouwen of bodemgevoelige functies moge-

+NAP en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) op ca. 7,8 tot

lijk gemaakt. Tevens is bij de realisatie van een zonnepark geen sprake

8,0 m +NAP. Dit komt overeen met een ontwateringsdiepte van ca. 0,1

van een bodembedreigende functie. Nader onderzoek naar het aspect

tot 0,8 m -mv.

6.5.3

Conclusie

Voor wat betreft het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige

Onderzoek

tot 8,8 m +NAP. Globaal gezien is het plangebied aflopend in noorde-

bodem kan dan ook redelijkerwijs achterwegen blijven. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige

toedeling van functies aan locaties. 6.6.3

Conclusie

Voor wat betreft het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige

grondwaterstanden worden gehandhaafd of zelfs verhoogd. Gezien het toekomstige gebruik als zonnepark (geen bewoonde bebouwing en in-

toedeling van functies aan locaties.

2

Aeres Milieu, Weging van het waterbelang, 27 maart 2025

Zonnepark De Vorst te Boxtel

25

stallaties op stellingen) speelt het grondwater geen belemmerende fac-

Door de aanleg van een zonnepark (panelen op stellingen met open

wat betreft het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling

tor behoudens ter plaatse van de benodigde transformatorhuis(jes).

grondoppervlak) is geen aanvullende compensatie noodzakelijk voor het

van functies aan locaties.

Voor de benodigde transformatorhuisjes wordt aanbevolen deze eventu-

planvoornemen. Hemelwater kan verder rechtstreeks tussen de panelen

eel verhoogd boven het maaiveld te plaatsen om wateroverlast te voor-

op eigen perceel infiltreren in de bodem welke ingezaaid wordt met gras.

komen. Deze transformators worden binnenplans opgenomen, geclus-

Afhankelijk van de invulling en type verharding dient voor enkele toe-

terd achter elkaar, parallel aan de panelen, langs één centrale lijn op on-

gangswegen, het wandelpad en de transformators lokale wateropvang

derling gelijke afstand georganiseerd.

ingepast te worden in het omliggende groen. Rondom wordt namelijk een struweel en bloem- en kruidenrijk grasland aangelegd.

6.8

Natuur en landschap

6.8.1

Toetsingskader

Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als

Indien er toegangswegen worden aangelegd is een lichte verhoging van 10 cm boven het bestaand maaiveld geadviseerd zodat (grond)water

Binnen en rondom het plangebied zijn meerdere watergangen aanwe-

geen overlast oplevert. Bij normale wegen wordt een minimale ontwate-

zig. Voor het dempen van een overige watergang is geen vergunning

ringsdiepte van 70 cm geadviseerd maar omdat het eigen toegangswe-

benodigd. Doordat deze op eigen perceel ligt, vormt dit ook geen over-

gen zijn voor een beperkt toegankelijk gebied, is een minimale ontwate-

last voor derden.

Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voor-toets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn ver-

ringsdiepte minder van belang en mag hiervan afgeweken worden. Toekomstige onderhoudswegen worden net als de bestaande paden bij

Er vinden geen wijzigen plaats in/nabij de B-watergangen. Wanneer

voorkeur voorzien van een grof grindpakket op een doorlatend geo-

voor de ontsluiting van het zonnepark een dam met duiker nodig is in

textiel (dikte afhankelijk van de benodigde draagkracht) waardoor grond-

een B-watergang, dan gelden hiervoor algemene regels vanuit de Wa-

water geen overlast zal veroorzaken en water lokaal in de bodem kan

terschapsverordening. B-watergangen hebben geen beschermingszone.

wegzijgen.

Aanliggende eigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor beheer en onderhoud (en dus voor het reserveren van voldoende ruimte hiervoor). Mo-

Conform het geldende beleid is compensatie vereist vanaf een verhar-

menteel wordt minimaal 1 meter ruimte gehouden tussen de insteek en

dingstoename van meer dan 500 m2 en kan tot 10.000

landschappelijke inpassing zodat onderhoud mogelijk is/blijft voor de

m2 gebruik gemaakt worden van de rekenregel (zie Algemene regels

aangrenzende eigenaren. De initiatiefnemer hanteert dit reeds zo bij an-

verhard oppervlak Brabantse waterschappen). Vanuit de gemeente

dere zonneparken waar dit geen probleem oplevert.

gunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland

dient compensatie aangelegd worden vanaf 250 m2. 6.7.3

Conclusie

(NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen

De geplande verharding bij de Vorst is circa 202 m2 (info opdrachtge-

Door de voorgenomen landschappelijke inpassing, beperkte verhar-

natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes

ver). Dit omvat de transformatoren, het inkoopstation en de batterij. De

dingstoename welke lokaal kan infiltreren op eigen terrein in de bodem,

van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-

toegangsweg en de veiligheidszones om de trafo’s, het inkoopstation en

het toepassen van waterdoorlatende verharding voor o.a. de toegangs-

lijke structuurvisies en verordeningen. De provincie Gelderland be-

de batterij heen worden halfverhard (grindverharding) uitgevoerd. Der-

weg en het wandelpad en rekening te houden met het bestaand opper-

schermt de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en

halve is er geen verplichting tot compensatie van de verhardingstoe-

vlaktewater wordt door het planvoornemen hydrologisch gezien neutraal

versterkt de samenhang door natuurgebieden in het Gelders natuurnet-

name. Het afstromend hemelwater zal direct nabij de verharding lokaal

ontwikkeld en is er ter plaatse en in de directe omgeving door het plan-

werk uit te breiden en verbindingszones aan te leggen in de Groene ont-

oppervlakkig afgeleid worden en in de bodem infiltreren.

voornemen geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten. Voor

wikkelingszone (GO). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als

Zonnepark De Vorst te Boxtel

26

doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch

hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een ver-

vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het

gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan

gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-

verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde

als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of

als beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal.

soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.

waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in

alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-

Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen

delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of onge-

Houtopstanden

en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere

daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten

De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft be-

en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal

van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of na-

trekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of

vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

tuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige ge-

struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting

Vogels (artikel 11.37 Bal);

volgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen pre-

die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom

Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal);

ventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te

(bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld,

Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).

voorkomen.

niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal).

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bij-

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes

Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht ar-

lage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde

voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft

tikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de

soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de

op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken

houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.

Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bij-

te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet

Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstan-

lage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-

door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een

den die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergun-

alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan

Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtop-

ning-plichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese

plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevings-

standen (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding

soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en

vergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelin-

bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt,

de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-

gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk be-

geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken

den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige

lang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde

of ongedaan te maken, of achterwege te laten.

opzichten minder streng zijn.

soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan onder voorwaarden worden verleend.

Soortenbescherming

De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te be-

Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit

schermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De

6.8.2

met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of

soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het alge-

Ten behoeve van het planvoornemen is door BRO een quickscan flora

planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en

meen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schade-

en fauna uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn navolgend be-

lijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal be-

schreven. Het volledige rapport is opgenomen in de bijlage 3 van onder-

schermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de

havige motivering.

3

Onderzoek

BRO, quickscan flora en fauna Zonnepark de Vorst te Boxtel, 31 oktober 2024

Zonnepark De Vorst te Boxtel

27

Wettelijke gebiedsbescherming

augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van

Vissen

Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een zonnepark be-

een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/af-

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

treft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten tijdens de aan-

wezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van

schermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

legfase. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied

een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De

is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-be-

voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat

Ongewervelde diersoorten

rekening voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase dient uit te wij-

veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van in-

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

zen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Dit onderzoek is uitgevoerd en als separate bijlage van voorliggende motivering toege-

standhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen

schermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten

voegd. De conclusie van dit onderzoek is later in deze paragraaf opge-

Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

nomen onder ‘Aerius-berekening (stikstofdepositie)’.

van (potentiële) schadelijke handelingen met betrekking tot vaste rust- of

schermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. In de Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

toekomstige situatie zal er geen verlichting worden geplaatst.

Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde on-

Invasieve exoten In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend

derdeel van het NNB ligt ongeveer 400 meter ten westen van het plan-

Grondgebonden zoogdieren

van de reuzenbalsemien, smalle waterpest en de grote waternavel. Bin-

gebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omge-

Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen

nen het plangebied zijn echter geen waarnemingen van deze soorten

vingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke ken-

van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)

gedaan tijdens het veldbezoek.

merken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonder-

leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op

zoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten

Aerius-berekening (stikstofdepositie)

en potentiële schadelijke handelingen zijn niet aan de orde. In het kader

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de

Houtopstanden

van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te

gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.

Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn bin-

Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-ge-

nen het plangebied is toetsing aan het onderdeel houtopstanden con-

dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen

form de Omgevingswet bij dit plan niet aan de orde.

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten.

bieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ont-

Soortenbescherming Vogels

wikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er Amfibieën

van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn,

Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met

De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel

geldt ook geen vergunningplicht op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl.

een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kun-

habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige

nen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de

staat van instandhouding van populaties en potentiële schadelijke han-

Conclusie

betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het op-

delingen zijn dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorg-

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan

gaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs

plicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventu-

alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het

geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels.

eel passerende individuen.

provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens

In de wetteksten wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broed-

het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt geno-

seizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half

men:

Zonnepark De Vorst te Boxtel

28

Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op

Niet in betekende mate

6.9.2

Onderzoek

Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen. Op

De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet al-

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een zonnepark

basis van de berekening is gebleken dat tijdens de aanleg- en ge-

tijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bij-

welke een zeer lage verkeersaantrekkende werking kent. Er zal uitslui-

bruiksfase geen sprake is van toename aan stikstofdepositie.

draagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomge-

tend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onderhoud,

Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op

vingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het

controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden gesteld dat

voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgele-

Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de lucht-

het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat

genheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een con-

kwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is

er geen sprake is van een gevoelige functie, is een onderzoek naar de

trole moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.

dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemid-

achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leefklimaat niet aan

In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende

delde concentraties.

de orde. Het projectgebied ligt bovendien niet binnen een aandachtsgebied luchtkwaliteit.

zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van in-

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project

dividuen te voorkomen.

binnen de NIBM-grens blijft:

6.9.3

1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een

Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige

Conclusie

aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’

toedeling van functies aan locaties.

Inachtneming met hetgeen geadviseerd in de quickscan flora en fauna

vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet

kan worden aangenomen dat er voor het aspect natuur en landschap

wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het

6.10

Geur

6.10.1

Toetsingskader

sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet bin-

Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan

nen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detail-

locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel

berekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt

van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’.

overschreden.

Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroor-

6.8.3

Conclusie

6.9

Luchtkwaliteit

6.9.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor

2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-

zaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agra-

grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening vol-

rische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.

doende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt

Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur

aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als

onderzocht te worden:

aanvulling op de NIBM-tool.

indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten;

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via

indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.

het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een

Geurveroorzakende activiteiten

aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht ne-

Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geur-

men (artikel 5.51 Bkl).

belasting of afstand acceptabel wordt geacht:

Zonnepark De Vorst te Boxtel

29

1. zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);

is immers geen sprake een van de bovengenoemde functies. Nader on-

de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwali-

2. houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf

derzoek naar het aspect geur is niet noodzakelijk.

teit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14

5.1.4.6.3);

van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en we-

3. enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).

6.10.3

Conclusie

relderfgoed).

Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeVoor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: 

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. 6.10.2

Onderzoek

Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl wordt voor onderhavig project geen geur veroorzakende activiteit noch een geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Er

Zonnepark De Vorst te Boxtel

ling van functies aan locaties.

6.11

Cultuurhistorie

6.11.1

Toetsingskader

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. De wet beoogt een samenhangende benadering van diverse belangen. Een van die belangen is cultureel erfgoed. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen.

Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden. Het Bkl, het Bal en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging. 6.11.2

Onderzoek

Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1994’ van de gemeente Boxtel kent geen dubbelbestemmingen voor cultuurlandschap op onderhavig plangebied. Tevens is het gebied niet aangewezen als cultuurhistorisch waardenvol gebied, noch is er een cultuurhistorisch waardevol element aanwezig binnen de projectlocatie conform de Cultuurhistorische Waardenkaart (herziening 2024) van de provincie Noord-Brabant. Gesteld

Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en

kan worden dat de ontwikkeling van een zonnepark op de beoogde locatie geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden oplevert.

stads- en dorpsgezichten. Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel

6.11.3

erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen

Vanuit het milieuaspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwich-

van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de pro-

tige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie

vinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met

30

6.12

Archeologie

6.12.3

6.12.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen.

Conclusie

6.14

Elektromagnetische straling

Voor het milieuaspect archeologie is er sprake van een evenwichtige

6.14.1

Toetsingskader

toedeling van functies aan locaties.

Elektromagnetische velden

6.13

Trillingen

6.13.1 Toetsingskader Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet beschermt (delen van) trillinggevoelige gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten (art. 5.80 Bkl). Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties.

Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele telefoons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de planologie zijn met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit vaste objecten zijn. In het kader van gezondheid en milieu is het bij nieuwe ontwikkelingen,

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 6.12.2

Onderzoek

Ter plaatse van het plangebied gelden conform vigerend bestemmingsplan geen archeologische bestemmingen en is eveneens geen informa-

Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen (zoals woningen) in de buurt van spoorwegen moet het aspect trilling worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.

waar sprake is van gevoelige gebouwen zoals woningen, scholen en

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt.

ming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

kinderopvang, van belang dat er rekening wordt gehouden met magneetvelden. Dergelijke projecten moeten buiten een magneetveldzone liggen. De sterkte van elektromagnetische velden is het grootst dichtbij de bron en neemt af als de afstand tot de bron groter wordt. Voorzorgsbeleid magneetvelden Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstemop 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies

tie bekend over mogelijk archeologisch waardevolle elementen. Bovendien is het plangebied al decennia in gebruik voor agrarische doeleinden

6.13.2

waarbij de gronden veelvuldig worden geroerd. Aangenomen wordt dat

De ontwikkeling maakt geen trillinggevoelige gebouwen of trillinghinder

eventueel aanwezige archeologisch waardevolle elementen in deze pe-

veroorzakende activiteiten mogelijk. Een nadere toetsing aan dit aspect

riode reeds zijn aangetroffen. Tot slot zal met de realisatie van het plan-

kan daarom redelijkerwijs achterwege blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=3bae47c8-0fa7-468a-bea8-1ac83d0cbdb4