CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bindend advies omgevingsvergunning zonnepark de Beerze- Bijlage 2 BOPA motivering

Raadsvergadering Boxtel 24 juni 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: VAN AGENDA GEHAALD Bindend advies zonnepark de Beerze21.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

poel met wilgen worden aangelegd. De Scheepdonkseweg is een veel-

legd in participatieverslagen, welke worden toegevoegd aan de aan-

hankelijk van het aantal opgewekte MWh van het zonnepark. Het geld

gebruikte ontsluiting richting de Kampina en wordt gebruikt om een om-

vraag voor d omgevingsvergunning.

uit het fonds is bedoeld voor de verduurzaming van de lokale omgeving

metje in het buitengebied te maken. Bij de overgang van het bruggetje

of inwoners van de gemeente Boxtel.

opent zich het landschap richting de gebruiker. Om op deze zichtlocatie

Novar staat open voor lokaal eigendom. In een vroeg stadium (2023)

in een passende afronding te kunnen voorzien is voorgesteld een ruime

heeft Novar al contact gezocht met lokale energie coöperaties om de

Het bijgevoegde participatiedocument betreft een dynamisch proces.

afstand tot de ontwikkeling te houden. Er loopt al een recreatief pad

mogelijkheden daartoe te bespreken. Er is nog geen lokale coöperatie

Het participatieplan is hierdoor geen statisch document, maar zal gedu-

langs de Beerze, dat in bezit is van Natuurmonumenten. De zone tussen

die het voor hen haalbaar acht om financieel in het project te stappen.

rende de ontwikkeling van het zonnepark constant aan veranderingen

(percelen) langs de Beerze en het hekwerk rondom de technische instal-

Tijdens de verschillende participatieactiviteiten die zijn georganiseerd

onderhevig zijn, naar aanleiding van wensen van omwonenden. Hier-

latie biedt ruimte (15 tot 65 meter breed) voor een zogenoemd laarzen-

voor bewoners (ook voor project de Vorst) is geïnformeerd over hoe lo-

mee wordt gewaarborgd dat de belangen en wensen van omwonenden

pad. Deze kan op delen langs het hekwerk liggen en her en der ook ver-

kaal eigendom werkt en opgeroepen om hierover mee te denken. Hier is

zo optimaal mogelijk worden gewaarborgd. Het bijgevoegde participatie-

der weg. Dit is een strook van circa 1 meter breed, die 2 á 3 keer per

nog weinig respons op gekomen. De mogelijkheid voor de lokale omge-

document betreft daarmee een eerste handvat voor het mee kunnen

jaar gemaaid wordt.

participeren met het zonnepark.

Zonnepark Boxtel-Beerze

20

Kampina Daarnaast ligt de locatie ook binnen de zone van 1.000 meter rondom Kampina. Doelstelling is om de stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied te doen laten afnemen. Door de realisatie van het zonnepark vindt er geen intensieve landbouw meer plaats op de percelen, waardoor er geen bodemberoering, bemesting en gebruik van pesticides meer zal zijn. In paragraaf 5.12 wordt aan de hand van een stikstodepositieonderzoek (bijlage 4) aangetoond dat de realisatie van het zonnepark geen negatieve effecten maar zelfs een afname realiseert van de stikstofdepositie op het Natura-2000 gebied 'Kampina en Oisterwijkse Vennen'. 4.4.4

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling passend is binnen het gemeentelijk beleid en ook op het gebied van landschap, natuur en ruimtelijke kwaliteit passend is op deze locatie. Het zonnepark is passend binnen trede 3 van de zonneladder en daarmee is de ontwikkeling in lijn met het gemeentelijk beleid.

Zonnepark Boxtel-Beerze

21

5

Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving

5.1

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

5.1.1

Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.

b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles

5.2

Bodem

of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van veror-

5.2.1

Toetsingskader

deningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkre-

de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bo-

gen.

demgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit

meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook

voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel

de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het

16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel

bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de ge-

van een aanmeldnotitie.

meente rekening met de interventiewaar-den voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding

Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de

5.1.2

Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;

Zonnepark Boxtel-Beerze

van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de

Op basis van het Omgevingsbesluit kan een zonnepark (mogelijk) wor-

gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatre-

den beschouwd als een:

gelen worden getroffen.

Stedelijk ontwikkelingsproject;

Landinrichtingsproject;

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grond-

Industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit,

verzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie

stoom, en warm water.

ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen

toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning.

Onderzoek

in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. In bijlage V van het Omgevingsbesluit is onder categorie C. Energie-Industrie een zonnepark niet opgenomen als m.e.r. plichtig. Als aanvulling

5.2.2

Onderzoek

op bijlage V van het omgevingsbesluit geldt 16.36 (lid 1 en 2) van de

Een zonneweide betreft geen gebouw en valt derhalve niet onder het

Omgevingswet waarin wordt aangegeven dat als de gemeente beleid

bereik van artikel 5.89g van het Bkl. Het betreft ook geen bodemgevoe-

heeft waarin ze ontwikkelingen opnemen die mer(beoordelings)plichtig

lige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h Bkl. Verder betreft een zonne-

zijn.

weide ook geen bodembedreigende functie. Voor de realisatie van de

Op basis van de jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak ABRvS 14

zonnepanelen is er slechts zeer beperkt sprake van bodem-roerende

augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) is vastgesteld dat de realisa-

werkzaamheden.

tie van een zonnepark geen stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een landinrichtingsproject of een industriële installatie bestemd voor de pro-

5.2.3

ductie van elektriciteit, stoom en warm water. Op basis hiervan is er

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig planvoor-

geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit.

nemen.

5.1.3

Conclusie

Conclusie

Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.

22

5.3

Cultuurhistorie

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefom-

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erf-

5.3.1

Toetsingskader

geving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen

goedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is

bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel

bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in

sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet

erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht

situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de ver-

maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel

de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenaf-

stoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeolo-

erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevings-

weging.

gische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaats-

plan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed

vinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het ge-

en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van

5.3.2

het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is.

Op basis van het vigerende bestemmingsplan rust op de locatie de dub-

Voor de provincie Noord-Brabant zijn deze stukken door vertaald in de

belbestemming ‘Waarde - Leefgebied soorten van halfopen cultuurland-

5.4.2

‘Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024’. Op basis daarvan

schap - 2. Ter plaatse van deze zijn de gronden tevens bestemd voor

Blijkens het vigerende bestemmingsplan rust op het project-gebied een

wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opge-

het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het leefgebied van soor-

archeologische bestemming, ‘Waarde – Archeologie 3 en 4’. Voor werk-

nomen.

ten van halfopen cultuurlandschap, waaronder begrepen agrarische

zaamheden die dieper gaan dan 0,50 beneden maaiveld en een opper-

gronden met een halfopen karakter en de daarbij behorende natuur-

vlakte hebben groter dan 500 m2 dient de archeologische waarde in het

Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit

kwaliteiten, extensief gebruikte perceelsranden en overhoekjes en het

gebied te worden vastgesteld.

vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurland-

behoud van de openheid en de bescherming van het landschappelijke

schappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en

karakter van het waardevolle beekdal.

Onderzoek

stads- en dorpsgezichten.

ding raken. Onderzoek

Om te waarborgen dat door de ontwikkeling van het zonnepark geen archeologische waarden worden aangetast is er een archeologisch bu-

In bijlage 1 is een beschrijving gegeven van het plangebied in cultuur-

reauonderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Navolgend

Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel

historisch opzicht. Voor een uitvoerige beschrijving van de cultuurhistori-

worden de belangrijkste conclusies beschreven.

erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen

sche beschrijving wordt verwezen naar bijlage 1. De ontwikkeling van

van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de pro-

een zonnepark draagt hiermee bij aan behoud en/of versterking van

Aanbevelingen

vinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of

deze kwaliteiten.

Op basis van het uitgevoerde archeologische bureauonderzoek geldt

moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met

voor het oostelijke deel van het plangebied (dekzand) een middelhoge

de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwali-

5.3.3

teit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14

De ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting van cultuurhistori-

paleolithicum tot en met het mesolithicum en voor nederzettingsresten

van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en we-

sche waarden op.

uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Voor de periode

relderfgoed). Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden.

Zonnepark Boxtel-Beerze

Conclusie

5.4

Archeologie

5.4.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet.

archeologische verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het (laat-)

late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd geld een lage verwachting. Voor het westelijke deel (beekdal) geldt een lage archeologische verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het (laat-)paleolithicum tot en met het mesolithicum en voor nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Voor offsite resten geldt een middelhoge verwachting voor de periode neolithicum tot en met de nieuwe tijd.

23

Op basis van de aangeleverde gegevens zullen de toekomstige bodemverstoringen minimaal in diepte zijn lokaal zijn. Dit met uitzondering van

2.

scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het

betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek

moet.

te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die

de aanleg van de poelen in het westelijke deel (0,7 meter beneden

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als

voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie,

maaiveld). Echter zal de bodem hier zijn verstoord als gevolg van het

voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet

rechttrekken van de Beerze in de jaren vijftig van de 20e eeuw. Daarbij

op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er

zullen kabelsleuven worden aangelegd tussen het inkoopstation en de

5.5.1

transformatorhuisjes (0,7 meter beneden maaiveld). Het is niet bekend

Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige

waar de omvormers komen te staan.

functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke

Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’

leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:

De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder

Op basis van deze gegevens wordt een vervolgonderzoek nodig geacht

1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het

de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en ver-

daar waar diepere graafwerkzaamheden plaatsvinden:

kan én gewenst is.

vangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de ou-

Aanleg poelen (0,7 meter -mv) – hele zone ten westen van de ‘Dub-

2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar

de wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van

belbestemming - Leiding – Gas’;

het moet.

activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code

Toetsingskader

Aanleg kabelsleuven (0,7 meter beneden maaiveld) – locaties nader te bepalen

sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.

(SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als

wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor ge-

voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

luid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van

Voor het overige deel van het plangebied wordt géén archeologisch ver-

geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende as-

volgonderzoek noodzakelijk geacht. De resultaten van dit onderzoek

Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Besluit

pect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke re-gels

dienen te worden getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Box-

Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door

voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzone-ring’

tel), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen.

activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan

gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omge-

plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en

vingsplan van gemeenten.

5.4.3

Conclusie

milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten

De resultaten van dit onderzoek dienen te worden getoetst door de be-

met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte

5.5.2

voegde overheid (gemeente Boxtel), die op basis van het uitgebrachte

van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een spe-

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

advies een besluit zal nemen.

cifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen

dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon-

voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met

en leefklimaat bij het projectgebied.

5.5

Activiteiten en milieuzonering

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke

gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activi-

Het beoogde zonnepark betreft geen milieugevoelige functie. Omlig-

teiten leefomgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte

gende milieubelastende bedrijven vormen daarmee geen belemmering

term ‘milieubelastende activiteiten’.

voor het oprichten van een zonnepark waardoor een toets aan de omlig-

leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1.

menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;

Zonnepark Boxtel-Beerze

Onderzoek

gende milieubelastende bestemmingen achterwegen worden gelaten. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of

Ook dient te worden onderzocht, of het woon- en leefklimaat ter plaatse

mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus

van omliggende woningen (milieugevoelige functies) niet onevenredig

belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat

wordt aangetast als gevolg van het zonnepark. Daarom dient te worden

24

getoetst of in de omgeving van het projectgebied functies voorkomen

5.6

Elektromagnetische straling

die een belemmering kunnen vormen voor de nieuwe ontwikkeling. Ten

5.6.1

Toetsingskader

aanzien van de zonnepanelen zelf kan redelijkerwijs worden gesteld, dat

Elektromagnetische velden

geen milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is. Voor de bijbe-

Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektri-

horende transformators kan enige geluidproductie overdag worden ver-

citeit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektro-

wacht. De omvormers en transformatoren kunnen vergeleken worden

magnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele tele-

met elektriciteitsdistributiebedrijven, wat betreft categorie uit de handrei-

foons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de planologie zijn

king Activiteiten en milieuzonering (2024). De transformators hebben CA. 68M

een vermogen van < 10MVA. Voor deze activiteit (SBI 40, Nr. C1) bete-

met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit

kent dat voor het aspect geluid zone 1 en voor het aspect geur FM

vaste objecten zijn.

(functiemenging). Gelet op de ligging in het buitengebied wordt de zone

In het kader van gezondheid en milieu is het bij nieuwe ontwikkelingen,

‘geluid beperkt’ bij een rustig woongebied daarbij gehanteerd, waarvoor

waar sprake is van gevoelige gebouwen zoals woningen, scholen en kinderopvang, van belang dat er rekening wordt gehouden met mag-

een richtafstand van 50 meter geldt. Figuur 17 Afstand projectgebied tot woning aan de Staarten 20

neetvelden. Dergelijke projecten moeten buiten een magneetveldzone

Het gebied heeft overwegend een agrarisch karakter, met weinig bebou-

Daarnaast zal in de omgevingsvergunning vast worden gelegd dat het

liggen. De sterkte van elektromagnetische velden is het grootst dichtbij

wing. Rondom het projectgebied zijn wel verschillende woningen gesitu-

langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LArLT) bij de milieugevoelige

de bron en neemt af als de afstand tot de bron groter wordt.

eerd, zo ook op het bedrijventerrein Ladonk gelegen aan de Staarten

functies (woningen) die niet op bedrijventerrein Ladonk liggen, niet meer

20. Deze (dichtstbijzijnde) woning ligt op circa 68m afstand van het pro-

mag bedragen dan:

Voorzorgsbeleid magneetvelden

jectgebied (zie ook onderstaand figuur). Logischerwijs is gezien deze

45 dB(A) tussen 7. 00 en 19. 00 uur (dagperiode).

Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig

geruime afstand eventuele verslechtering van het woon- en leefklimaat

40 dB(A) tussen 19. 00 en 23. 00 uur (avondperiode).

minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstem-

voor de omliggende (bedrijfs)woningen op voorhand uitgesloten.

30 dB(A) tussen 23. 00 en 7. 00 uur (nachtperiode).

ming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies

Deze waarden sluiten aan bij de waarden voor geluid door activiteiten in agrarisch gebieden zoals die zijn gesteld in artikel 5.65, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor de (bedrijfs-)woningen op bedrijventerrein Ladonk bieden de waarden voor geluid zoals in de regels bij het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Boxtel voldoende bescherming. 5.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen oprichting van een zonnepark in het plangebied.

Zonnepark Boxtel-Beerze

25

en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van mag-

relatief ruime afstand van woningen tot het plangebied zal er voor de

5.7.1.3

neetvelden2.

omliggende woningen geen verslechtering plaatsvinden van het woon-

Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

Conclusie

en leefklimaat. De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met

Milieuzonering van zonnepark

5.7.2.1

Toetsingskader

de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatregelen gaan tref-

5.6.3

fen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel mogelijk te be-

Vanuit het milieuaspect elektromagnetische straling is er sprake van een

In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te beschou-

perken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs

evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

wen in hoeverre een gewenste ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving

mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan

Conclusie

5.7.2

voor wat betreft het aspect geluid. Wanneer een milieubelastende func-

5.7

Geluid

5.7.1

(Spoor)wegverkeer

0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar

5.7.1.1

Toetsingskader

kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 micro-

Geluid door (spoor)wegen

tesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen van toepassing

Het Bkl bevat geluidsregels voor onder meer (spoor)wegen. De regels

vante toetsingskader gevormd door de Handreiking ‘Activiteiten en mili-

is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Daarnaast wordt in het advies

voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen

euzonering 2024’ van de VNG.

geadviseerd om bij een ligging nabij een bovengrondse hoogspannings-

geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing

lijnen een magneetveldzone te berekenen. Op basis van deze bereke-

van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe ge-

ning kan worden bekeken hoeveel gevoelige bestemmingen in de mag-

luidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla3. De waarde van

neetveldzone liggen. Geluidsgevoelige gebouwen 5.6.2

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van

Onderzoek

Uit onderzoek van het RIVM over gezondheid en elektromagnetische

het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte

velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations 4 is ge-

van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie

concludeerd dat de sterkte van de velden afneemt wanneer de afstand

heeft. 5.7.1.2

station. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangenomen

In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen.

bij situaties van langdurige blootstelling. Aangezien er geen woningen

Rondom het plangebied zijn geen wegen gelegen, enkel fietspaden en

zijn gelegen op een afstand van minder dan 7 meter, maar de afstand

landweggetjes. Daarbij betreft een zonneweide geen geluidgevoelig ge-

tot bestaande woningen in de omgeving vele malen groter is, is nader

bouw of terrein. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook

onderzoek op elektromagnetische straling niet noodzakelijk. Gelet op de

niet noodzakelijk.

4

gende geluidsgevoelige objecten. Bij individuele milieubelastende functies, niet zijnde geluidsgezoneerde industrieterreinen, wordt het rele-

5.7.2.2

Onderzoek

Een zonnepark is een milieubelastende functie die zorgt voor de productie van geluid. Dit heeft te maken met de aanwezige transformatoren. Daarom zal moeten worden verkend in hoeverre sprake is van een acceptabele geluidssituatie ten opzichte van omliggende geluidsgevoelige objecten ten aanzien van geluid afkomstig van de zonneweide met bijbehorende installatie. Aangezien wordt voldaan aan de richtafstanden is het niet noodzakelijk een akoestisch onderzoek industrielawaai uit te

delde) wordt bereikt op een afstand van 7 meter van het transformator-

3

sprake is van een acceptabele geluidssituatie ter plaatse van omlig-

(o.a. voor geluid) ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies,

tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT (jaargemid-

2

tie mogelijk wordt gemaakt, dient te worden beschouwd in hoeverre

Onderzoek

voeren. Voor een verdere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (activiteiten en milieuzonering). 5.7.2.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geluid.

https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ https://www.infomil.nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1.pdf RIVM-rapport 609300011/2009. Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen

Zonnepark Boxtel-Beerze

26

5.8

Geur

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, no-

5.8.1

Toetsingskader

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

digt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omge-

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties

vingsinvloeden.

Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’.

daarvan; 

Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroor-

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevenge-

Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijk-

bruiksfuncties daarvan.

heid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit

zaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.

te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverorEchter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen,

dening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezond-

zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geur-

heid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeen-

Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur

gevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van men-

ten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omge-

onderzocht te worden:

sen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3

vingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerking-

indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande

Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond

treding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid

geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten;

van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buiten-

zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal

indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van be-

planse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw be-

het beleid sterk per gemeente verschillen.

staande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.

schouwd.

5.9.2

Onderzoek

Geurveroorzakende activiteiten

5.8.2

Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geur-

Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl wordt voor onderhavig project geen geur

lende thema’s aan bod komen. Eén van de vier hoofdthema’s is het

belasting of afstand acceptabel wordt geacht:

veroorzakende activiteit noch een geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Er

‘aangenaam leven’ in Sint-Michielsgestel. Dit hoofdthema heeft betrek-

1. zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);

is immers geen sprake een van de bovengenoemde functies noch ge-

king op wonen en alles wat samenhangt met en aangename woonom-

2. houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf

bouwen. Nader onderzoek naar het aspect geur is niet noodzakelijk.

geving. Hieronder vallen onderwerpen zoals het landschap, natuur,

Onderzoek

De gemeente Boxtel heeft een ontwerp Omgevingsvisie waarin verschil-

voorzieningen, gezondheid en veiligheid. De thema’s zijn verder uitge-

5.1.4.6.3); 3. enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).

5.8.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig project. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

5.9

Gezondheid

5.9.1

Toetsingskader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om ge-

Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt:

Zonnepark Boxtel-Beerze

zondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners.

werkt in dromen en ambities en komen daarna samen in verschillende scenario’s. Het hoofdthema ‘aangenaam leven’ omvat verschillende dromen en ambities die zijn toegespitst op een veilige, gezonde maar vooral leefbare omgeving. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een zonneweide, waarmee een duurzame energievoorziening wordt gerealiseerd. De realisatie van duurzame energievoorzieningen draagt bij aan een reductie van vervuiling en daarmee gepaard gaande schadelijke gezondheidseffecten, die door niet-duurzame energievoorzieningen (kunnen) worden veroorzaakt. Een zonnepark heeft zelf ook geen gezondheid beperkende werking. De transitie naar duurzame energievoorzieningen draagt dus

27

ook bij aan het creëren van een gezonde leefomgeving. Ook het omzet-

uitzondering van rijksregels voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen,

alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een

ten van landbouwgrond naar een zonnepark met bijbehorende groen-

opgenomen in artikel 4.790 van het Bal.

aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht ne-

voorzieningen past in dit beeld en betekent onder meer een reductie van

men (artikel 5.51 Bkl).

geurhinder. De realisatie van voldoende groen en waterberging in en

5.10.2

rondom de zonneweide past eveneens bij het bereiken van een gezon-

In het projectgebied zelf zijn geen functies en voorzieningen aanwezig,

Niet in betekende mate

dere fysieke leefomgeving.

die lichthinder veroorzaken. Onderhavig initiatief maakt geen nieuwe

De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet

functies mogelijk die gevoelig zijn voor lichthinder. Ook worden er geen

altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bij-

functies mogelijk gemaakt, die tot lichthinder voor de omgeving leiden.

draagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomge-

5.9.3

Conclusie

Onderzoek

Het initiatief levert een bijdrage aan het bereiken van een gezonde fysieke leefomgeving.

5.10

Lichthinder en reflectie

5.10.1

Toetsingskader

Er zijn diverse locaties met kunstmatige verlichting, waaronder (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Deze verlichting kan verschillende ne-

vingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Wanneer een zonnepark in de buurt van een weg of woningen ligt, is het

Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de lucht-

mogelijk dat deze voor enige vorm van lichthinder wegens reflectie

kwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is

zorgt. Voor onderhavig planvoornemen geldt dat het volledige plange-

dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemid-

bied omsloten door een (dubbele) bomenlaan. De enkele woningen ge-

delde concentraties.

situeerd aan de oost- en westzijde liggen op circa 175(+)m afstand. Redelijkerwijs kan eventuele hinder vanwege reflectie daarom op voorhand

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project

worden uitgesloten.

binnen de NIBM-grens blijft: Motiveren dat het project binnen de getals-

gatieve effecten veroorzaken. Zo kunnen mensen hinder ondervinden

matige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘stan-

wanneer ze zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht,

5.10.3

terwijl ze daar wel behoefte aan hebben, bijvoorbeeld om te kunnen rus-

Het aspect lichthinder en reflectie vormt geen belemmering voor onder-

ten of slapen. Licht van objecten langs (rijks)wegen, zoals een reclame-

wassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform arti-

havig initiatief.

kel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie,

Conclusie

zuil, kan ook hinder veroorzaken en daarmee onveilige situaties creëren. Verder kan kunstmatige verlichting in de nacht het gedrag van dieren

5.11

Luchtkwaliteit

beïnvloeden, met mogelijke gevolgen zoals desoriëntatie, afstoting of

5.11.1

Toetsingskader

aantrekking, wat kan leiden tot uitputting en sterfte. Kunstmatige verlich-

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter be-

ting kan ook fungeren als barrière voor dierlijke verplaatsingen. Deze

scherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels

negatieve effecten hebben niet alleen individuele gevolgen maar kunnen

opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden

ook de instandhoudingsdoelstellingen van bepaalde soorten aantasten.

zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht

Daarnaast kan kunstmatige verlichting leiden tot horizonvervuiling of het

voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

verminderen van de donkerte op grotere afstanden, zoals het zichtbaar zijn van verlichte objecten in een open landschap tot wel 5 à 10 kilome-

Aandachtsgebieden

ter.

De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concen-

Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen.

traties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10

Het Bkl bevat daarom geen Rijksinstructieregels voor lichthinder, met

staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor

Zonnepark Boxtel-Beerze

daardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van ge-

maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

28

5.11.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt,

In onderhavig geval is er sprake van het oprichten van een zonneweide.

Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedepu-

geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken

Een zonneweide kent een zeer lage verkeersaantrekkende werking. Er

teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-

of ongedaan te maken, of achterwege te laten.

zal uitsluitend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van on-

houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd

derhoud, controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden ge-

‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebie-

Soortenbescherming

steld dat het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwali-

den aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland

Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit

teit. Omdat er geen sprake is van een gevoelige functie, is een onder-

(NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen

met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of

zoek naar de achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leefkli-

natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes

planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en

maat niet aan de orde. Het projectgebied ligt bovendien niet binnen een

van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-

hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een ver-

aandachtsgebied luchtkwaliteit.

lijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Bra-

gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-

bant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecolo-

als beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal. In tabel 5.3 staan de

gische Verbindingszones (EVZ). Het netwerk wordt gevormd door kern-

belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt.

5.11.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige

gebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszo-

toedeling van functies aan locaties.

nes met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omrin-

De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in

5.12

Natuur en landschap

gende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn

Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen

5.12.1

Toetsingskader

alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezen-

en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere

Wettelijke gebiedsbescherming

lijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan

en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal

De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrek-

met mitigerende maatregelen.

vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

king op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelricht-

Vogels (artikel 11.37 Bal);

lijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als

Houtopstanden

Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal);

Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-

De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft be-

Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).

jecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, die-

trekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of

nen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een

struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bij-

voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect

die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom

lage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde

hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn ver-

(bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld,

soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de

gunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te ver-

niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij

Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bij-

wachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In

Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal).

lage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-

dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, be-

Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht ar-

richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergun-

perkt, of ongedaan gemaakt worden.

tikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de

ningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese

houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.

soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en

Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstan-

de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-

den die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige

Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtop-

opzichten minder streng zijn. In tabel 5.3 zijn de vergunningplichtige ac-

standen (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding

tiviteiten per regime weergegeven.

Zonnepark Boxtel-Beerze

29

De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te be-

5.12.2

Onderzoek

schermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De

Voor onderhavige ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitge-

soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het alge-

voerd. Deze is als bijlage opgenomen bij onderhavige ruimtelijke motive-

bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming

meen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schade-

ring. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Voor de

Hierna wordt kort samengevat het potentiële effect op de verschillende

lijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal be-

volledige rapportage met bevindingen wordt verwezen naar de bijlagen.

soortgroepen beschouwd.

vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het

Gebiedsbescherming

Vogels

verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat

Op het terrein is enkel een stal aanwezig. Bij de interne controle hiervan

soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.

aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura

zijn geen nest(rest)en of sporen (zoals braakballen of krijtstrepen) van

2000-gebieden is 'Kampina en Oisterwijkse Vennen' op circa 370 meter

een soort met jaarrond beschermd nest aangetroffen. Hierdoor kunnen

Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor

ten westen van de planlocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect,

broed-locaties van soorten als kerkuil, steenuil en huismus worden uit-

alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-

betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename

gesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied zijn

delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of onge-

van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het

tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sper-

daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten

plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid

wer en ransuil aangetroffen, al is een nest door het aanwezige blader-

van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of na-

en trillingen uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de re-

dek niet volledig uitgesloten. Wel kunnen in het opgaand groen rond het

tuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige ge-

alisatie van een zonneweide en bijbehorende installaties betreft, kan

plangebied mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggen-

volgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen pre-

een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en

mus, zwartkop, winterkoning, grasmus, tjiftjaf en houtduif tot broeden ko-

ventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te

gebruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het

men. Binnen het plangebied kan incidenteel een soort als graspieper of

voorkomen.

planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is er een

kievit tot broeden komen. Het plangebied heeft weinig tot geen waarde

stikstofdepositieberekening uitgevoerd, welke is opgenomen in als bij-

als (essentieel) leefgebied voor vogels gezien het kale karakter. In de

lage 4 van onderhavige ruimtelijke motivering.

toekomstige situatie kan de kruidenrijke vegetatie zorgen voor een

toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Omgevingswet

schermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft

hoogwaardiger leefgebied.

op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken

De elektrische werktuigen zullen op een emissievrije manier worden op-

te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet

geladen. Hiervoor zal een vergunningvoorschrift worden opgenomen.

In de verdere omgeving van het plangebied zijn echter wel enkele

door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een

Op basis hiervan blijkt uit de uitgevoerde berekeningen dat bij zowel de

broed-gevallen of nestlocaties bekend van de steenuil en de kerkuil. Mo-

alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan

aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan

gelijk valt het plangebied gedeeltelijk binnen het territorium van deze in-

plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevings-

0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op

dividuen. In de huidige situatie is er enkel opgaand groen, en daarmee

vergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelin-

Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

zichtposities, voor deze soorten aan de rand van het plangebied. Bij de

gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk be-

Overige externe effecten kunnen vanwege de grote afstand tot Natura

toekomstige inpassing worden meerdere groen inprikkers binnen het

lang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde

2000-gebieden eveneens worden uitgesloten.

zonnepark voorzien. Hierbinnen worden tevens bomen aangeplant,

soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan onder voorwaarden worden verleend.

Zonnepark Boxtel-Beerze

waardoor de zichtposities en daarmee foerageermogelijkheden worden Houtopstanden

vergroot. Daarnaast wordt het agrarische karakter van het plangebied

Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwingscontour houtkap

veranderd doormiddel van het plaatsen van groenelementen en het in-

bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is

zaaien van kruidenrijk grasland, waardoor de hoeveelheid prooidieren

30

(muizen, pieren) zal toenemen. Tegen de westgrens van het zonnepark

Grondgebonden zoogdieren

Specifieke zorgplicht

is een natte zone met wadi’s en poelen voorzien. Door deze inpassing

Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen

Het plangebied bestaat uit enkele akkers. De kans op aanwezigheid van

zal het aantal woelmuizen in de omgeving toenemen. Woelmuizen zijn

van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)

en de daarbij behorende negatieve effecten op soorten van de rode lijst

teven een belangrijke voedselbron voor zowel steenuil als kerkuil. Er zijn

leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op

is daarmee zeer laag. Een overtreding met betrekking tot de specifieke

geen negatieve effecten te verwachten op beide soorten, mede gezien

de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten

zorgplicht is daarmee niet aan de orde, mits algemene zorgplichtmaatre-

de nieuwe inpassing binnen het plangebied. Gezien het groen in de di-

en potentiële schadelijke handelingen zijn niet aan de orde. In het kader

gelen worden genomen om het doden en verwonden van individuen te

recte omgeving behouden blijft is er voldoende alternatief leefgebied

van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te

voorkomen.

aanwezig.

dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Invasie exoten

Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met

Reptielen

In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend

een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kun-

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van reptie-

van de grote waternavel, hemelboom, reuzenbalsemien, reuzenberen-

nen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de

len zijn op voorhand uitgesloten.

klauw, smalle waterpest. In het plangebied zijn echter geen waarnemin-

betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het op-

gen van deze soorten gedaan tijdens het veldbezoek.

gaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs

Amfibieën

geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels.

De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel

5.12.3

In de wetteksten wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broed-

habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan

seizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half

staat van instandhouding van populaties en potentiële schadelijke han-

alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het

augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van

delingen zijn dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorg-

provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens

een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/af-

plicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventu-

het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt geno-

wezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van

eel passerende individuen.

men: 

een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat

Vissen

veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van in-

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

standhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.

schermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

Conclusie

Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden.

Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een con-

Vleermuizen

Ongewervelde diersoorten

Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaat-

schermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.

trole moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. 

In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van in-

sen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen, indien verlichting gericht en uitschijnend op opgaand groen en open water vermeden

Vaatplanten

wordt.

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

dividuen te voorkomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNB) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van

Zonnepark Boxtel-Beerze

31

een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een

vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.

5.13

Omgevingsveiligheid

5.13.1

Toetsingskader

Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op

windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in

een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aan-

het Bal.

dachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl):

In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente Sint-

brandaandachtsgebied;

Michielsgestel worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid

explosieaandachtsgebied;

genoemd, waarbij milieubelastende activiteiten, transportroutes en buis-

gifwolkaandachtsgebied.

leidingen aan bod komen (artikel 22.39b).

de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van

Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beNaast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden be-

perkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied

schouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobron-

moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet ad-

nen:

vies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl).

het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.  Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties);

 

opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4);

5.13.2

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (af-

Gezien de aard van de beoogde functie is er geen sprake van een

deling 5.1.2.5);

kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object dan wel van handelingen met ge-

exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosie-

vaarlijke stoffen. Omdat er slechts beperkt en kortdurend personen in

ven (afdeling 5.1.2.5);

het projectgebied verblijven, heeft de ontwikkeling geen invloed op de

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik

hoogte van het groepsrisico.

(afdeling 5.1.2.5 Bkl).

3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage

Het plangebied valt binnen het brandaandachtsgebied van twee hogePlaatsgebonden risico

druk aardgasleidingen met de namen A-525-01 en A-525-05 zoals weer-

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt

gegeven op het figuur op navolgende pagina. Rondom deze gasleidin-

door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het

gen dient er Conform art. 4. 1113 van het Bal een strook te worden vrij-

plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden

gehouden met een afstand van 5 meter (zie figuur 19). Op de tot 'Lei-

voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot

ding - Gas' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dien-

gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar

ste van de gasleiding worden gebouwd waarbij de bouwhoogte niet

worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour

meer dan 3m mag bedragen. Daarnaast zijn aanlegwerkzaamheden

10-6-contour van een activiteit vallen.

verboden binnen deze zone, mits vooraf afstemming heeft plaatsgevon-

VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: 

activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;

het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;

buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

Zonnepark Boxtel-Beerze

Onderzoek

den bij de leidingbeheerder. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen

32

De afstand tussen de panelen/transformatoren en de belemmeringstrook van de gasleiding is (minimaal) circa 3 meter en daarnaast is de afstand van de belemmeringstrook en de gasleiding zelf circa 5 meter. 5m

5m

De afstand tussen de panelen en de gasleiding zal hierdoor ongeveer 8 meter zijn. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake kan zijn van lekstromen die de kathodische bescherming negatief beïnvloeden, wel zal na uitwerking van het technisch ontwerp van het zonnepark hierover duidelijkheid worden gegeven aan leidingbeheerder Gasunie.

Figuur 18 Uitsnede LIP, dubbelbestemming Leiding Gas met een strook van 5 m aan beide zijdes

Advies veiligheidsregio T.b.v. het planvoornemen is er advies opgevraagd bij de veiligheidsregio

Initiatiefnemers zijn in een vroeg stadium (januari 2023) met Gasunie in overleg getreden om te bepalen hoe de realisatie van het zonnepark de werking van de leiding niet zal aantasten. Ten behoeve van de ontwikkeling is door initiatiefnemer het begeleidingsformulier ingevuld en naar Gasunie toegezonden. De correspondentie is in het kader van AVG op verzoek raadpleegbaar.

Brabant Noord. Dit advies is opgenomen in de bijlage en is meegenomen bij nadere planaanpassingen. 5.13.3

Conclusie

Wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er zal nadere afstemming plaatsvinden over de gasleiding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=071b4b22-0ec2-4d10-954e-c54b0a893a7f