CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 21 Quickscan Natuurwaarden (herijking)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 11 december 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Herstelbesluit bestemmingsplan Rietstok Gemonde9.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Natuur Rietstok ong. te Gemonde Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2024-0365

Datum:

21 maart 2024

Samensteller:

ing. B.C.E. Vleeshouwers

Collegiale toets:

ing. G. Fairhurst

Opdrachtgever:

Vrijborg B.V.

Contactpersoon:

ir. A.C. koster

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud Samenvatting

4

1 Inleiding

5

1.1

Planlocatie

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

10

2 Methode

11

2.1

Uitvoering onderzoek

11

2.2

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Specifieke zorgplicht Soorten

18

3.3

Gebiedsbescherming

19

3.4

Houtopstanden

21

4 Conclusie en vervolg

22

4.1

Conclusie

22

4.2

Uitvoerbaarheid

22

4.3

Vervolgstappen en maatregelen

22

Samenvatting Aan de Rietstok ong. te Gemonde zijn twee graspercelen en een woonperceel met ruime achtertuin gesitueerd. In 2019 en 2020 zijn reeds al een quickscan en een aanvullend onderzoek uitgevoerd (Brinkbaumer, 2019; Fairhurst, 2020). De initiatiefnemer is voornemens de groenstructuren en graspercelen om te vormen naar circa 28 woningen. De groenstructuren betreffen verruigde struiken en kruidachtige planten, bomen en struiken. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep Planten Grondgebonden zoogdieren Bunzing Hermelijn Steenmarter Wezel Vleermuizen Amfibieën Kamsalamander Reptielen

Bescherming

Mogelijke functie

Vervolgstap (H4.3)

NB

Verblijfplaats/leefgebied

Aanvullend onderzoek

HB

Voortplantingswater, landhabitat en overwinteringslocaties

Aanvullend onderzoek

Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Vervolgstap (H4.3)

Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant Groenblauwe waarden

6,6 km 300 m 0 km

Stikstof N.v.t. N.v.t

Stikstofonderzoek

Houtopstanden

Onderdeel

Uitzondering

Vervolgstap (H4.3)

Eenheid van >1000 m2 Bomenrij van >20 bomen

Afwezig Afwezig

n.v.t. n.v.t.

Zorgplicht

Vervolgstap (H4.4)

Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden

Ja

4

1 Inleiding Aan de Rietstok ong. te Gemonde is een woonperceel en twee graspercelen gesitueerd. Op het woonperceel zal een schuur, vervallen kas en een groot aantal overkappingen voor houtopslag gesloopt worden. Tevens zal een groot aantal bomen en struiken verwijderd worden. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande groenstructuren en graspercelen om te vormen voor circa 28 woningen. Het vigerende plan voorziet reeds in de beoogde ruimtelijke ingreep en hoeft derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Vrijborg B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Rietstok ong. te Gemonde. 5

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Rietstok ong. te Gemonde (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit verschillende onderdelen waaronder een grote tuin (1), een weg met bomen en greppels/sloten (2) en twee graspercelen (3 & 4). 1.

In de grote tuin zijn verschillende onderdelen aanwezig waaronder een tuinschuur, een kas welke niet meer gebruikt wordt, groot aantal overkapping voor de opslag van hout en een kleine schapenstal in een slechte staat (figuur 1.3): a. De tuinschuur is opgebouwd uit een bakstenenmuur zonder spouw en een golfplaten dak met dakbeschot; b. De kas bestaat uit een metalen frame en glazen muren en dakbedekking; c. De schapenstal is opgebouwd uit houten wanden en een pannendak. Er is geen spouw en dakbeschot aanwezig in de schapenstal; d. De overkappingen voor het hout bestaan uit houten constructies en golfplaten daken. Naast de verschillende constructies is er een hoge mate aan vegetatie aanwezig in de vorm van struiken, bomen en gras. Binnen de grenzen van de tuin zijn er verschillende takken- en groenafval hopen aanwezig. Er is binnen de grenzen van de tuin geen sprake van oppervlaktewater. De tuin kent een relatief goed onderhoudsbeeld. Echter is er rondom de kas sprake van verruiging van vegetatie in de vorm van braamstruwelen en laurierkersen.

2. De Rietstok betreft een beklinkerde weg dat circa 5 m breed is (figuur 1.4). Aan de noordzijde is de grote tuin en een van de twee graspercelen (3) aanwezig. De weg en de noordelijk gelegen percelen worden gescheiden doormiddel van een meidoornhaag. Aan de zuidzijde is het andere grasperceel aanwezig (4) en een greppel dat ten tijde van het veldbezoek volgelopen was met water. Aan beide zijden van de weg zijn meerdere bomen aanwezig; 3. Het noordelijk gelegen grasperceel betreft een weide welke in het verleden is gebruikt voor het houden van schapen (figuur 1.5). Aan de westzijde grenst het grasperceel aan de grote tuin (1) en aan de oostzijde grenst een ander grasperceel. Deze wordt niet aangetast in beoogde ontwikkeling. Aan de oostzijde is een watergang aanwezig waar ten tijde van het veldbezoek stromend water in aanwezig was; 4. Het zuidelijk gelegen grasperceel betreft een grasperceel dat omheind is met hekwerk en prikkeldraad wat hoogstwaarschijnlijk gebruikt wordt voor het houden van dieren (figuur 1.6). In het verleden was hier een schuur gesitueerd echter is deze enkele jaren geleden gesloopt. In figuur 1.3 t/m figuur 1.6en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

6

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Rietstok ong. te Gemonde. De nummers corresponderen met bovenstaande tekst. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een dorpse omgeving te midden van landelijk gebied bestaande uit akkers, graslanden en bosgebieden. De dichtstbijzijnde waterpartij is de Beeksche Waterloop op een afstand van ca. 420 m oostelijk en op circa 950 ten westen stroomt de Dommel. De dichtstbijzijnde barrière is de A2 op een afstand van circa drie kilometer westelijk.

Figuur 1.3 Fotografische indruk van deel 1.

7

Figuur 1.4 Fotografische indruk van deel 2.

Figuur 1.5 Fotografische indruk van deel 3.

8

Figuur 1.6 Fotografische indruk van deel 4.

9

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ontwikkeling betreffen het verwijderen van een schuur, kas, een stal voor vee. Daarnaast worden de volgende groenstructuren aangetast: heggen, bomen, struiken en verruigde vegetaties. De bomenrij aan de oostzijde van het noordelijke grasperceel wordt grotendeels behouden. De bomen langs de Rietstok worden verplant of gekapt. De beoogde ontwikkelingen voorzien een functieverandering van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •

slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.7

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Bureau Verkuylen).

10

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot de Omgevingswet onderdeel natuur. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 5 maart 2024 en is uitgevoerd door ing. B.C.E. Vleeshouwers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; miezer, 8/8 bewolkt, 7 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De NDFF is geraadpleegd op d.d. 14 maart 2024. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied.

Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.

2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2019-2024). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: bosanemoon, fluitenkruid, gewone braam, gewoon speenkruid, kleine brandnetel, klimop, maartsviooltje, speerdistel en zevenblad. De planlocatie is voor een klein deel verhard met klinkers. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie staan verschillende bomen en hagen zoals; conifeer, laurier, meidoorn, schietwilg, witte paardenkastanje, zachte berk en zomereik. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: zoogdiersoorten (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, bunzing, damhert, das, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt uitsluitende voor in watergangen en op de oeverzone. Wegens ontbreken van geschikte watergangen op korte afstand van de planlocatie is functioneel leefgebied van de bever uitgesloten op de planlocatie. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de steenmarter hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid.

De bunzing, steenmarter en wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen, de hermelijn vermijdt bebouwing (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). Binnen de planlocatie bevinden zich verscheidende elementen voor de aanwezigheid van geschikt leefgebied van kleine marterachtigen en steenmarter. Deze elementen bestaan uit dichte vegetatiestructuren, verruigde vegetaties, houtstapels en leegstaande bebouwing.

12

Figuur 3.1 Binnen de grenzen van de planlocatie zijn er voldoende elementen aanwezig die een functioneel leefgebied van kleine marterachtigen en steenmarter vormen. In 2020 heeft er al een aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen en steenmarter plaats gevonden, destijds waren geen waarnemingen gedaan van deze soorten. Echter zijn er nieuwe waarnemingen bekend van marterachtigen in de omgeving van de planlocatie (m.n. steenmarter). Doordat het aanvullende onderzoek verouderd is en hierdoor niet met zekerheid van gesteld kan dat er geen sprake is van aantasting leefgebied of de aanwezigheid van een mogelijke verblijfplaats dient er nieuw aanvullend onderzoek vastgesteld te worden of kleine marterachtigen en steenmarter voorkomen op de planlocatie en de mogelijke functie van de planlocatie (H4.3). Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. De soort heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt de soort voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden (Zoogdiervereniging damhert, 2022). De waarneming(en) van de soort betreffen een ontsnapt individu (NDFF). Er is derhalve geen sprake van een populatie.

De planlocatie voldoet niet aan de eisen van de soort waardoor de aanwezigheid is uitgesloten. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond aanwezig is, voldoende dekking in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen of heggen is en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). In de afgelopen 3 jaar zijn er waarnemingen bekend van de das op de oostelijk gelegen percelen (NDFF, 2021-2024). De planlocatie betreft een tuin en twee graspercelen. Beide graspercelen zijn omheind met hekwerk en zijn hierdoor niet toegankelijk voor de das. De tuin grenst aan het centrum van het dorp Gemonde en er is sprake van menselijke verstoringen. Tijdens het veldbezoek is er geen burcht en/of sporen, zoals graafsporen, neusputten en uitwerpselen, aangetroffen die de aanwezigheid van de das bevestigen. Ten oosten van de planlocatie zijn er meerdere akkers en graspercelen gesitueerd die door de ligging meer geschikt zijn als leefgebied van de das.

Door de afwezigheid van sporen/burcht en de aanwezigheid van verschillende graspercelen en akkers in de omgeving kan er geconcludeerd worden dat de planlocatie niet essentieel is voor de das.

13

De rode eekhoorn komt hoofdzakelijk voor in bosrijke omgevingen met voldoende (oude) bomen. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen nesten waargenomen in de bomen op de planlocatie. De omliggende bomenrijen worden nauwelijks aangetast in de beoogde ontwikkeling. Derhalve worden negatieve effecten op de rode eekhoorn en mogelijke looproutes ten gevolge van de beoogde ontwikkeling niet verwacht. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats.

In de bomen op de planlocatie is er één boomholte gevonden die ten tijde van het veldbezoek werd bewoond door een spreeuw. Deze boomholte is gesitueerd langs de Rietstok. De bomen langs de Rietstok worden niet gekapt in de beoogde ontwikkeling. De bomen langs de Rietstok en in de tuin worden gekapt/verplaatst, echter zijn hier geen (geschikte) boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. In delen 2, 3 en 4 is geen bebouwing aanwezig, derhalve kan het voorkomen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in delen 2 t/m 4 uitgesloten worden. In deel 1 zijn verschillen gebouwen aanwezig waaronder een kleine schapenstal, een kas en een tuinhuis. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De kleine schapenstal is opgebouwd uit houten wanden en een pannendak.

Er is geen spouw of dakbeschot aanwezig, tevens is het dak deels ingestort waardoor er sprake is van tocht en lichtverstoring in de stal. De kas is opgebouwd uit een metalen skelet met glazen panelen als muren en dak. Het tuinhuis is opgebouwd uit baksteenmuren zonder spouw en een golfplaten dak met dakbeschot. In het tuinhuis zijn geen openingen aanwezig die leiden naar wegkruipplekken voor gebouwbewonende vleermuizen. Wegens het ontbreken van muren met spouw, dakruimte of andere wegkruipplekken is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden er meerdere bomen en struiken weggehaald. Deze structuren zijn geschikt om als foerageergebied en vliegroute te gebruiken. Echter zijn er in de directe omgeving een hoge mate aan lineaire structuren zoals bomenrijen, struiken en gebouwen aanwezig die als foerageergebied en vliegroute kunnen dienen.

Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden er geen essentiële structuren aangetast. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF 20192024). Voor de kamsalamander geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

14

De kamsalamander is gebonden aan bosrijke gebieden met houtwallen of struwelen, maar ook in parken en landgoederen wordt de soort aangetroffen. De samenhang van geschikte landhabitats en geschikte watersystemen is essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van de soort. Het voortplantingswater bestaat uit een rijke watervegetatie en/of blad op de bodem (RAVON kamsalamander, 2024). Naast het zomerhabitat bevindt het winterhabitat op land. Waarbij voornamelijk holen, stronken en takkenstapels gebruikt worden als verblijfplaats. De planlocatie betreft twee graslanden, een tuin en een weg. Rondom het noordelijke grasperceel zijn aan alle zijde bomenrijen met ondergroei, stronken en takkenhopen aanwezig. In de tuin zijn verschillende structuren, zoals takkenhopen, houtopslag, ruigtes en hoge mate aan struiken aanwezig die mogelijk geschikt zijn als overwinteringslocatie voor de kamsalamander. Langs de Rietstok zijn meerdere greppels en watergangen gesitueerd die ten tijde van het veldbezoek vol waren gelopen met water. Aannemelijk staan deze greppels in de zomerperiode droog. Op circa 35 en 50 m ten noorden van de planlocatie zijn twee waarnemingen van de kamsalamander bekend (NDFF, 2019-2024). Tijdens het veldbezoek is tevens een vrouwelijk individu van de kamsalamander aangetroffen onder een boomstronk (figuur 3.2).

Doordat er meerdere waarnemingen bekend zijn in een straal van 200 m rondom de planlocatie, de aanwezigheid van geschikt leefgebied/overwinteringsstructuren en mogelijk ook voortplantingswater en dat er tijdens het veldbezoek een kamsalamander is aangetroffen binnen de grenzen van de planlocatie dient er een aanvullend onderzoek plaats te vinden om de grootte van de populatie en de exacte functie van de planlocatie te bepalen (H4.3).

Figuur 3.2 Ten tijde van het veldbezoek is er een vrouwelijke kamsalamander aangetroffen. Figuren 1.3 t/m 1.5 en 3.1 geven een duidelijk beeld van het potentiële leefgebied en overwinteringsstructuren van de kamsalamander.

15

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20192024). Bij de beoogde dempingswerkzaamheden dienen enkele maatregelen getroffen te worden, zie H4.3. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel, iepenpage en kleine ijsvogelvlinder (NDFF 20192024). De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle.

Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De bosbeekjuffer is gebonden aan meanderende beken met holle oevers met uitgespoelde wortels van bomen en struiken die op de beekoever staan. De larven van de bosbeekjuffer worden aangetroffen tussen waterplanten en in het water hangende kruiden (Vlinderstichting, 2024). De beken dienen beschaduwd, koud en zuurstofrijk te zijn. Deze soort is zeer kritisch ten aanzien van de waterkwaliteit en morfologie van de beek. Belangrijke factoren zijn de diversiteit van de omgeving van de beek en natuurlijke fysische processen als erosie en sedimentatie. Er is één waarneming bekend van de bosbeekjuffer op circa 1,6 km van de planlocatie langs de Dommel (NDFF, 2019-2024). Op de planlocatie zijn enkele kavelsloten aanwezig. Genoemde eisen aan het leefgebied van een bosbeekjuffer zijn niet aanwezig op de planlocatie, derhalve door gebrek aan geschikte watergangen kan de aanwezigheid van de bosbeekjuffer uitgesloten worden. De gevlekte witsnuitlibel komt voornamelijk voor bij verlandingzones in laagveenmoerassen. Daarnaast wordt de soort waargenomen bij bosplassen en verlandingzones van hoogveen- en heidevennen op hoge zandgronden en randzones van hoogveen.

Al deze biotooptypes hebben verschillende dingen met elkaar gemeen, namelijk dat het water helder, ondiep (niet dieper dan 1 m), matig voedselrijk en beschut gelegen is. Wateren met een hoge mate aan vegetatie worden gemeden (Vlinderstichting, 2023). Gezien de kavelsloten niet voorzien in het geschikte habitat voor de gevlekte witsnuitlibel kan het voorkomen van de soort uitgesloten worden. Iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en de teunisbloempijlstaart worden regelmatig waargenomen in bosrijke omgevingen en langs bosranden. Daarnaast kan het habitat vochtig tot vrij droog zijn. De waardplanten bestaan uit diverse soorten iep (iepenpage), wilde kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder) en wilgenroosjes en teunisbloemen (teunisbloempijlstaart). De planlocatie is gelegen in een agrarisch gebied met geen tot weinig bosgebieden in de directe omgeving. Tevens zijn er geen waardplanten aanwezig voor de genoemde vlindersoorten. Door gebrek aan geschikt habitat en waardplanten kan de aanwezigheid van grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en de teunisbloempijlstaart uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.

Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen, voor zover deze plantensoorten gedurende de winterperiode zichtbaar zijn.

16

Ook is er geen sprake van zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, koolmees, merel, spreeuw, tjiftjaf, winterkoning en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2019-2024). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De beoogde ontwikkeling voorzien enkel de sanering van een kleine schapenstal, tuinhuis en een vervallen kas. De kleine schapenstal en kas zijn zeer laag en bevatten geen dakbeschot. Het tuinhuis bevat een golfplaten dak dat niet toegankelijk is. In de tuin van de woning aan de Dorpstraat staan verschillende groenstructuren welke jaarrond groen zijn. Een groot deel van de groenstructuren dienen in het kader van de beoogde ontwikkeling verwijderd te worden.

In de directe omgeving van de planlocatie zijn er verschillende groenstructuren aanwezig die niet aangetast worden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling, derhalve wordt niet verwacht dat er sprake is van essentieel leefgebied van de huismus op de planlocatie. Er is geen sprake van afname van essentieel leefgebied voor de huismus. Negatieve effecten zijn derhalve ook niet te verwachten. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De bebouwing op de planlocatie is niet geschikt door het gebrek aan invliegopeningen, derhalve kunnen nestlocaties voor gierzwaluw en huismus uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de directe omgeving van de planlocatie zijn verschillende bosgebieden, bomenrijen, akkers en graspercelen aanwezig die niet worden aangetast ten behoeve van de beoogde ontwikkeling.

De planlocatie kan sporadisch gebruikt worden als foerageergebied door roofvogels en uilen, echter door het gebrek aan nesten en de grote hoeveelheid soortgelijke gebieden in de directe omgeving is er geen sprake van essentieel leefgebied van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek is één nest aangetroffen van een spreeuw. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

17

Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waarvoor maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.

3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: huismus, kamsalamander en steenuil (NDFF 2019-2024). Genoemde soorten zijn al beoordeeld in de soortenbescherming (H3.1). Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.

18

3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 6,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ (figuur 3.3).

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 6,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van circa 28 woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Gezien de grote hoeveelheid woningen die gerealiseerd worden op de planlocatie, wordt geadviseerd om een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit te voeren.

Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe waarden. Op een afstand van circa 300 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.4). De planlocatie is deels gesitueerd in de Groenblauwe waarden (figuur 3.5).

19

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of trillingen) een toetsingskader biedt. Gezien de afstand tussen de planlocatie en het Natuurnetwerk Brabant zijn negatieve effecten wegens de beoogde ingreep op het Natuurnetwerk Brabant op voorhand uitgesloten. Het noordelijke grasperceel behoord tot het provinciale gebied de Groenblauwe waarden. Echter is er geen sprake van een bestemmingsplanwijziging, derhalve is er geen sprake van een negatief effect op de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden van het provinciaal gebied Groenblauwe waarden.

Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 300 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: noord-brabant.tercera-ro.nl).

Figuur 3.5 De planlocatie is deels gelegen in de Groenblauwe waarden (bron: noord-brabant.terceraro.nl).

20

3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Echter vallen de te kappen bomen onder de vrijstellingen die genoemd worden in bijlage 2. Daarbij hebben de kapwerkzaamheden geen nadelige gevolgen voor de oogmerken voor regels voor deze activiteit. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

21

4 Conclusie en vervolg 4.1

Conclusie De sloop van de bestaande bebouwing en de kap van een groot aantal bomen en struiken ten behoeve van de realisatie van circa 28 woningen aan de Rietstok ong. te Gemonde is uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.

4.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor bunzing, hermelijn, kamsalamander, steenmarter en wezel (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (bunzing, hermelijn, kamsalamander, steenmarter en wezel): er is sprake van een reden van sociale of economische aard,) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een stikstofonderzoek door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden.

4.3 Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) uitgevoerd te worden. Dit kan middels het plaatsen van inventarisatiemiddelen zoals wildcamera’s, struikrovers, marterboxen en/of sporenbuizen. De exacte invulling van deze inventarisatiemiddelen betreft maatwerk. Het onderzoek dient gedurende 8 weken plaats te vinden in de (actieve) periode van kleine marterachtigen, namelijk van juni t/m half november, conform het Kennisdocument Kleine marterachtigen (BIJ12, 2024); • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar de kamsalamander uitgevoerd te worden. Het onderzoek naar de kamsalamander betreft maatwerk (NGB soorteninventarisatieprotocol, 2023). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator.

22

Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. Voorafgaand de werkzaamheden dient, om het doden van individuen te voorkomen, de te dempen watergang afgevist te worden door een ecologisch deskundige of het dempen van de sloten dient in een werkrichting plaats te vinden. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

23

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2023) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl bij12.nl nationaalgeoregister.nl ndff.nl noord-brabant.tercera-ro.nl/MapViewer/ ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Fotografische impressie Juridisch kader Vervolgstappen soortenbescherming

24

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Rietstok ong. te Gemonde en bestaat uit een tuin, twee graspercelen en een weg. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van de bebouwing en het weghalen van een circa 25 tot 30 bomen en struiken ten behoeve van de realisatie van circa 28 woningen.

Figuur 2

De kleine schapenstal bestaat uit houtenwanden en een pannendak. 25

Figuur 3

De groenstructuren betreffen voornamelijk verwilderde laurierstruiken. Tevens zijn er meerdere houtopslagen aanwezig op de planlocatie.

Figuur 4

De kas was tijdens het veldbezoek niet meer in gebruik. 26

Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht waarbij de specifieke zorgplicht verder opgedeeld kan worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3.

Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -

-

“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”

De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.

27

Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.

het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.

het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 28

3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten,

bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c.

de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen.

Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.

29

Tabel 4.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 4.22 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant. Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bastaardkikker

Haas

Tweekleurige bosspitsmuis

Bosmuis

Huisspitsmuis

Veldmuis

Bruine kikker

Kleine watersalamander

Vos

Dwergmuis

Konijn

Wild zwijn

Dwergspitsmuis

Meerkikker

Woelrat

Egel

Ondergrondse woelmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

30

Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000gebieden (art. 11.6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Brabant Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingplan van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken.

Binnen het Natuurnetwerk Brabant gelden regels omtrent nieuwe ontwikkelingen. Zo is bijvoorbeeld het realiseren van nieuwvestiging toegestaan als een deel van het desbetreffende NNB door stedelijke gebied loopt, en de nieuwvestiging geen aantasting geeft aan de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Wanneer er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn, zijn ontwikkelingen binnen het NNB ook mogelijk. Bij verlies van ecologische waarden en kenmerken geldt een compensatieplicht. Groenblauwe waarden De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe waarden. Het beleid in de groenblauwe waarden is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB.

Binnen de groenblauwe waarden is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe waarden soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Het concrete beleid in een gebied behorend tot de groenblauwe waarden is uitgewerkt door de desbetreffende gemeente.

31

Houtopstanden Houtopstanden betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Bij het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond geld de Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) als de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor regels voor deze activiteiten (art. 11.112 Bal). Waarbij de oogmerken doelstellingen zijn voor regels over het vellen en herbeplanten. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Bal art. 11.111 lid 2): a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=1f5bc1ca-bc8b-4cbd-a347-711081f4016f