CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Toelichting

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 27 juni 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: 9 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Halderse Akkers 520.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van drie nieuwe woningen, in combinatie met de sanering

28

van een niet-agrarisch bedrijf met woning, zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat de planontwikkeling bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De bescherming van cultuurhistorisch waardevol gebied is belangrijk omdat deze onvervangbaar zijn. In de verordening zijn daarom de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen opgenomen, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW, versie 3.0). Doel van de bescherming is dat de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden blijven behouden. Binnen de gebieden is het verder belangrijk dat een bestemmingsplan voorziet in een beschermende regeling zoals een vergunningstelsel en waar nodig verbodsbepalingen. De wezenlijke waarden en kenmerken van de gebieden zijn beschreven in de Cultuurhistorische waardenkaart. Doorwerking plan(gebied) Op de eerste plaats wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van deze toelichting in welke wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie in relatie tot voorliggende planontwikkeling. Het plangebied maakt deel uit van het als cultuurhistorisch waardevol aangeduide gebied

29

binnen de provincie. In de planvorming zijn deze waarden gerespecteerd. Met de bestemmings- en functiewijziging binnen het plangebied wordt aansluiting gezicht bij het waardevolle karakter. Zo is in de Gebiedsvisie buitengebied Theereheide het plangebied gelegen in zone ‘De Halderse Akkers (oude bouwlanden en kampen)’. Het perceel is daarin aangeduid als ‘bedrijvigheid die niet meer passend is in het kleinschalige agrarische gebied’ en tevens als ‘zoekgebied Ruimte voor Ruimte’ bij bedrijfsbeëindiging/verplaatsing. Hierbij zijn maximaal 3 woningen per erf toegestaan. In de jaren ’60 is de Halderse Akkers verlegd. In dezelfde periode is het erf aan de noordzijde verdwenen en verplaatst naar het huidige perceel ten zuiden van de weg. Door deze verplaatsing is het plangebied niet geheel authentiek, maar zoals in samenhang op de hoogtekaart en historische kaart van 1900 te zien, past zij bij de historische erfontwikkeling in het gebied; op hoger en droger gelegen plekken in het beekdallandschap van de Essche stroom. Om die reden is bebouwing van de plek, als onderdeel van de bebouwingsconcentratie gerechtvaardigd. In de gebiedsvisie is in hoofdstuk 7, paragrafen 7.2 en 7.3, een aantal voorwaarden opgesteld om de transformatie van een bedrijfserf naar woonerf van kaders te voorzien.

In het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de wijze hoe deze voorwaarden verwerkt zijn in het totaalplan. Onderhavige planuitvoering brengt de tenietdoening van een stedelijke functie in de vorm van een autoschade- en herstelbedrijf met bedrijfswoning met zich mee. In plaats van deze niet-agrarische bedrijfsvoering wordt de ruimte ingevuld met woningbouw, gecombineerd met landschappelijke inpassing. Op deze manier blijven de land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten behouden en worden deze onderdelen versterkt. Is hoofdstuk 2 van deze plantoelichting is aangetoond op welke manier het plangebied wordt ingevuld met de nieuwe woningen, gecombineerd met bij deze locatie passende landschappelijke inpassing. Verder kan worden vermeld dat onderhavige planontwikkeling is voorafgegaan door onderzoeken op het gebied van onder meer archeologie, flora en fauna, water en bodemkwaliteit (zie hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Op deze manier is de passende landschappelijke inpassing verzekerd. Dit bestemmingsplan besteedt derhalve aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan.

In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten alsmede de land(schapp)elijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ is het plangebied aangeduid als ‘Attentiezone waterhuishouding’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

30

De ‘Attentiezone waterhuishouding’ kent een basis in de reconstructie- en gebiedsplannen. Doel van de attentiezone is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. Bij het toelaten van functies die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding, geldt dat overleg met het waterschap nodig is. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen is vooraf gegaan door onder meer onderzoeken op het gebied van water en bodemkwaliteit en de planuitvoering gaat samen met een landschappelijke inpassing en de adviezen die volgen uit het onderzoek op het gebied van water ten aanzien van de omgang met het (hemel)water ter plaatse. Hiermee is gegarandeerd dat onderhavige ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘Stalderingsgebied’.

Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

31

De aanduiding ‘Stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van een ‘Stalderingsgebied’ heeft geen invloed op onderhavig planvoornemen en andersom doet het planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De aanduiding ‘Stalderingsgebied’ is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De aanduiding ‘Landelijk gebied’ heeft ook zijn plek binnen het eerder behandelde thema ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’. Het ‘Landelijk gebied’ is een veelzijdige gebruiksruimte met functies zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en

32

toerisme. De functies zijn zo ontwikkeld dat er ten alle tijden rekening wordt gehouden met omliggende functies en aanwezige omgevingskwaliteiten. Binnen deze aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het 'Wijstverschijnsel' (het opstuwen van grondwater) op de Peelrandbreuk in Oost-Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden.

Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Bijvoorbeeld in geval van stedelijke ontwikkeling die vanwege de groen-rood verhouding juist bijdraagt aan de ontwikkeling van de kwaliteiten van gebied. Gemeenten werken het concrete beleid binnen een gebied verder uit, rekening houdend met deze achterliggende doelstellingen. Hierbij is veel achtergrondinformatie beschikbaar, zoals de gebiedspaspoorten en de gebiedsgerichte ontwikkeling van gebieden zoals opgenomen in het Groenblauw Stimuleringskader. Doorwerking plan(gebied) Met de herontwikkeling van de genoemde locatie door tenietdoening van een stedelijke functie in de vorm van een autoschade- en herstelbedrijf met bedrijfswoning en de oprichting van woningen, vindt er een vorm van verstedelijking plaats in het ‘Landelijk gebied’. Ontwikkelingen als deze zijn op voorhand niet uitgesloten. Eerder in de beschrijving van de provinciale beleidskaders is al beschreven dat ontwikkelingen in het landelijke gebied mogelijk zijn, mits er een gedegen belangenafweging is gemaakt en er aantoonbaar rekening wordt gehouden met de aanwezige kwaliteiten.

In onderhavig geval is er sprake van een ruime compensatie van de toegenomen verharding in vorm van het landschappelijk ontwikkelingsplan, waarbinnen natuurontwikkeling een kans krijgt en de omgevingskwaliteiten zijn geïntegreerd en waar mogelijk zullen worden versterkt. Dit is onder meer gebeurd door vooraf te onderzoeken welke kwaliteiten er aanwezig zijn, en deze kwaliteiten vervolgens in te passen, en waar mogelijk te versterken door middel van het opstellen en uitvoeren van een landschappelijk versterkingsplan. Onderhavige planuitvoering brengt de tenietdoening van een stedelijke functie in de vorm van een autoschade- en herstelbedrijf met bedrijfswoning met zich mee. In plaats van deze niet-agrarische bedrijfsvoering wordt de ruimte ingevuld met woningbouw, gecombineerd met landschappelijke inpassing. Op deze manier blijven de land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten behouden en worden deze onderdelen versterkt. Is hoofdstuk 2 van deze plantoelichting is aangetoond op welke manier het

33

plangebied wordt ingevuld met de nieuwe woningen, gecombineerd met bij deze locatie passende landschappelijke inpassing. Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’ en ‘Attentiezone waterhuishouding’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van Sint-Michielsgestel. De norm ten aanzien van wateroverlast buiten stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; • 1/25 per jaar voor akkerbouw; • 1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. De aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’ is reeds behandeld binnen het onderdeel Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting zal worden geleverd door initiatiefnemer. Hiertoe is een watertoets uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn terug te lezen in hoofdstuk 6 en de integrale rapportage is opgenomen als bijlage 5.

34

Conclusie De functie die wordt opgericht zorgt voor een afwaardering van het stedelijk gebruik in het buitengebied van Sint-Michielsgestel. In plaats van een bedrijfsfunctie in de vorm van een autoschade- en herstelbedrijf wordt de bedrijfsbestemming gewijzigd in een woonbestemming ten behoeve van maximaal drie vrijstaande woningen in het kader van Ruimte-voor-Ruimte. Deze woningen worden landschappelijk ingepast en vormen een eigentijdse invulling van het plangebied, passend bij de bestaande omgeving. Het geeft verdere invulling aan het karakter van landelijk wonen. Een en ander doet geen afbreuk aan het bestaande land(schapp)elijke karakter ter plaatse. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving. Voorts geldt dat onderhavig plangebied is te kenmerken als een bebouwingscluster in het buitengebied van Sint-Michielsgestel. Het Ruimte voor Ruimte bouwplan voldoet aan de voorwaarden, zoals genoemd in artikel 3.79 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant en is passend binnen de omgeving en de aanduidingen. Met oprichting van de woningen wordt geen afbreuk gedaan aan de ambities die de provincie heeft binnen deze structuren. In dit hoofdstuk zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld.

Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die vergezeld dient te gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. Tevens biedt het aan dit plan toegevoegde inpassingsplan inzicht in de ontwikkeling op het gebied van natuur en landschap. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderhavig planvoornemen sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de structuurvisie en verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 4 tot en met 8.

3.4 Gemeentelijk beleid Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel 2e actualisatie” is reeds in paragraaf 1.3 aan bod gekomen. In het verdere vervolg van deze paparagraaf worden de gevolgen van de beleidslijnen uit achtereenvolgens de Gebiedsvisie buitengebied Theereheide, de Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel, de Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025, de Woonvisie 20162021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 en het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, Sint-Michielsgestel 2020-2024 beschreven. Gebiedsvisie buitengebied Theereheide (2020) Bijdrage transformatie aan de gebiedsdoelen De gebiedsambities uit de Gebiedsvisie buitengebied Theereheide stellen dat:

35

• • •

de cultuurhistorische en kleinschalige landschappelijke karakter van het gebied worden gekoesterd en versterkt; de waarde van het gebied als uitloopgebied voor het dorp wordt versterkt; de natuurwaarden en biodiversiteit worden vergroot.

De sanering van het garagebedrijf draagt bij aan deze doelen door: • de forse ontstening; • verkleinen visuele impact op het landschap; • vermindering logistiek verkeer op smalle wegen. Randvoorwaarden gebiedsvisie: De nieuwe woonontwikkeling dient te voldoen doen aan een aantal voorwaarden en dient de algehele landschappelijke kwaliteit de versterken. Bebouwing: • erf met maximaal drie woningen in een landelijke setting; • woningen vormen samen met de erfbeplanting 1 samenhangend ensemble, passend bij de andere ‘vergrootte erven’ in het gebied, • zo mogelijk wordt het erf enkel ontsloten middels 1 inrit; • woningen met 1 laag en kap, landelijke uitstraling en traditionele kleuren; • standaard maximaal 800 m3 + 60 m2 bijgebouwen (afwijking enkel mits goed onderbouwd; • woningen bouwen op het erf van de te amoveren opstallen. Landschap: • De gebiedsvisie beschrijft tevens dat iedere ontwikkeling in het gebied gepaard dient te gaan met een landschappelijke kwaliteitsverbetering. Voor het plangebied geldt daartoe: landschapsversterking door middel van een robuuste en passende gebiedseigen erfbeplanting waarbij de voorzijde duidelijk representatiever is en de zijkanten meer landschappelijk; • behoud van de landschappelijke doorzichten ten zuiden van het bebouwde erf; • bij de plaatsing van bomenrijen of houtwallen waar mogelijk aansluiten bij bestaande landschappelijke structuren.

In de in 2020 vastgestelde gebiedsvisie is het plangebied gelegen in zone 2 ‘De Halderse Akkers (oude bouwlanden en kampen)’. Het perceel is daarin aangeduid als ‘bedrijvigheid die niet meer passend is in het kleinschalige agrarische gebied’ en tevens als ‘zoekgebied Ruimte voor Ruimte’ bij bedrijfsbeëindiging/verplaatsing. Hierbij zijn maximaal 3 woningen per erf toegestaan. In de gebiedsvisie is in hoofdstuk 7, paragrafen 7.2 en 7.3, een aantal voorwaarden opgesteld om de transformatie van een bedrijfserf naar woonerf van kaders te voorzien. In het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de wijze hoe deze voorwaarden verwerkt zijn in het plan: ‘De 3 woningen worden gebouwd op het bestaande erf, gegroepeerd in één samenhangend erf, omgeven door erfbeplanting. Het erf wordt ontsloten middels 1 inrit vanaf de weg. De woningen hebben één laag met kap en worden in een landelijke uitstraling gebouwd. Hierbij hebben ze de opzet van een erf, met een langgevelboerderij aan de weg en twee schuurwoningen op het achtererf. De woningen worden in samenhang ontworpen. De erfafscheidingen en landschappelijke inpassing maken zo veel mogelijk gebruik van de bestaande volwassen groenstructuren (bestaande uit hagen, landschapsbomen,

36

houtsingel en eiken die onderdeel zijn van een bomenlaan) rondom het erf, met toevoeging van een vogelbosje en enkele nieuwe landschapsbomen op en rondom het erf, bestaande uit inheemse soorten.’

Uitsnede visiekaart Gebiedsvisie buitengebied Theereheide (2020) Structuurvisie buitengebied in ontwikkeling Sint-Michielsgestel (2012) Wonen is een niet aan het buitengebied gebonden functie en dus eigenlijk niet gewenst. Door verschillende omstandigheden zijn er stallen leeg komen te staan en vindt er op die manier niet alleen een verrommeling plaats, maar verandert ook de economische en leefbaarheidssituatie in het buitengebied. Stallen werden gebruikt door niet gewenste activiteiten, zoals bijvoorbeeld de wietteelt. Om die verrommeling tegen te gaan en de economische en leefbaarheidssituatie op peil te houden is er een aantal regelingen in het leven geroepen. Met deze regelingen zijn er mogelijkheden geschapen om de niet aan het buitengebied gerelateerde functies (bijvoorbeeld wonen) toch mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Via kwaliteitswinst is het mogelijk om deze functies te verwezenlijken. Uiteindelijk zijn deze regelingen in het provinciaal beleid verwerkt. Het beleid geeft een kader voor de mogelijkheden tot hergebruik van agrarische locaties. Om de aan het buitengebied gerelateerde functies niet te belemmeren is er voor gekozen om, onder voorwaarden, nieuwe functies voornamelijk in bebouwingslinten, -concentraties en kernrandzones plaats te laten vinden vanwege hun vaak reeds gemengde karakter.

Onderhavig plangebied is te kenmerken als een bebouwingscluster in het buitengebeid van Sint-Michielsgestel. De belangrijkste voorwaarde om niet aan het buitengebied gebonden functies te realiseren is dat zij moeten zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Een functie kan niet gerealiseerd worden zonder dat er een kwaliteitsslag is gemaakt. Het doel van de structuurvisie is immers om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied

37

te verbeteren. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft in deze visie een wensbeeld neergelegd met betrekking tot het buitengebied. Om dit wensbeeld te realiseren is er een kans voor niet aan het buitengebied gerelateerde functies. Onder voorwaarden dat deze functies een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en daarmee een bijdrage leveren aan het wensbeeld van de gemeente kunnen deze functies plaatsvinden/gerealiseerd worden. Binnen de structuurvisie kan de gemeente strategieën inzetten. Daarnaast kunnen door de gecombineerde inzet van de regeling Ruimte-voor-Ruimte en het toestaan van nieuwe economische dragers meerdere knelpunten tegelijk worden aangepakt. Ook de wijze waarop de gemeente wenst om te gaan met verevening hoort bij de strategie. De prioriteit van de gemeente Sint-Michielsgestel ligt bij het realiseren van groenprojecten en het versterken van karakteristieke landschapsstructuren. Initiatiefnemer heeft een totaalplan opgesteld waarin landschappelijke en ecologische waarden worden behouden en waar mogelijk worden versterkt. Onderhavig plan sluit daarmee aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Structuurvisie buitengebied in ontwikkeling SintMichielsgestel.

Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (2011) en aanvulling uit 2015 Op de hierna volgende uitsnede van de kaart ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ is de globale ligging van het plangebied rood omcirkeld aangegeven.

Te zien is dat het plangebied niet is gelegen binnen een belangrijke kernwaarde, toegekend door gemeente Sint-Michielsgestel binnen deze structuurvisie. De Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 heeft weinig tot geen (beleidsmatige) betekenis voor het bouwplan en het plangebied.

38

Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 Op 1 juli 2016 is de ‘Woonvisie 2016 – 2021’ in werking getreden. In deze woonvisie legt de gemeente Sint-Michielsgestel de prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren vast. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna op het gebied van lange termijn ontwikkelingen die de gemeente in het oog wil houden. Gesteld wordt dat tot en met 2025 er binnen de gemeente 1.125 woningen moeten worden gebouwd om in de huisvestingsvraag op basis van demografische ontwikkeling van de huidige bevolking te kunnen voorzien. Uitgaande van 140 te slopen woningen die zullen worden herbouwd, betekent dit een netto opgave van 985 toe te voegen woningen. In de woonvisie wordt gesteld dat voor 242 woningen nog geen harde afspraken zijn vastgelegd. Dat betekent dat het aantal woningen dat nog aan het huidige woningbouwprogramma kan worden toegevoegd beperkt is (242 in tien jaar). Met deze laatste ruimte in de woningbouwprogrammering wil de gemeente zorgvuldig omgaan. De gemeente streeft naar een woningbouwprogramma dat aansluit bij de actuele vraag, maar ook bij de toekomstige vraag naar woningen.

Dit betekent concreet de resterende woningbouwruimte in te vullen op basis van de volgende uitgangspunten: • Probeer de bestaande plannen waar mogelijk programmatisch te optimaliseren; • Bouw voornamelijk betaalbare woningen voor de lage en midden inkomens (vooral gericht op huur); • Bouw in het centrum (nabij voorzieningen) van de twee grotere kernen (SintMichielsgestel en Berlicum) voor senioren (koop en huur in verschillende klassen); • Bouw met mogelijkheden voor een flexibele invulling voor verschillende doelgroepen (levensloopbestendig). De (oude) woningbouwprognose per gemeente is niet meer (geheel) leidend. Gezien de achterstanden in de regionale woningbouwopgave is voor goede plannen binnen de regio altijd ruimte. Hiertoe zijn dan ook in september 2019 nieuwe regionale VHV-afspraken gemaakt: Pilot regionale afstemming woningbouwplannen. Daarin wordt regionaal ruim baan gegeven aan inbreiding, herstructurering en transformatieplannen. Deze plannen liggen binnen het bestaand stedelijk gebied, zoals dat is aangegeven in de provinciale Interim Omgevingsverordening. Daarbij gaan inbreidings-, herstructurerings- en transformatieplannen in principe voor uitbreidingsplannen. Het project wordt opgenomen in de Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 en wordt gedeeld in het RRO Wonen Noordoost Brabant West.

De beoogde herontwikkeling van het plangebied vindt niet plaats op basis van het gemeentelijk woningbouwprogramma. De beoogde ontwikkeling komt niet ten laste van de plancapaciteit.

39

Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Woonvisie 2016-2021, de Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 en de Pilot regionale afstemming woningbouwplannen. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, Sint-Michielsgestel 2020-2024 Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel is voor de komende jaren verwoord en vastgelegd in haar Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, Sint-Michielsgestel 2020-2024. Het vGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel, en grondwater. Vanuit de wet Milieubeheer wordt het verplicht gesteld afval- en hemelwater gescheiden in te zamelen. Indien wijkreconstructies en rioolvervanging/verbetering aan de orde zijn, wordt voorafgaand de meest doelmatige manier van hemelwaterverwerking onderzocht. Daarbij streeft de gemeente naar een ontvlechting van de (afval)waterketen. Afkoppelen is hierbij geen doel op zich, maar een middel om doelen te bereiken. Gemeente (en waterschappen) beschouwen per locatie of afkoppelen doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor omgang met hemelwater is als volgt: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater; 5.

afvoeren naar de riolering. Bij ontwikkelplannen waar het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 250 m2 , verwacht de gemeente Sint-Michielsgestel dat er invulling wordt gegeven aan de bergingsopgave. Dit is een aanscherping op de regels van de keur waar dit pas geldt bij een verhardingstoename van meer dan 2000 m2 . De initiatiefnemer is vrij om een hemelwatervoorziening te realiseren gezien er in onderhavig plan sprake is van een afname van het verhard oppervlak. Hieronder worden een aantal spelregels benoemd die vermeld staan in het vGRP: • Zorg ervoor dat alle hemelwaterriolering gescheiden is van het vuilwater (zie ook bouwbesluit) en dat het afstroomt richting openbaar terrein; • Probeer zoveel mogelijk oppervlakkige voorzieningen te realiseren. Deze zijn goedkoop, robuust en makkelijk te onderhouden. Denk bijvoorbeeld aan een verlaagde tuin ten opzicht van het (de) terras(sen); • Kosten voor aanleg en beheer en onderhoud zijn volledig voor de initiatiefnemer; • Er is de mogelijkheid om een afkoppelsubsidie van € 500,- per perceel te ontvangen. Dit kan worden kortgesloten met de gemeente Sint-Michielsgestel. Ten behoeve van de oprichting van de woningen vindt sloop / nieuwbouw / verharding plaats. Voor de uitgewerkte watertoets wordt verwezen naar hoofdstuk 7 en bijlage 5. Onderhavig plan sluit aan bij c.q.

doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in het vGRP.

40

Klimaat en duurzaam De gemeente Sint-Michielsgestel wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente Sint-Michielsgestel verlangt daarom van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Met het realiseren van het bouwplan wordt verder zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woonen leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie; • vastgesteld ambitieniveau (GPR).

41

4. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • •

•

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Hierdoor moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is.

Doorwerking plan(gebied) Cultuurhistorie Op navolgende uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de globale ligging van het plangebied rood omlijnd aangegeven.

42

Het plangebied is gelegen aan de Halderse Akkers, op de oude bouwgronden van het kampenlandschap nabij het beekdal van de Essche Stroom. De landschappelijke overgang tussen het kampenlandschap en het beekdal is duidelijk zichtbaar in het landschap ten westen van het plangebied. In de lager gelegen akkers zijn delen van de historische keerdijk nog zichtbaar. Deze dijk moest in vroegere tijden bij hoog water het agrarische gebied droog houden, en is een van de weinig nog herkenbare delen van de oude dijk in het landschap. Het beekdal is ruim een meter lager gelegen en kenmerkt zich door een meer open landschap. Dit natte, open landschap is een aantal jaren geleden omgevormd tot natuurgebied met herstel van de oude loop en diverse recreatieve routes. De Halderse Akkers is van oudsher een agrarische weg over de oude bouwlanden, omgeven door onregelmatige velden en akkers, omzoomd met houtwallen, bomenrijen en bosjes. In dit kleinschalige landschap zijn diverse erven ontstaan, waarvan de meeste aan de landwegen gelegen zijn. Het plangebied ligt tussen de samenkomst van de landwegen Halderse Akkers en Theereheide. De locatie ligt op de oude akkercomplexen. Hoewel de wegenstructuur in de historische kaarten al herkenbaar is, was er op deze plek lange tijd geen bebouwing gevestigd. Wel lag er een erf aan de noordkant van de Halderse Akkers die later is verdwenen.

In de jaren ’60 is de Halderse Akkers verlegd. In dezelfde periode is het erf aan de noordzijde verdwenen en vestigde het autoschade bedrijf zich op het huidige perceel. Volgens het bestemmingsplan geldt ter plaatse de aanduiding ‘historisch landschappelijk gebied’. Het cultuurhistorische en kleinschalige landschappelijke karakter van het gebied wordt gekoesterd en versterkt. De sanering van het garagebedrijf draagt hieraan bij door de forse ontstening, het verkleinen van de visuele impact op het landschap en de vermindering van het logistieke verkeer op de smalle wegen. Het aspect cultuurhistorie is betrokken bij de situering en vormgeving van de woningen en de landschappelijke inpassing daarvan. Als gevolg daarvan gelden randvoorwaarden voor de situering, vormgeving en beeldkwaliteit van de woningen.

43

Voor het plangebied gelden verder geen specifieke c.q. onderkende cultuurhistorische waarden of kwaliteiten. Het plangebied kent derhalve ook geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit. Archeologie Ten behoeve van het planvoornemen heeft Bureau voor Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd. Op basis van de beoogde ingrepen zullen de graafwerkzaamheden plaatsvinden binnen de reeds verstoorde zone. Daarom adviseert Bureau voor Archeologie het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Indien toch het door Bureau voor Archeologie vrijgegeven gebied gegraven wordt, dan wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 30 cm -mv. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen. Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

44

5. Flora en fauna en stikstofdepositie Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming (Wnb). In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft Natuurlink een ecologische quickscan uitgevoerd. In onderstaande tabel is een samenvatting van de bevindingen opgenomen.

De ecologische quickscan van Natuurlink is als bijlage 2 bij deze plantoelichting opgenomen. Uit de ecologische quickscan is naar gebleken dat nader vleermuisonderzoek noodzakelijk is. Het uitgevoerde vleermuisonderzoek heeft echter uitgewezen dat er geen enkele indicatie is dat het plangebied een functie vervult voor vleermuizen. Er zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten op deze soortgroep als gevolg van de voorgenomen ingreep. Er zullen geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Er hoeven daarom ook geen mitigerende maatregelen te worden genomen. Het integrale vleermuisonderzoek is bijgevoegd als bijlage 2.1. Daarnaast heeft De Roever Omgevingsadvies onderzoek uitgevoerd naar de met de ontwikkeling samengaande mogelijke stikstofdepositie. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor het gewenste plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening van de gebruiksfase met natuurgebieden

45

blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Stikstof vormt dus geen belemmering voor het plan. Het stikstofdepositie-onderzoek is als bijlage 4 bij deze plantoelichting opgenomen. Conclusie De realisatie van het bouwplan leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Vanuit het oogpunt van flora en fauna en eventuele stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

46

6. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.

Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Het Waterschap De Dommel maakt gebruik van recent waterrelevant beleid en regelgeving. De huidige en toekomstige situatie van het plangebied en gebiedsspecifieke waterbelangen zijn van belang voor de waterparagraaf. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater afkomstig van het terrein geborgen. In navolgende tabel is vermeld met welke m2 MILON heeft gerekend.

47

De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat bij het verhard oppervlak afneemt met circa 605 m2. Gezien het verhard oppervlak ruimschoots afneemt en hemelwater voldoende ruimte heeft om te kunnen infiltreren, worden additionele waterbergingsvoorzieningen niet nodig geacht. Het vasthouden en infiltreren van hemelwater zal plaatsvinden in de tuinen van de toekomstige perceelseigenaren. De b-watergang die direct ten zuiden van de onderzoekslocatie loopt dient behouden te blijven. De toekomstige perceelseigenaren zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de watergang aan hen zijde. Verder zijn er op de legger van het waterschap geen bijzonderheden voor het plangebied te zien. Zo is het plangebied bijvoorbeeld niet gelegen in de buurt van een waterkering en is het plangebied niet aangewezen als regionale waterberging of als reservering hiervoor. Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. In het vGRP van de gemeente Sint-Michielsgestel is een minimale ontwateringseis opgenomen van 0,7 m boven GHG, voor woningen met kruipruimte.

Gezien de GHG volgens de digitale wateratlas van de provincie Noord-Brabant is gelegen op 0,4 - 0,6 m-mv is ophoging van het perceel mogelijk noodzakelijk. In het BRO-model ‘BRO Grondwaterspiegeldiepte 2023-1’ op dinoloket.nl wordt echter een GHG aangegeven van 0,9m-mv.

48

De integrale rapportage is als bijlage 5 opgenomen. Conclusie Aanvullende maatregelen of voorzieningen zijn niet nodig. Vanuit hydrologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

49

7. Milieu-hygiënische verantwoording 7.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Halderse Akkers. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.

7.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig.

50

In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied wordt oprichting van drie Ruimte-voor-Ruimte woningen (netto: twee) mogelijk gemaakt.

Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling is immers pas noodzakelijk voor de bouw van meer dan 2.000 woningen in aaneengesloten gebied (lijst D, categorie 11.2). 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een dergelijk gebied. 3. In hoofdstuk 4, ‘Milieu- en ruimtelijke waardentoets’, zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren in het kader van dit project. Conclusie Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om de oprichting van slechts drie woningen (netto: twee), wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) niet noodzakelijk.

Gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura

51

2000 gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. In het kader van de planprocedure is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

7.3 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een milieu-hygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek concludeert MILON dat onvoldoende inzicht is verkregen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. De locatie is verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging. In het kader van de beëindiging van bedrijfsactiviteiten is volgens MILON een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 noodzakelijk om de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem te bepalen. Hiermee kan worden beoordeeld of het gebruik van de locatie de bodemkwaliteit negatief beïnvloed heeft en of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde herontwikkeling en gebruik als wonen met tuin.

Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd te worden nadat de bedrijfsactiviteiten beëindigd zijn en de bebouwing is gesloopt. Dit is om praktische redenen. Het bedrijf is voorlopig namelijk nog actief en derhalve wordt het niet zinvol en bovendien kostbaar geacht om nu reeds een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In de regels van het bestemmingsplan is bij de bestemming ‘Wonen’ een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te waarborgen dat, door middel van onderzoek en desnoods maatregelen, de grond geschikt is voor de woonfunctie. De integrale rapportage is als bijlage 6 opgenomen. Conclusie Na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Rekening houdend met de uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek staat het aspect bodem(kwaliteit) niet in de weg aan de verdere planvorming.

52

7.4 Geluid (wegverkeerslawaai) Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai De volgende objecten worden in Wet geluidhinder beschermd: • woningen; • andere geluidgevoelige gebouwen; • geluidgevoelige terreinen. Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hogere waarden Een hogere waarde is nodig omdat niet alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Bij het verlenen van een hogere waarde worden maatregelen niet doelmatig geacht, het verlenen van een hogere waarde blijkt mogelijk. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 57 dB ter plaatse van de noordoostgevel op de begane grond en 1e etage. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 57 – 33 = 24 dB (eis uit het bouwbesluit). Of een onderzoek naar de gevelwering nodig zal zijn kan de gemeente afwegen. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij het gebouw wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.5.1 en 3.5.2 (van het akoestisch onderzoek)

53

kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. Of onderzoek naar de gevelwering nodig is zou de gemeente af kunnen wegen. Echter kan in de overweging mee genomen worden: - De gewenste woningen zullen niet op dermate korte afstand van de perceelsgrenzen worden gerealiseerd dat sprake zal zijn van de classificering ‘slecht’. Het realiseren van woningen op een dermate korte afstand tot de weg is op meerdere vlakken niet wenselijk. - Alle woningen beschikken over minstens 1 geluidluwe gevel met een aangrenzende geluidluwe buitenruimte. - De verwachting is dat de gevels voldoende gevelwering zullen hebben om een binnenniveau van 33 dB te kunnen garanderen, omdat over het algemeen nieuwbouw aan hoge eisen voor de gevelwering voldoen. Het kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen in de verblijfsruimten niet in de weg staat en dat een onderzoek naar de gevelwering niet nodig zal blijken. De integrale rapportage is als bijlage 7 opgenomen. Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die geluidhinder kunnen veroorzaken. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied is derhalve gewaarborgd.

De akoestische gevolgen van overige bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied komen in paragraaf 8.5 (milieuzonering) aan de orde. Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Omgevingsverordening Noord-Brabant, is het plangebied niet gelegen in of nabij een stiltegebied. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het bouwplan – rekening houdend met de bevindingen uit het onderzoek wegverkeerslawaai en het te nemen besluit hogere waarden geluid – geen belemmeringen op.

7.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging

54

van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied.

Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd.

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Doorwerking plan(gebied) Geurhinder (Wgv) In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Gesteld kan worden dat de individuele hinder van veehouderijen geen belemmeringen oplevert. De cumulatieve geurbelasting bedraagt minder dan 3 odour units, wat neerkomt op een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat. Aan het gestelde in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ kan worden voldaan.

55

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats buiten de geurcontouren van 14,0 ouE/m3 van alle veehouderijen in de omgeving. Als norm voor de afstanden geldt 50 meter. Binnen 50 meter van de ruimtelijke ontwikkelingen liggen geen veehouderijen. Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen, maar kan de mate van geurhinder worden beoordeeld op basis van geurhinderpercentages. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. De voorziene ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in een gebied met een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat (op basis van de achtergrondbelasting). De voorgrondbelasting, afstanden en achtergrondbelasting vormen geen knelpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Het plangebied en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘rustig gebied’.

In de nabijheid van het plangebied komt geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het initiatief. Daarnaast levert het initiatief ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving zijn verder geen (bedrijfs)locaties gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarmee vormt dit onderdeel ook geen belemmering voor het plan. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te thans bestaande supermarkt en de functies in de omgeving worden niet in de belangen geschaad. Op basis van bovenstaande constatering kan reeds worden gesteld dat er vanuit een oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen zijn voor omliggende functies. Conclusie Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van het plangebied geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende initiatief. Daarnaast levert het initiatief, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan.

56

7.6 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=292c47e8-2c51-46f9-b303-c04b22106cf1