CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Toelichting

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 27 juni 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: 9 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Halderse Akkers 520.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Halderse Akkers 5 Sint-Michielsgestel PLANTOELICHTING NL.IMRO.0845.BP2023BGHALDAKKS5-VA01

1

Titel: Datum: Projectnummer:

Bestemmingsplan Halderse Akkers 5 Sint-Michielsgestel 10-04-2024 2021.174

Adviesbureau:

Wintraecken Advies B.V.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 6 1.4 Leeswijzer .................................................................................................... 9 2. Bestaande situatie en planbeschrijving ............................................................... 10 2.1 Bestaande situatie ...................................................................................... 10 2.2 Planbeschrijving .......................................................................................... 11 2.3 Conclusie ................................................................................................... 15 3. Beleidskader ................................................................................................... 16 3.1 Inleiding .................................................................................................... 16 3.2 Rijksbeleid .................................................................................................

16 3.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 20 3.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 35 4. Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 42 5. Flora en fauna en stikstofdepositie ..................................................................... 45 6. Water ............................................................................................................ 47 7. Milieu-hygiënische verantwoording .................................................................... 50 7.1 Inleiding .................................................................................................... 50 7.2 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 50 7.3 Bodem ....................................................................................................... 52 7.4 Geluid (wegverkeerslawaai) ......................................................................... 53 7.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 54 7.6 Luchtkwaliteit .............................................................................................

57 7.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en spuitzones .............................. 59 7.8 Externe veiligheid, kabels en leidingen .......................................................... 60 8. Mobiliteit; verkeer en parkeren ......................................................................... 64 9. Juridische opzet .............................................................................................. 65 9.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ................................................ 65 9.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 65 9.3 Bebouwing algemeen .................................................................................. 66 9.4 Toelichting bestemmingen............................................................................ 66 10. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................... 67

3

10.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 67 10.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 67 11. Slotconclusie ................................................................................................. 69

Bijlagen 1. Landschappelijk inrichtingsplan met Beeldkwaliteit, verhoeven de ruijter, documentnaam: 2112_BKP_R001, juni 2023 Bijlage 1.1 – Memo aanvullende onderbouwing, verhoeven de ruijter, 13-06-2023 2. Ecologische quickscan Halderse Akkers 5 in Sint-Michielsgestel (in het kader van de Wet natuurbescherming), Natuurlink, rapportnummer: EQ2186, 13-12-2021 Bijlage 2.1 – Aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen op Halderse Akkers 5 in Sint-Michielsgestel, Natuurlink, rapportnummer: AV-1007, 19-092022 3. Halderse Akkers 5, Sint-Michielsgestel, gemeente Sint-Michielsgestel: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase (rapport 1154), Bureau voor Archeologie, 14-03-2022 4. Stikstofdepositieonderzoek Halderse Akkers 5 Sint-Michielsgestel, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20211709.v03, 08-06-2023 5. Watertoets ter plaatse van Halderse Akkers 5 te Sint-Michielsgestel, MILON, projectnummer: 20212252, 19-10-2023 6. Milieuhygiënisch vooronderzoek Halderse Akkers 5 te Sint-Michielsgestel, MILON, projectnummer: 20212589, 08-12-2021 7. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Halderse Akkers 5 Sint-Michielsgestel, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20211708.v02.1, 09-08-2023 8. Certificaat bouwtitel 9. Nota van Zienswijzen

4

1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan Initiatiefnemer is voornemens om het thans aan de Halderse Akkers 5 te Sint-Michielsgestel aanwezige autoschade- en herstelbedrijf te verplaatsen om uitbreiding van bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken en ter plaatse van de huidige locatie een drietal kavels voor woningen in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte te ontwikkelen. Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied SintMichielsgestel 2e actualisatie” is om de oprichting van drie woningen planologisch en juridisch mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is op het moment in gebruik als autoschade- en herstelbedrijf met bedrijfswoning. De directe omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit agrarische gronden, boerderij- en burgerwoningen in een landelijke omgeving. Het plangebied ligt tussen de samenkomst van de wegen Halderse Akkers en Theereheide. Het is gelegen even ten noordwesten van de kern van Sint-Michielsgestel. Op de hierna volgende luchtfoto’s (bron: maps.google.nl) zijn de ligging van het plangebied en de globale ligging van het plangebied in relatie tot haar omgeving weergegeven.

5

1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel 2e actualisatie” gelden voor het plangebied de bestemmingen ‘Bedrijf’ (met bouwvlak en functieaanduiding ‘garage’) en ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’. Het plangebied is dubbelbestemd als zijnde ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waterstaat – waterbergingsgebied’. Verder zijn nog de volgende gebiedsaanduidingen van toepassing: • historisch landschappelijk gebied; • leefgebied dassen; • beschermingsgebied natte natuurparel; Binnen deze bestemmingen en aanduidingen is het toevoegen van nieuwe burgerwoningen niet toegestaan. Het bouwplan is derhalve in strijd met het van kracht zijnde bestemmingsplan. Op de uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel 2e actualisatie” – zie navolgende afbeelding – is de ligging van het plangebied rood omlijnd aangegeven.

6

De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'garage', een garage; b. tot en met nn: niet van toepassing; oo. wonen in een bedrijfswoning; pp. niet van toepassing; qq. de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in de bedrijfswoning, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van de beroepsmatige activiteiten, maximaal 100 m2 van het vloeroppervlak per woning bedraagt en uitgevoerd wordt door de bewoner; rr. een bed&breakfast accommodatie in een bedrijfswoning voor maximaal 10 personen verdeeld over maximaal 5 kamers. Dit is inclusief de aanwezige accommodatie in bijgebouwen die door het bevoegd gezag middels een afwijking kan worden verleend; ss. en tt: niet van toepassing; uu. ter plaatse van de aanduiding 'leefgebied van dassen', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide leefgebied van dassen; vv. en ww: niet van toepassing; xx. ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied; yy. tot en met bbb;: niet van toepassing; ccc.

ter plaatse van de aanduiding 'beschermingsgebied natte natuurparel', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide beschermingsgebied natte natuurparel; ddd. tot en met ggg: niet van toepassing; hhh. extensief dagrecreatief medegebruik; iii. paden, wegen en parkeervoorzieningen; jjj. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

7

kkk. alleen detailhandel die rechtstreeks verband houdt met het ter plaatse uitgeoefende bedrijf is toegestaan. lll. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’, een bouwvlak waarbinnen bebouwing onder voorwaarden is toegestaan. Buiten het bouwvlak is bebouwing niet toegestaan behoudens de afwijkingsmogelijkheden in artikel 7.4. ; Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht; b. voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd zoals bedoeld in artikel 38, lid 38.2. De voor ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een agrarische bedrijfsuitoefening; b. agrarisch gebruik; c. een grondgebonden bedrijf; d. tot en met k: niet van toepassing; l. de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in de bedrijfswoning met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van de beroepsmatige activiteiten, maximaal 100 m2 van het vloeroppervlak per woning bedraagt en uitgevoerd wordt door de bewoner; m. wonen in een bedrijfswoning; n. een bed&breakfast accommodatie in een bedrijfswoning met maximaal 5 kamers en voor maximaal 10 personen. Dit is inclusief de aanwezige accommodatie in bijgebouwen die door het bevoegd gezag middels een afwijking kan worden verleend; o. tot en met t: niet van toepassing; u.

ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied; v. tot en met x: niet van toepassing; y. ter plaatse van de aanduiding 'leefgebied van dassen', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide leefgebied van dassen; z. tot en met ff: niet van toepassing; gg. ter plaatse van de aanduiding 'beschermingsgebied natte natuurparel', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide beschermingsgebied natte natuurparel; hh. en ii: niet van toepassing; jj. het bewerken van ter plaatse geproduceerde producten; kk. verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten als nevenactiviteit tot maximaal 100 m2; ll. niet van toepassing; mm. agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer; nn. extensief dagrecreatief medegebruik; oo. paden en wegen en parkeervoorzieningen ook ten behoeve van aangrenzende bestemmingen; pp. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

8

qq. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’, een bouwvlak waarbinnen bebouwing onder voorwaarden is toegestaan. Buiten het bouwvlak is bebouwing niet toegestaan behoudens de afwijkingsmogelijkheden in artikel 5.4. rr. ter plaatse van de aanduiding detailhandel tevens productiegebonden detailhandel tot een oppervlakte van maximaal 400 m2; ss. niet van toepassing. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht; b. voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd zoals bedoeld in artikel 38, lid 38.2 van het vigerende bestemmingsplan; c. en d: niet van toepassing. De voor Waarde – Archeologie 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting. De voor Waterstaat – Waterbergingsgebied aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, met voorrang mede bestemd voor inundatiegebied en voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende waterberging.

Afwijking van vigerende bestemmingsplan Met onderhavig planvoornemen vindt een herziening van de huidige (plan)regelgeving plaats. Wonen in de vorm van drie vrijstaande woningen is op het moment niet toegestaan binnen de grenzen van het plangebied. Hiertoe dient het vigerende bestemmingplan dus te worden herzien.

1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie en wordt de planbeschrijving uiteengezet. Hoofdstuk 3 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 4 tot en met 8 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 9 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 10. Hoofdstuk 11 tenslotte bevat de slotconclusie.

9

2. Bestaande situatie en planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het perceel aan de Halderse Akkers 5 – groot circa 5.000 m2 – is op het moment in gebruik ten behoeve van een autoschade- en herstelbedrijf met (bedrijfs)woning. De huidige bebouwing ligt geconcentreerd aan de noordzijde op het perceel en wordt ontsloten op de Halderse Akkers. De zuidzijde, met de tuin en kleine weide, wordt begrensd door een waterloop. Het thans aanwezige woonhuis heeft een dubbele oriëntatie, zowel op de Theereheide als op de Halderse akkers. Het perceel is omgeven door een volwassen, gevarieerde landschappelijke aanplant, te weten de wegbeplanting aan de noordzijde, boomsingels rondom de huidige tuin – met name langs de waterloop is een robuuste houtsingel aanwezig – en brede geschoren hagen. Alleen de kop van het bedrijf, aan de noord-oostkant is goed zichtbaar.

Plangebied op kadastrale ondergrond

10

Weergave van het plangebied bezien vanaf de noordzijde van het plangebied (bron: verhoeven de ruijter).

Weergave plangebied bezien vanaf de Halderse Akkers, ten zuiden van het plangebied (bron: verhoeven de ruijter).

2.2 Planbeschrijving Randvoorwaarden Ruimte-voor-Ruimte Bij het ontwerpen van de voorziene woningen, inclusief het herbouwen van de bestaande bedrijfswoning, zijn de randvoorwaarden in acht genomen die gelden voor Ruimte-voorRuimte ontwikkelingen. Zo dienen de inhoud, typologie, architectuur van de woningen en de tuinen passend te zijn in de omgeving en dienen de nieuwe woningen door een landschappelijke (erf)beplanting ingepast te worden in het omringende landschap. Dit betekent, onder voorbehoud van maatwerk, onder andere dat: • het vrijstaande en grondgebonden burgerwoningen betreft op vrije kavels; • de nieuwe woningen direct ontsluiten op bestaande wegen; • de nieuwe woningen er niet voor mogen zorgen dat de kernrandzone dichtslibt en dat doorzichten c.q. zichtlijnen dus behouden blijven; • de nieuwe woningen op vrij gelegen kavels worden gerealiseerd; • de nieuwe woningen geen seriematige bouw kennen, maar zich kenmerken door individuele bouw.

11

Uitgangspunten integraal ontwerp Een integraal ontwerp is vereist voor zowel de nieuwe woningen als voor de kavels en de tuinen. Het integrale ontwerp dient ter goedkeuring te worden voorgelegd waarbij de inhoud aan onderstaande aspecten is gegeven. Passend in het landschap Het belangrijkste criterium is dat de woningen passen in het landschap. Er zijn twee aspecten waarin dit tot uitdrukking dient te komen: 1. de situering en de vormgeving van de nieuwe woningen, de kavels en de tuinen dienen het landschap, de directe omgeving, maar ook elkaar te versterken; 2. de keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de nieuwe woningen, maar ook de vormgeving en beplanting van de tuinen, dienen aan te sluiten op het betreffende landschap. Typologie van de woningen De typologie van de nieuwe woningen dient aan te sluiten bij de omliggende woningen. In het gehele buitengebied van Sint-Michielsgestel treft men burgerwoningen aan die bestaan uit slechts één bouwlaag met kap. Daarom dienen de nieuwe woningen hierbij aan te sluiten. Landschappelijke inpassing Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden.

Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. In het kader van onderhavige ontwikkeling worden aanwezige natuur- en land(schapp)elijke waarden en kwaliteiten behouden en waar mogelijk versterkt. Een en ander heeft een plek gekregen in een opgesteld landschappelijk inrichtings- en beeldkwaliteitsplan (zie bijlage 1 en paragraaf 3.2). In het landschappelijk inpassingsplan wordt duidelijk dat de tuinen/kavels en de nieuwe woningen door een landschappelijke (erf)beplanting dienen te zijn ingepast in het omringende landschap. Te denken valt aan bosschages, houtwallen, kavelrandbeplantingen, lanen, boomgaarden, poelen, sloten met oevervegetaties, bloemenweiden etc. een landschappelijke beplanting bestaat uit inheemse soorten die geschikt zijn op de aanwezige bodemsoort. Binnen deze landschappelijke structuren is uiteraard ondergeschikt een verdere invulling met tuin- en sierelementen mogelijk.

De landschappelijke inpassing dient zo te zijn dat op de ruime kavel doorzichten naar het landschap blijven bestaan. Ter plaatse van het plangebied geldt de gebiedsaanduiding ‘beschermingsgebied natte natuurparel’. Natte natuurparels zijn door de Provincie Noord-Brabant aangewezen ge-

12

bieden met bijzondere natuurwaarden. Het doel van natte natuurparels is om de kwetsbare ‘natte' natuur daar te behouden en te herstellen. Het plangebied maakt (planologisch) deel uit van het beschermingsgebied natte natuurparel. In het plangebied zelf is geen sprake van kwetsbare en natte natuurwaarden. De beoogde ontwikkeling doet hier derhalve ook geen afbreuk aan. De beschermde status van het gebeid is toegekend in relatie tot de Dommel. De voorgenomen kleinschalige ontwikkeling doet geen afbreuk aan het behoud en herstel van natte natuurwaarden rondom de Dommel. Binnen gebiedstypering en analyse ‘historisch landschappelijk gebied’ wordt veelvuldig gerefereerd aan de historie en de mate waarin deze is ontwikkeld en/of herstelt dient te worden. De landschappelijke situering is veelal een resultaat van menselijk handelen. Prioriteit lag hierbij in gebruik, inrichting volgt hier aansluitend op. Doel is om te kiezen voor maatregelen die aansluiten bij de gebiedskenmerken en de beschreven historische landschappelijke kwaliteiten en kenmerken. Maatregelen kunnen hier goed op aansluiten. Er kan worden gekozen voor het realiseren van houtsingels, laanstructuren, bosjes, (hoogstam-)fruitboomgaarden etc. om zo invulling te geven aan de gebiedsindeling en ambitie zoals beoogd.

Gestreefd is naar een inpassing in het omringende landschap van de tuin en de nieuwe woning door een combinatie van erfbeplanting en landschapsbeplanting. De initiatiefnemer heeft door adviesbureau verhoeven de ruijter een landschappelijk inrichtingsplan laten opstellen; zie bijlage 1. Het kaartbeeld is navolgend ingevoegd.

13

Ruimtelijke kwaliteitsverbetering en natuurontwikkeling Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap, als bedoeld in artikel 3.9 InterimOmgevingsverordening Noord-Brabant, kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering noodzakelijk. Deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling draagt namelijk reeds bij aan een investering in het landschap.

Bij de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting van het plangebied is expliciet rekening worden gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen, door deze in de planontwikkeling te betrekken. Na realisatie van het (bouw)plan ontstaat er, zeker wat betreft beeldkwaliteit, een samenhangende ruimtelijke structuur. Hierdoor, maar ook door toepassing te geven aan de noodzakelijke landschappelijke kwaliteitsverbetering, wordt bij de planuitwerking van de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen. Duidelijk is dat bij het ontwerpen van het bouwplan zoveel als mogelijk aansluiting gezocht wordt bij de huidige stedenbouwkundige en landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten. Zodoende wordt de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke beeldkwaliteit zelfs verbeterd.

Vertaling randvoorwaarden en uitgangspunten naar (bouw)plan Bij de (bouw)planuitwerking wordt aansluiting gezocht bij de bestaande woningen in de omgeving. Op onderdelen is eventueel maatwerk gewenst. De definitieve uitwerking van het bouwontwerp vindt te zijner tijd plaats in het kader van de vergunningaanvragen. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij onderhavig bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. In het planontwerp zijn de voorwaarden, zoals opgesteld in de gemeentelijke Gebiedsvisie buitengebied Theereheide, in acht genomen. Ten aanzien van onderhavig planvoornemen betreft dit onder meer dat er een samenhangend en ingepast erf met maximaal drie woningen in een landelijke stijl wordt geformeerd. De woningen vormen samen één samenhangend ensemble, passend bij de andere ‘vergrootte erven’ in het gebied. Voorts

14

krijgen de woningen 1 laag met kap, in traditioneel kleurgebruik. De woningen krijgen een maximaal volume van 800 m3 met 60 m2 aan bijgebouwen. Voor nu kan ook al worden vermeld dat de ontsluiting zal plaatsvinden op de Theereheide en dat het eigen terrein zal voorzien in voldoende parkeergelegenheid (zie ook hoofdstuk 9). Voor het plangebied c.q. het plan geldt dat land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland behouden blijven. De aanwezige waarden en kwaliteiten van het plangebied en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 9. Paragraaf 3.1 gaat nader in op de gevolgen van de gewenste ontwikkeling voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. Paragraaf 3.2 behandelt de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De ruimtelijke impact van het plan en de oppervlakte van het plangebied zijn dermate gering dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Voor het plangebied c.q. het plan geldt verder dat er geen sprake is van een monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit.

Uit deze plantoelichting blijkt hoe het (bouw)plan zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de landschappelijke toets, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten nader beschouwd.

2.3 Conclusie Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omgeving en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en 9.

15

3. Beleidskader 3.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.

3.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen.

Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.

16

Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden.

We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q.

doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.

17

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Toetsingskader De nationale belangen uit de structuurvisie die juridisch borging vragen zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Een aantal rijksbelangen wordt met dit besluit geborgd in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen van overheden. Onderwerpen die aan bod komen zijn: rijksvaarwegen, de mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het waddengebied, defensie, hoofdwegen en landelijke spoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen, primaire waterkeringen, de ecologische hoofdstructuur, het IJsselmeergebied, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en de ruimtereservering voor de parallelle Kaagbaan. Doorwerking plan(gebied) De planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie Geen van deze rijksbelangen zijn van toepassing op het plangebied. Het bestemmingsplan is daarmee in overeenstemming met het bepaalde in het Barro.

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de NOVI, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

18

In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht.

Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.

Beoordeling Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (AbRS 18 december 2013, nummer 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie

19

Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

3.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: ‘werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit’. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang – hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig plan betreft het mogelijk maken van de bouw van drie Ruimte voor Ruimtewoningen. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven. • ad 1. De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie.

De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening. • ad 2. Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer naar de directe omgeving plaatsvindt. Het ontwerp van de woningen en de inrichting van het woonperceel kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt. • ad 3. Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De woningen worden gerealiseerd op basis van het Ruimte voor Ruimte-principe, wat betekent dat er elders in de provincie reeds stallen zijn gesloopt. Per saldo is er dus sprake van ‘ontstening’ van het buitengebied. Voorts is het zo dat het plangebied reeds een

20

•

bestaand bebouwingscluster is, maar dat het gebruik wordt afgewaardeerd van bedrijfslocatie naar woonlocatie. ad 4. Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De woningen worden zorgvuldig ingepast binnen de huidige bebouwings- en landschapsstructuur. Het initiatief doet daarmee geen afbreuk aan de huidige kwaliteiten en is passend binnen het huidige vestigingsklimaat.

Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant. Toetsingskader Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten.

De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam

Van toepassing

Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging

Nee Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja

Rechtstreeks werkende regels: landbouw

21

Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Onderhavig plangebied is gelegen in het ‘Landelijk gebied’ van de provincie NoordBrabant. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. De andere aanduiding betreft ‘Verbod uitbreiding veehouderij’. Deze heeft enkel invloed op bestaande veehouderijbedrijven. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreidingen van veehouderijen hebben geen invloed op het planvoornemen en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Doorwerking plan(gebied) Hierna wordt, deels in algemene zin en deels in concrete bewoordingen, gemotiveerd dat wordt voldaan aan de gestelde provinciale beleidsmatige voorwaarden en uitgangspunten. Onderhavig planvoornemen behelst ten eerste de oprichting van twee woningen in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte. Deze woningen komen feitelijk in plaats van autoschade- en herstelbedrijf met bedrijfswoning binnen de plangrenzen.

De ontwikkeling zorgt voor een wijziging van het gebruik, een tenietdoening van bestaande bebouwing en een gedegen en zorgvuldige, land(schapp)elijke inpassing van de nieuwe functie. In plaats van deze niet-agrarische bedrijfsvoering wordt de ruimte ingevuld met woningbouw, gecombineerd met landschappelijke inpassing. Op deze manier blijven de land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten behouden en worden deze onderdelen versterkt. Is hoofdstuk 2 van deze plantoelichting is aangetoond op welke manier het

22

plangebied wordt ingevuld met de nieuwe woningen, gecombineerd met bij deze locatie passende landschappelijke inpassing. Binnen de kaders van de provinciale regelgeving is de oprichting van Ruimte-voorRuimte woningen mogelijk, mits voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals opgesteld in de artikel 3.79 van de Interim Omgevingsverordening. Deze regels hebben onder meer betrekking op het volume, oppervlakte en vormgeving van de woning en stellen voorwaarden aan de kwaliteit van het plangebied in relatie tot de omgeving. Met onderhavig planvoornemen wordt hier aan voldaan. Dit blijkt uit deze plantoelichting. Artikel 3.79 van de Interim omgevingsverordening geeft de voorwaarden waaronder binnen het plangebied het toevoegen van Ruimte-voor-Ruimte woningen mogelijk is. Uit de verantwoording dient te blijken dat: • het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning te verzekeren; • is verzekerd dat is voldaan aan de nader gestelde regels; • er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.79 Ruimte-voor-ruimte kavel Lid 1

Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling: a. b. c.

door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit ; op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit , derde Lid ; en past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77 .

Lid 2

Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing. Lid 3

Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. b. c.

artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik , onder a; artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap ; en artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied , eerste Lid , onder a.

23

Hierna wordt – steeds vetgedrukt – gemotiveerd dat voor wat betreft de twee Ruimtevoor-Ruimte woningen voldaan is/wordt aan de gestelde voorwaarden, zoals vermeld in de Interim omgevingsverordening: Artikel 3.79, Lid 1 Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling: a. door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit; Er is sprake van twee verkregen bouwtitels ter plaatse van onderhavig plangebied. Het certificaat is als bijlage 8 bij het bestemmingsplan gevoegd. b. op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit, derde Lid; en Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt, of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie. Het plangebied gelegen op korte afstand van de bestaande woonkern van Sint-Michielsgestel. Op basis van de Gebiedsvisie Theereheide kan het plangebied als bebouwingslocatie worden aangemerkt, mits dat vanuit de bijzondere bewoningsgeschiedenis van het gebied te onderbouwen is.

In de gebiedsvisie is het plangebied gelegen in zone ‘De Halderse Akkers (oude bouwlanden en kampen)’. Het perceel is daarin aangeduid als ‘bedrijvigheid die niet meer passend is in het kleinschalige agrarische gebied’ en tevens als ‘zoekgebied Ruimte voor Ruimte’ bij bedrijfsbeëindiging/verplaatsing. Hierbij zijn maximaal 3 woningen per erf toegestaan. In de jaren ’60 is de Halderse Akkers verlegd. In dezelfde periode is het erf aan de noordzijde verdwenen en verplaatst naar het huidige perceel ten zuiden van de weg. Door deze verplaatsing is het plangebied niet geheel authentiek, maar zoals in samenhang op de hoogtekaart en historische kaart van 1900 te zien, past zij bij de historische erfontwikkeling in het gebied; op hoger en droger gelegen plekken in het beekdallandschap van de Essche stroom. Om die reden is bebouwing van de plek, als onderdeel van de bebouwingsconcentratie gerechtvaardigd. Verder is hiervoor in paragraaf 2.2 reeds vermeldt dat de onderhavige Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling voldoet aan de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals vermeld in de hoofdstuk 3. c. past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77: Artikel 3.77 lid 1: Voor de toepassing van de maatwerkbepalingen in deze afdeling geldt dat het bestemmingsplan een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.

Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 3.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten: a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;

24

b.

c.

d.

De omschrijving hiervan komt uitgebreid aan bod in deze plantoelichting en kent ook zijn plek in het bijgevoegde landschappelijke inpassingsplan (bijlage 1). welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving , de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 3.2 Basis op orde , mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgeving en de aansluiting op het bestaande beleid zijn verantwoord in hoofdstukken 4 tot en met 8 van deze plantoelichting. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap ; en Deze verantwoording is opgenomen in hoofdstuk 2 van deze plantoelichting en tevens in het bijgevoegde landschappelijke inpassingsplan (bijlage 1). op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd. Het aanwezige autoschade- en herstelbedrijf met bedrijfswoning worden gesaneerd / gesloopt.

Lid 2: Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie NoordBrabant werkzaam is. De Gebiedsvisie Theereheide is tot stand gekomen in overleg met onder andere de provincie Noord-Brabant. Artikel 3.79 lid 2: Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing. NVT Artikel 3.79 lid 3 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik , onder a; NVT b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap ; en NVT c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied , eerste Lid , onder a. NVT

25

Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. b.

alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.

Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. b.

dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt.

Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a.

b.

c. d.

de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel , als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. een inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als: 1. een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel; en 2. de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing . in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

--Artikel 3.68, Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; In de nieuwe plansituatie is sprake van sloop van bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning en herbouw van een burgerwoning. b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. NVT Lid 2: In de nieuwe plansituatie is sprake van sloop van bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning en herbouw van een burgerwoning.

26

Artikel 3.69, Lid 1 de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel , als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. In de nieuwe plansituatie is sprake van sloop van bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning en herbouw van een burgerwoning. De overige onderdelen van artikel 3.69 zijn NVT. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Onderhavig planvoornemen in de vorm van oprichting van drie woningen, gaat gepaard met een landschappelijke inpassing.

Deze ontwikkelingen zorgt voor een verbetering van het ruimtegebruik en een kwaliteitsverbetering in opzet van het plangebied en landschappelijke inpassing. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap. Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten (zie hiervoor hoofdstuk 2 van deze onderbouwing). Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 4 tot en met 8.

27

Tevens dient bij stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied worden voorzien in een kwaliteitsverbetering. Artikel 3.9 ‘kwaliteitsverbetering landschap’ zegt hierover het volgende: Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stadland; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Verwezen wordt naar de verantwoording die is gegeven op artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik . Tevens maakt een landschappelijk inpassingsplan, inclusief landschaps-/inrichtingsschets, onderdeel uit van voorliggende plantoelichting. Verwezen wordt naar hoofdstuk 2 en bijlage 1. Voor het plangebied c.q. het plan geldt dat land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland behouden blijven. De aanwezige waarden en kwaliteiten van het plangebied en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 4 tot en met 8. Paragraaf 2.2 gaat nader in op de gevolgen van de gewenste ontwikkeling voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. Deze paragraaf behandelt tevens de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Het Landschappelijk inrichtingsplan met Beeldkwaliteit is als bijlage 1 opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=292c47e8-2c51-46f9-b303-c04b22106cf1