Bijlage 3 - Bijlagen bij BOPA motivering (onderbouwing) zonnepark Heidebos
Tekst van het document
13
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsZonnepark ZonneparkHeidebos Heidebos
3. Soortbescherming 3.1
Flora Het plangebied bestaat uit een agrarisch perceel waar in 2022 maïs op heeft gestaan en in 2023 aardappelen (Boerenbunder, 2024). In het plangebied zijn in de grasstroken aan de zijden van het agrarisch perceel algemeen voorkomende plantensoorten aangetroffen zoals madelief, kleine brandnetel en ooievaarsbek. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen plantensoorten aangetroffen waarvoor een vergunningplicht geldt. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2024) worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Omgevingswet niet aan de orde. Wel is (mogelijk) de specifieke zorgplicht van toepassing (zie paragraaf 3.7).
3.2
Zoogdieren
3.2.1
Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bijvoorbeeld bomen, huizen en kelders Dit kunnen onder andere kraamverblijven, zomerverblijven, baltslocaties, paarverblijven en winterverblijven zijn. Het verstoren, beschadigen, vernietigen of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Vleermuizen gebruiken vaak jarenlang dezelfde structuren om zich te oriënteren tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Als alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘essentieel’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water, zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen heeft binnen de Omgevingswet echter geen juridische bescherming, tenzij het essentieel is voor het voortbestaan van een populatie.
14
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
Verblijfplaatsen Door het ontbreken van bebouwing en bomen binnen het plangebied zijn er voor vleermuizen geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Ook in de bomen grenzend aan het perceel zijn geen holtes of loszittend schors aangetroffen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen is niet aan de orde. Vliegroutes Binnen het plangebied zijn geen lijnvormige structuren aanwezig. Grenzend aan het plangebied zijn wel lijnvormige structuren aanwezig in de vorm van bosranden en bomenrijen. Deze structuren kunnen dienen als vliegroute van vleermuizen. Met de voorgenomen ontwikkelingen worden geen lijnvormige elementen aangetast. Zodoende worden geen (potentiële) vliegroutes aangetast. Evenmin is er (in potentie) sprake van verstoring, aangezien er overdag gewerkt wordt en er geen verlichting wordt toegepast. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen is niet aan de orde. Foerageergebieden Door de aanwezigheid van bomen en bosranden grenzend aan het plangebied, wordt het plangebied mogelijk door vleermuizen gebruikt als foerageergebied. Door het initiatief gaat geen foerageergebied van vleermuizen verloren.
Bovendien blijf in de directe omgeving ruim voldoende alternatief foerageergebied in de vorm van open structuren in de aangrenzende bossen, watergangen en het agrarisch gebied. Daarbij is het plangebied in de toekomstige situatie door de ontwikkeling van grasvegetaties met bloemrijke kruiden (wat bevorderlijk is voor de insectenstand) waarschijnlijk beter geschikt als foerageergebied dan de mais/aardappelakker. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet ten aanzien van foerageergebieden van vleermuizen is niet aan de orde. 3.2.2
Das In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van das (NDFF, 2024). Tijdens het quickscan veldbezoek is op circa 130 meter ten zuidwesten van het plangebied - in het bos aan de overzijde van de wetering - een burcht van das aangetroffen (zie figuur 3.1 en 3.2). De burcht heeft in ieder geval zeven pijpen en is naar verwachting (gezien de omvang en aanwezige sporen) een kraamburcht van das. Daarnaast zijn in de directe omgeving van het plangebied meerdere wissels aangetroffen die mogelijk door de das worden gebruikt. Tijdens de aanlegfase is er sprake van een toename van activiteit in het plangebied. De werkzaamheden vinden overdag plaats en er wordt geen nachtelijke verlichting toegepast. De afstand van het plangebied tot de burcht bedraagt minimaal 130 meter. Door deze afstand (> 50 meter; BIJ12, 2017) en de afschermende werking van het bos, is er geen sprake van het indirect (als gevolg van verstoring door menselijke aanwezigheid en het gebruik van machines) schaden van de vaste voortplantings- of rustplaats(en) van das. Het plangebied bestond in 2022 uit maisakkers en vormt als zodanig (periodiek geschikt) foerageergebied voor das. Echter werden in 2023 aardappelen op het perceel geteeld wat geen foerageergebied voor das vormt.
De agrarische percelen om de burcht en om het plangebied bestaan uit tijdelijk en blijvend (bemest) grasland (optimaal foerageergebied voor das) en maïsakkers (periodiek geschikt foerageergebied voor das) (Boerenbunder, 2024). Ook de bosschages vormen jaarrond geschikt foerageergebied.
15
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
Figuur 3.1 Ligging dassenburcht (gele stip) ten opzichte van zonnepark Heidebos (rood omlijnd).
Figuur 3.2 Pijpen van dassenburcht. Foto’s: Ecogroen.
De grootte van een dassenterritorium is afhankelijk van het voedselaanbod en dus van de kwaliteit van het leefgebied. De grootte varieert van 30 tot 150 hectare in optimaal gebied, en van 150 tot 600 hectare in marginaal gebied. Het foerageergebied van een das ligt tot ongeveer 1,5 tot 12 kilometer van de burcht. Er moet voldoende foerageergebied liggen binnen 500 meter tot enkele kilometers. In de kraamperiode is voldoende foerageergebied op relatief korte afstand van de burcht nodig. Belangrijke onderdelen zijn dan delen waar het hele jaar eten te vinden is, zoals graslanden met gras korter dan 5 centimeter. Alleen dan kan een das voldoende wormen vinden. Ook in bossen en bosjes kan hij het hele jaar voedsel vinden. Bovendien zijn (maïs)akkers en ruigten in een bepaald deel van het jaar geschikt om voedsel in te zoeken (BIJ12, 2017).
16
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
In de toekomstige situatie vormt het plangebied jaarrond geschikt foerageergebied voor das door de aanwezigheid van natuurzones en permanent grasland dat begraasd wordt door schapen. Het terrein is ook toegankelijk voor das door de passeerbare afrastering. Enkel tijdens de aanlegfase is het gebied niet beschikbaar als foerageergebied, maar in jaren dat er aardappelen geteeld worden op het perceel, vormt het perceel ook geen foerageergebied voor das. Gezien de huidige beperkte functie van het plangebied als foerageergebied van das en de ruime aanwezigheid van alternatief foerageergebied in de omgeving, leidt de aanlegfase niet tot verlies van essentieel foerageergebied van das. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet ten aanzien van de das zijn niet aan de orde. 3.2.3
Steen-/boommarter In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van steen- en/of boommarter (NDFF, 2024). In het plangebied zijn geen bomen of andere structuren aanwezig die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor steen- of boommarter. In de bomen grenzend aan het plangebied zijn evenmin potentiële verblijfplaatsen van steen- of boommarters aangetroffen. In de wijdere omgeving kunnen steen- of boommarters verblijfplaatsen hebben in de bosschages en (voor steenmarters) in schuren of op erven. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van het foerageergebied van steen- en/of boommarter. Het gaat niet om verlies van essentieel leefgebied: het plangebied bevat enkel akkerland, wat beperkt foerageermogelijkheden biedt. In de omgeving van het plangebied, in de bosschages, agrarische percelen, op de erven is in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Ook in de nieuwe situatie vormt de kruidenrijke vegetatie met insecten en kleine zoogdieren foerageergelegenheid voor steen- en boommarters. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet ten aanzien van steenmarter en/of boommarter zijn niet aan de orde.
3.2.4
Kleine marterachtigen In de wijdere omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van wezel en bunzing (NDFF, 2024). Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of sporen van wezel, bunzing of hermelijn aangetroffen. Het voorkeursbiotoop van kleine marterachtigen bestaat uit kleinschalig en structuurrijk landschap met veel (lijnvormige) landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, heggen, greppels en sloten. Het plangebied is niet geschikt als vaste verblijfplaats van bunzing, hermelijn en/of wezel door het ontbreken van dekking, zoals ruig-begroeide delen. Het bosgebied ten zuid/zuidwesten van het plangebied en de watergangen en bermen langs het plangebied vormen wel geschikt biotoop voor kleine marterachtigen in de vorm van takkenhopen en (muizen)holletjes. Genoemde marterachtigen kunnen het plangebied incidenteel gebruiken als foerageergebied. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied; de omliggende percelen en bosranden bieden in ruime mate alternatief en geschikter foerageergebied. Als gevolg van de plannen gaan geen verblijfplaatsen of (essentieel) foerageergebied van kleine marterachtigen verloren. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet zijn voor kleine marterachtigen niet aan de orde.
3.2.5
Overige zoogdieren (Vaste) verblijfplaatsen en/of essentieel foerageergebied van andere beschermde grondgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling (zoals eekhoorn en veldspitsmuis) worden in het plangebied op basis van de terreinkenmerken, het veldbezoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2024) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Wel zijn binnen het plangebied vaste verblijfplaatsen van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten bekend en/of te verwachten, bijvoorbeeld de veldmuis. Bij werkzaamheden in het plangebied kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In
17
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van een aantal van de verbodsartikelen uit de Omgevingswet. Mits voorkomen wordt dat exemplaren opzettelijk worden gedood, zijn vervolgstappen niet aan de orde. De werkzaamheden kunnen binnen de wettelijke kaders worden uitgevoerd door de specifieke zorgplicht in acht te nemen (zie paragraaf 3.7).
3.3
Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie bijlage 1). Voor een aantal vogelsoorten geldt dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.2). Kader 3.2 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van vogels wordt in de provincie Noord-Brabant verstaan: in functie zijnde nesten en rustplaatsen van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwerk, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
3.3.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied en in de directe omgeving (< 75 meter) zijn geen jaarrond beschermde nestlocaties van vogels bekend (NDFF, 2024) of aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Mogelijk wordt het plangebied en omgeving wel gebruikt als foerageergebied door soorten als de buizerd en havik. Door de werkzaamheden verdwijnt mogelijk een klein oppervlak foerageergebied van deze soorten. In de omgeving blijft ruim voldoende alternatieve foerageergebied beschikbaar om dit (tijdelijke) verlies op te vangen, waardoor (indirect) geen nestplaatsen verloren gaan. Het nemen van vervolgstappen voor vogels met jaarrond beschermde nesten is niet aan de orde.
3.3.2
Vogels zonder jaarrond beschermde nesten Het plangebied is door het gebruik als akker slechts beperkt geschikt als broedbiotoop. Enkel soorten van pioniersituaties als kievit en kleine plevier maken hier mogelijk gebruik van. In de directe omgeving van het plangebied is door de aanwezigheid van bomen geschikt broedbiotoop aanwezig van soorten als gaai, merel, winterkoning, roodborst en houtduif. Daarnaast kunnen de oevers van de watergangen worden gebruikt als nestplaats door bijvoorbeeld wilde eend. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of (wezenlijk) verstoren. Verstoren is echter alleen verboden wanneer de storing van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor de te verwachten soorten kan verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding (altijd) worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het dus van belang of een broedgeval wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen begin maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen.
Vooral soorten als merel en wilde eend kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door
18
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
een ter zake deskundige uit te voeren. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de wettelijke kaders kunnen worden uitgevoerd. Indien geen nesten in gebruik zijn ten tijde van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten op broedende vogels worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten niet aan de orde, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen.
3.4
Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen bekend van algemene soorten amfibieën als de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF, 2024). Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens wordt overwintering van overige in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën zonder vrijstelling, zoals rugstreeppad, in het plangebied niet verwacht door het intensieve beheer alsook het ontbreken van hout(wallen) of struweel met een strooisellaag en het gebrek aan begroeiing aan de slootkanten tijdens de overwinteringsperiode. Het water van de sloot in het plangebied wordt mogelijk wel gebruikt als voortplantingswater door algemene soorten als kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Deze soorten overwinteren mogelijk in de strooisellaag van de omliggende bosjes ten noorden/zuiden van het plangebied. In de toekomstige situatie blijft de sloot behouden. Bij de geplande werkzaamheden (o.a. het afvlakken van de oevers) kunnen wel exemplaren en verblijfplaatsen van deze amfibieën geschaad of verstoord worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van een aantal van de verbodsartikelen uit de Omgevingswet.
Mits voorkomen wordt dat exemplaren opzettelijk worden gedood, geldt dat er voor deze amfibieën geen vervolgstappen aan de orde zijn. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door de specifieke zorgplicht in acht te nemen (zie paragraaf 3.7).
3.5
Reptielen
3.5.1
Levendbarende hagedis In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis (NDFF, 2024). Op ca. 900 meter ten zuidoosten van het plangebied is bij Engelenstede een populatie van levendbarende hagedis bekend (NDFF, 2024). De dichtstbijzijnde waarneming is iets meer naar het noordwesten; het betreft één zonnend exemplaar uit 2022, op ca. 360 meter van het plangebied. De levendbarende hagedis heeft voorkeurshabitat in heide en hoogveen, maar kan ook voorkomen in open bossen, ruige graslanden, bermen en duinen (RAVON, 2024). De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die vooral veel wordt aangetroffen op oevers en andere vochtige terreindelen. De soort kan zich jaarlijks over een afstand van één tot twee kilometer verplaatsen langs open mantelzones en bosranden op zoek naar nieuw leefgebied (BIJ12, 2017). Hiernaast is de soort afhankelijk van structuurrijk habitat met open zon beschenen en snel opwarmende plekken met dekkingsmogelijkheden dichtbij om uitdroging en predatie tegen te gaan. Gezien de functie van het plangebied als landbouwgrond met het intensieve grondgebruik en het gebrek aan dekking in vegetatie is er binnen het plangebied geen geschikt biotoop aanwezig voor de levendbarende hagedis. Ten zuiden van het plangebied (ca.
15 meter) is wel een klein gebied met heide aanwezig dat mogelijk geschikt is voor de levendbarende hagedis als verblijfplaats of foerageergebied. Deze heide blijft behouden in de toekomstige situatie. Op deze locatie zijn geen waarnemingen van levendbarende hagedis bekend. Gezien de afstand tot bekende waarnemingen van levendbarende hagedis
19
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
en het gebrek aan dekking in het plangebied worden zwervende exemplaren van levendbarende hagedis in het plangebied niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet is niet aan de orde voor levendbarende hagedis. 3.5.2
Overige reptielen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens worden in het plangebied geen (vaste) verblijfplaatsen of essentieel foerageergebied verwacht van overige soorten reptielen. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet is niet aan de orde voor reptielen.
3.6
Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2024), worden in het plangebied geen (vaste) verblijfplaatsen verwacht van vissen en ongewervelden waarvoor een omgevingsvergunningplicht geldt. Wel is (mogelijk) de specifieke zorgplicht van toepassing (zie paragraaf 3.7).
3.7
Specifieke zorgplicht Vanuit de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor soorten. De specifieke zorgplicht schrijft voor dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen en beperkt moeten worden. Dit betekent dat er bij de uitvoering van het plan voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om invulling aan deze specifieke zorgplicht te geven (zie ook Bijlage 1). Er zijn aanwijzingen dat er soorten - waarvoor de specifieke zorgplicht geldt - kunnen voorkomen in het plangebied. Het betreft met name soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, vogels en dagvlinders. De werkzaamheden kunnen nadelige gevolgen hebben voor (belangrijke leefgebieden van) van die soorten (groeiplaatsen, nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren). Met onderstaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de specifieke zorgplicht voor soortbescherming. Geadviseerd wordt om de maatregelen tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden vast te leggen in een logboek (zie voor een voorbeeld bijlage 2). Met behulp van het logboek kan in geval van handhaving worden aangetoond dat er zorgvuldig en conform de specifieke zorgplicht wordt gewerkt.
Bij het verwijderen van vegetatie en het bewerken van de bodem en slootkant: • wordt rekening gehouden met broedende vogels door buiten het broedseizoen te werken (zie 3.3.2); • wordt voorafgaand aan het bouwrijp maken de te verwijderen vegetatie kort gemaaid om het gebied onaantrekkelijk te maken voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën; • vinden werkzaamheden plaats in een traag tempo (stapvoets), in één werkrichting, zodat aanwezige fauna de tijd krijgt om te vluchten (richting de aangrenzende bomenrijen of wetering). Bij werkzaamheden in het water of de slootbodem, worden voorafgaand aan de werkzaamheden aanwezige amfibieën en vissen en ander waterleven afgevangen en in de nabijgelegen wetering (buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden) uitgezet. Tevens wordt één kant op gewerkt.
20
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsZonnepark ZonneparkHeidebos Heidebos
4. Gebiedsbescherming 4.1
Natura 2000-gebieden
4.1.1
Algemeen Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek op ca 8,4 kilometer afstand (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1 De ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied (groen). Kaartondergrond: PDOK.
Directe nadelige gevolgen, waaronder betreding en oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebieden van soorten, worden vanwege de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Op basis van de effectenindicator (Broekmeyer et al., 2005, 2008; Broekmeyer, 2010; Min. van EZ, 2015) en expert judgement worden indirecte (uitstralende) effecten door bijvoorbeeld licht of geluid eveneens uitgesloten, gezien de lokale en kleinschalige aard en omvang van het voornemen en de tussenliggende afstand en infrastructuur tot habitattypen en leefgebieden van soorten. Alleen indirecte nadelige gevolgen door stikstofdepositie (verzuring en/of vermesting) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten, gezien de reikwijdte van stikstofdepositie.
21
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
4.1.2
Stikstofdepositie De activiteiten in het plangebied kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Een teveel aan stikstof kan leiden tot verzuring en vermesting van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied(en). Geadviseerd wordt om zogenoemde stikstofberekening met het rekenmodel AERIUS Calculator uit te (laten) voeren om te beoordelen of er vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet nodig zijn.
4.1.3
Specifiek zorgplicht Natura 2000 Vanuit de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor Natura 2000 (zie ook bijlage 1, kader B1.3). De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten maar ook voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, maar die niet significant zijn (zoals verstorende of verslechterende gevolgen). Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden, waardoor er bij voorliggend plan geen vervolgstappen aan de orde zijn in het kader van de specifieke zorgplicht Natura 2000. Een eventuele uitzondering hierop geldt voor de mogelijke nadelige gevolgen door stikstofdepositie. Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of dit aan de orde is (zie paragraaf 4.1.2).
4.2
Natuurnetwerk Nederland
4.2.1
Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant Het plangebied grenst voor een merendeel aan het Natuurnetwerk Brabant (NNB), het deel van het NNN dat gelegen is in provincie Noord-Brabant (zie figuur 4.2). Voor het initiatief wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd. Provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking voor het NNB. Dit houdt in dat ook bij plannen buiten het NNB, beoordeeld moet worden of het plan van invloed kan zijn op het functioneren van de wezenlijke kenmerken en waarden of de samenhang van het NNB.
Figuur 4.2 De ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Noord-Brabant. (1 = N16.04 Vochtig bos met productie; 2 = N07.01 Droge heide; 3 = N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos; 4 = N16.03 Droog bos met productie). Kaartondergrond: PDOK.
22
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
4.2.2
Toetsing externe werking Natuurnetwerk Brabant Het plangebied grenst op meerdere plaatsen aan het NNB. Op grond van artikel 5.31 uit de omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is het noodzakelijk om te toetsen op externe werking. Ook al vindt een ontwikkeling plaats buiten het NNB, toch kan een voorgenomen initiatief de ecologische wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNB schaden door bijvoorbeeld de effecten van licht, geluid, betreding en/of het oprichten van een barrière. In de huidige situatie (akker) met de intensieve landbewerking en de bestaande recreatie langs de perceelranden is er sprake van een zekere mate van verstoring in het plangebied. Het plan heeft geen negatief effect op het NNB in de zin van een toename van licht, geluid, betreding en/of het oprichten van een barrière. Het zonnepark wordt niet verlicht, er zal geen extra geluid worden geproduceerd (alleen tijdelijk gedurende de aanleg van het zonnepark en afgezien van periodiek beheer van de vegetatie) en ook zal het plangebied waarschijnlijk niet vaker worden betreden dan in de huidige situatie. Hiernaast wordt er met de omheining van het zonnepark rekening gehouden met kleine dieren zoals de das door vier faunapassages aan te brengen waardoor ze binnen het park kunnen komen en via het park oversteken.
Grotere zoogdieren als reeën kunnen om het zonnepark heen de verschillende delen van het NNB bereiken. De bestaande bomenrijen en de wetering alsook de aan te leggen houtwal en natuurzones langs het perceel kunnen hiervoor gebruikt worden aangezien het hekwerk achter het struweel zal worden geplaatst, tegen de opstelling aan, waardoor uitwisseling tussen de NNB gebieden mogelijk blijft. Negatieve effecten op de ecologische wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB en de ruimtelijke samenhang van de gebieden van het NNB zijn uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van het beschermingsregime van het NNB zijn niet aan de orde.
4.3
Overige regels ter bescherming van gebieden
4.3.1
Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Op circa 6 kilometer ten noorden van het plangebied ligt een door de provincie Noord-Brabant aangewezen beschermd rust- en foerageergebied ganzen en smienten (zie figuur 4.3). Op basis van de voorgenomen werkzaamheden binnen het plangebied is geen sprake van nadelige gevolgen voor het rust- en foerageergebied zoals beperkingen in de openheid en/of verstoring van de rust in het gebied. Er zijn daardoor geen vervolgstappen aan de orde.
Figuur 4.3 Rust- en foerageergebied ganzen en smienten (groen) ten noorden van het plangebied (muis). Bron: Provincie Noord-Brabant.
23
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
4.3.2
Groenblauwe waarden Het plangebied ligt binnen een door de provincie aangewezen gebied met groenblauwe waarden. Locaties met groenblauwe waarden liggen binnen het Landelijk gebied en dragen bij aan de bescherming van waarden die in het NNB liggen, inclusief ecologische verbindingszones en wateren. Het beleid voor groenblauwe waarden is gericht op het behoud en ontwikkelen van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en van groenblauwe waarden, natuur en landschap. De Provincie streeft ernaar dat ontwikkelingen binnen Groenblauwe waarden bijdragen aan natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Ook dient er rekening te worden gehouden met omliggende waarden. In de toekomstige situatie maakt het intensieve akkerbeheer plaats voor een natuurinclusief zonnepark wat bevorderlijk is voor de bodem, het water en de soorten die hiervan afhankelijk zijn. Ook past het zonnepark binnen de omliggende waarden aangezien de natuurmaatregelen zoveel mogelijk worden afgestemd op het landschap. Er zijn daarom geen vervolgstappen aan de orde in het kader van groenblauwe waarden.
Figuur 4.4 Het plangebied (rood omlijnd) t.o.v. Groenblauw waarden (blauwe arcering). Bron: Provincie Noord-Brabant.
24
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsZonnepark ZonneparkHeidebos Heidebos
Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12 (2017). Kennisdocument das (Meles meles). Versie 1.0 juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12 (2017). Kennisdocument levendbarende hagedis (Zootoca vivipara). Versie 1.0 juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12 (2024). Juridisch Kader behorende bij de Kennisdocumenten Soorten, versie 2.0 januari 2024. BIJ12, Utrecht. BIJ12 (2024). Kennisdocument kleine marterachtigen Bunzing - Hermelijn – Wezel. Versie 1.0 januari 2024. BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S. K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center &EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Broekmeyer, M.E.A., E.P.A.G. Schouwenberg, M. van der Veen, D. Prins & C.C. Vos (2005). Effectenindicator Natura 2000gebieden; achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Alterra-rapport 1375, Alterra, Wageningen. https://edepot.wur.nl/44536 Broekmeyer, M.E.A., E.P.A.G. Schouwenberg, M. van der Veen, D. Prins, & C.C. Vos (2008). Effectenindicator Natura 2000gebieden. Aanvulling bij Alterra-rapport 1375 uit 2005. Alterra, Wageningen. https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicator.aspx Broekmeyer, M.E.A. (2010). Update effectenindicator 2009. Wageningen, Alterra-rapport 1976, Alterra, Wageningen. https://edepot.wur.nl/134147 Creemer, R.C.M.
en J.J.C.W. van Delft (RAVON) (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.
Internet Boerenbunder (2024). Perceelgegevens. (https://boerenbunder.nl/report/51.69849,5.43157/soil). Laatste raadpleging in maart 2024. NDFF (2024). Nationale databank flora en fauna. Uitvoerportaal (https://ndff-ecogrid.nl). Laatste raadpleging in maart 2024. RAVON (2024). Website met soortinformatie over de Nederlandse reptielen, amfibieën en vissen (http://www.ravon.nl). Laatste raadpleging in maart 2024. Sovon (2024). Website met soortinformatie over de Nederlandse vogels (http://www.sovon.nl). Laatste raadpleging in januari 2024. Zoogdiervereniging (2024). Website met soortinformatie over de Nederlandse zoogdieren (http://www.zoogdiervereniging.nl). Laatste raadpleging in januari 2024.
25
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
Bijlagen
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
Bijlage 1 Natuur in de Omgevingswet: Wettelijke kaders Kader B1.1: Algemene zorgplicht Algemene zorgplicht (Afd 1.3 Ow) De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht, uitgewerkt in de artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a van de Omgevingswet. Deze geeft aan dat eenieder (overheden, bedrijven en burgers) verantwoordelijk is voor een veilige en gezonde leefomgeving, door nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en ongedaan te maken. Het bevat ook een algemeen verbod op het verrichten van activiteiten die leiden tot aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In principe geldt de algemene zorgplicht altijd, tenzij er een specifieke zorgplicht is uitgewerkt voor bepaalde activiteiten.
Kader B1.2: Flora en fauna Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Besluit algemene leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle in het wild levende dieren en planten, met inbegrip van de relevante directe leefomgeving van soorten (foerageergebied, rustplaatsen). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht (zie kader B1.1). Iedereen die een activiteit uitvoert met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten (‘flora- en fauna-activiteit’), moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27 lid 1 van het Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat onderzoek wordt verricht naar het voorkomen van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.
Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I VR en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de VR; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V van de HR; • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX van het Bal). De kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten is dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid, van het Bal wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. In art. 11.27, tweede lid, onder b, van het Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te hebben voldaan, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een quickscan of nader onderzoek wordt vastgelegd.
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
Flora- en fauna-activiteit Bij het uitvoeren van activiteiten in de leefomgeving moet op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet beoordeeld worden of sprake is van: 1. een flora- en fauna-activiteit en 2. of voor de gevolgen van een flora- en fauna-activiteit een omgevingsvergunningplicht geldt. Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van het Besluit algemene leefomgeving (Bal) zijn de handelingen genoemd waarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is ten aanzien van de daarin genoemde beschermde dieren en planten in het wild. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 van het Bal), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 11.46 van het Bal.
• Andere soorten (artikel 11.54 van het Bal), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een omgevingsvergunning vereist kan zijn (bijlage IX van de HR). – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt (artikel 11.56 van het Bal). Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt. Voorafgaand aan het vaststellen van een plan moet in het geval van schadelijke handelingen zijn beoordeeld of er zicht is op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Als aantoonbaar zicht is op het verkrijgen van een omgevingsvergunning kan het plan worden vastgesteld.
Kader B1.3: Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden In het Besluit algemene leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden (en bijzondere nationale natuurgebieden) (art. 11.6 van het Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevlogen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6 lid 1 van het Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze mogelijke gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6 lid 2 onder d van het Bal), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6 lid 2 onder f van het Bal). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord.
De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten maar ook voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, maar die niet significant zijn (zoals verstorende of verslechterde gevolgen). Natura 2000-activiteit De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Bij een project moet beoordeeld worden of sprake is van een ‘Natura 2000-activiteit’. Dat is een ‘activiteit (het realiseren van een project) die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. Of sprake is van een Natura-2000-activiteit wordt onderzocht in een voortoets. Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1 lid 1 van de Ow). De term ‘Natura 2000-activiteit’ geldt alleen voor projecten. Voor plannen is er een ander afwegingskader dat, hoewel vergelijkbaar met een Natura 2000-activiteit, elders in het stelsel Omgevingswet is verankerd. Een plan mag volgens art. 10.24 Bkl worden
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
vastgesteld als uit een passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de Omgevingswet de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als er uit de voortoets naar voren komt dat de activiteit geen ‘Natura 2000-activiteit’ is, of als er sprake is van een vergunningsvrij geval, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied’. Hoewel voor deze type activiteit geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing.
Kader B1.4: Houtopstanden Specifieke zorgplicht houtopstanden In het Besluit algemene leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor houtopstanden (art. 11.116 van het Bal). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht (zie kader B1.1). Iedereen die een activiteit uitvoert waarbij een beschermde houtopstand wordt geveld en grond wordt herbeplant, moet nadelige gevolgen voor de natuurbescherming, het bosareaal en landschappelijke waarden zoveel mogelijk voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is moeten gevolgen worden beperkt of ongedaan gemaakt (art. 11.116 van het Bal). Houtopstanden Afdeling 11.3 van het Besluit algemene leefomgeving (Bal) regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij het Bal beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen, én die zich bevindt buiten de bebouwingscontour houtkap. De bebouwingscontour houtkap (art. 11.111 lid 2 van het Bal) is (door de gemeente) vastgelegd in een omgevingsplan (art. 5.165b van het Bkl).
In bepaalde gevallen is er - ondanks dat aan genoemde voorwaarden voldaan wordt - alsnog geen sprake van een beschermde houtopstand, bijvoorbeeld wanneer deze zich bevindt op een erf of in een tuin (art. 11.111 lid 2 van het Bal). Voor het vellen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt een meldplicht (art. 11.126 van het Bal) en herplantplicht (art. 11.129 van het Bal). Het voornemen tot velling moet tijdig gemeld worden bij bevoegd gezag; waarbij de termijn bepaald wordt door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt (art. 11.113 van het Bal), soms is dat het Rijk (art. 11.114 onder a van het Bal). Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant (art. 11.129 van het Bal). Provinciale staten kunnen in de omgevingsverordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.
Kader B1.5: Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en uitgewerkt in provinciale omgevingsverordeningen. In het Bkl staat dat bij omgevingsverordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen, waarbij tevens de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden worden vastgesteld. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van omgevingsplannen en projectbesluiten. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen of nabij het NNN, waarbij een omgevingsplan gewijzigd moet worden dan wel een projectbesluit wordt verleend, geldt een ‘ja, mits’-afweging. Dit houdt kortweg in dat aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN alleen toegestaan is als deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in de omgevingsverordening en verankerd in de omgevingsplannen.
Quickscan natuurtoets Zonnepark Heidebos
Bijlage 2 Ecologisch logboek Handeling
Datum
Locatie
Paraaf ecologisch toezichthouder
Eventuele bijzonderheden/ opmerkingen
Stikstofberekenen.nl Hedgehog B.V. Donauweg 10 1043 AJ Amsterdam KvK: 81465130 info@stikstofberekenen.nl T: +31 (0)20 299 1733 www.stikstofberekenen.nl
AERIUS Berekening Zonnepark Heidebos te Berlicum
Opdrachtgever
Sunvest
Projectcode
2024.112
Datum
19 april 2025
Auteur
Dhr. R. H. Vieira Rijo
Controleur
Dhr. P. Kuipers
Zonnepark Heidebos te Berlicum Opdrachtgever
Sunvest Ontwikkeling B.V. Nijverheidsweg 16A, Unit 2A2 3534 AM Utrecht
Contactpersoon
Sisca Broersma sisca@sunvest.nl +31 (0)6 26 03 75 33
Projectcode
2024.112
Datum
19 april 2025
Opdrachtnemer
Stikstofberekenen.nl Hedgehog B.V. Donauweg 10 1043 AJ Amsterdam KvK: 81465130 info@stikstofberekenen.nl T: +31 (0)20 299 1733 www.stikstofberekenen.nl
Auteur
Dhr. R. H. Vieira Rijo Senior Sustainability Expert
Controleur
Dhr. P. Kuipers Senior Sustainability Expert
Disclaimer: Alle door ons aangeleverde gegevens zijn geheel uitsluitend bestemd voor de geadresseerden. Alle gegevens en bronnen die de grondslag zijn voor de resultaten en conclusie, zijn in overleg met of door de opdrachtgever aangeleverd. Ten aanzien van de juistheid van deze gegevens en bronnen kunnen wij dan ook geen aansprakelijkheid aanvaarden.
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
1
Inhoudsopgave 1. Samenvatting
3
2. Inleiding
4
3. Toetsingskader
5
4. Gegevens
6
4.1 Aanlegfase
6
4.1.1 Materieel
6
4.1.2 Verkeersgeneratie
7
4.1.3 Koude starts
8
4.1.4 Stationair draaien
8
4.1.5 Verharding toegangsweg (aanlegfase “scenario 2”)
8
4.2 Beoogde gebruiksfase
9
4.2.1 Verkeersgeneratie
9
4.2.2 Koude starts
9
4.2.3 Beweiding schapen
10
5. Resultaten
11
6. Bijlagen
12
Bijlage 1: AERIUS-berekening aanlegfase + gebruiksfase
13
Bijlage 2: AERIUS-berekening aanlegfase scenario 2 + gebruiksfase
14
Bijlage 3: Situatietekeningen
15
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
2
1. Samenvatting Voor de aanlegfase (2 scenario’s) en beoogde gebruiksfase van het zonnepark Heidebos te Berlicum (op percelen BLC00-M-593, BLC00-M-594, BLC00-M-595 & BLC00-M-132) is in juni 2024 een stikstofdepositie berekening uitgevoerd. In scenario 2 van de aanlegfase iss het verharden van de weg op perceel BLC00-M-124 ook meegenomen. In dit rapport zijn de berekeningen geüpdatet conform de momenteel recentste AERIUS-Calculator (versie 2024.1.3). Tevens zijn de aanlegfase(s) en gebruiksfase samengevoegd in één berekening, om zo de stikstofemissies van een heel aaneengesloten jaar in kaart te brengen. Daarnaast is de beoogde gebruiksfase aangepast met nieuw aangeleverde gegevens vanuit de opdrachtgever. De uitkomsten bedragen in alle scenario’s en op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jr.
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
3
2. Inleiding Op percelen BLC00-M-593, BLC00-M-594, BLC00-M-595 & BLC00-M-132 (toegangsweg bij Werststeeg 67) te Berlicum is het voornemen om zonnepark Heidebos (ca. 7 hectare) te realiseren. Deze ruimtelijke ingreep resulteert in een tijdelijke toename van stikstofemissie, daarnaast zal in de gebruiksfase een verandering in stikstofemissie plaatsvinden ten gevolge van de nieuwe situatie. Mogelijk kan deze stikstofemissie een meetbaar effect hebben op omliggende Natura 2000-gebieden. Om de hoeveelheid te bepalen is een berekening van de stikstofdepositie vereist middels de AERIUS Calculator versie 2024.1.3, een tool beschikbaar gesteld door het RIVM waarmee de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden kan worden berekend. Deze berekening is uitgevoerd voor de aanlegfase en gebruiksfase tezamen. Er zijn 2 berekeningen opgesteld, in scenario 2 wordt het verharden van de weg op perceel BLC00-M-124 ook betrokken. Op basis van de uitkomst van deze berekening kan de vergunningverlener vervolgstappen bepalen. De basis voor de stikstofdepositie-berekeningen in dit rapport zijn de gegevens aangeleverd door de opdrachtgever. Natura 2000-gebieden relevant voor de berekening van stikstofemissie en depositie ten gevolge van dit project zijn weergegeven in tabel 1. Nabijgelegen Natura 2000-gebieden Gebied
Afstand tot bouw inrichting (km)
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
8,42
Tabel 1: Nabijgelegen Natura 2000-gebied(en)
Afbeelding 1: Bouw inrichting (1) t.o.v. Natura 2000-gebied(en)
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
4
3. Toetsingskader In het kader van de Omgevingswet dienen bij activiteiten of veranderingen van activiteiten deze getoetst te worden op stikstofdepositie middels de AERIUS Calculator (versie 2024.1.3). Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden1. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruiken initiatiefnemers het nieuwe Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Wanneer uit deze toetsing blijkt dat er geen meetbare depositie voortkomt uit de onderzochte activiteiten, kan ten minste worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied. In dit geval kan qua stikstof aspecten er toestemming worden verleend voor de omgevingsvergunning. Onder de Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), met ingang per 1 juli 2021, was de bouwfase van projecten vrijgesteld2. Echter, op 2 november 2022 heeft de Raad van State in de zaak over het zogenoemde Porthos-project besloten dat deze bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht3.
Uit de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg volgt allereerst dat alleen toestemming voor een project mag worden gegeven als uit onderzoek blijkt dat zeker is dat individuele beschermde natuurgebieden daardoor geen schade oplopen. De rechtspraak over het intern salderen bij de beoordeling van de gevolgen van projecten voor de natuur wijzigt4. In de kern komt het erop neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken in de zogenoemde voortoets, dus bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen mag wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend. De mogelijkheden voor het intern salderen worden hierdoor beperkt (zie kader). Dit zijn de belangrijkste conclusies van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van vandaag (18 december 2024) over de natuurvergunning voor het bedrijf Rendac Son B.V en een soortgelijke uitspraak over de Amercentrale van RWE. De Afdeling bestuursrechtspraak wijzigt met deze uitspraak haar eerdere rechtspraak uit 2021. Het nieuwe beoordelingskader is direct van toepassing en heeft gevolgen voor alle lopende en toekomstige vergunningsprocedures.
Maar het heeft ook gevolgen voor activiteiten die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 met toepassing van intern salderen zijn gerealiseerd en waarvoor op grond van het oude beoordelingskader geen natuurvergunning nodig was. Wel geeft de Afdeling bestuursrechtspraak voor deze gevallen een overgangsregeling tot 1 januari 2030.
1
Informatiepunt Leefomgeving - Nieuw Omgevingsloket (1 januari 2024) Stikstofwet gaat in per 1 juli 2021 | Nieuwsbericht | Ons Levend Landschap 3 Bouwvrijstelling stikstof van tafel, maar geen algehele bouwstop - Raad van State 4 Rechtspraak over Intern Salderen wijzigt - Raad van State 2
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
5
4. Gegevens 4.1 Aanlegfase In overleg met de opdrachtgever zijn de gegevens betreffende de bouwperiode bepaald en opgesteld. Hierbij is als uitgangspunt een ruime benadering gedaan van het materieel en verkeersbewegingen die gegenereerd zullen worden tijdens de realisatie. De inschatting van uren betreft de totale draaiuren inclusief het stationair draaien. De bouwperiode duurt om en nabij 4-5 maanden.
4.1.1 Materieel Middels de datasheet ‘Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines’5 is vanuit het bouwjaar en het maximaal vermogen (kW) van de mobiele werktuigen het brandstofverbruik per uur vastgesteld. Voor de motorbelasting is een gemiddelde van 40% aangehouden. Het AdBlue verbruik is berekend met behulp van de volgende formule: AdBlue = AdBlue verbruik in Liter per jaar BV = Brandstofverbruik in Liter per jaar t = Draaiuren in uur per jaar V = Verbruik (gekoppeld aan bouwjaar en max. vermogen (kW)) in Liter per uur
AdBlue = BV * 0,06 ( BV = t * V )
De uitkomsten die de invoer vormen voor de AERIUS Calculator zijn weergegeven in tabel 2.
Materieel
Aantal
Stageklasse
Bouwjaar
Vermogen (kW)
Draaiuren
Gem.
Verbruik
Verbruik
per
Belasting
machine
totaal
machine
(%)
(L/u)
(L/j)
Draaiuren in totaal
AdBlue verbruik (L/j)
Graafmachine
1
Stage V
2019
160
60
40.00%
17.22
1033
60
62
Mobiele kraan
1
Stage V
2019
180
40
40.00%
19.31
772
40
46
Mini hei-/boorstelling
3
Stage IV
2015
40
32
40.00%
4.88
469
96
-
Minigraver
1
Stage IV
2014
20
48
40.00%
2.77
133
48
-
Bobcat
3
Stage V
2019
20
48
40.00%
2.65
382
144
-
Verreiker
1
Stage IV
2014
80
120
40.00%
9.31
1117
120
67
Betonpompmixer
1
Stage IV
2014
200
8
40.00%
22.47
180
8
11
Volta Solar
1
Stage V
2019
60
32
40.00%
6.79
217
32
13
Tabel 2: Invoer mobiele werktuigen aanlegfase 5
AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): NOx & NH3 uitstoot van mobiele werktuigen - TNO
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
6
4.1.2 Verkeersgeneratie Daarnaast zullen er tijdens de aanlegfase verkeersbewegingen veroorzaakt worden ten behoeve van het vervoer van goederen en diensten. De verkeersbewegingen zijn ingetekend over de route tot aan de op-/afrit A59, waar tenminste kan worden aangenomen dat deze opgaan in het al bestaande verkeersbeeld6. De verkeersgeneratie is in beide richtingen (A→B & B→A) ingetekend, om zowel de aan- als de afrijbewegingen te modelleren. De gegevens hiervan zijn opgemaakt in overleg met de opdrachtgever. Er is – om een realistischer beeld te schetsen van het verkeer – 10% filevorming aangenomen. De verkeersinput in AERIUS is weergegeven in tabel 3. Soort verkeer
Voertuigbewegingen per jaar
Licht verkeer
520
Middelzwaar verkeer
130
Zwaar vrachtverkeer
70
Tabel 3: Invoer voertuigbewegingen aanlegfase
Afbeelding 2: Bouw inrichting (1) en verkeersroute tot aan de op-/afrit A59
6
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu - CIMLK Kaart
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
7
4.1.3 Koude starts In AERIUS-Calculator v2024 wordt per 1 oktober 2024 het verkeer opgesplitst in rijdend verkeer en opstartend verkeer. De emissies van voertuigen met een koude motor (d.w.z.: 2 uur of langer stilstaan en vervolgens de motor starten) zijn bij het opstarten tijdelijk veel groter, daarom dient dit als unieke bron te worden ingevoerd7. In AERIUS is deze bron ingetekend als vlakbron van gelijk formaat als het materieel met sectorgroep verkeer, sector koude start: overig. Om een worstcasescenario te schetsen wordt er aangenomen dat alle voertuigen één keer een koude start uitvoeren. Dit resulteert in 260 koude starts voor licht verkeer, 65 voor middelzwaar en 35 voor zwaar vrachtverkeer.
4.1.4 Stationair draaien Bij het lossen/laden van materialen draaien de vrachtwagens stationair. Dit genereert zowel emissie van stikstof als ammoniak. Om een worstcasescenario te modelleren wordt al het zware vrachtverkeer meegenomen. De emissies hiervan zijn berekend op basis van de voorgeschreven methode8. Deze bron is in AERIUS ingetekend als vlakbron, met uitstoothoogte 0,5m. Er wordt aangenomen dat ieder laad-/losmoment ca. 20 minuten duurt, en dat de vrachtwagens zwaarder zijn dan 20 ton. De gebruikte formules zijn hieronder weergegeven en de resultaten in tabel 4. Aantal kg NOx per jaar = aantal vrachtwagens * aantal minuten / 60 * 90,8384 gram NOx per uur / 1000 Aantal kg NH3 per jaar = aantal vrachtwagens * aantal minuten / 60 * 0,9664 gram NH3 per uur / 1000
Aantal vrachtwagens
Aantal minuten
NOx kg/jaar
NH3 kg/jaar
35
20
1,06
0,0113
Tabel 4: NOx en NH3 emissies gedurende laden en lossen in de aanlegfase
4.1.5 Verharding toegangsweg (aanlegfase “scenario 2”) De toegangsweg naar het beoogde zonnepark (perceel BLC00-M-124) is onverhard. Mogelijk is het benodigd om de weg nog (deels) te verharden i.v.m. toegankelijkheid voor hulpdiensten. Of dit daadwerkelijk nodig is, wordt met de veiligheidsregio uitgezocht. Om dit wel mee te nemen, is er in aanlegfase ‘scenario 2’ rekening gehouden met het verharden van deze weg. Middels dezelfde methode als in 4.1.1 Materieel zijn de gegevens opgesteld voor de mobiele werktuigen die ingezet worden bij het verharden van de weg. In tabel 5 op de volgende bladzijde zijn de uitkomsten weergegeven die de invoer vormen voor in de AERIUS-Calculator. 7 8
Handreiking Koude Start - BIJ12 Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2024 p. 72 (jaar 2024)
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
8
Materieel
Aantal
Stageklasse
Bouwjaar
Vermogen (kW)
Draaiuren
Gem.
Verbruik
Verbruik
per
Belasting
machine
totaal
machine
(%)
(L/u)
(L/j)
Draaiuren in totaal
AdBlue verbruik (L/j)
Graafmachine
1
Stage IV
2016
80
32
40.00%
9.14
292
32
18
Trilplaat
1
Stage IV
2014
20
20
40.00%
2.77
55
20
-
Stamper
1
Stage IV
2014
20
24
40.00%
2.77
67
24
-
Tabel 5: Invoer mobiele werktuigen verharden toegangsweg (aanlegfase scenario 2)
4.2 Beoogde gebruiksfase In de beoogde gebruiksfase van het zonnepark zijn er twee bronnen van stikstofemissie te identificeren. Verkeersgeneratie voor check-ups/onderhoud van het zonnepark (onderverdeeld in rijdend en koud opstartend verkeer), en de beweiding door schapen op het terrein.
4.2.1 Verkeersgeneratie De verkeersbewegingen zijn ingetekend over dezelfde route als in de aanlegfase en zijn wederom in beide richtingen (A→B & B→A) gemodelleerd. Ook in deze situatie is 10% filevorming aangehouden. De verkeerscijfers gaan uit van een worstcasescenario. De verkeersgeneratie voor het zonnepark bestaat uit check-ups/onderhoud. Als worst case wordt aangenomen dat er om de week een bestelbusje (licht verkeer) op en neer rijdt. Dit komt neer op 8 lichte verkeersbewegingen per maand. Soort verkeer
Voertuigbewegingen per maand
Koude starts per maand
Licht verkeer
8,0
4,0
Tabel 6: Verkeerscijfers beoogde gebruiksfase Zonnepark Heidebos
4.2.2 Koude starts In AERIUS is deze bron wederom ingetekend als vlakbron, nu over de beoogde beschikbare parkeerruimte op het terrein van het zonnepark met sectorgroep verkeer, sector koude start: overig. Er is door de opdrachtgever geen informatie verstrekt om het aantal koude starts realistisch in te kunnen schatten. Om een worst case aan te houden, wordt aangenomen dat elk alle voertuigen een koude start maken. Hieronder zijn de gebruikte formules weergegeven en de resultaten zijn te vinden in bovenstaande tabel 6. Aantal koude starts licht verkeer = aantal lichte verkeersbewegingen * 0,5
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
9
4.2.3 Beweiding schapen Er wordt door de opdrachtgever verwacht dat er ca. 10-20 schapen op het grasland zullen verblijven. Gedurende het groeiseizoen zullen deze schapen ongeveer elke 2-3 weken rouleren over de vier kwadranten van het terrein. De schapen zullen het grasland dan ongeveer van maart tot oktober begrazen. Wat belangrijk is om te vermelden, is dat er niet wordt bijgevoerd. De schapen halen dus alleen voeding van het terrein. Er worden dus op de plot geen voedingsstoffen toegevoegd. In AERIUS is dit ingetekend als vlakbron over het gehele terrein. Om uit te gaan van een worstcasescenario wordt er gerekend met 20 schapen. Voor één schaap (inclusief lammeren tot 45 kg) bedraagt de emissie door beweiding 0,7 kg NH3 per jaar9. Met 20 schapen resulteert dit in een ammoniakemissie van 14 kg per jaar.
9
Handboek Schapenhouderij - Praktijkonderzoek Veehouderij, WUR
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
10
5. Resultaten In bijlage 1 is de berekening toegevoegd van het projecteffect in de aanlegfase en beoogde gebruiksfase, en in bijlage 2 het projecteffect in aanlegfase ‘scenario 2’ en beoogde gebruiksfase. Het projecteffect bedraagt in alle scenario’s en op alle rekenpunten in omliggende Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage treden geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden.
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
11
6. Bijlagen 1. AERIUS-berekening aanlegfase + gebruiksfase 2. AERIUS-berekening aanlegfase scenario 2 + gebruiksfase 3. Situatietekeningen
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
12
Bijlage 1: AERIUS-berekening aanlegfase + gebruiksfase
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
13
Projectberekening
Projectberekening
₃
S1qxqeqA3KCr (19 april 2025)
ₓ
2/8
Projectberekening
₃
S1qxqeqA3KCr (19 april 2025)
ₓ
3/8
Projectberekening
S1qxqeqA3KCr (19 april 2025)
4/8
Projectberekening
S1qxqeqA3KCr (19 april 2025)
5/8
Projectberekening
ₓ ₃
ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃
ₓ ₃
S1qxqeqA3KCr (19 april 2025)
6/8
Projectberekening
ₓ ₂ ₃
ₓ ₃
ₓ ₂ ₃
ₓ ₃
S1qxqeqA3KCr (19 april 2025)
7/8
Projectberekening
₃
ₓ ₃
S1qxqeqA3KCr (19 april 2025)
8/8
Bijlage 2: AERIUS-berekening aanlegfase scenario 2 + gebruiksfase
stikstofberekenen.nl Project: Projectnr.: 2024.112
14
Projectberekening
Projectberekening
₃
RNvQrL7STGus (19 april 2025)
ₓ
2/8
Projectberekening
₃
RNvQrL7STGus (19 april 2025)
ₓ
3/8
Projectberekening
RNvQrL7STGus (19 april 2025)
4/8
Projectberekening
RNvQrL7STGus (19 april 2025)
5/8
Projectberekening
ₓ ₃
ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃
ₓ ₃
RNvQrL7STGus (19 april 2025)
6/8
Projectberekening
ₓ ₂ ₃
ₓ ₃
ₓ ₂ ₃
ₓ ₃
RNvQrL7STGus (19 april 2025)
7/8
Projectberekening
ₓ ₃
ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃
₃
ₓ ₃
RNvQrL7STGus (19 april 2025)