CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.6 Herstelbesluit bp Woonlocatie Laarzicht - Bijlagen toelichting (1407150)

Commissie Leefomgeving en Duurzaamheid Sint-Michielsgestel 17 juni 2026, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling herstelbesluit bestemmingsplan Woonlocatie Laarzicht, Middelrode17.112 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.1.3

Grondgebonden zoogdieren

5.1.3.1

Das Binnen het onderzoeksgebied is een bewoonde vluchtpijp van das aanwezig in het maisperceel aan de Christinastraat. Uit het dassenonderzoek (Sweco, 2021) is aangetoond dat het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied onderdeel vormt van het leefgebied van de das. Het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied wordt door Sweco als geschikt secundair foerageergebied beoordeeld. Door de ingreep gaat een deel van het leefgebied van de das en de vluchtpijp verloren, waarbij mogelijk verbodsartikel 3.10 lid 1: het is verboden om de vaste voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of vernielen wordt overtreden De paardenweide aan de Zandstraat 37 wordt ook beoordeeld als (mogelijk) foerageergebied van de das. Binnen het perceel aan de Zandstraat 37 zijn geen sporen, wissel en holen aangetroffen van das. Echter vinden op dat perceel geen ontwikkelingen plaats en blijft het een paardenweide. Effecten op de das kunnen worden uitgesloten

5.1.3.2

Steenmarter Mogelijke rustplaatsen van steenmarter zijn aanwezig in de bebouwing binnen het onderzoeksgebied. Er zijn geen poepsporen aangetroffen in de stallen, maar gezien de vele ruimtes waarin de steenmarters kunnen verblijven is het aannemelijk dat het geschikt leefgebied van de steenmarter aanwezig is binnen de bebouwing. Hieruit kan worden aangenomen dat de steenmarter gebruik maakt van het onderzoeksgebied. Vervolgonderzoek is noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de bebouwing binnen het onderzoeksgebied onderdeel vormt van het functionele leefomgeving van steenmarter.

26

5.1.3.3

Kleine marterachtigen Mogelijke rustplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) zijn binnen en grenzend aan het onderzoeksgebied aanwezig in de vorm van greppels met ruigte, rommelhoekjes en opslagplaatsen. Binnen de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van wezel en bunzing op korte afstand van het onderzoeksgebied. Echter de soorten kunnen op het gebied van terreinkenmerken voorkomen binnen het onderzoeksgebied. Marters zijn minder strikt gebonden aan een specifiek foerageerbiotoop, maar foerageren naar verwachting in de geruime omgeving van het onderzoeksgebied, waar deels geschikt leefgebied aanwezig is. Dit zijn voornamelijk de randen van het onderzoeksgebied. Een optimaal habitat met veel woelmuizen is minimaal 1 hectare groot (provincie Noord-Brabant, 2017). Binnen het onderzoeksgebied is een diversiteit van biotopen en leefgebieden aanwezig en komen waarschijnlijk meerdere muizensoorten voor rond en op de boerderij. Op basis hiervan betreft het onderzoeksgebied een potentieel geschikt foerageergebied voor kleine marterachtigen. Er is sprake van mogelijk essentieel foerageerbiotoop dat verloren gaat tijdens de ontwikkeling van het gebied. Hierdoor kan niet uitgesloten worden dat de werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied leiden tot een verlies aan verblijfplaatsen en geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen.

5.1.3.4

Egel, haasachtigen en algemeen voorkomende muizensoorten Het onderzoeksgebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende muizensoorten, haas, konijn en egel. Voor deze soorten geldt dat deze door provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming (bijlage 3). De omgeving van het onderzoeksgebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten kunnen mogelijk worden gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden vernield (Wnb artikel 3.10.1).

5.1.4

Amfibieën Binnen het onderzoeksgebied zijn geen geschikte voortplantings- en landhabitats aanwezig voor de vrijgestelde soorten, zoals gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander. Echter kunnen sporadisch dieren voorkomen binnen het onderzoeksgebied. Voor deze soorten geldt dat tijdens de uitvoer van de werkzaamheden de zorgplicht (artikel 1.11) in acht genomen dient te worden.

27

5.2

Beschermde gebieden In de omgeving van het onderzoeksgebied zijn, zoals beschreven in hoofdstuk 4 beschermde natuurgebieden gelegen. Aangegeven wordt, welke effecten deze gebieden (mogelijk) kunnen ondervinden van de voorgenomen ingrepen.

5.2.1

Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en is gelegen op een afstand circa 8 km van het onderzoeksgebied gelegen (tabel 2). Het project ruimte voor ruimte is voornemens op een voormalig agrarisch bedrijf woningbouw te realiseren. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand van de omliggende Natura 2000-gebieden tot het onderzoeksgebied (het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 8 km) en de ligging van het perceel in bebouwd gebied, zijn externe effecten zoals veranderingen in waterstanden, licht en geluid uitgesloten. Sinds 1 juli jl. is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en alsmede het Besluit (Bsn) in werking getreden. Dit betekent dat voor de aanlegfase een stikstofdepositieonderzoek niet langer noodzakelijk is. Voor de gebruiksfase is een stikstofdepositieonderzoek nog steeds noodzakelijk, wanneer effecten als gevolg van stikstofdepositie op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. Na realisatie van de woningen ontstaat er een toename van het aantal verkeersbewegingen.

Gezien de omvang van het project en de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de nieuwbouw, is een toename van de stikstofdepositie (verzuring of vermesting) op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten.

5.2.2

Provinciale gebiedsbescherming Zie hier paragraaf 4.2. Hieruit blijkt dat het onderzoeksgebied niet gelegen is binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en de Ecologische verbindingszone (EVZ). Op ongeveer vijfhonderd meter oostelijk ligt een gebied (Leigraaf) dat is aangewezen als NNB. Door de ontwikkeling worden de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNB en de EVZ dan niet aangetast.

5.2.3

Houtopstanden Er worden geen bomen en houtopstanden gekapt. Het onderdeel Houtopstanden en bomenlijst van de gemeente Sint-Michielsgestel is niet van toepassing. Zie hiervoor paragraaf 4.3.

28

6

CONCLUSIES Op basis van de resultaten uit dit verkennend flora- en faunaonderzoek, blijkt dat met de voorliggende werkzaamheden negatieve effecten veroorzaakt kunnen worden op een aantal beschermde diersoorten en beschermde gebieden. Voor de verschillende soort(groep)en wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen in gevaar kan brengen. Eventueel te treffen vervolgstappen worden daarbij aangegeven. Tot slot is vermeld welke gevolgen de gebiedsbescherming heeft voor de uitvoering van dit project.

6.1

Beschermde soorten Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij uitvoering van de ingreep mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels, vleermuizen en amfibieën. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten.

6.1.1

Huismus – aanvullend onderzoek De bebouwing binnen het onderzoeksgebied valt waarschijnlijk binnen het broedgebied van huismus. De soort is tijdens het veldbezoek ook waargenomen binnen het onderzoeksgebied. Vervolgonderzoek naar de huismus is dan ook noodzakelijk.

6.1.2 6.1.2.1

Steenuil Steenuil Zandstraat 37 – aanvullend onderzoek Christinastraat Binnen het onderzoeksgebied is een steenuil territorium aanwezig, die broed in een aanwezige nestkast aan de Christinastraat. Voor dit paar dient een compensatieplan te worden opgesteld, waaronder ook de nestkast verplaatst dient te worden en het foerageergebied dat verloren gaat dient gecompenseerd te worden.

6.1.2.2

Steenuil Christinastraat – mitigatie en compensatie In de directe omgeving zijn meerdere steenuilenterritoria aanwezig, waardoor niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het perceel aan de Zandstraat 37 onderdeel vormt van het leefgebied van een (andere) steenuil paartje. Het perceel (bebouwing) van Zandstraat 37 is ook een mogelijk geschikt leefgebied voor de steenuil, waardoor niet is uit te sluiten dat steenuil een vaste rust- en verblijfplaats. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de weilanden binnen het onderzoeksgebied ook onderdeel vormen als foerageergebied van steenuil. Vervolgonderzoek naar steenuil aan de Zandstraat 37 is noodzakelijk om dit aan te kunnen tonen.

6.1.3

Omgevingsscansoorten en algemene broedvogels – rekening houden met het broedseizoen In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen daarom uitgevoerd of op zijn minst aangevangen te worden buiten het broedseizoen van in de omgeving voorkomende broedvogels. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli. Deze periode is echter afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort, waardoor het mogelijk kan zijn dat vogelsoorten eerder tot broeden komen binnen het onderzoeksgebied of langer broeden dan half juli. Als broedtijd van vogels wordt de periode tussen de bouw van het nest en het uitvliegen van de kuikens beschouwd. Indien het niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de vegetaties. Indien nesten afwezig zijn, kan de locatie vrijgegeven worden voor de werkzaamheden.

29

De ontwikkeling van het onderzoeksgebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op algemene broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1 lid1) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1 lid 2). Het is hiernaast mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1 lid 4).

6.1.4

Vleermuizen – aanvullend onderzoek verblijfplaatsen en rekening houden met verlichting Mogelijk hebben meerdere vleermuissoorten een vaste rust- en/of verblijfplaats hebben in de gebouwen die gesloopt gaan worden. Het is van belang om vast te stellen of in het te slopen bebouwing verblijfplaatsen aanwezig zijn. Als het gebouw in gebruik is als verblijfplaats voor vleermuizen, is er bij de sloop van het gebouw sprake van een vernietiging van een vaste verblijfplaats en is een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist (Wnb artikel 3.5 lid 4). Daarbij dient bij de uitvoering van de werkzaamheden en bij toekomstige inrichting van het gebied negatieve effecten als gevolg van het gebruik van kunstmatige verlichting gericht op de naastgelegen bomen en struiken voorkomen te worden.

6.1.5

Das – voor locatie Christianstraat compensatie- en mitigatieplan opstellen en ontheffingsaanvraag Binnen het onderzoeksgebied is een bewoonde vluchtpijp van das aanwezig. Door de geplande ontwikkeling gaat een deel van het leefgebied verloren van de das. Hiervoor dient een mitigatie en compensatieplan voor worden uitgevoerd.

6.1.6

Steenmarter – vervolgonderzoek De bebouwing binnen het onderzoeksgebied vormen mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen voor steenmarter. Door deze geplande ingreep (sloop) is het mogelijk dat eventueel aanwezige nestplaatsen worden vernietigd. Vervolgonderzoek dient aan te tonen of steenmarters gebruik maken van de aanwezige bebouwing binnen de bebouwing aan de Zandstraat 37.

6.1.7

Kleine marterachtigen – vervolgonderzoek Kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) hebben mogelijk verblijfplaatsen en/of foerageergebied binnen het onderzoeksgebied. Met name aan de randen van het onderzoeksgebied. De ingreep kan een tijdelijk effect hebben op een deel van het leefgebied van deze kleine marterachtigen hebben, waardoor in het ergste geval holen en of nesten worden vernield. Door de geplande ingreep verdwijnt waarschijnlijk een deel van geschikt leefgebied van de marterachtigen. Vervolgonderzoek naar de habitatgeschiktheid van kleine marterachtigen dient te worden uitgevoerd om aan te tonen of het onderzoeksgebied een essentieel leefgebied is van kleine marterachtigen.

6.1.8

Algemeen voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten – rekening houden met de zorgplicht Het onderzoeksgebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten. De omgeving van het onderzoeksgebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1). De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.

30

6.2

Beschermde gebieden

6.2.1

Natura 2000-gebieden – stikstofdepositieonderzoek Zoals beschreven in hoofdstuk 5 kan op voorhand niet worden uitgesloten dat door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) in de gebruiksfase negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiertoe dient een aanvullend stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden.

6.2.2

Provinciale gebiedsbescherming – negatieve effecten uitgesloten Het onderzoeksgebied valt buiten de begrenzing van het NNB. Vervolgstappen in het kader van het NNB zijn daarom ook niet aan de orde.

6.2.3

Houtopstanden – negatieve effecten uitgesloten Bij de ingreep worden geen bomen gekapt. Artikel 4.2. Houtopstanden van de Wet natuurbescherming zijn niet van toepassing. De opgestelde bomenlijst die gemeente Sint-Michielsgestel hanteert is niet van toepassing.

31

6.3

Conclusies samengevat In de onderstaande tabel zijn alle soorten opgenomen die uit het verkennend onderzoek naar voren zijn gekomen en waar aanvullend onderzoek en/of aanvullende maatregelen voor getroffen dienen te worden. Tabel 3. Samenvattende tabel flora en fauna onderzoeken. Soortgroep Effect Huismus Doden of verwonden van vogels en/of het vernielen van eieren of nesten. Steenuil

Mogelijke verstoring en/of het doden of verwonden van vogels en/of het vernielen van eieren of nesten.

Overige vogels met jaarrond beschermde nesten Omgevingsscansoorten en algemeen voorkomende broedvogels Vleermuizen

Geen

Das

Verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Steenmarter

Mogelijke verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Kleine marterachtigen

Mogelijke verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Algemeen voorkomende amfibieën-, zoogdieren, enz.

De werkzaamheden hebben mogelijk een (tijdelijk) negatief effect op aanwezige algemeen voorkomende amfibieën-, zoogdieren- en leefgebied Effect Mogelijk negatief effect door stikstofdepositie Geen Geen

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden NNB/EVZ Houtopstanden

Doden of verwonden van vogels en/of het vernielen van eieren of nesten Mogelijke verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Vervolgstappen Soortgericht onderzoek naar het voorkomen van huismus bebouwing aan de Zandstraat 37. Zie ook paragraaf 6.1.1 Soortgericht onderzoek uitvoeren steenuil aan de Zandstraat 37. Zie ook paragraaf 6.1.2.1. Voor de nestlocatie aan Christianastraat dient mitigatie en compensatie te worden geregeld. Zie ook paragraaf 6.1.2.2. Geen Rekening houden met het broedseizoen (half maart tot half juli). Nader onderzoek is nodig naar aanwezige verblijfplaatsen in het te slopen bebouwing Zandstraat 37. Opstellen compensatie- en mitigatieplan voor locatie Christianastraat. Zie paragraaf 5.1.3.1 en 6.1.5. Vervolgonderzoek uitvoeren naar het voorkomen van steenmarter in de te slopen bebouwing Zandstraat 37. Habitat geschiktheid onderzoek kleine marterachtigen. Inachtneming van de zorgplicht (artikel 1.11)

Vervolgstappen Stikstofdepositieonderzoek Geen Geen

32

7

GERAADPLEEGDE LITERATUUR Chinery, M., 2004. Nieuwe insecten gids. Tirion Natuur, Baarn Diepenbeek, A. van, Twisk, P., 2013. Veldgids, Diersporen. KNNV Uitgeverij, Zeist. Dietz, C. en A. Kiefer, 2017. Veldgids, Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist Schauer, T., C. Caspari, en S. Caspari, 2016. Nieuwe plantengids voor onderweg. Kosmos Uitgevers, Utrecht. Stumpel, T. en H. Strijbosch 2017. Veldgids, Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Zeist Svensson, L., 2016. ANWB vogelgids van Europa. ANWB B.V., Den Haag Sweco, 2021. Risicoanalyse ecologie Middelrode RvR t.a.v. de Das. Referentienummer SWNL0277551 Sweco, 2021. Veldonderzoek Middelrode. Resultaten nader soortenonderzoek naar steenuil in het kader van de Wet natuurbescherming. Referentienummer SWLN0278603M Twisk, P., A. van Diepenbeek en J.P. Bekker, 2016. Veldgids Europese zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV, Zeist. Nationale Databank Flora en Fauna Nationale Databank Flora en Fauna: gegevensexport op 26-10-2021. Websites www.floron.nl www.minez.nederlandsesoorten.nl www.overheid.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.brabant.nl www. Sint-Michielsgestel.nl

33

BIJLAGEN

B1 NATUURBESCHERMING In deze bijlage vindt een beknopte toelichting plaats op de bescherming van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast wordt een korte toelichting gegeven op beschermde natuur die valt onder het Natuurnetwerk Nederland, welke is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Daarnaast wordt aangegeven of sprake is van provinciale gebiedsbescherming binnen of nabij het onderzoeksgebied.

B1.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is van kracht sinds 1 januari 2017 en regelt zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van Natura 2000-gebieden en houtopstanden. Daarmee vervangt de Wet natuurbescherming de inmiddels vervallen Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Op grond van de Wet natuurbescherming zijn aan Gedeputeerde Staten van de provincies diverse bevoegdheden toegekend. De provincies zijn met ingang van de Wet natuurbescherming (in de meeste gevallen) bevoegd gezag voor ontheffingen, vergunningen en meldingen op grond van deze wet. De provincies hebben allen voor hun eigen provincie de bevoegdheden uitgewerkt in verordeningen of beleidsregels. In de provinciale regelingen komen de volgende thema’s aan de orde: faunabeheer, jacht, schadebestrijding, vrijstelling soorten, gebiedsbescherming, houtopstanden en natuurbeleid. Voor zover relevant, is in de onderstaande paragrafen aandacht besteed aan de provinciale uitwerking van de Wet natuurbescherming.

B1.1.1 Bescherming planten- en diersoorten Bescherming op grond van de Wet natuurbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De wet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Vogelrichtlijnsoorten Voor Vogelrichtlijnsoorten zijn de relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, opgenomen in artikel 3.1. Op grond van dit artikel is het verboden: Opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels te doden of te vangen. Opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Opzettelijk vogels te verstoren. Dit verbod is alleen van toepassing wanneer hierdoor een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding optreedt. Een ontheffing van de verbodsbepalingen voor Vogelrichtlijnsoorten kan worden verleend door Gedeputeerde Staten. Provinciale Staten hebben onder deze wet de bevoegdheid gekregen tot het verlenen van vrijstellingen, opgenomen in provinciale verordeningen. Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (o.a.) een belang: In het kader van volksgezondheid of openbare veiligheid.

In het kader van de veiligheid van het luchtverkeer. In het kader van bescherming van flora en fauna. Daarbij wordt tevens getoetst of de staat van instandhouding van de soort niet verslechtert. Nest- en rustplaatsen van vogels – jaarrond beschermde nesten Voor een aantal vogelsoorten geldt dat het nest ook buiten het broedseizoen beschermd is. Hiertoe is door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in 2009 een indicatieve lijst met soorten opgesteld. De provincies Limburg en Overijssel hebben hiervoor inmiddels eigen beleid ontwikkeld. Voor de andere 10

B1-1

provincies geldt dat de opgestelde lijst door het Ministerie van LNV gehanteerd wordt. Hierbij zijn vijf categorieën vaste nesten te onderscheiden: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, daarbuiten in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw, huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die (vrijwel) elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil, slechtvalk). 4. Nesten van vogels die jaar in, jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd, ransuil). 5. Nesten van vogels die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar tevoren hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (bijvoorbeeld oeverzwaluw, ekster en groene specht).

Een omgevingscheck door een deskundige dient uit te wijzen of in de omgeving voldoende gelegenheid is om zelfstandig een nieuw nest te bouwen of te zoeken.

Habitatrichtlijnsoorten De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor Habitatrichtlijnsoorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Dit artikel stelt een verbod op het: Opzettelijk doden of vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn. Opzettelijk verstoren van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV onderdeel b van de Habitatrichtlijn, bijlage I van het Verdrag van Bern. Ook voor de verbodsbepalingen voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen. Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend, wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (o.a.) een belang: In het kader van bescherming van flora en fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats.

In het kader van volksgezondheid, openbare veiligheid of andere redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten Tot slot zijn een aantal planten- en diersoorten in de Wet natuurbescherming aangewezen als nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn alleen beschermd op grond van de Nederlandse wet en zijn niet genoemd in Europese richtlijnen of verdragen. De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor de nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de wet. Het is verboden: Opzettelijk in het wild levende dieren van de nationaal beschermde soorten te doden of te vangen.

B1-2

-

Opzettelijk vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van nationaal beschermde soorten te beschadigen of vernielen. Opzettelijk planten van de nationaal beschermde soorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen.

Wederom is Gedeputeerde Staten bevoegd ontheffing te verlenen van de verbodsbepalingen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor Habitatrichtlijnsoorten, waarbij de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling aanvullend ook verband kan houden met (o.a.): Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van een gebied en het daaropvolgend gebruik van het gebied. Bestendig beheer of onderhoud in landbouw en bosbouw. Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen of in het kader van natuurbeheer. Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een gebied. Algemeen belang. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Gedragscodes De verboden die in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 zijn neergelegd, zijn niet van toepassing wanneer wordt gehandeld volgens een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen worden opgesteld voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toepassing van een goedgekeurde gedragscode waarborgt dat zorgvuldig wordt gehandeld.

Provinciale verordeningen Op grond van de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten de bevoegdheid om in provinciale verordeningen algemene vrijstellingen te verlenen van de verbodsbepalingen genoemd in de wet. Van deze bevoegdheid hebben de verschillende provincies gebruik gemaakt. Dit betekent, dat de bescherming die soorten genieten, kan verschillen tussen provincies. De consequenties van de verordening van de provincie NoordBrabant voor de bescherming van planten- en diersoorten zijn hieronder kort beschreven. De provincie Noord-Brabant heeft de Verordening natuurbescherming vastgesteld. In hoofdstuk 3 van deze verordening zijn vrijstellingen opgenomen voor beschermde soorten. Voor verschillende nationaal beschermde diersoorten verleent Provinciale Staten vrijstelling van het verbod op het vangen van dieren en het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen van dieren ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud (zie bijlage 3). Deze vrijstellingen gelden alleen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De verordening stelt daarnaast dat het opzettelijk verontrusten van overwinterende ganzen in door GS aangewezen ganzenrust- en foerageergebieden moet worden beschouwd als van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de ganzensoort.

B1.1.2 Bescherming natuurgebieden Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Deze gebieden vormen, samen met Natura 2000-gebieden in andere Europese landen, een samenhangend geheel van natuurgebieden voor behoud, ontwikkeling en herstel van de Europese biodiversiteit. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten.

B1-3

In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura 2000-gebieden. Voor het realiseren van projecten of verrichten van andere handelingen – ongeacht of zij plaatsvinden binnen of buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied – is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, wanneer zij de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of de habitattypen van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied zijn opgesteld zijn leidend bij de beoordeling van de effecten. Gedeputeerde Staten van de provincie zijn bevoegd om een vergunning te verlenen voor projecten die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Bij vergunningaanvraag dient de initiatiefnemer een zogenaamde “passende beoordeling” in te dienen. Vergunning wordt verleend, wanneer uit deze passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied met zekerheid niet worden aangetast óf wanneer, indien wel sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er zijn geen alternatieve oplossingen.

Er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Er worden compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-gebied behouden blijft.

B1.1.3 Bescherming houtopstanden Tot slot regelt hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming de bescherming van houtopstanden. Het hoofdstuk ziet alleen toe op houtopstanden van minimaal 10 are of rijbeplantingen van meer dan twintig bomen, gelegen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Houtopstanden op erven en in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen en kweekgoed en populieren- en wilgenopstanden langs (water)wegen en landbouwgronden en ten behoeve van biomassaproductie (onder voorwaarden) vallen niet onder de werking van de Wet natuurbescherming. Kap van (delen van) houtopstanden dient vooraf gemeld te worden bij Gedeputeerde Staten. De provincie stelt bij verordening eisen aan de manier waarop deze melding moet worden gedaan. De gevelde houtopstand moet binnen drie jaar na kap worden herplant op deze locatie. Ook aan de wijze van herplant kunnen provincies bij verordening eisen stellen. Tevens kunnen provincies vrijstelling verlenen van de herplantplicht. Daarnaast stellen gemeenten veelal aanvullende regels op ten aanzien van de kap van bomen (kapvergunningplicht). Deze regels betreffen meestal alleen de kap van bomen binnen de bebouwde kom en/of de kap van waardevolle of monumentale bomen.

B1.2 Provinciale gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), is een netwerk van in Nederland bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hierin is onder andere opgenomen dat provincies het opgestelde rijksbeleid verder vorm moeten geven via een provinciale verordening en daarbij verdere verantwoording dragen voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Binnen de provincie Noord-Brabant is deze begrenzing uitgewerkt in Verordening Ruimte 2014. Op grond van artikel 2.10.3 Barro zijn door de provincies de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNNgebieden vastgelegd, welke erop gericht zijn de gebieden te ontwikkelen, herstellen en behouden. Tevens geldt er een algemeen beschermingsregime voor NNN-gebieden (artikel 2.10.4 Barro). Dit betreft het ‘nee, tenzij'regime. Volgens dit regime dient allereerst vastgesteld te worden of de geplande ingreep significant negatieve effecten heeft op de in het NNN-gebied aanwezige wezenlijke kenmerken en waarden, en of de geplande ingreep leidt tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen gebieden. Wanneer dit zo is, geldt in principe dat de ingreep geen doorgang kan vinden.

Uitzondering geldt alleen voor ingrepen waarbij sprake is van groot openbaar belang, ingrepen waarbij geen reële alternatieven voor de plannen beschikbaar zijn en wanneer de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit et al., 2007).

B1-4

B2 JAARROND BESCHERMDE VOGELNESTEN In onderstaande tabel zijn de jaarrond beschermde vogelnesten in de provincie Noord-Brabant opgenomen. Nederlandse naam

Bescherming

Nederlandse naam

Bescherming

Boomvalk

Categorie 4

Ekster

Categorie 5

Buizerd

Categorie 4

Gekraagde roodstaart

Categorie 5

Gierzwaluw

Categorie 2

Glanskop

Categorie 5

Grote gele kwikstaart

Categorie 3

Grauwe vliegenvanger

Categorie 5

Havik

Categorie 4

Groene specht

Categorie 5

Huismus

Categorie 2

Grote bonte specht

Categorie 5

Kerkuil

Categorie 3

Hop

Categorie 5

Oehoe

Categorie 3

Huiszwaluw

Categorie 5

Ooievaar

Categorie 3

IJsvogel

Categorie 5

Ransuil

Categorie 4

Kleine bonte specht

Categorie 5

Roek

Categorie 2

Kleine vliegenvanger

Categorie 5

Slechtvalk

Categorie 3

Koolmees

Categorie 5

Sperwer

Categorie 4

Kortsnavelboomkruiper

Categorie 5

Steenuil

Categorie 1

Oeverzwaluw

Categorie 5

Wespendief

Categorie 4

Pimpelmees

Categorie 5

Zwarte wouw

Categorie 4

Raaf

Categorie 5

Blauwe reiger

Categorie 5

Ruigpootuil

Categorie 5

Boerenzwaluw

Categorie 5

Spreeuw

Categorie 5

Bonte vliegenvanger

Categorie 5

Tapuit

Categorie 5

Boomklever

Categorie 5

Torenvalk

Categorie 5

Boomkruiper

Categorie 5

Zeearend

Categorie 5

Bosuil

Categorie 5

Zwarte kraai

Categorie 5

Brilduiker

Categorie 5

Zwarte mees

Categorie 5

Draaihals

Categorie 5

Zwarte roodstaart

Categorie 5

Eidereend

Categorie 5

Zwarte specht

Categorie 5

Categorieën 1: Jaarrond gebruikte nesten (steenuil) 2: Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk bebouwing 3: Zeer honkvaste broeders of afhankelijk bebouwing (geen kolonie) 4: Vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest 5: Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel

B2-1

B3 PROVINCIALE VRIJSTELLING Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud heeft de provincie Noord-Brabant een vrijstelling verleend voor de soorten zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Periode vrijstelling

Aardmuis

Microtus agrestis

Onbeperkt

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Onbeperkt

Dwergmuis

Micromys minutus

Onbeperkt

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Onbeperkt

Egel

Erinaceus europaeus

Onbeperkt

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Onbeperkt

Haas

Lepus eauropaeus

Onbeperkt

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Onbeperkt

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Onbeperkt

Ondergrondse woelmuis

Microtus subterraneus

Onbeperkt

Ree

Capreolus capreolus

Onbeperkt

Rosse woelmuis

Myodes glareolus

Onbeperkt

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Onbeperkt

Veldmuis

Microtus arvalis

Onbeperkt

Vos

Vulpes vulpes

Onbeperkt

Wild zwijn

Sus scrofa

Onbeperkt

Woelrat

Arvicola amphibius

Onbeperkt

Bruine kikker

Rana temporaria

Onbeperkt

Gewone pad

Bufo bufo

Onbeperkt

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Onbeperkt

Meerkikker

Rana ridibunda

Onbeperkt

Middelste groene kikker

Rana esculenta

Onbeperkt

Zoogdieren

Amfibieën

B3-1

Bijlage 24 Stikstofdepositie-onderzoek

1285

Opdrachtgever: Projectnr: Datum:

Ruimte voor Ruimte RVR002-0001 27 november 2024

Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:

Ruimte voor Ruimte RVR002-0001 20241127-RVR002-RAP-STD 8.0 Definitief 27 november 2024

Opsteller: -+C0CBR+-

Verificatie: -+R0RVH+-

T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl

© 2024 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.

Validatie: -+V0RVH+-

INHOUDSOPGAVE 2.1 2.2

Algemeen ................................................................................................................................................................. 5 Situering Natura 2000-gebieden ................................................................................................................................... 6

3.1 3.2 3.3 3.4

Landelijke wet- en regelgeving ...................................................................................................................................... 8 Voortoets.................................................................................................................................................................. 8 Passende beoordeling ................................................................................................................................................. 8 Toetsingskader buurlanden........................................................................................................................................... 9

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.5.1 4.5.2

Rekenmodel............................................................................................................................................................ 11 Situaties algemeen ................................................................................................................................................... 11 Referentiesituatie ..................................................................................................................................................... 11 Beoogde situatie ...................................................................................................................................................... 12 Aanlegfase.............................................................................................................................................................. 12 Mobiele werktuigen .................................................................................................................................................. 12 Bouwverkeer ........................................................................................................................................................... 13

BIJLAGEN B2.1 B2.2

Gebruiksfase Aanlegfase

3

1

INLEIDING In opdracht van Ruimte voor Ruimte is door Kragten een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd in verband met het bouwplan Christinastraat te Middelrode. Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een planologische procedure. Doel van het onderzoek is toetsing van (negatieve) effecten op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt, aan de Wet natuurbescherming. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de “Handreiking Passende Beoordeling Stikstofaspecten Bestemmingsplannen”. Ten behoeve van een voortoets in het kader van de Omgevingswet is de gewenste situatie gemodelleerd op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever. De depositie is op de omliggende Natura 2000gebieden berekend en getoetst of de ontwikkeling (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voorliggende rapportage geeft een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten en rekenmethodiek, de rekenresultaten en de bevindingen.

4

2

UITGANGSPUNTEN

2.1

Algemeen Het plangebied ‘Christinastraat’ is gelegen tussen Christinastraat en de Zandstraat in de gemeente SintMichielsgestel. In onderstaande afbeelding is een geografisch overzicht opgenomen van de ligging van het onderzoeksgebied (rode lijn).

Afbeelding 1 Globale ligging plangebied (rode kader: volledig plangebied, blauwe kader: nieuwbouw woningen, groene kader: natuurcompensatie en wadi) Binnen het plangebied zijn maximaal 116 woningen beoogd inclusief infrastructuur en openbare ruimte. Het woningbouwplan zal gefaseerd over twee jaar uitgevoerd worden. Zoals ook vastgelegd in het ruimtelijk plan zal de ecologische compensatie en bijbehorende waterberging (een gebied van in totaal circa 3,2 ha) randvoorwaardelijk en vooruitlopend op de woningbouwlocatie worden aangelegd. Onderstaande afbeelding geeft de beoogde stedenbouwkundige indeling van het plangebied.

5

Afbeelding 2

2.2

Stedenbouwkundige indeling

Situering Natura 2000-gebieden Ten behoeve van de stikstofdepositieberekeningen dient rekening gehouden te worden met de Natura 2000gebieden binnen een straal waarbinnen een relevante bijdrage vanwege een plan verwacht kan worden. Onderstaande afbeelding geeft de locatie van de omliggende Natura 2000-gebieden (de locatie van het plangebied is in de figuur weergegeven met ‘ ‘).

6

Afbeelding 3

Situering Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft “Vlijmens Ven, Meerputten & Bossche Broek”. De stikstofgevoelige habitattypen in dit gebieden zijn gelegen op circa 8 km van het plangebied in oostelijke richting.

7

3

WETTELIJK KADER

3.1

Landelijke wet- en regelgeving In het kader van de toets aan de Omgevingswet wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significante gevolgen veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen en projecten dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan of project mogelijk significante gevolgen kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden.

3.2

Voortoets Bij de voortoets in het kader van de Omgevingswet draait het om de vraag of sprake kan zijn van significante gevolgen. De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van een plan of project worden afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan of project gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Bij deze toetsing wordt bekeken of de ontwikkeling afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan of project mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden. Van ontwikkelingen die ten opzichte van de feitelijke situatie geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dit geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.

Als uit de toets blijkt dat de realisatie van de in het plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden wel leidt tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitats waarvan de KDW al wordt overschreden of dreigt te worden overschreden door de toename van de stikstofdepositie. Waarbij tevens uit een ecologische toets blijkt dat significant negatieve gevolgen hierdoor niet kunnen worden uitgesloten, dan moet wel een passende beoordeling worden opgesteld. Ingeval een ontwikkeling een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, kan ingevolge artikel 16.53c lid 2 van de Omgevingswet een nieuwe passende beoordeling achterwege blijven, voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen ervan. De plan-m.e.r. die voor planologische procedures is gekoppeld aan het opstellen van een passende beoordeling is in een dergelijke situatie niet nodig. Feitelijk is er dan al een (nog steeds actuele) passende beoordeling aanwezig, die aantoont dat schadelijke gevolgen als gevolg van het plan zijn uitgesloten.

3.3

Passende beoordeling Wanneer een plan of project significante negatieve gevolgen kan hebben, moet het bestuursorgaan ingevolge de vergunningplicht Natura 2000-activiteit een passende beoordeling opstellen vóórdat een plan kan worden vastgesteld. In geval van een project kan middels een vergunning voor een Natura 2000-activiteit de ontwikkeling worden vergund. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast.

8

Een plan of project dient rekening te houden met de in het aanwijzingsbesluit voor het betrokken gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en de wijze waarop deze zijn uitgewerkt in het voor het gebied vastgestelde beheerplan. De aanwijzingsbesluiten worden vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De beheerplannen worden over het algemeen vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het gebied geheel of grotendeels is gelegen, behalve voor zover de verantwoordelijkheid voor het beheer bij het Rijk ligt. Als het bevoegd gezag op grond van de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid heeft verkregen dat een plan of project de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten, kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld of kan het project niet vergund worden. Dat is alleen anders als er geen alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, sprake is van dwingende redenen van openbaar belang en compenserende maatregelen worden getroffen. In dat geval kan een plan toch worden vastgesteld c.q. een project worden vergund.

3.4

Toetsingskader buurlanden Nederland heeft met Duitsland en met België overlegd over de wijze waarop de bevoegde gezagen bij de beoordeling van aanvragen van toestemmingsbesluiten de gevolgen toetsen van activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op buitenlandse Natura 2000-gebieden. Nederland zal voor de toetsing van activiteiten die in Nederland plaatsvinden met gevolgen voor Natura 2000-gebieden in Duitsland of België dezelfde toetsingskaders hanteren als Duitsland en België zelf. Voor de toetsing op Belgische Natura 2000-gebieden wordt verwezen naar het “Decreet over de programmatische aanpak stikstof”1, hierbij gelden de volgende drempelwaarden: 1. Bij een omgevingsvergunningsaanvraag of een ontwerp van projectbesluit voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit is de opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van Habitatrichtlijn niet vereist als de impactscore2 kleiner is dan of gelijk is aan een drempelwaarde van 1%. 2. Bij een omgevingsvergunningsaanvraag of een ontwerp van projectbesluit voor een mobiliteitsgerelateerd project is de opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht, ten aanzien van Habitatrichtlijn, niet vereist als de impactscore kleiner is dan of gelijk is aan een drempelwaarde van 1%. 3.

Voor een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een veehouderij of mestverwerkingsinstallatie is de opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van Habitatrichtlijn niet vereist als de impactscore kleiner is dan of gelijk is aan een drempelwaarde van 0,025%. Voor de toetsing op Duitse Natura 2000-gebieden geldt het volgende toetsingskader: 1. Wanneer een project of een handeling op Nederlands grondgebied op geen enkel Natura 2000gebied in Duitsland een toename van stikstofdepositie van meer dan 7,14 mol per hectare per jaar veroorzaakt, is er geen bezwaar tegen het verlenen van toestemming voor deze activiteit. Dit stikstofaspect staat een vergunningverlening door het Nederlandse bevoegde gezag dan niet in de weg. 2. Wanneer een project of een handeling op Nederlands grondgebied op een Duits Natura 2000-gebied meer dan 7,14 mol per hectare per jaar aan stikstofdepositie veroorzaakt, maar minder dan 3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied waar de totale deposities hoger zijn dan de kritische depositiewaarde, verzoekt het Nederlandse bevoegd gezag aan het desbetreffende Duitse bevoegd gezag om vast te stellen of in cumulatie sprake kan zijn van significante gevolgen.

Als het Duitse bevoegd gezag vaststelt dat daarvan geen sprake is, staat dit stikstofaspect vergunningverlening door het Nederlandse bevoegd gezag niet in de weg.

1

Decreet over de programmatische aanpak van stikstof, goedgekeurd door Vlaams Parlement d.d. 24 januari 2024. 2 De impactscore is de procentuele bijdrage van jouw exploitatie aan de kritische depositiewaarde (KDW) voor de actuele oppervlakten habitattypen in de speciale beschermingszones aangewezen in uitvoering van de Habitatrichtlijn. 9

3.

Wanneer een project of handeling op Nederlands grondgebied op een Duits Natura 2000-gebied aan stikstofdepositie meer veroorzaakt dan 3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied waarvan de totale deposities hoger zijn dan de kritische depositie waarde, heeft het desbetreffende Nederlandse bevoegd gezag overleg met het desbetreffende Duitse bevoegd gezag. Zij zullen gezamenlijk bezien of en zo ja onder welke voorwaarden toestemming mag worden verleend. Ingeval het gaat om een project met mogelijk significante gevolgen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, stelt degene die voornemens is het project te realiseren, daartoe een passende beoordeling op.

10

4

BEREKENINGSSYSTEMATIEK

4.1

Rekenmodel Ten behoeve van de berekening van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden is een rekenmodel opgesteld met behulp van AERIUS Calculator, versie 20243. AERIUS Calculator rekent op basis van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM en de Standaardrekenmethode 2 (SRM-2) uit artikel 8.10 van de Omgevingsregeling.

4.2

Situaties algemeen De gegevens, van belang voor de onderstaande situaties, zijn beschikbaar gesteld door de opdrachtgever.

Referentiesituatie Bij een voortoets moeten de gevolgen van het plan worden bezien in relatie tot de referentiesituatie. Ingevolge de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt als referentiesituatie bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan ter vervanging van het geldende bestemmingsplan: de huidige – legale – feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan. Op basis van de resultaten zal worden nagegaan of het noodzakelijk is de referentiesituatie te beschouwen.

Beoogde situatie Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet zowel bij de voortoets als in de passende beoordeling van een bestemmingsplan worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die een plan biedt, en niet van een inschatting van wat er in werkelijkheid zal gaan gebeuren of wat er wordt beoogd. De achterliggende gedachte is dat alle mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt in de praktijk kunnen worden benut en dat de plantoets dus moet uitwijzen of ook in dat geval negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten. Teneinde inzicht te verkrijgen in de mogelijk significante effecten ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt in voorliggend onderzoek de depositie in de beoogde situatie bepaald.

Cumulatieve effecten In het kader van een voortoets dient beschouwd te worden of het plan afzonderlijk – of in combinatie met andere plannen – significante gevolgen ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden heeft.

4.3

Referentiesituatie In de huidige situatie is binnen het plangebied een veehouderij met bedrijfswoning gevestigd (Zandstraat 37) met als nevenactiviteit het verwerken van rubber (het op maat snijden van rubber matten). Deze veehouderij heeft, volgens de Kernregistratie dierenverblijven4, een omgevingsvergunning voor het houden van 80 paarden. Op basis hiervan is sprake van een NH3-emissie van 284,0 kg/j. Bijlage 1 bij deze rapportage geeft een overzicht van de vergunde dieraantallen met de bijbehorende OR-code en NH3-emissies. Naast de emissies vanwege het vee wordt rekening gehouden met het vrachtverkeer (gemiddeld 2 vrachtwagens per dag) en personenauto’s. Voor het aantal personenauto’s is aansluiting gezocht bij de CROW publicatie “Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen”5 in een weinig stedelijk gebied6 in het buitengebied. Voor deze woning7 bedraagt het gemiddelde 8,2 verkeersbewegingen per dag. Deze

3 https://calculator.aerius.nl/own2000/ 4 https://krd.igoview.nl/main 5 CROW Ede, publicatie 381, december 2018 6 https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83859NED/table?fromstatweb 7 Koop, huis, vrijstaand

11

verkeersgeneratie is beschouwd over de Zandstraat tot aan de aansluiting (rotonde) met de Driezeeg. Vanaf die locatie is het planverkeer opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Uit onderzoek van TNO is gebleken dat de emissie van wegverkeer kort na het starten met een koude motor, veel hoger is dan de emissie tijdens het rijden. Dit wordt de ‘koude start’ genoemd. Het aantal koude starten is toegevoegd onder sector “Koude start: Overig”.

4.4

Beoogde situatie De nieuwe woningen worden gasloos uitgevoerd. De voor stikstofdepositie relevante bronnen betreffen daarmee slechts de verkeersbewegingen ten gevolge van de nieuwbouw. Voor de berekening is uitgegaan dat in 2027 de helft van de woningen in gebruik worden genomen en dat in 2028 al woningen in gebruik zijn. Bijlage B2.1 geeft een weergave van de invoergegevens. Voor de verkeer aantrekkende werking is aansluiting gezocht bij het voor dit plan uitgevoerde verkeerstoets8. In de verkeerstoets is uitgegaan van 125 woningen in plaats van 116, dit is voor het stikstofonderzoek derhalve ook worst case aangenomen. De verkeersgeneratie ten gevolge van het woningbouwplan betreft 908 verkeersbewegingen per etmaal. Deze verkeersgeneratie is beschouwd over het plangebied en vervolgens over de Zandstraat tot aan de aansluiting (rotonde) met de Driezeeg. Vanaf die locatie is het planverkeer opgenomen in het heersend verkeersbeeld. De veehouderij aan de Zandstraat 37 blijft in de beoogde situatie deel uitmaken van het plan, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de realisatie van een extra (bedrijfs-)woning. Naast de genoemde 908 verkeersbewegingen, wordt derhalve nog rekening gehouden met 16,4 bewegingen vanwege de bestaande en nieuwe bedrijfswoning aan de Zandstraat 37.

Uit onderzoek van TNO is gebleken dat de emissie van wegverkeer kort na het starten met een koude motor, veel hoger is dan de emissie tijdens het rijden. Dit wordt de ‘koude start’ genoemd. Het aantal koude starten is toegevoegd onder sector “Koude start: Overig”.

4.5

Aanlegfase Ten behoeve van de aanlegfase vindt een aantal relevante stikstofemissies naar de lucht plaats. De stikstofemissies worden veroorzaakt door mobiele werktuigen en (vracht)verkeer ten behoeve van het project. De uitgangspunten om tot het opgestelde rekenmodel te komen worden navolgend beschreven. De aanlegfase vindt gefaseerd plaats waarbij de natuurcompensatie en wadi in 2025 worden gerealiseerd, de helft van het woningbouwplan in 2026 en de andere helft in 2027 wordt gerealiseerd. Zoals in paragraaf 4.4 aangegeven worden in 2027 de helft van de woningen gebruik genomen. Dit maakt rekenjaar 2027 het maatgevende jaar van stikstofemissie, enkel dit jaar is opgenomen als AERIUS berekening in bijlage B2.2.

4.5.1

Mobiele werktuigen Ten behoeve van de aanlegfase van het plan zal gebruik worden gemaakt van mobiele werktuigen. Om de NOxen NH3-emissie van de mobiele werktuigen te bepalen wordt gebruik gemaakt van de draaiuren van de mobiele werktuigen. De emissie is berekend overeenkomstig de AERIUS methodiek zoals geactualiseerd door TNO in 20219. Deze TNO methodiek maakt gebruik van de invoer van het vermogen (kW), de belasting (%) en de motortechnologie (STAGE-klasse) om het brandstofverbruik te bepalen. Vervolgens worden aan de hand van de NOx- en NH3-emissiefactoren voor brandstofverbruik de NOx- en NH3-emissie per werktuig berekend. De exacte uitvoeringswijze is ten tijde van uitvoeren van dit onderzoek nog niet bekend. De gehanteerde uitgangspunten zijn op basis van expert judgement bepaald. Voor de motor technologie is uitgegaan van de klasse “STAGE IV” met toepassing van 6% AdBlue.

8 RVR-002-TOE-VKR-V2, d.d. 7 februari 2023, door Kragten 9 TNO 2021 R12305 AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot

van mobiele werktuigen, 13 december 2021

12

In bijlage B3 is de inzet van mobiele werktuigen en de berekende stikstofemissies weergegeven. De stikstofemissie in rekenjaar 2025 is aanzienlijk lager dan in rekenjaar 2026 en 2027. Aangezien in rekenjaar 2027 tevens de helft van de woningen in gebruik wordt genomen is dit maatgevende jaar.

4.5.2

Bouwverkeer Ten behoeve van de aan- en afvoer van materiaal wordt uitgegaan van 724 voertuigen zwaar verkeer (1448 bewegingen) in het maatgevende jaar. Daarnaast wordt uitgegaan van 10 personenwagens/bestelbussen (20 bewegingen) per dag ten behoeve van onder meer bouwpersoneel. Daarnaast is rekening gehouden met de koude start van het verkeer. Volgens de Handleiding AERIUS Calculator 202410 kunnen koude start emissies gekoppeld worden aan de locaties waar verkeer langer dan twee uur geparkeerd staat. Het vrachtverkeer voor de aan- en afvoer van bouwmateriaal zal echter maar enkele minuten geparkeerd staan, daarnaast zal het gedurende het laden en lossen stationair draaien. Voor de aanleg gelden de koude start emissies dus enkel voor de uitvoerders en het ondersteunend personeel. Het aantal koude starten is toegevoegd onder sector “Koude start: Overig”. Verder zijn de emissies van het stationair draaien van vrachtwagens tijdens het laden en lossen meegenomen conform “Instructie Gegevensinvoer voor Aerius Calculator 2024”. Er is rekening gehouden met 5 minuten stationair draaien per vrachtwagen. Voor het gehele project betreft dit derhalve 60 uur en 20 minuten stationair draaien. Een volledige weergave van de gehanteerde uitgangspunten en de bepaling van de emissie is weergegeven in bijlage B3.

10 Handboek “Werken met AERIUS Calculator” versie 2024 v2, 1 oktober 2024

13

5

REKENRESULTATEN EN BEOORDELING Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is de depositiebijdrage vanwege de beoogde situatie berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het plan relevante Natura 2000gebieden. In bijlage B2 zijn de invoergegevens en rekenresultaten van de berekening naar de stikstofdepositie weergegeven middels de Aerius export. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situatie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling evenals een vergunningplicht Natura 2000-activiteit niet aan de orde is. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering vormt voor de realisatie van het project.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=fa2fc3c9-c3f8-41b7-a5c5-770c58e4a057