Bijlage 2 - Toelichting en regels bp Groot Grinsel 12-16 Den Dungen
Tekst van het document
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen Gemeente Sint-Michielsgestel Vastgesteld
colofon
projectnaam Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen datum 4 januari 2024 projectnummer P06157 IMRO-identificatienummer NL.IMRO.0845.BPDDNGrootGrinsel-VA01 opdrachtgever Woonmeij Concept 8 juni 2023 Ontwerp 16 oktober 2023 Vaststelling 22 februari 2024 BRO projectleider MvDn projectteam KTj bron kaft BRO
Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400 info@bro.nl www.bro.nl
TOELICHTING
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
6
1.1 1.2 1.3 1.4
6 6 7 8
Planbeschrijving
9
2.1 2.2
9 10
Huidige situatie Toekomstige situatie
Beleidskader
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.1.1 3.1.2 3.1.3
13 14 14
3.2 3.3
4
Aanleiding Plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
Nationale Omgevingsvisie Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking
Provinciaal beleid
15
3.2.1 3.2.2
15 16
Omgevingsvisie Noord-Brabant Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Gemeentelijk beleid
17
3.3.1 3.3.2
17 18
Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 Woonvisie 2016-2021
Milieuaspecten
20
4.1
M.e.r.-beoordeling
20
4.1.1 4.1.2
20 20
4.2
4.3
4.4
4.5
4.6
4.7
4.8
Toetsingskader Conclusie
Archeologie
21
4.2.1 4.2.2 4.2.3
21 22 22
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Cultuurhistorie
22
4.3.1 4.3.2 4.3.3
22 23 23
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Flora en fauna
23
4.4.1 4.4.2 4.4.3
23 24 27
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Waterparagraaf
27
4.5.1 4.5.2 4.5.3
27 29 31
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Bodem
31
4.6.1 4.6.2 4.6.3
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
31 32 32
Bedrijven en milieuzonering
32
4.7.1 4.7.2 4.7.3
32 33 35
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Geur agrarisch
36
4.8.1
36
Toetsingskader
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
3
4.8.2 4.8.3
4.9
Onderzoek Conclusie
Akoestiek wegverkeerslawaai
38
4.9.1 4.9.2 4.9.3
38 38 39
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
4.10 Luchtkwaliteit
39
4.10.1 4.10.2 4.10.3
39 40 41
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
4.11 Externe veiligheid 4.11.1 4.11.2 4.11.3
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
4.12 (Ondergrondse) infrastructuur 4.13 Gezondheid 4.13.1 4.13.2 4.13.3
Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Hoogspanningslijnen Spuitzones
4.14 Verkeer en parkeren 4.14.1 4.14.2 4.14.3
5
6
37 37
42 42 43 43
43 44 44 45 45
45
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
45 45 49
Juridische planopzet
50
5.1 5.2 5.3
50 50 51
Inleiding Plansystematiek Bestemmingen
Uitvoerbaarheid
53
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53 53
6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4
53 54 54 54
Omgevingsdialoog Vooroverleg Inspraak Vaststellingsprocedure
Separate bijlagen Bijlage 1: Advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Bijlage 2: Bureauonderzoek archeologie
Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 5: Bodemonderzoek Bijlage 6: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
4
Bijlage 7: Selectieadvies
Bijlage 8: Omgevingsdialoog Bijlage 9: Groenplan Bijlage 10: Nader onderzoek vleermuizen
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
5
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In Den Dungen aan het Groot Grinsel ter hoogte van nummer 12-16 is een verouderd pand aanwezig met zeven appartementen. Het voornemen bestaat om het bestaande gebouw te slopen om ruimte te maken voor de bouw van negen sociale huurappartementen voor senioren inclusief parkeergelegenheid. De nieuwbouw bestaat uit drie bouwlagen afgestemd op de omgeving. Het vigerende bestemmingsplan op de planlocatie is het bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje”, vastgesteld op 14 april 2016. Op basis van dit bestemmingsplan mag het bestaande aantal woningen niet worden uitgebreid. Daarnaast is de maximum goot- en bouwhoogte respectievelijk 7 en 10 meter, wat te klein is voor de voorgenomen ontwikkeling. Op 19 juli 2021 heeft initiatiefnemer een principeaanvraag ingediend bij de gemeente. In deze aanvraag is verzocht om medewerking te verlenen aan de realisatie van negen sociale huurappartementen. Het college van de gemeente Sint-Michielsgestel heeft op 29 november 2022 het principebesluit genomen om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het verzoek. Er dient een bestemmingsplan in procedure gebracht te worden, waarin aangetoond wordt dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuw juridisch-planologisch kader voor het plangebied.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen aan Groot Grinsel in Den Dungen, onderdeel van de gemeente Sint-Michielsgestel. Het plangebied staat kadastraal bekend als Den Dungen sectie D, nummer 270 en beslaat gedeeltelijk het perceel nummer 876. Het voorgenomen plangebied beslaat een oppervlak van circa 910 m2. Het voorgenomen bebouwingsgebied beslaat het volledige perceel sectie D nummer 270 en beslaat een oppervlak van circa 674 m2. Figuur 1 toont de globale ligging van het plangebied. Figuur 2 toont de globale begrenzing van het plangebied, de exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Figuur 1: Globale ligging plangebied te Den Dungen (Bron: googlemaps)
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
6
Figuur 2: Globale begrenzing van het plangebied (Bron: KAW)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” het geldende planologisch-juridisch kader. Vastgesteld door de gemeente Sint-Michielsgestel op 14 april 2016. Het plangebied heeft conform dit bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’ met een bouwvlak en de aanduiding ‘zorginstelling’ en ‘aaneengebouwd’. Tevens beschikt het plangebied over een maximale maatvoering van een gooten bouwhoogte van respectievelijk 7 en 10 meter. Gedeeltelijk kent het plangebied de bestemming ‘Tuin’ en de enkelbestemming ‘Verkeer’ . Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘WaardeArcheologie 4’.
Uitsnede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
7
Op basis van het geldende bestemmingsplan mag het bestaande aantal woningen niet worden uitgebreid. In de huidige situatie zijn er 6 wooneenheden aanwezig. Op de begane grond bevinden zich 4 woningen als kamerverhuur (huisnummer 16 t/m 16.5 en 12, 14) en op de eerste verdieping 2 appartementen. Het pand betreft de voormalige zorginstelling, het witgele kruis op de begane grond en twee appartementen op de verdieping (allen vergund in 1966). In 2018 is, door middel van een omgevingsvergunning met toepassing van de kruimelgevallenregeling, de zorginstelling op de begane grond omgezet naar kamerverhuur voor vier kamers. Daarnaast is de maximum goot- en bouwhoogte respectievelijk 7 en 10 meter, wat te klein is voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling van een appartementencomplex met 9 appartementen is strijdig met het bestemmingsplan. Daarom dient het bestemmingsplan te worden herzien. Daarnaast geldt voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren’, zoals vastgesteld op 18 juni 2022. Hiermee worden regels gesteld over de parkeernormen. Voorliggend bestemmingsplan stelt de nieuwe planologisch-juridische kaders voor het plangebied en vormt de partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
8
2
Planbeschrijving
2.1
Huidige situatie
Voorgenomen plangebied is gelegen in Den Dungen aan het Groot Grinsel ter hoogte van nummer 12-16, het betreft een bestaand pand met een bijgebouw dat ruimte bied voor 6 appartementen. Op de begane grond bevinden zich 4 woningen als kamerverhuur (huisnummer 16 t/m 16.5 en 12, 14) en op de verdieping 2 appartementen. Het pand betreft de voormalige zorginstelling, het witgele kruis op de begane grond en twee appartementen op de verdieping (allen vergund in 1966). In 2018 is, door middel van een omgevingsvergunning met toepassing van de kruimelgevallenregeling, de zorginstelling op de begane grond omgezet naar kamerverhuur voor vier kamers. De bebouwing dateert uit 1967. Het pand is verouderd en er is sprake van betonrot. Figuur 4 toont de bebouwing in de huidige situatie. Op het perceel zijn geen parkeerplaatsen aanwezig. Voor het pand zijn twee langsparkeervakken gelegen. Voor het voormalig witgele kruis en de in de nabijheid gelegen basisschool heeft de gemeente naast het pand 16 parkeerplaatsen aangelegd voor meervoudig gebruik. Den Dungen is een dorp gelegen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch. Het dorp hoort sinds de gemeentelijke herindeling van 1996 bij de gemeente Sint-Michielsgestel.
Figuur 4: Huidige situatie (bron: Google Maps)
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
9
2.2
Toekomstige situatie
Met het planvoornemen wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Hiervoor wordt een nieuw appartementencomplex in de plaats gebouwd wat ruimte biedt aan negen sociale huurappartementen voor senioren met ieder een oppervlakte van ca. 68 m2. De nieuwe bebouwing bestaat uit drie bouwlagen, op iedere bouwlaag worden drie appartementen gerealiseerd. Het complex wordt 9,4 meter hoog. Het complex wordt voorzien van een lift, waarmee alle appartementen geschikt zijn als seniorenwoning. Figuur 5 toont een impressie van de bebouwing in de toekomstige situatie. Alle appartementen beschikken over twee slaapkamers en een balkon.
Figuur 5: Impressie toekomstige bebouwing (bron: KAW. Architecten)
Aan de zuidwestzijde van het plangebied wordt een bijgebouw gerealiseerd, in dit gebouw is voor ieder appartement een afzonderlijke berging aanwezig. Figuur 6 toont een situatietekening van de toekomstige situatie. Momenteel zijn er nu twee langsparkeerplaatsen voor de locatie aanwezig. Dit wordt in de toekomstige situatie uitgebreid naar drie parkeerplaatsen. Op eigen terrein is ruimte voor acht parkeerplaatsen. Aan de oostzijde van het plangebied is tevens een grote openbare parkeerplaats gelegen dat ruimte biedt aan 16 parkeerplaatsen. Voor een nadere onderbouwing m.b.t. het aspect parkeren wordt verwezen naar paragraaf 4.13. Het planvoornemen is beoordeeld door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het plan ligt in het gebied dat in de Welstandsnota omschreven is als: Deelgebied: Historische dorpsgebieden en bebouwingslinten. Het plan is getoetst aan de criteria behorende bij dit welstandsgebied en het hiervoor vastgestelde welstandsniveau. De Commissie is van mening dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand mits aan de onderstaande voorwaarde wordt voldaan: In de hoofdopzet is het plan voorstelbaar en een verdere uitwerking en bemonstering van de gevelstenen (documentatie) wordt tegemoet gezien. Aandacht wordt gevraagd voor de
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
10
kleurstelling van de contraststeen en het toe te passen metselverband in relatie tot het overige metselwerk voor een samenhangend beeld. Dit wordt in de nadere uitwerking meegenomen. De beoordeling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is opgenomen als bijlage 1 bij deze plantoelichting.
Figuur 6: Situatietekening toekomstige situatie (bron: KAW. Architecten)
Er is een beplantingsplan met beplantingslijst opgesteld, zie figuur 7. Dit beplantingsplan is middels de anterieure overeenkomst geborgd. Aan de voor en achterzijde wordt sierplantsoen aangeplant. Daarnaast is de bestaande groenstrook tussen het perceel en het Posset-pad opgenomen. Deze struweelstrook wordt hersteld na aanleg van het nieuwe appartementencomplex. Het groenplan is opgenomen als bijlage 9 bij deze plantoelichting.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
11
Figuur 7 Beplantingsplan
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
12
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
In het kader van de invoering van de Omgevingswet, ingegaan op 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke per 11 september 2020 in werking is getreden. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet. De NOVI geldt sinds 1 januari 2024 als de Nationale Omgevingsvisie. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt.
Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving.
Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. De verantwoordelijkheid voor
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
13
het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien is er sprake van een toename aan sociale woningen t.o.v. het vigerende bestemmingsplan, daarmee sluit de ontwikkeling aan op het streven van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om 900.000 woningen te bouwen tot en met 2030, waarvan er 600.000 woningen betaalbaar moeten zijn. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Omgevingsvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de NOVI die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en voor de voorgestane ontwikkelingen. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. 1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
14
ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Uit jurisprudentie blijkt dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wanneer een plan voorziet in meer dan 11 woningen. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 9 sociale huur woningen in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel. De nieuwe situatie zal zorgen voor een toevoeging van twee woningen ten opzichte van de huidige situatie waar 6 wooneenheden aanwezig zijn. Het woningbouw project is een initiatief van Woonmeij, een woningcorporatie actief in de gemeente Meierijstad en Sint-Michielsgestel. Aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129, onder lid g, is geen ondergrens vastgesteld. Door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens is beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m 2.
De laddertoets wordt alleen uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’ is. Het planvoornemen betreft volgens de jurisprudentie geen nieuwe stedelijk ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Door gebruik te maken van een bestaand bouwperceel, wordt het gedachtengoed van de Ladder in acht genomen.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? De toenemende verschillen binnen Brabant maken het des te belangrijker om op het niveau van het daily urban system goed samen te werken en keuzes te maken. Het daily urban system is het gebied waarin een inwoner zich dagelijks verplaatst vanwege werk, voorzieningen en sociale contacten. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Herbestemmen is het nieuwe bouwen: Als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw.
Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn:
werken aan energietransitie,
een klimaat proof Brabant,
de slimme netwerkstad
en een concurrerende duurzame economie.
Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basisopgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
15
De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. Dat betekent dat we komende 10 jaar dé kans hebben om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. De provincie brengt met haar partners de transformatiepotenties in beeld en onderzoeken gezamenlijk hoe deze opgaven kunnen worden aangepakt. Er wordt bijgedragen aan de realisering van grote, complexe transformatieopgaven. Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de vier gestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. Deze ambities worden gewaarborgd binnen het plan, en sluit hiermee aan op de basisopgaven en op de woningbouwopgave van de provincie Noord-Brabant. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 3.2.2
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is in april 2022 geactualiseerd en in maart 2023 voor het laatst geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
Doorwerking plangebied Het plangebied is volgens de bijbehorende kaart gelegen binnen ’concentratiegebied – verstedelijking’, ‘verbod uitbreiding veehouderij’, ‘Stalderingsgebied – landbouw’ en ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied – waterkwantiteit’. ‘Concentratiegebied – verstedelijking’, artikel 5.18 is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening en is van toepassing op het plangebied. Het planvoornemen heeft geen invloed op de taken opgenomen in het artikel 5.18, lid 1 en 2, wel zal het plangebied worden meegenomen in relevante prognoses en analyses die worden opgesteld door de gedeputeerde Staten. Het plangebied is gelegen in het Stedelijk gebied, artikel 3.42 is van toepassing. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1) Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a) de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b) het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
16
Lid 2) Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a) bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b) bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c) geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d) houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e) geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f)
draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
Het plangebied is gelegen in het ‘concentratiegebied – verstedelijking’ waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan, het planvoornemen voldoet hiermee aan het gestelde in artikel 3.42, lid 1 onder a. Tevens moet het plan een duurzame stedelijke ontwikkeling zijn, gesteld in artikel 3.42 lid 1 onder b. Voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van 9 sociale huur appartementen toegespitst op de doelgroep senioren. De woonvisie van de gemeente Sint-Michielsgestel stelt een tekort aan sociale huur woningen. Het planvoornemen sluit aan op de behoefte gesteld in de Woonvisie en de bouwopgaven van de Structuurvisie, het planvoornemen kan op deze wijze als een duurzame stedelijke ontwikkeling worden aanschouwt. Artikel 3.42 lid 2 stelt onder a, een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, voorliggend document voorziet in deze onderbouwing, dit wordt behandeld in hoofdstuk 4 Milieuaspecten. Voorgenomen ontwikkeling realiseert 9 appartementen op het perceel waar in huidige situatie 6 wooneenheden zijn gesitueerd, planvoornemen bevordert hier het zorgvuldig ruimtegebruik, gesteld in lid 2 onder b. De voorgestelde ontwikkeling is in overeenstemming met de regels gesteld in artikel 3.42.
Het planvoornemen betreft geen uitbreiding en/of bouw voor veehouderij, evenals bouw van dierenverblijven voor hokdieren, derhalve hebben de aanduidingen ‘verbod uitbreiding veehouderij’ – artikel 2.72 en ‘stalderingsgebied – landbouw’ – artikel 3.52 geen gevolgen voor voorgenomen ontwikkeling. In artikel 4.2 zijn regels opgenomen voor wateroverlast binnen Stedelijk gebied, ter betrekking op ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied – waterkwantiteit’. Het artikel betreft instructieregels aan waterschappen. Artikel 4.2 lid 1 stelt regels op bergings- en afvoercapaciteit, waarop regionale wateren moeten zijn ingericht. Waarvoor geldt dat binnen Stedelijk gebied normen voor overstromingskansen zijn opgesteld;
1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen;
1/10 per jaar voor overige gebieden.
De ontwikkeling voldoet aan de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025
De gemeente Sint-Michielsgestel heeft drie structuurvisies, Den Dungen valt onder de Structuurvisie “SintMichielsgestel 2025”, vastgesteld op 8 december 2011. In 2009 is door de gemeente Sint-Michielsgestel de strategische visie ‘Zieners 2025’ vastgesteld. In deze strategische visie is het gewenste (ruimtelijke) toekomstbeeld van Sint-Michielsgestel vastgelegd. De strategische visie bepaalt wel de richting van de gewenste ontwikkelingen, maar niet de route waarlangs deze ontwikkelingen tot stand zullen komen. Om dat te bepalen is deze ruimtelijke structuurvisie opgesteld. Dit gebeurde mede in het kader van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 1 juli 2008).
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
17
Den Dungen valt onder een van de kernen van Sint-Michielsgestel. De toekomstvisie “Zieners van 2025” beschrijft de gewenste toekomst van de gemeente en gemeenschap en is tot stand gekomen in een interactief ontwikkelingsproces met inwoners, volksvertegenwoordigers, bestuurders en ambtenaren. Er zijn tien speerpunten geformuleerd die een strategische invulling moeten hebben: 1. Bouwopgave 2. Woon/zorgcombinaties 3. Lokaal gebonden bedrijvigheid 4. Verder met ‘brede scholen’ en ‘gemeenschapshuizen nieuwe stijl’ 5. Benutten recreatieve opties 6. Duurzaamheid 7. Groene kwaliteit 8. Gemeentelijke ‘poort’ naar alle overheidsdiensten 9. Partnerschappen 10. Bereikbaarheid vs. verkeersdruk De ambitie van de gemeente is; een gemeente waar veiligheid voorop staat, een gemeente die zich als ‘groene kamer’ ontwikkelt, een gemeente die aandacht geeft aan wonen voor doelgroepen, een gemeente met een prima voorzieningenniveau. Bouwopgave Sint-Michielsgestel is een groene woongemeente (5.988 hectare) met ruim 28.000 inwoners. In een landelijke regio als Sint-Michielsgestel geldt in het algemeen de regel dat zoveel woningen gebouwd mogen worden als nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei. In het kader van de parallel aan de Structuurvisie opgestelde Woonvisie Sint-Michielgestel is de woningbehoefte voor trendmatige groei en migratiesaldo=0 berekend.
Zoals ook aangegeven in de Woonvisie is dankzij de geringere woningbezetting door verdunning van huishoudens toch sprake van een behoefte woningen. Den Dungen De kern Den Dungen bestaat uit de twee samengegroeide kernen Den Dungen en Maaskantje. In het oudste deel van de kern Maaskantje-Litserstraat-Grinsel ligt het centrum met de kerk en een aantal commerciële voorzieningen: in het noordwestelijke deel van de kern is een kleinschalig bedrijventerrein gelegen. In Den Dungen/Maaskantje ligt het voorzieningenniveau lager dan in de kern Sint-Michielsgestel. Verder is voor de lange termijn Den Dungen aangewezen als stedelijk concentratiegebied. De toekomstige nieuwbouwontwikkelingen kunnen vooral in dit gebied plaatsvinden. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt het bestaande pand gesloopt en vervangen voor een complex dat ruimte maakt voor 9 sociale huur appartementen, toegespitst op de doelgroep senioren. Op basis van het huidige bestemmingsplan In de huidige situatie zijn er al 6 wooneenheden aanwezig, per saldo worden er 3 appartementen toegevoegd. Den Dungen wordt binnen de structuurvisie aangewezen als stedelijk concentratiegebied waar toekomstige nieuwbouwontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Hiermee is onderhavige ontwikkeling in lijn met de Structuurvisie. 3.3.2
Woonvisie 2016-2021
In de Woonvisie 2016-2021 legt de gemeente Sint-Michielsgestel de prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren vast. Er is concreet ingezet op korte termijn met een doorkijk naar lange termijn ontwikkelin-
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
18
gen. De Woonvisie geldt als een kompas waarmee wordt aangegeven hoe er wordt gekeken naar de opgaven in het woonbeleid en de doelen die de gemeente wilt bereiken. Daarbij is de woonvisie een uitnodiging aan andere partijen om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de opgestelde doelen. Tenslotte vormt de woonvisie de leidraad voor een jaarlijkse cyclus van evaluatie, overleg en bijsturing die we uitvoeren samen met de woningcorporaties en de huurdersorganisaties. Ieder jaar legt de gemeente de acties voor het komende jaar vast in prestatieafspraken en wordt er gekeken naar de jaren daarop volgend. Deze woonvisie is opgesteld in overleg met de in 2016 lokaal actieve woningcorporaties, de gemeenteraad en stakeholders zoals projectontwikkelaars, zorgaanbieders en inwoners. De visie is tevens afgestemd op de afspraken vanuit de regionale Agenda Wonen. Op basis van de provinciale bevolkings- en huishoudensprognose zal het aantal huishoudens de komende jaren toenemen als gevolg van ‘huishoudensverdunning’. Het uitgangspunt in de huidige woningbouwopgave is bouwen voor de eigen bevolking, met migratiesaldo 0. De ontwikkelingen in de afgelopen jaren - in de maatschappij, op de woningmarkt en in wet- en regelgeving - brengen voor het gemeentelijk woonbeleid nieuwe vragen met zich mee. Wonen is een basisbehoefte die voor iedereen een goede invulling moet krijgen.
De gemeente vindt het belangrijk dat iedereen kan wonen in een betaalbare woning die aansluit bij hun woonbehoeften De beschikbaarheid van goedkope sociale huurwoningen is laag in Sint-Michielsgestel. Dit komt door de beperkte sociale huurvoorraad (slechts 16%) en door de beperkte doorstroming op de huurmarkt. De gemeente beschouwt het als haar taak om samen met partners te kijken hoe de betaalbaarheid en beschikbaarheid van het wonen ook voor lagere- en middeninkomens kan worden verbeterd. De gemeente maakt met woningcorporaties afspraken over huurbeleid en stuurt op de beschikbaarheid van betaalbare woningen door keuzes te maken in de woningbouwprogrammering. Doorwerking plangebied In de Woonvisie Sint-Michielsgestel, die parallel is opgesteld aan de Structuurvisie, geeft de gemeente aan dat er sprake is aan behoefte van woningen, onderhavige ontwikkeling voorziet in deze behoefte. Met onderhavige ontwikkeling wordt het bestaande pand gesloopt en vervangen voor een complex dat ruimte maakt voor 9 sociale huurappartementen. In de huidige situatie zijn er al 6 wooneenheden aanwezig. Op de begane grond bevinden zich 4 woningen als kamerverhuur (huisnummer 16 t/m 16.5 en 12, 14) en op de verdieping 2 appartementen. Per saldo worden er 3 appartementen toegevoegd. De gemeente geeft aan dat de hoeveelheid aan sociale huurwoningen laag is.
Initiatiefnemer van onderhavige ontwikkeling betreft de woningcorporatie Woonmeij, de corporatie zet in op voldoende betaalbare en duurzame woningen voor huurders en woningzoekenden, die zelf niet in woonruimte kunnen voorzien. Onderhavige ontwikkeling is in lijn met de Woonvisie Sint-Michielsgestel.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
19
4
Milieuaspecten
Iedere ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat er in de beoogde situatie sprake is van goede omgevingscondities, waarbij er geen sprake is van overlast en hinder in relatie tot omliggende functies. Anderzijds dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. In dit hoofdstuk wordt het planvoornemen getoetst aan de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en op andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie, cultuurhistorie en ecologie).
4.1
M.e.r.-beoordeling
Op grond van de Wet milieubeheer is het voor projecten die mogelijk grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu verplicht om een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) te doorlopen. De m.e.r.-procedure is bedoeld om ten aanzien van bepaalde plannen en besluiten de milieubelangen expliciet mee te wegen bij besluitvorming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij in de vorm van een m.e.r.-beoordeling moet worden afgewogen of significante negatieve gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien deze niet kunnen worden uitgesloten dan dient alsnog een MER opgesteld te worden. 4.1.1
Toetsingskader
Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijft de ontwikkeling onder de drempel, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Gemeenten en provincies moeten ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.
Er kan ook sprake zijn van een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Dit kan het geval zijn als gevolg van toename van stikstof op stikstofgevoelige natuurgebieden. 4.1.2
Conclusie
Het realiseren een appartementencomplex met 9 appartementen valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit hangt af of er sprake is van een (wijziging van een) ste-
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
20
delijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijk ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheden in dit geval is het oprichten van een appartementencomplex in een al bestaande ‘Woon’ bestemming, waarbij het feitelijke gebruik van de gronden niet wijzigt. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of – technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit voorliggende bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r-beoordeling uit te voeren.
4.2
Archeologie
4.2.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in naar verwachting per 1 januari 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd.
In de toelichting van het bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, vijfde lid, onder deel a Bro) een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De hoofddoelen van het provinciaal beleid zijn:
Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed in situ door gebiedsbescherming
Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed ex situ als behoud in situ onmogelijk blijkt
Vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor archeologie Brabant.
De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
21
4.2.2
Onderzoek
De gemeente Sint-Michielsgestel heeft haar archeologiebeleid verwerkt in het vigerende bestemmingsplan ‘Den Dungen/Maaskantje’. Volgens dit bestemmingsplan is er voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen. De aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Voor de verwachtingszone ‘Waarde – Archeologie 4’ geldt een onderzoeksplicht bij de bouw van een bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw groter dan 100m2 en dieper dan 50 centimeter. Op de beleidskaart van de gemeente Sint-Michielsgestel valt het plangebied geheel binnen een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Behoud in situ is uitgangspunt. Indien dat niet mogelijk is, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij ingrepen groter of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 50 centimeter. Dit komt overeen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ zoals opgenomen in het bestemmingsplan. De geplande bodemingrepen overschrijden deze vrijstellingsgrenzen waardoor archeologisch onderzoek vereist is. Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 2 bij deze plantoelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld.
Op basis van het bureauonderzoek is een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied vastgesteld. Deze verwachting is gebaseerd op het archeologisch onderzoek dat in percelen rondom het plangebied is uitgevoerd en bouwhistorisch onderzoek naar de bestaande bebouwing binnen het plangebied. Geadviseerd wordt dan ook om binnen het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Over de bevindingen en aanbevelingen uit het onderzoek is contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Sint-Michielsgestel. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft een selectieadvies opgesteld en aangegeven akkoord te zijn met het advies om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. De wettelijke meldingsplicht van vondsten blijft wel van toepassing. Het selectieadvies is opgenomen als bijlage 7. 4.2.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ blijft gehandhaafd.
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
22
en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.3.2
Onderzoek
Figuur 8 geeft de cultuurhistorische waarde kaart weer van de provincie Noord-Brabant. De planlocatie is zwart omcirkeld. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. In de omgeving van de planlocatie zijn monumenten, beeldbepalende panden, waardevolle geografische lijnen en historische stedenbouw aanwezig. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarden en/of elementen in de omgeving.
Figuur 8: Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: provincie Noord-Brabant)
4.3.3
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Flora en fauna
4.4.1
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
23
4.4.2
Onderzoek
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de sloop van de huidige bebouwing en de komst van een nieuw appartementencomplex aan de Groot Grinsel te Den Dungen, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De volledige rapportage quickscan flora en fauna is opgenomen als bijlage 3 bij deze plantoelichting. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’, bevindt zich op ruim 3 kilometer afstand ten noordwesten van de planlocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de huidige bebouwing gesloopt en wordt er een 9 nieuwe appartementen gerealiseerd, dit kan leiden tot uitstoot van stikstof tijdens de aanlegfase en gebruiksfase. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. De notitie stikstofberekening is opgenomen als bijlage 4 bij deze plantoelichting, inclusief de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
24
Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 1 kilometer ten westen en oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden en Soortenbescherming De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten.
De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Doorwerking plangebied Houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Ook is voor het te verwijderen struweelgeen gemeentelijke kapvergunning nodig. Desondanks is een groene woonomgeving altijd waardevol, voor je gezondheid en de biodiversiteit. Geadviseerd wordt om het te verwijderen groen weer terug te brengen in het plan of in de directe omgeving. Vogels Het appartementencomplex heeft een plat dak met bitumen bedekking, waardoor geschikte nestgelegenheid voor vogels onder het dak kan worden uitgesloten. In de gevels en dakranden zijn geen kieren of gaten aanwezig die groot genoeg zijn om als broedholten voor een gebouw broedende vogelsoort als huismus of gierzwaluw te dienen. Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
Vleermuizen In de gevels van het appartementencomplex zijn meerdere open stootvoegen aanwezig, welke toegang geven tot ruimten in de spouw. Daarnaast zijn er plaatselijk smalle kieren langs de dakbetimmering aanwezig. De aanwezigheid van een rust- of verblijfplaats van een gebouw bewonende vleermuissoort binnen het appartementencomplex kan niet worden uitgesloten. Bij de sloop van het gebouw bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
25
Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Amfibieën Het plangebied bevat geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos, iepenpage, teunisbloempijlstaart en sierlijke witsnuitlibel. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Dit geldt tevens voor libellen en vlinders en overige ongewervelde soorten zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als bokkenorchis, groot spiegelklokje, knolspirea en wilde ridderspoor. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Nader onderzoek vleermuizen Met betrekking de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Er is daarom een vervolgonderzoek uitgevoerd.
De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 10 bij deze plantoelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. In de te slopen bebouwing zijn twee paarterritoria van gewone dwergvleermuis aangetroffen. De paarverblijfplaatsen bevinden zich ten noorden en ten oosten van het plangebied. Door het slopen van de bebouwing verdwijnen de paarverblijfplaatsen.
Bestemmingsplan Groot Grinsel 12-16, Den Dungen
26
Door het slopen van de bebouwing worden de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vernietigd (artikel 3.5, lid 2 en lid 4) en is een ontheffing op de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing is het noodzakelijk dat de gebruiksfunctie (paarterritorium) gewaarborgd wordt en dat het opzettelijk doden van individuen van gewone dwergvleermuis (artikel 3.5, lid 1) voorkomen wordt. Dit kan door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Deze maatregelen dienen effectief bewezen te zijn, zoals het werken buiten de kwetsbare periode en het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen vooruitlopend op de werkzaamheden. Deze maatregelen dienen vastgelegd te worden in een activiteitenplan en middels een ontheffingsaanvraag ter goedkeuring te worden voorgelegd bij het bevoegd gezag. De ontheffingsaanvraag met het activiteitenplan worden momenteel voorbereid. Er kan pas gesloopt worden wanneer er een ontheffing is verleend. Een ontheffing kan redelijkerwijs verleend worden. 4.4.3
Conclusie
Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Voor de sloop worden de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vernietigd hiervoor is een ontheffing noodzakelijk. De ontheffing kan redelijkerwijs worden verleend. Een ontheffing dient te worden aangevraagd bij de Provincie Noord Brabant.