Bijlage 2 - Toelichting en regels Berlicum, Plein 13-15
Tekst van het document
van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Echter zal de monumentale woning worden gesplitst in twee wooneenheden.
Omdat een tweede wooneenheid wordt toegevoegd en omdat een bedrijfswoning
wordt omgeschakeld naar een burgerwoning worden beide wooneenheden beschouwd als een nieuw gevwelig object. Bij het om te schakelen agrarisch bedrijf s geen sprake van nieuwe gevoelige objecten.
Voor de afte splitsen woning en de tweede wooneenheid is derhalve een afweging gemaakt of deze leiden tot een mogelijke beperking van nabijgelegen bedrijven.
In de nabije omgeving van de locatie zijn verschillende burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen veroorzaken geen hinder aan de omgeving, waarmee deze niet verder zullen worden beperkt in de ontwikkelingsmogelijkheden door de komst van een nieuw gevoelig object. Verder
zijn in de nabije omgeving de volgende inrichtingen gelegen:
« _ Plein 13: Agrarisch bedrijf, zijnde melkrundveehouderij;
*
Plein 8: Niet-agrarisch bedrijf, zijnde loon- en grondverzetbedrijf
*
Plein 26: Agrarisch bedrij, niet zijnde veehouderij met daarbij een cateringseruce;
+
Groenstraat 33: Niet-agrarisch bedrij, zijnde hoveniersbedrif.
Plein
13:
Het bedrijf aan het Plein 13 betreft het bedrijf van de initiatiefnemer. In de huidige situatie i ter plaatse sprake van een melkrundveehouderij. Echter wordt deze bij de voorgenomen ontwikkeling beëindigd en omgeschakeld naar een agrarisch grondgebonden bedrif, niet zijnde veehouderij. Voor dergelijke bedrijven zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: +
Geur:
*
Fijnstof: 10 meter.
10 meter.
+
_ Geluid:
30 meter.
*
Gevaar:
10 meter. 28
DLV ADVIES &RESULTAAT
Het bedrijf van de initiatiefnemer is, gemeten van de gevel van de af te splitsen woning tot aan het bouwak van het agrarisch bedrijf, gelegen op een afstand van ongeveer 8 meter. Hiermee wordt niet aan de richtafstanden voldaan.
De richtafstanden zijn geen harde afstanden, maar zijn richtlijnen waarvan, indien goed gemotiveerd, van
kan worden afgeweken. Zoals nader aangetoond en omschreven in de paragrafen "Geur”, "Luchtkwaliteit”, "Geluid” en "Exteme veiligheid" kan ter sprake van de af te splitsen woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden
geborgd. Daamaast veroorzaakt het om te schakelen bedrijf van de initiatiefnemer geen onevenredige hinder aan de omgeving en zal de hinder met de beëindiging van de veehouderij alleen maar afnemen, wat
een verbetering van het woon- en leefklimaat inhoudt. Gezien een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd is geen sprake van een verdere beperking van het bedrijf van de initiatiefnemer. Plein 8:
Het bedrijf aan het Plein 8 betreft een niet-agrarisch loon- en grondverzetbedrijf. Voor een dergelijke
inrichting zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: °
Geur:
*
Fijnstof: 10 meter.
30 meter.
*
Geluid:
50 meter.
+
Gevaar:
10 meter.
Het betreffende bedrijf is, gemeten van de gevel van de af te splitsen woning tot aan het bouwdak van het bedrij, gelegen op een afstand van ongeveer 131 meter van de locatie. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee het betreffende loon- en grondverzetbedrif niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt. Plein 26
Het bedrijf aan het Plein 26 betreft een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij. Voor een dergelijke inrichting zijn in de VNG *
Geur:
°
Fijnstof: 10 meter.
handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
10 meter.
* _ Geluid:
30 meter.
°
10 meter.
Gevaar:
Daamaast s ter plaatse van het betreffende bedrijf een cateringserce aanwezig. Voor een cateringserice zijn vanuit de VNG handreiking de volgende richtafstanden van toepassing: °
Geur:
10 meter.
°
Fijnstof: 0 meter.
* _
Geluid:
30 meter.
°
Gevaar:
10 meter.
Het betreffende bedrijf is, gemeten van de gevel van de afte splitsen woning tot aan het bouwvak van het
betreffende bedrif, gelegen op een afstand van ongeveer 190 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de gesteide richtafstanden voldaan, waarmee het betreffende agrarische bedrijf met cateringserice niet verder
in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt. Groenstraat
33:
Het bedrijf aan de Groenstraat 33 betreft een niet-agrarisch hoveniersbedrijf. Voor een dergelijke inrichting zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: +
Geur:
30 meter. 29
DLV ADVIES &RESULTAAT
*
Fijnstof: 10 meter.
*
Geluid:
50 meter.
+
Gevaar:
10 meter.
Het betreffende bedrijf is, gemeten van de gevel van de af te splitsen woning tot aan het bouwvak van het bedrijf, gelegen op een afstand van ongeveer 69 meter van de locatie. Hiermee wordt ruimschoots aan de gesteide richtafstanden voldaan, waarmee het betreffende hoveniersbedrif niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt.
41.2
Geur
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag
veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor
geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot
een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de geve! van het gevoelige object. Tussen de gevel van het
dierenverblijfen de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrif, niet zijnde veehouderij. Met de beëindiging van de veehouderij zal de geuremissie van het bedrijfin zijn geheel komen te vervallen. Daarmee zal de geurbelasting aan de omgeving afnemen en zal sprake zijn van een verbetering van het woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Daamaast is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van het afsplitsen van een monumentale bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf van de initiatiefnemer, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een
burgerwoning.
Daarnaast zal de monumentale bedrijfswoning, voor het behoud van het historische pand,
worden gesplitst in twee wooneenheden.
Een burgerwoning veroorzaakt geen geuroverlast aan de
omgeving. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling daamee geen sprake van een ontwikkeling met een mogelijke geurhinder aan de omgeving.
Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, tevens te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd op het gebied van geur. Bij het afsplitsen van de woning en het omschakelen ervan is in feite geen sprake van het oprichten van
een nieuw gevoelig object. Er is immers sprake van een reeds bestaande woning die als woning in gebruik blijft. Echter wordt de monumentale woning gesplitst in twee wooneenheden. Omdat daarmee feitelijk een
extra wooneenheid wordt gecreëerd is daarmee sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object en dient te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het
gebied van geur. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) heeft een kaart opgesteld van de actuele achtergrondbelasting voor geur in de gehele prowncie Noord-Brabant.
Uit deze kaart blijkt dat de
achtergrondgeurbelasting ter plaatse tussen de 3 en 7 odeurunits per kubieke meter lucht (oue/m?) bedraagt (een goed woon- en leefklimaat). Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het
gebied van geur indien de achtergrondgeurbelasting niet meer dan 20 ou/m? bedraagt. Gezien ter plaatse geen sprake is van een achtergrondgeurbelasting van meer dan 20 ou:/m? kan ter plaatse een 30
DLV ADVIES &RESULTAAT
aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd. Dit geldt ook voor de omliggende woningen.
Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur. Bron: Atlas fysieke leefomgeving van de ODZOB.
41.3
Luchtkwaliteit
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel n betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen.
Projecten die ‘niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de Iuchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (1g/ms) voor fijnstof en stikstofoxiden
(NO2). Projecten die wel n betekenende mate’ bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese
grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activteiten op de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal daarmee afnemen, waarmee de bijdrage van het bedrijf aan de achtergrondconcentratie eveneens zal afnemen. 3
DLV ADVIES &RESULTAAT
In de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM verder uitgewerkt. Waar mogelijk worden getalsmatige grenzen gesteld aan de omvang van nieuwe projecten. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum aantal nieuwe woningen, kantooropperdakte en grootte van landbouwbedrijven. Een nieuw project dat binnen deze grenzen blift, is per definitie NIBM. Als een nieuwe ontwikkeling buiten de grenzen van de ministeriële regeling valt, kan het bevoegde gezag berekeningen maken om alsnog aannemelijk te maken dat het project minder dan 1,2 ug/m? bijdraagt aan de luchtverwiling. De regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen: “Voorschrift 1B.1 (Landbouwinrichtingen) Aangewezen ingevolge artikel 2, tweede lid, worden: a. b.
akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt;* inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor wtloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw;” c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen;* d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 0,7 hectare; e kinderboerderijen. * al deze inrichtingen zijn NIBM, ongeacht de omvang van het bedrij.” Een teeltbedrijfis in elk geval als 'niet in betekenende mate' (NIBM) aangemerkt.
Hier valt het om te
schakelen bedrijf van de initiatiefnemer dus ook onder. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
Daamaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een bestaande monumentale bedrijfswoning afgesplitst van het agrarisch bedrijf van de initiatiefnemer en omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarnaast zal het monumentale pand worden gesplitst in twee wooneenheden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaiteitseisen) is opgenomen hoe wordt
omgegaan met woningen in het kader van NIBM. Vanuit deze regeling is, in bijlage 3a, voor woningbouwiocaties opgenomen dat deze als NIBM worden beschouwd als sprake is van niet meer dan
1.500 nieuwe woningen wanneer er één ontsluitingsweg aanwezig is en niet meer dan 3.000 nieuwe woningen wanneer er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van de huidige bedrijfswoning naar een
burgerwoning en de splitsing daarvan in twee wooneenheden. n feite is daarmee sprake van één nieuwe woning. Hiermee is sprake van een NIBM-ontwikkeling.
Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de
voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen” (paragraaf 4.4.2) zal het aantal
verkeersbewegingen in beperkte mate toenemen (met ongeveer 8 verkeersbewegingen per dag met personenvener). Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate
toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 Hg/m?.
Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 ug/m? met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.
32
DLV ADVIES &RESULTAAT
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie]
[Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)) Aandeel vrachtverkeer|
Maximale bijdrage extra verkeer
NO2 in pg/m? PMo in pg/m?
IGrens voor "Niet In Betekenende Mate” in ug/m*
0,01 0,00 1,2|
Conclusie
Resultaten berekening NIBM:tool. Bron:
InfoMil.
Gezien ook ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van het nieuwe gevoelige object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van
luchtkwaliteit kan worden geborgd. Bij het omschakelen van het agrarisch bedrijf worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. Bij het afsplitsen van de woning en het omschakelen ervan is in feite geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Er is immers sprake van een reeds bestaande woning die als woning in gebruik bljf. Echter wordt de monumentale woning gesplitst in twee wooneenheden. Omdat daarmee feitelijk een extra wooneenheid wordt gecreëerd is daarmee sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object en dient te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit als de achtergrondooncentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (ug/m?) bedraagt. De provincie Noord-Brabant heeft deze norm echter aangescherpt. Binnen de prowncie Noord-Brabant geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit als de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 ug/m? bedragen. Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de resultaten uit de NSL monitoringstool zijn opgenomen,
bedragen de
achtergrondconcentraties voor fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse, zoals weergegeven in de volgende figuren, ongeveer 19,6 pg/m® (fjnstof) en 16,4 ug/m? (stikstofoxiden). De achtergrondconcentraties van
fijnstof en stikstofoxiden bedragen daarmee (aanzienlijk) minder dan 31,2 ug/m, waarmee ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Dit geldt ook voor
de omliggende woningen.
3
DLV ADVIES &RESULTAAT
ntormate optragen
Uitsnede kaart achtergrondeoncentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stik stofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
414
Geluid
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kem van de Wh
is dat
geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
e
Woningen.
e _ Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
«
Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daamee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische 34
DLV ADVIES &RESULTAAT
kleuterdagverblijven, etc.. Daamaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: * _ Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. + Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De
belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende
voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch
onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dt wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt
de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde).
Bij burgerwoningen i ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is
zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk.
Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de
voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van de veehouderij ter plaatse naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. Daarbij worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. Daamaast zal de monumentale bedrijfswoning van het bedrijf worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Tevens zal deze woning ten behoeve van het behoud van de monumentale waarde ervan worden gesplitst. De nieuwe wooneenheid wordt gezien als een nieuw gevoelig object. Nader onderzoek naar de geluidbelasting op de gevel van de te splitsen woning is daarmee vereist. De afte splitsen woning is gelegen binnen de richtafstanden voor geluid van het akkerbouwbedrijf.
Derhalve dient te worden onderzocht of sprake is van mogelijke geluidhinder in de woningen vanuit het akkerbouwbedrijf, maar eveneens vanuit eventuele andere geluidhinder veroorzakende inrichtingen in de
omgeving. Om te onderzoeken of de geluidbelasting op de gevel van de af te splitsen woningen en de woningen in de omgeving voldoet aan de wettelijke norm is voor zowel het onderdeel wegverkeerslawaai als voor het
onderdeel industrielawaai een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek, waarvan het rapport is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting, blijkt dat aan de wettelijke normen wordt voldaan en dat ter
plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid kan worden geborgd.
41.5 Externe veiligheid Exteme Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.
Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per
risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden de verantwoording wel of niet verplicht stellen.
35
DLV ADVIES &RESULTAAT
4.1.5.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daamaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het inoedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invoedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bev. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). 4.1.5.2
Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen
Het exteme veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over de weg, spoor en
water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bew) en het Besluit exteme veiligheid transportroutes (Bev). In het Bevo en het Bevf zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die
gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het inoedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. Nabij de locatie is een buisleiding voor de transport van gas gelegen. Voor de betreffende leiding is in de gemeentelijke Extere Veiligheid Signaleringskaart, zoals weergegeven n de volgende figuur, een invoedsgebied vastgesteld. Daarbij is het brandaandachtsgebied met contouren van de 1% letaalzone opgenomen. De locatie s buiten de 1% Ietaalzone gelegen, waamee het groepsrisico niet verder verantwoord
hoeft te worden.
3
DLV ADVIES &RESULTAAT
Uitsnede gemeentelijke Externe Veiligheid signaleringskaart.
Bron:
Gemeente Sint-Michielsgestel.
4.1.5.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invoedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.
De locatie is niet binnen een indoedsgebied van een risicobron enof transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
41.6
Bodem
De bodemkwaliteit is n het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien n de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting
waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging. De gemeente heeft, ter voorbereiding op de gebiedsvsie en het omgewngsplan voor het gehele plangebied,
waarin de locatie meegenomen wordt, een bodemonderzoek uitgevoerd.
Uit dat onderzoek blijkt dat op de
locatie, die als aparte deellocatie is onderzocht, enkele licht verhoogde waarden aangetroffen zijn. Deze
zijn echter als gebiedseigen aan te merken en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. De bodemgesteldheid ter plaatse zal geen directe belemmeringen opleveren voor het toekennen van een
woonbestemming op de locatie. Voor het gehele onderzoek dat de gemeente heeft |aten uitvoeren wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.
37
DLV ADVIES &RESULTAAT
41.7 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat
toetsing aan de drempelwaarden in de DJjst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een
omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het
milieu kunnen worden uitgesloten.
Pas als dat het geval is, is de activiteit niet
m.e.r.-(beoordelings plichtig.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een monumentale agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en het splitsen daarvan in twee wooneenheden. Vanuit de Djst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen. Daamaast is de drempelwaarde alleen van toepassing wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename met 2.000 of meer woningen en is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking” (paragraaf 3.1.3) geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee de voorgenomen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
42
Ecologie
421 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescheming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht.
Een vergunning voor een project wordt alleen
verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake
is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.
Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanwagen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000.
Het dichtstbijzijnd Natura
2000 gebied (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek) is gelegen op een afstand van ongeveer 7,1
kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invoed is op het betreffende gebied.
38
z [DLV ADVIES &RESULTAAT
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius
Calculator.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de veehouderij worden beëindigd en worden omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. Met de beëindiging van de veehouderij zal de uitstoot van ammoniak in zijn geheel komen te vervallen, waarmee de depositie van stikstof op de betreffende gebieden als gevolg van de neerslag van ammoniak zal afnemen. Daamaast wordt een bestaande bedrijfswoning van het bedrijf afgesplitst en in gebruik genomen als burgerwoning. Aan het feitelijk gebruik van de woning zal daarmee niets veranderen. Het is reeds een woning en blijft een woning. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toenemende emissie van ammoniak en/of stikstof.
De afte splitsen woning betreft echter een monumentaal pand. Om de monumentale waarde te behouden
zal het pand worden gerenoveerd en worden gesplitst in twee wooneenheden.
Netto gezien zal met de
beëindiging van de veehouderij de uitstoot van stikstof meer afnemen dan dat deze zal toenemen als
gevolg van de extra wooneenheid. Op een afstand van 7,1 kilometer tot het dichtstbijzijnde gebied is het daamaast niet aannemelijk dat de effecten van de voorgenomen ontwikkeling van inoed zullen zijn op de
betreffende gebieden. Echter heeft de Raad van State in een recentelijke uitspraak beslist dat ook de effecten van de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) moeten worden aangetoond. Bij de voorgenomen splitsing van het monumentaal pand inden inteme verbouwingen plaats, waarmee mogelijk sprake is van effecten. Ook hierbij geldt dat de uitstoot van stikstof tijdens de aanlegfase minder is dan de afname van de uitstoot van stikstof als gevolg van de beëindiging van de veehouderij. Echter dienen de effecten van stikstof op de betreffende gebieden cijfermatig in beeld te worden gebracht met het rekenprogramma Aerius Calculator. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve met dit rekenprogramma een berekening gemaakt. Hierin zijn zowel de aanlegfase als de gebuiksfase meegenomen. Uit de uitgevoerde berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar). Daarmee zal geen sprake zijn van een toenemende depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Naast de depositie van stikstof kunnen effecten van de uitstraling van licht, geluid en trillingen mogelijk
leiden tot nadelige gevolgen voor de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van activiteiten die leiden tot een structurele uitstraling van licht, geluid en/of trilingen. Mogelijk is tijdens 39
DLV ADVIES &RESULTAAT
de aanlegfase sprake van een tijdelijke uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Echter is de locatie dusdanig ver van de betreffende gebieden gelegen dat dergelijke effecten in de gebieden niet merkbaar
zullen zijn. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2
Houtopstanden
Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de
bestaande opperakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt
een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van
deze herplantplicht verleend moeten worden.
De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van
een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen,
boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: * _ buiten de bebouwde kom-boswet liggen:
* _ een oppervakte hebben van 10 are of meer; « _ rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppenúakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht
op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime.
De mate van
De Wet
natuurbescheming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor
verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vijstellingen of onthefingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of
bij te hebben. e
Vogelrichtlijn:
Dit betreffen alle vogelsoorten die n Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1
van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten
opzettelijk te vemielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invoed is
op de instandhouding van de betreffende soort). ° _ Habitarichtlijn:
Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bem bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage |, voor zover hun natuurljke verspreidingsgebied zich in
Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Ber en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is n het wild levende
soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van
deze soorten te beschadigen of te vemielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen,
af e snijden, te ontwortelen en/of te 40
DLV ADVIES &RESULTAAT
vernielen. *
_ Nationaal
beschermde
soorten:
Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, ssen, dagvinders, libellen, kevers en vaatplanten
voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, ssen,
dagvinders, libellen en kevers opzettelijk te
doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te veielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied
opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. e
Zorplicht:
Naast beschemde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild evende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor
niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijk enof rustplaatsen van de aangewezen, niet vijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Ter voorbereiding op de gebiedsvsie en het omgewingsplan voor het gehele gebied waarin de locatie is gelegen heeft de gemeente een quickscan en aanvullend onderzoek naar mogelijk voorkomende soorten
flora en fauna uit laten voeren.
Uit de uitgevoerde quickscan is gebleken dat op enkele van de onderzochte
locaties aanwllende maatregelen nodig zijn. Voor de planlocatie zijn, uitgezonderd de zorgplicht voor het
uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen, de aanwllende maatregelen niet van toepassing. Voor het gehele onderzoek dat de gemeente heeft laten uitvoeren wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten.
42.2
Natuuretwerk
Nederland
Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwíjzing van een gebied als Natuumetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
Het NNN is n de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste
leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk i er daamaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geidt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen
leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN i niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.
Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies, die voor het behoud en de bescherming van het NNN regels dienen vast te stellen in het prownciale beleid. De proncie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuumetwerk Brabant (NNB). In de provinciale verordening heeft de provincie Noord-Brabant regels opgenomen voor het behoud en de bescherming van het NNB.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied
is gelegen op een afstand van ongeveer 1,3 kilometer.
41
DLV ADVIES &RESULTAAT
Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron:
Provincie
Noord-Brabant.
Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige inoed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
42.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daamaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invoed kunnen onderinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescheming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wavgebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.
Uitsnede kaart Wav-gebieden. 42
DLV ADVIES &RESULTAAT
Bron:
Provincie Noord-Brabant.
Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.
43
_ Archeologie en cultuurhistorie
431 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescheming i in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het
initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Sint-Michielsgestel voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft de archeologische verwachtingswaarden vastgelegd in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Een klein deel van de locatie, het zuidoostelijke deel, is gelegen in een gebied met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4'. Het overige deel van de locatie, waarbinnen ook de om te schakelen en te splitsen monumentale woning is gelegen, ligt binnen een gebied met de dubbelbestemming Waarde Archeologie 1° Ten aanzien van de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1 stelt de gemeente in
haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 30 m? en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Verder stelt de gemeente dat nader onderzoek niet nodig is wanneer sprake is van ver- of
nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppenakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het afsplitsen van de bestaande monumentale bedrijfswoning en de omschakeling daarvan in twee wooneenheden. Ten behoeve van het behoud van de monumentale waarde van het pand wordt het gerenoveerd en gesplitst in twee wooneenheden. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van sloop en/of nieuwbouw. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee sprake van een verbouw van een pand, waarbij de bestaande oppervakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en er geen sprake is van een ingreep dieper dan de bestaande fundering. Daarmee wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Ter voorbereiding op de gebiedsvsie en het omgewingsplan voor het gebied waarin de locatie is gelegen heeft de gemeente echter een archeologisch onderzoek laten uitvoeren. Uit dit uitgevoerde onderzoek blijkt dat door aangetroffen verstoringen binnen het plangebied, het ontbreken van archeologische indicatoren in de boringen, en de aangetroffen landschappelijke situatie de kans op het aantreffen van (intacte) archeologische vindplaatsen klein is. Voor een tweetal onderzochte deellocaties is een vervolgonderzoek nodig. De locatie is daar echter niet een van. Op de locatie is geen nader vervolgonderzoek nodig. Voor het gehele onderzoeksrapport van het onderzoek dat de gemeente heeft laten uitvoeren wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad. 43
DLV ADVIES &RESULTAAT
43.2
Cultuurhistorie
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of Vakelementen.
Het cultuurhistorisch erfgoed geeft
een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.
De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de proncies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie gelegen n een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen.
e
Uitsnede cultuurhistorische
Bron:
/
\ -
waardenkaart.
Provincie Noord-Brabant.
Een aantal van de omliggende wegen, waaronder het Plein, is aangemerkt als historisch geografische lijn in het landschap met redelijk hoge waarde. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van ingrepen aan of bij de omliggende wegen. Er is daarmee geen sprake van een rechtstreekse aantasting van de betreffende historisch geografische lijnen. Daamaast is ter plaatse uitsluitend sprake van de afsplitsing en omschakeling van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij deze zal worden gerenoveerd en zal worden gesplitst in twee wooneenheden. De gehele ontwikkeling indt plaats binnen het bestaande uimtebeslag en in bestaande bebouwing. Aan de uiterlijke verschijningsvorm zullen geen wijzigingen plaatsvinden. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke inoed van de voorgenomen ontwikkeling op de betreffende historisch geografische lijnen in het landschap. Daamaast is de af te splitsen en om te schakelen woning aangemerkt als Rijksmonument. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de monumentale woning worden gesplitst in twee wooneenheden ten
behoeve van het behoud en de bescherming van de monumentale waarde ervan. Daarbij zal het pand worden gerenoveerd volgens de richtlijnen voor monumentale panden. Voor de voorgenomen ontwikkeling
is reeds uitvoerig overleg geweest met de architect en de monumentencommissie om te borgen dat de monumentale waarde van het pand zoveel mogelijk wordt behouden en waar mogelijk wordt versterkt. Er
zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de historische waarde van het monumentale pand.
44
DLV ADVIES &RESULTAAT
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
433
_ Aardkundig waardevolle
gebieden
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppenak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron:
Provincie Noord-Brabant.
Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
44
Verkeer en parkeren
44
_ Infrastructuur en parkeren
Een goede ontsluiting is gerealiseerd op het Plein. De locatie is voorzien van meerdere inritten die aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om de locatie te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog
gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning van het bedrijf afgesplitst en omgeschakeld naar een burgerwoning. Het feitelijk gebruik van de woning verandert niet, waarmee de parkeerbehoefte van de af te splitsen woning eveneens niet zal veranderen. Echter zal de af te splitsen en om te schakelen woning, ten behoeve van het behoud van de monumentale waarde van het pand, worden gesplitst in twee 45
DLV ADVIES &RESULTAAT
wooneenheden. In feite is daarmee sprake van het toevoegen van é&n extra woning. Vanuit de CROW publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" geldt bij vijstaande woningen in het buitengebied een parkeernorm van minimaal 2 parkeerplaatsen per woning. Dit houdt in dat op de locatie moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor minimaal 2 auto's. Op de locatie is reeds ruimschoots voldoende verharding en parkeergelegenheid aanwezig voor 2 extra auto's. Hiermee zal ook n de gewenste situatie sprake zijn van het parkeren geheel op de eigen locatie, waamee geen sprake zal zijn van een toenemende verkeersdruk in de openbare ruimte.
442 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van de veehouderij ter plaatse naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. Bij de voorgenomen omschakeling zal het aantal verkeersbewegingen met tractoren van en naar het land waarop de teelt plaatsvindt in beperkte mate toenemen. Echter zullen de verkeersbewegingen ten behoeve van de veehouderij (het aanvoeren van dieren, het afvoeren van dieren, het aanvoeren van voer, het afvoeren van mest, het aanvoeren van stro en
hooi en het verkeer ten behoeve van overige diensten zoals de dierenarts) in zijn geheel komen te venallen. De afname van het aantal verkeersbewegingen is ongeveer gelijk of zelfs groter dan de toename van het aantal verkeersbewegingen voor de gewenste teelt. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de omschakeling van het agrarisch bedrijf. Daamaast is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van het afsplitsen en omschakelen van de reeds bestaande bedrijfswoning bij het bedrijf van de initiatiefnemer naar een burgerwoning. Daarnaast zal de
woning, ten behoeve van het behoud van de monumentale waarde ervan, worden gesplitst in twee wooneenheden. Vanuit de CROW
In feite is er daammee sprake van één extra woning op de locatie. publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" geldt bij vijstaande woningen
in het buitengebied dat deze gemiddeld 8 verkeersbewegingen per etmaal genereren met personenvenoer. Dit betreft slechts 4 auto's per dag. Dit is slechts een zeer beperkte toename van het aantal
verkeersbewegingen die niet zal leiden tot een onevenredige overlast aan de omgeving. Daarnaast is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen met vachtverkeer.
De verkeersbewegingen van het agrarisch bedrif zijn meegenomen in het uitgevoerde akoestisch onderzoek (zie bijlage 2 van deze toelichting) en zullen niet leiden tot een onevenredige overlast aan de omgeving. De verkeersbewegingen ten behoeve van het agrarisch bedrijf zijn vastgelegd in de planregels behorende bij dit plan, waarmee is geborgd dat er geen situatie ontstaat met meer verkeersbewegingen die mogelijk kan leiden tot hinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen en/of een onevenredige toename van de overlast aan de omgeving.
45
Wateraspecten
451 Algemeen Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden
en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het uimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip "waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde 46
DLV ADVIES &RESULTAAT
waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hiema: het waterschap). De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas,
gehamoniseerd.
De Dommel
en Brabantse Delta hebben hun keuren
Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015
dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard opperak toeneemt.
Hiermee geven de waterschappen ook inwulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel
mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervak versneld op het watersysteem wordt
geloosd. Voor lozingen op een opperlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit
hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer va een rioleringsstelsel.
Bij het invullen van de
compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen.
Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invuling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nernen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervak
onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel e relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende af\oer. Dit heeft er toe geleid
dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van
de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer
noodzakelijk en dient het waterschap oegtijdig te worden betrokken Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen. Alleen op
deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt.
4.5.2
Beleid waterschap Aa en Maas
45.2.1 Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan
is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1.
2.
3.
Wateneiligheid; Het programma 'Watenveiligheid' draait om de beschemming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij Iet het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Schoon Water;
In het programma 'Schoon Water speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
47
DLV ADVIES &RESULTAAT
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: « _ schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt: « _ de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; * de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabe! is; « _ de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP
naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen
vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap;
Keur, legger,
communicatie en stimuleringsmiddelen. 45.2.2
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de
waterkwantiteit, waterkwaliteit en wateneiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
45.2.3
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
45.3 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Sint-Michielsgestel 2020-2024 De gemeente Sint-Michielsgestel heeft, in aanwlling op het beleid van het waterschap, een eigen beleid met betrekking tot de verwerking van hemelwater. Dit gemeentelijke beleid is opgenomen in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Sint-Michielsgestel 2020-2024. Daarin is opgenomen dat, in afwijking van het beleid van het waterschap, aanwllende compensatie nodig is bij een toename van het verhard oppervak met meer dan 250 m?. Voor wat betreft de berekening van de benodigde capaciteit wordt aangesloten bij het beleid van het waterschap. De gemeente stuurt in het beleid verder op een scheiding van het wil water en het hemelwater, zodat er geen hemelwater op de riolering wordt geloosd.