Bijlage 2_ Toelichting en bijlagen OTW.pdf
Tekst van het document
Waterparagraaf Gemeentelijk beleid
Voor het bestemmen van een nieuwbouwlocatie of wijzigen van een bestaande bestemming dient een watertoets te worden uitgevoerd. De watertoets is per 1 november 2003 als een wettelijke verplichting opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In een watertoets wordt de huidige waterhuishoudkundige en rioleringsituatie opgenomen en getoetst aan de toekomstige situatie. Veelal leiden in- en uitbreidingen tot extra verharding en daarmee een wijziging in de waterhuishoudkundige situatie. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. In onderling overleg kunnen afspraken worden gemaakt over hoe dit aspect in een bestemmingsplan wordt opgenomen. In de Watervisie Boxtel d.d. 2 maart 2010 is de visie op water van de gemeente opgenomen. In de ‘Watervisie Boxtel’ is een voorkeursvolgorde opgenomen voor het omgaan met afvalwater in het kader van de bescherming van het milieu. Die volgorde is als volgt: 1. 2. 3. 4. 5.
Afvalwaterstromen zo veel mogelijk gescheiden houden, tenzij het niet scheiden geen nadelig effect heeft op het beheer; Afvalwater en hemelwater doelmatig te hergebruiken, zo nodig voorgezuiverd of geborgen; Het vasthouden en bergen van hemelwater, zonder nadelig effect van wateroverlast; Hemelwater terug in de bodem of op het oppervlaktewater te brengen, tenzij nadelig effect ontstaat voor het milieu; Afvalwater transporteren naar de zuivering.
Welke maatregel het meest doelmatig is hangt mede af van de eigenschappen van de lokale omgeving, zoals de bodemopbouw, de aanwezigheid van oppervlaktewater en de hoeveelheid beschikbare ruimte voor het treffen van maatregelen. Vandaar dat het van belang is om, ook bij invulling van de zorgplichten voor riolering, rekening te houden met de kenmerken van het lokale watersysteem. In Boxtel wordt gestreefd naar een robuust systeem voor de verwerking van hemelwater op de lange termijn. In 2015 is het verbreed gemeentelijk rioleringsplan -5 2015-2019 (vGRP-5 2-15-2019) vastgesteld. Met betrekking tot de verwerking van hemelwater wordt daarin als visie vastgelegd dat indien doelmatig de perceeleigenaar een steentje bij moet dragen door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en verwerking van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave. Afkoppelen is hierbij een van de middelen. Nieuwe
29
ontwikkelingen en reconstructies worden hydrologisch neutraal ingepast en robuust aangelegd. 5.6.2.
Beleid waterschap
Sinds 1 maart 2015 hebben de waterschappen De Dommel, Aa en Maas en de Brabantse Delta hun krachten gebundeld in een geharmoniseerde keur. Dit betreffen de “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabants waterschappen”. Zij hanteren dezelfde (beleids-)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Het gaat hierbij om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.
Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft ertoe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Beoordeling Onderhavig plan betreft een klein plan. Het gaat, voor zover relevant voor water, slechts om het toevoegen van één nieuwe woning. De toename van het verhard oppervlak bedraagt ongeveer 250 m²; de dakoppervlakte zal ongeveer 100 m² zijn en de verharding op het erf eveneens ongeveer 150 m². Alhoewel compensatie niet noodzakelijk is, omdat deze toename geen ‘toename verhard oppervlak’ betreft volgens de definitie in het Keur, wordt hierna toch inzichtelijk gemaakt hoe wordt omgegaan met de waterberging, met behulp van de rekenregel die in het Keur is opgenomen voor zogenaamde kleine plannen. De afvoer van een toename van 2.000 m² verhard oppervlak bij een T10-bui van 24 uur bedraagt 2,0 l/s. Dit is minder dan 10% van de maatgevende afvoer van de kleinste leggerwaterlopen (30 l/s). Het verhard oppervlak in het plangebied neemt toe met een oppervlakte van ongeveer 250 m².
Gelet op de stelling dat bij een toename aan verhard oppervlak van 2.000 m², minder dan 10 % van de maatgevende afvoer van de kleinste leggerwaterlopen wordt benut, zal dat bij een verharding van 250 m² rond de 1 % bedragen. Voor de afvoer van verhard oppervlak naar riolering en/of oppervlaktewater hanteren het waterschap en de gemeente de volgende uitgangspunten voor nieuwe ontwikkelingen tussen 2.000 m² en 10.000 m² een benodigde retentiecapaciteit (in m³) door een vermenigvuldiging van de toename verhard oppervlak (in m²) met de gevoeligheidsfactor 0,06. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/ha) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. 60 mm komt neer op 6 liter per vierkante meter, zodat bij een verhard oppervlak van 250 m² dient te worden voorzien in een
30
berging van 15 m³. Daarin zal op eigen terrein worden voorzien op een nog nader te bepalen wijze. 5.7.
Ecologie
De nieuwe Wet Natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden. Deze wet vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Beiden zijn geïmplementeerd in de Wet Natuurbescherming en omvat de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied. Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebieds-specifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.
Figuur 14 Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden vanaf het plangebied
Zoals op de bovenstaande figuur te zien is, zijn er geen Natura 2000 gebieden gelegen in de omgeving van het plangebied. De soortbescherming is opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. De wet regelt de bescherming van wilde dier- en plantsoorten. Ook omvat de wet de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000 gebieden. Volgens de Wet Natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting mag niet worden
31
verstoord en vaste rust- of verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen op geen enkele wijze van hun groeiplaats worden verwijderd of anderszins worden vernield. Ook legt de wet de zorgplicht van de burger voor de flora en fauna vast. Er zijn vrijstellingsbepalingen, onder andere in verband met de jacht en de schadebestrijding. Afwijkingen van de verbodsbepalingen zijn mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Conform de Wet Natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Deze is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De quickscan flora en fauna heeft als doel om, op basis van een eerste indruk, in te schatten of er op de betreffende locatie planten en/of diersoorten aanwezig zijn dan wel te verwachten zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk nadeel kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep. Er is géén beschermde flora waargenomen en deze valt hier niet te verwachten.
Tevens is er géén beschermde fauna waargenomen. Mogelijk maakt het terrein deel uit van foerageergebied van beschermde soorten zoals vleermuizen en uilen. Vaste rust- en reproductieplaatsen worden hier echter niet verwacht. Volgens de rapportage zal de bouw van één woonhuis naar verwachting géén directe of indirecte negatieve effecten hebben op beschermde natuur.
Stikstofdepositie Door de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is de systematiek van de PAS echter vernietigd en is ook de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jr niet langer geldend. Daarom is een Aeriusberekening uitgevoerd zowel voor de bouwfase als voor de gebruiksfase. Daarbij is relevant dat de nieuw toe te voegen wooneenheden gasloos worden uitgevoerd. Vervolgens is voor de stikstofemissie nog de verkeersaantrekkende werking van belang. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat de realisatie van het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt daarom een vrijstelling van de vergunningplicht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het initiatief. In bijlage 5 is een memo opgenomen waarin dit onderzoek nader wordt toegelicht. 5.8.
Luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.
32
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (RIVM) kan de jaargemiddelde achtergrondconcentratie worden achterhaald voor diverse stoffen waaronder stikstofdioxide en fijn stof. Het onderstaand kaartje geeft die weer voor fijn stof.
Figuur 15 afdruk Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland met jaargemiddelde concentratie PM10.
Uit dit overzicht blijkt dat heersende achtergrondconcentratie tussen 18 en 20 µg/m³ aanmerkelijk lager is dan de wettelijke jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m³. Voor wat betreft de achtergrondconcentratie van stikstofdioxide (NO2) geeft de onderstaande figuur de achtergrondconcentratie aan.
33
Figuur 16 Afdruk Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland met jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2)
Uit dit overzicht blijkt dat heersende achtergrondconcentratie stikstofdioxide tussen 15 en 20 μg/m³ aanmerkelijk lager is dan de wettelijke jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m³. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in het Besluit Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 μg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. voor woningen) is dit gekwantificeerd in de Regeling NIBM en hoeft dat dus niet te worden onderzocht. Volgens de Regeling NIBM draagt een plan niet in betekenende mate bij als sprake is van minder dan 1500 woningen. Omdat het hier slechts gaat om de toevoeging van één woning is toetsing aan de grenswaarden derhalve niet noodzakelijk, aangezien die woning niet in betekenende mate bijdraagt. Tankstations moeten voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer waaronder als eis dat een dampretoursysteem aanwezig dient te zijn. Daarmee wordt geborgd dat een tankstation geen onaanvaardbare hinder veroorzaakt naar de omgeving.
Van bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen is beoordeeld dat hun effect op luchtkwaliteit klein is (NIBM). Een beoordeling luchtkwaliteit is dan niet nodig. Wanneer alle voertuigen die in de worst-case situatie het bedrijf bezoeken (200 mvt/e) worden opgenomen in een berekening met behulp van de NIBM-tool dan blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen. In onderstaande figuur is de samenvatting van die berekening opgenomen.
34
Figuur 17 resultaten berekening luchtkwaliteit met NIBM-tool
De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de realisering van de woning. 5.9.
Externe veiligheid
Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in allerlei andere regelingen, zoals het Activiteitenbesluit, veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in respectievelijk de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen", "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb), "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het Basisnet.
Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
35
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Met dit bestemmingsplan wordt de opslag en verkoop van LPG in het plangebied formeel uitgesloten. Dit hangt samen met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake bestemmingsplan “Liempde”, waarin voor de Roderweg 35 het plandeel dat ziet op de verkoop van LPG vernietigd is. De ABRvS kwalificeert de vaststelling van een conserverend bestemmingsplan namelijk als een nieuwe situatie in de zin van het Bevi, en daarom dienen daarop ook de afstandseisen voor nieuwe situaties op van toepassing te worden verklaard. Voor nieuwe situaties gelden nieuwe richtafstanden in het Bevi. De richtafstand bedroeg voorheen 25 meter, maar voor nieuwe situaties is die 45 meter. Binnen die richtafstand is o.a.
de woning aan de Roderweg 37 gelegen. Doordat met dit bestemmingsplan de verkoop van LPG ook planologisch onmogelijk wordt gemaakt, verbetert de veiligheidssituatie in het plangebied en in de omgeving daarvan. Voor het overige zijn in de omgeving geen van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes gelegen. Het aspect Externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van onderhavig initiatief. 5.10.
M.e.r. beoordeling
Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningbouw, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieueffectrapportage opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de gewenste ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er twee mogelijkheden: •
•
bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe m.e.r.-plicht. In dat geval dient een m.e.r. opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project dat onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden uit onderdeel D ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt; indien er geen directe m.e.r.-plicht geldt, kan er wel een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen. Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.
Beoordeling
36
De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het kan wel behoren tot onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. Dat betreft: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempel daarbij is: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Vaststaat dat dit plan onder de drempel blijft. De vraag dient echter allereerst te worden beantwoord of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarvan is geen definitie opgenomen zodat de jurisprudentie daarvoor relevant is. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft daarover intussen enkele uitspraken gedaan. De Afdeling stelt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij is het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom I van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit-m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In dit geval wordt er één vrijstaande woning ontwikkeld op een inbreidingslocatie binnen de bestaande woonbebouwing. Voorts ligt de locatie niet in of direct nabij een beschermd natuurgebied, is er geen risico op verontreiniging en leidt de ontwikkeling niet tot onevenredige hinder voor omliggende functies.
Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er sprake is van verbetering van de milieusituatie doordat een LPG-tankstation wordt wegbestemd wat een positief effect heeft op het aspect externe veiligheid. Dat maakt dat het plan niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk om een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren in het kader van dit bestemmingsplan. 5.11.
Kabels, leidingen en straalpaden
De kabels en leidingen liggen in het openbaar gebied. Er zijn ter plaatse van het plangebied geen kabels en leidingen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLICmelding worden aangevraagd om er voor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. 5.12.
Verkeer en parkeren
Verkeer Er is geen onevenredige toename in de verkeersbewegingen te verwachten als gevolg van de toevoeging van één vrijstaande woning. In de straat waaraan de woning wordt gebouwd zijn reeds woningen aanwezig, zodat de toe te voegen woning als passend in de omgeving kan worden aangemerkt. Gelet op het straatbeeld, leidt één vrijstaande woning niet tot een verkeersdruk die als niet passend in de omgeving zou moeten worden bestempeld. Daarnaast levert het plan een afname op van verkeersbewegingen als gevolg van het opheffen van de verkoop van LPG, waardoor minder auto’s het tankstation zullen bezoeken. Parkeren Voor de toepassing van de parkeerkencijfers van CROW publicatie 317 is relevant hoe het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt, wordt geduid. De locatie ligt aan de rand van de
37
bebouwde kom van Liempde en kan daarom worden geduid als ‘rest bebouwde kom’ in de tabel van CROW. Liempde is verder aan te merken als ‘weinig stedelijk’. Voor een vrijstaande koopwoning betekent dat dat er minimaal 1,9 en 2,7 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd op eigen terrein. Dat is, gelet op de oppervlakte van het perceel, is er voldoende ruimte op het perceel om in die parkeergelegenheid te voorzien. 5.13.
Duurzaam bouwen
In het document ‘De Energieneutrale Stad in 2040 Uitvoeringsprogramma gemeente Boxtel 2011-2020’ staat het programma voor duurzaamheid in Boxtel. Boxtel is vooruitstrevend op het gebied van duurzaam bouwen en wil een regionale gids- en voorbeeldfunctie vervullen voor het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid. Boxtel stelt hogere eisen aan nieuwbouwwoningen dan wettelijk voorgeschreven. In juli 2017 heeft de gemeente ter uitvoering van dat beleid de ‘Visie Duurzaam Boxtel 2030’ en ‘Uitvoeringsagenda Duurzaamheid 2017-2022’ vastgesteld. Om de visie te realiseren is een uitvoeringsagenda met actiepunten opgesteld voor de periode 2017-2022. In dat nieuwe uitvoeringsprogramma is opgenomen dat bij nieuwbouwplannen het uitgangspunt is om 0op-de-meter woningen te bouwen. De woning zal worden uitgevoerd als een nul-op-demeterwoning. Vastlegging daarvan in de regels van het bestemmingsplan is evenwel niet noodzakelijk omdat dit geen planologische relevantie heeft. Intussen geldt voorts de eis dat woningen die ná 1 juli 2018 worden gerealiseerd geen aansluiting meer krijgen op het gasnet. Daartoe is ook het Bouwbesluit 2012 aangepast. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1257) blijkt ook dat een extra regeling van het gasloos bouwen in het bestemmingsplan niet noodzakelijk is.
Al deze maatregelen zullen te zijner tijd bij de realisering van het bouwplan concreet worden vormgegeven. De te bouwen woning zal derhalve gaan voldoen aan de eisen uit het uitvoeringsprogramma.
38
6. Juridische planopzet
6.1.
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de hiervoor beschreven beleidsuitgangspunten vertaald in de regels van het bestemmingsplan. De regels in samenhang met de verbeelding hebben te gelden als het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. 6.2.
Algemene opzet
Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: 1. De toelichting: Hierin wordt de planbeschrijving opgenomen, alsmede een verantwoording daarvan gelet op het beleid. Ook wordt getoetst aan de aspecten van ruimtelijke ordening en milieu ter verantwoording van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Bij de toelichting gaan de rapporten van de uitgevoerde onderzoeken als bijlagen. 2. De regels: In de regels worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de planologische ontwikkeling vastgelegd. De regels zijn eender aan de regels zoals opgenomen in het ‘Handboek bestemmingsplannen’ d.d. januari 2015. Voor in het geldende bestemmingsplan Liempde afwijkende regels zijn opgenomen zijn deze, voor zover relevant, ook opgenomen in dit plan. 3. De verbeelding: Op de verbeelding staat de geldende bestemming, alsmede de geldende dubbelbestemmingen en eventuele specifieke aanduidingen weergegeven. Deze corresponderen met de regels, waarin wordt aangegeven wat mogelijk is binnen de op de verbeelding geduide (dubbel)bestemmingen en eventuele specifieke aanduidingen. 6.3.
Opbouw regels
De definities, respectievelijk de wijze van meten, zoals die zijn opgenomen in het ‘Handboek bestemmingsplannen’ worden ten behoeve van de eenduidigheid integraal overgenomen in het bestemmingsplan. Roderweg ongenummerd De bestemming die op het perceel naast Roderweg 22 in het bestemmingsplan “Liempde” is gelegd, wordt gehandhaafd. Wel wordt een bouwvlak toegevoegd, anders is de bouw van een woning ten slotte niet mogelijk. Binnen de reguliere bestemming “Wonen” is het volgende gebruik toegestaan: a. wonen in een woning, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 80 m²; b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf aan huis', mede voor de uitoefening van een bedrijf aan huis; c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf', mede voor bedrijven, voor zover genoemd in de milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij deze regels is gevoegd; met de daarbij behorende: d. tuinen en erven; e. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen
39
f. parkeervoorzieningen; In het geldende plan was voor de locatie nog een specifiek bouwaanduiding “zeer open bebouwing” opgenomen. Die legde een relatie met de afstand t.o.v. de zijdelingse perceelgrenzen. Door de situering van het bouwvlak is er geen behoefte meer aan die aanduiding. Er is geen behoefte aan het opnemen van andere specifieke aanduidingen.
Onder strijdig gebruik van de gronden worden de volgende activiteiten opgenomen: a. b. c. d.
permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft; bedrijf aan huis, met uitzondering van het bepaalde in 6.1 onder b; bed &breakfast; seksinrichtingen.
Er worden daarnaast nog drie afwijkingsmogelijkheden in het bestemmingsplan opgenomen. Dit betreffen de mogelijkheden om af te wijken van het plan ten behoeve van een bedrijf aan huis, ten behoeve van een mogelijkheid tot het hebben van een Bed & Breakfast, en een mogelijkheid tot het bieden van mantelzorg op het perceel. De voorwaarden waaronder die mogelijkheden kunnen worden benut worden tevens opgenomen. De bouwregels voor vrijstaande woningen worden overgenomen uit het handboek. Om onnodige regels te voorkomen, worden slechts de toepasselijke regels voor een vrijstaande woning opgenomen. Dit blijft beperkt tot de afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de nieuwe woning wordt gerealiseerd. De bouwregels voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden uiteraard ook opgenomen. Ook worden twee afwijkingsmogelijkheden opgenomen, die zien op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk en een die ziet op een hogere erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn dan die in het plan rechtstreeks is toegelaten. Roderweg 35 Voor de Roderweg 35 blijven de bestemming en de daarbij behorende regels gehandhaafd, met uitzondering van de specifieke aanduiding die de verkoop van LPG op het perceel mogelijk maakt. Dit ter voldoening aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d.
27 mei 2015. Voor de overige percelen worden de geldende regels uit het vorige plan ongewijzigd opgenomen.
6.4.
Dubbelbestemmingen en algemene regels
De dubbelbestemmingen worden een op een overgenomen uit het moederplan. Voor de daarbij behorende regels wordt aansluiting gezocht bij het handboek. De over te nemen dubbelbestemmingen gelegd eender als in het moederplan en betreffen “Waarde – Archeologie 4” en “Waarde – Archeologie 3”. Voor het perceel waarop de woning wordt voorzien geldt nog een bouwaanduiding “Zeer open bebouwing”. Deze aanduiding wordt niet overgenomen in het bestemmingsplan. De algemene regels en overgangs- en slotregels worden uit het handboek overgenomen.
40
41
7. Uitvoerbaarheid 7.1.
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet, die feitelijk een onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is, is bepaald dat een gemeente onder meer bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer woningen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Boxtel zal in het kader van deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst sluiten waarin de door de gemeente te maken kosten worden verhaald op de initiatiefnemer en waarin tevens het verhaal van planschade zal worden opgenomen.
7.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Dit plan verbetert de situatie in de omgeving voor wat betreft externe veiligheid. Gelet op het feit dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het bestemmingsplan op die grond heeft vernietigd, worden er geen problemen verwacht op dit gebied. Het komt ten slotte tegemoet aan de bezwaren die destijds tegen de verkoop van LPG zijn geuit.
42
8. Overleg en inspraak 8.1.
Vooroverleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zullen worden geïnformeerd. De resultaten van vooroverleg en inspraak zijn verwerkt in bijlage 7 bij deze toelichting. Voor zoveel nodig zijn deze reacties in het plan verwerkt. 8.2.
Vaststellingsprocedure
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens de artikelen 3.7 t/m 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Het plan zal daarna, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad. De eventueel ingediende zienswijzen zullen worden beoordeeld en gemotiveerd in een separaat op te stellen zienswijzennota. 8.3.
Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
43
blad 1
Notitie AAN: VAN: PROJECT: DATUM: ONDERWERP:
de heer M. Jonkers, Jonkers Advies ir. L.G.A.M. Joosten, K & M Akoestisch Adviseurs Bouwplan Roderweg ong. te Liempde 16 januari 2017 Geluidsbelasting wegverkeerslawaai.
NUMMER:
2017/30001
Inleiding. Op het perceel tussen Roderweg 22 en 26 te Liempde (perceelnummer 3285) wordt een vrijstaande burgerwoning gebouwd. Het bouwplan ligt binnen de invloedssfeer van de Roderweg en de Hamstraat (30 km-wegen). Deze wegen hebben geen geluidszone van rechtswege ex artikel 74 van de Wet geluidhinder en vallen formeel buiten het (toetsing)kader van de wet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aannemelijk te worden gemaakt dat ter plaatse van het bouwplan sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Ten behoeve van deze afweging is de gecumuleerde geluidsbelasting van de Roderweg en de Hamstraat in het plangebied inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de onderstaande classificering van de milieukwaliteit gebaseerd op de methode Miedema 1. Geluidsklasse (LDEN*) < 50 dB 50 – 55 dB 55 – 60 dB 60 – 65 dB 65 – 70 dB > 70 dB
Milieukwaliteit goed redelijk matig tamelijk slecht slecht zeer slecht
Berekeningsmethode. De berekeningen zijn uitgevoerd volgens het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 2. Toegepast is de Standaard-rekenmethode 2, volgens bijlage III behorende bij hoofdstuk 3 van de regeling. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag op de berekende geluidsbelasting een aftrek worden toegepast, alvorens toetsing aan grenswaarden plaatsvindt. In artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 is bepaald dat deze aftrek 5 dB bedraagt voor wegen met een representatief te achten snelheid van minder dan 70 km/uur. Hoewel voor 30 kmwegen de Wet geluidhinder niet van toepassing is, mag bij de beoordeling van het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van het bouwplan wel aansluiting worden gezocht bij het normenstelsel van de wet en mag dus ook een aftrek van 5 dB op de berekende geluidsbelasting worden gehanteerd 3. In deze notitie is de geluidsbelasting in het plangebied inzichtelijk gemaakt met de aftrek ex artikel 110g van de Wet geluidhinder.
1 2 3
Bron: Handreiking cumulatie en saldobenadering geluid, Regiegroep Geluid Limburg i.s.m. Witteveen+Bos. Staatscourant 2012, nummer 11810. Zie uitspraak Raad van State, zaaknummer 201304862/3/R2, d.d. 29 juli 2015.
blad 2
Verkeersgegevens. De geluidsbelasting is berekend voor de situatie, zoals die zich naar verwachting zal voordoen over een periode van 10 jaar na realisatie van de woning. De verkeersintensiteiten voor de toekomstige situatie zijn verstrekt door de gemeente Boxtel (verkeersmodellen 2020 en 2030, zie bijlagen). De verkeersintensiteiten voor 2027 zijn verkregen door interpolatie van de verkeersmodellen 2020 en 2030 en zijn in onderstaande tabel kort samengevat. Tabel: Verkeersgegevens (2027). Weg etmaalintensiteit (mvt) Roderweg noordwest *) zuidoost *)
3.553 3.444
Hamstraat
402
*)
uurintensiteit (%)
vrachtverkeer (%)
verdeling middelzwaar/zwaar (%)
dag
avond
nacht
dag
avond
nacht
dag
avond
nacht
6.68
3.10
0.95
5.3
5.3
5.3
64/36
64/36
64/36
Ten opzichte van de kruising met de Hamstraat.
Omgevingskenmerken. De omgevingskenmerken zijn ontleend aan de als bijlage bij deze notitie gevoegde kadastrale tekening. De exacte locatie van de burgerwoning in het plangebied is ten tijde van deze notitie nog onbekend. Hoogteligging. De wegen en objecten in de omgeving van het bouwplan zijn op maaiveldhoogte gelegen. Er zijn geen akoestisch relevante hoogteverschillen. Wegdekverharding. Het wegdek van de Roderweg bestaat ter hoogte van het bouwplan uit klinkers in keperverband (W9a), het wegdek van de Hamstraat uit glad asfaltbeton (W0-referentiewegdek). Afscherming, reflectie en overdracht. Alle relevante objecten en bodemgebieden in de omgeving van het bouwplan zijn op basis van de kadastrale kaart volgens het rijksdriehoekstelsel in het rekenmodel opgenomen. De wegen in de omgeving van het bouwplan zijn ingevoerd als reflecterend bodemgebied met een bodemfactor 4 van 0,0. Buiten de ingevoerde bodemgebieden is gerekend met een standaard bodemfactor van 0,8. Geluidsberekeningen. De geluidsbelasting in het plangebied is door middel van geluidscontouren inzichtelijk gemaakt. De geluidscontouren zijn berekend op een beoordelingshoogte van 1.5 m, 4.5 m en 7.5 m boven plaatselijk maaiveld en zijn als bijlagen bijgevoegd.
4
De bodemfactor geeft aan in welke mate een bodemgebied geluid reflecteert (0=100%, 1=0%).
blad 3
Milieukwaliteit. In onderstaande tabel staan de afstanden tot de wegas van de Roderweg aangegeven in relatie tot de milieukwaliteit. Milieukwaliteit
afstand tot wegas Roderweg in meters inclusief aftrek ex art. 110g Wgh hoogte 1.5 meter
hoogte 4.5 meter
hoogte 7.5 meter
matig
<12
<13
<11
redelijk
12 - 22
13 - 25
11 - 26
goed
>22
>25
>26
Voor een goede ruimtelijke ordening dienen in eerste instantie de afstanden van milieukwaliteit 'goed' te worden gerespecteerd. Milieukwaliteit 'redelijk' wordt in het algemeen nog als akoestisch aanvaardbaar beschouwd, mits maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer onvoldoende doeltreffend zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoeten 5 én tevens wordt voldaan aan de op grond van het Bouwbesluit 2012 geldende geluidsweringseisen voor de uitwendige scheidingsconstructies van verblijfsruimten in de woning. De afstanden van milieukwaliteit 'matig' vallen naar verwachting buiten de gevelrooilijn van het bouwplan.
Bijlagen: - Kadastrale tekening. - Verkeersmodellen. - Rekenmodel. - Geluidscontouren. 5
Gelet op de verkeersfunctie van de Roderweg zijn maatregelen aan de bron in de vorm van een reductie van de verkeersintensiteit en/of wijzigingen in de verkeerssamenstelling niet mogelijk. Herasfaltering met een stillere wegdekverharding of het treffen van overdrachtsbeperkende maatregelen in de vorm van een geluidsscherm langs de Roderweg zijn niet financieel doelmatig dan wel −gelet op overwegende bezwaren van verkeerskundige, civieltechnische en financiële aard− niet gewenst.
Pagina 2 van 4
Verkeermodel 2020:
Verkeermodel 2030:
16-1-2017
Pagina 3 van 4
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet,
Werner Bastiaanse Medewerker Inrichting, Verkeer en Reiniging _____________________________________
Markt 1, 5281 AT Boxtel Postadres: Postbus 10.000, 5280 DA Telefoon: 0411-655226 Mobiel: E-mail: W.Bastiaanse@MijnGemeenteDichtbij.nl _____________________________________
Van: Rien Jonkers [mailto:m.jonkers@jonkersadvies.nl] Verzonden: maandag 4 juli 2016 14:45 Aan: Ronald Poort Onderwerp: bestemmingsplan Van Oorschot, Liempde Beste heer Poort, Alweer enkele weken geleden heb ik gevraagd om toezending van de verkeersgegevens voor het uitvoeren van het akoestisch onderzoek voor de nieuwe woning van Van Oorschot aan de Roderweg te Liempde. Kun u aangeven wanneer ik die kan ontvangen?
Met vriendelijke groet, Rien Jonkers
16-1-2017
K & M Akoestisch Adviseurs Model: Groep:
2017/30001
Ingevoerde geometrie (hoofdgroep) Lijst van Gebouwen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012
Naam G01 G02 G03 G04 G05
Omschr. Roderweg 29 Roderweg 18/20 Roderweg 20 Hamstraat 2 Hamstraat 4
Vorm Polygoon Polygoon Polygoon Polygoon Polygoon
Rel.H 2,50 3,00 2,50 3,00 3,00
Hoogte 2,50 3,00 2,50 3,00 3,00
Maaiveld 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Hdef. Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
Refl. 63 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80
Cp 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB
G06 G07 G08 G09 G10
Hamstraat 6 Hamstraat 1 Roderweg 22 Roderweg 22 Roderweg 22
Polygoon Polygoon Polygoon Polygoon Polygoon
3,00 2,50 3,00 2,50 2,50
3,00 2,50 3,00 2,50 2,50
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
0,80 0,80 0,80 0,80 0,80
0 dB 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB
G11 G12 G13 G14 G15
Roderweg 33 Roderweg 35 Roderweg 37 Roderweg 26 Roderweg 26
Polygoon Polygoon Polygoon Polygoon Polygoon
3,00 3,00 4,00 4,00 2,50
3,00 3,00 4,00 4,00 2,50
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
0,80 0,80 0,80 0,80 0,80
0 dB 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB
Geomilieu V4.10
16-1-2017 15:05:08
K & M Akoestisch Adviseurs Model: Groep:
2017/30001
Ingevoerde geometrie (hoofdgroep) Lijst van Schermen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012
Naam S01 S02 S03 S04 S05
Omschr. Nok Roderweg 33 Nok Roderweg 33 Nok Roderweg 18/20 Nok Roderweg 20 Nok Hamstraat 2
Vorm Polylijn Polylijn Polylijn Polylijn Polylijn
ISO_H 6,00 6,00 6,00 5,00 8,00
ISO M 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Hdef. Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
M-1 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
H-1 6,00 6,00 6,00 5,00 8,00
M-n 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
H-n 6,00 6,00 6,00 5,00 8,00
Lengte 7,22 14,89 13,30 9,24 10,67
Cp 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB
Refl.L 63 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Refl.R 63 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
S06 S07 S08 S09 S10
Nok Hamstraat 4 Nok Hamstraat 6 Nok Hamstraat 6 Nok Roderweg 22 Nok Roderweg 22
Polylijn Polylijn Polylijn Polylijn Polylijn
8,00 8,00 5,00 8,00 5,00
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
8,00 8,00 5,00 8,00 5,00
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
8,00 8,00 5,00 8,00 5,00
9,21 8,80 5,45 30,10 8,79
0 dB 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
S11 S12 S13 S14 S15
Nok Roderweg 22 Nok Roderweg 22 Nok Roderweg 33 Nok Roderweg 35 Nok Roderweg 37
Polylijn Polylijn Polylijn Polylijn Polylijn
5,00 5,00 6,00 6,00 8,00
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
5,00 5,00 6,00 6,00 8,00
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
5,00 5,00 6,00 6,00 8,00
6,65 8,96 9,56 24,45 25,05
0 dB 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
S16 S17
Nok Roderweg 26 Nok Roderweg 26
Polylijn Polylijn
7,00 5,00
0,00 0,00
Relatief Relatief
0,00 0,00
7,00 5,00
0,00 0,00
7,00 5,00
7,99 6,31
0 dB 0 dB
0,00 0,00
0,00 0,00
Geomilieu V4.10
16-1-2017 15:05:50
K & M Akoestisch Adviseurs Model: Groep:
Naam B1 B2 B3 B4
2017/30001
Ingevoerde geometrie (hoofdgroep) Lijst van Bodemgebieden, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Omschr. Roderweg Roderweg Hamstraat Oprit
Vorm Polygoon Polygoon Polygoon Polygoon
Geomilieu V4.10
Vormpunten 10 16 10 4
Omtrek 162,34 394,34 255,78 62,26
Oppervlak 728,76 1654,99 1159,02 171,67
Bf 0,00 0,00 0,00 0,00
16-1-2017 15:06:07
K & M Akoestisch Adviseurs Model: Groep:
Naam W1 W2 W3
2017/30001
Ingevoerde geometrie (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Omschr. Roderweg, noordwest Roderweg, zuidoost Hamstraat
Geomilieu V4.10
ISO_H 0,00 0,00 0,00
ISO M 0,00 0,00 0,00
Hdef. Relatief Relatief Relatief
H-1 0,00 0,00 0,00
H-n 0,00 0,00 0,00
Lengte 70,96 187,46 120,56
Type Verdeling Verdeling Verdeling
Hbron 0,75 0,75 0,75
Helling 0 0 0
Wegdek W9a W9a W0
Wegdek Elementenverharding in keperverband Elementenverharding in keperverband Referentiewegdek
16-1-2017 15:06:25
K & M Akoestisch Adviseurs Model: Groep:
Naam W1 W2 W3
2017/30001
Ingevoerde geometrie (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Omschr. Roderweg, noordwest Roderweg, zuidoost Hamstraat
Geomilieu V4.10
Totaal aantal 3553,00 3444,00 402,00
%Int(D) 6,68 6,68 6,68
%Int(A) 3,10 3,10 3,10
%Int(N) 0,95 0,95 0,95
%LV(D) 94,80 94,80 94,80
%LV(A) 94,80 94,80 94,80
%LV(N) 94,80 94,80 94,80
%MV(D) 3,40 3,40 3,40
%MV(A) 3,40 3,40 3,40
%MV(N) 3,40 3,40 3,40
%ZV(D) 1,90 1,90 1,90
%ZV(A) 1,90 1,90 1,90
%ZV(N) 1,90 1,90 1,90
V(LV(D)) 30 30 30
V(MV(D)) 30 30 30
V(ZV(D)) 30 30 30
16-1-2017 15:06:41
AANVULLEND BODEMONDERZOEK AAN DE RODERWEG 22 TE LIEMPDE (DE HEER J. VAN OORSCHOT) rapport nr. CV18373ABO (v2.0)
Van Vleuten Consult bv Staarten 23 5281 PK Boxtel Tel: 0411-633314 Fax: 0411-631740 e-mail: info@vanvleutenconsult.nl
Titel
: Aanvullend bodemonderzoek aan de Roderweg 22 te Liempde
Protocol
: Protocol 2001
Opdrachtgever
: De heer J. van Oorschot
Rapportnummer
: CV18373ABO
Versie
: 2.0
Uitvoering
: De heer W. Kanters
Auteur
: Mevrouw W. Verbruggen-Van den Broek
Controle
: De heer J. Rutten
Datum
: 7-1-2019
Van Vleuten Consult bv Alle rechten zijn uitdrukkelijk voorbehouden aan Van Vleuten Consult bv. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/ of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van Van Vleuten Consult bv.
Van Vleuten Consult bv
E-mail : info@vanvleutenconsult.nl
Staarten 23
Web
5281 PK Boxtel
K.v.K. : 171.128.64
Tel : 0411 - 63 33 14
IBAN
: NL64INGB0683776312
Fax : 0411 - 63 17 40
BTW
: NL808049525B01
: www.vanvleutenconsult.nl
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ................................................................................................................. 1 1.1 AANLEIDING EN DOELSTELLING .................................................................................... 1 1.2 ONDERZOEKSOPZET EN LEESWIJZER .............................................................................. 1
2
GEGEVENS VAN DE ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................. 2 2.1 HISTORIE TOT OP HEDEN ............................................................................................ 2 2.2 HUIDIG BODEMGEBRUIK ............................................................................................. 4 2.3 TOEKOMSTIG BODEMGEBRUIK ...................................................................................... 4 2.4 REGIONALE BODEMOPBOUW ........................................................................................ 5 2.5 REGIONALE GRONDWATERSTROMING ............................................................................. 5 2.6 (FINANCIEEL-) JURIDISCHE ASPECTEN ............................................................................ 5 2.7 CONCLUSIES VOORONDERZOEK .................................................................................... 6
3
UITGEVOERDE W ERKZAAMHEDEN ............................................................................. 7 3.1 ALGEMEEN ............................................................................................................ 7 3.2 UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ................................................................................. 7 3.3 VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................. 7 3.4 LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN ................................................................................ 7
4
RESULTATEN BODEMONDERZOEK .............................................................................. 8 4.1 BODEMOPBOUW EN ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................ 8 4.2 CHEMISCHE ANALYSES .............................................................................................. 8
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................. 9 5.1 CONCLUSIES .......................................................................................................... 9 5.2 AANBEVELINGEN ..................................................................................................... 9
Figuren Figuur 1: Ligging onderzoekslocatie Figuur 2: Situatietekening met boorlocaties Bijlagen Bijlage 1: Boorprofielbeschrijvingen Bijlage 2: Eigendomsgegevens Bijlage 3: Toetsingsresultaten grond Bijlage 4: Analysecertificaat Bijlage 5: Procescertificaat
1
INLEIDING
In opdracht van de heer J. van Oorschot is door Van Vleuten Consult bv een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Roderweg 22 te Liempde. 1.1 Aanleiding en doelstelling De uitvoering van het bodemonderzoek houdt verband met de geplande bestemmingsplanwijziging/realisatie van een woning. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de actuele milieuhygiënische bodemkwaliteit. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in 2010 een verkennend bodemonderzoek (Van Vleuten Consult BV, kenmerk CV10122VBO (v1.0), d.d. 07-042010) uitgevoerd. Op basis van het beleid van de gemeente (regionale Nota bodembeleid) is vastgelegd dat indien een bodemonderzoek van meer dan 5 jaar maar maximaal 10 jaar oud voor handen is, kan worden volstaan met een aanvullend bodemonderzoek van alleen de bovengrond. Een aanvullend bodemonderzoek voorziet niet in uitkartering van een eventueel aanwezige bodemverontreiniging. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. 1.2 Onderzoeksopzet en leeswijzer Onderhavig verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740. Conform deze NEN 5740 dient een historisch vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd te worden. In hoofdstuk 2 wordt het vooronderzoek beschreven. Op basis van dit vooronderzoek wordt de onderzoekshypothese vastgesteld.
Deze hypothese bepaalt samen met de oppervlakte het aantal boringen en peilbuizen welke nodig zijn om de milieuhygiënische bodemkwaliteit te bepalen. In hoofdstuk 3 zijn de hypothese en de bijbehorende werkzaamheden beschreven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven. Tot slot volgen in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen.
CV18373ABO, Roderweg 22 te Liempde (v2.0)
1
2
GEGEVENS VAN DE ONDERZOEKSLOCATIE
2.1 Historie tot op heden Ten behoeve van onderhavig bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725. Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Door de opdrachtgever aangeleverde gegevens; Archief Van Vleuten Consult BV; Gemeente archief (gemeente Boxtel (Mijn gemeente dichtbij)); Bodemloket; DINOloket (TNO); Bodemdata (WUR), bodemkaart en grondwaterkaart Nederland; Website www.topotijdreis.nl; Locatiebezoek. De afbakening van de onderzoekslocatie wordt gevormd door de grenzen van de door de opdrachtgever aangegeven locatie. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Liempde, sectie B, nummer 3285 (gedeeltelijk). De ondezoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 1.028 m². Op de onderzoekslocatie zijn geen bouwwerken aanwezig en is in gebruik als tuin/ grasveld. Voor het vooronderzoek is in dit geval gekozen om het onderzoeksgebied te vergroten met de aangrenzende percelen. In de onderstaande paragrafen worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven. Voormalig bodemgebruik (Bron: www.topotijdteis.nl en gemeente Boxtel)
Op basis van de beschikbare informatie lijkt de locatie reeds rond 1900 te zijn bebouwd, daarvoor was de locatie voor agrarische doeleinden in gebruik. In 1951 is een bouwvergunning afgegeven voor het bouwen van een boerderij. In 2010 is een bouwvergunning afgegeven voor het verbouwen van de boerderij. Ondergrondse tanks (Bron: opdrachtgever, gemeente Boxtel en bodemloket.nl)
In het gemeentelijk bestand "ondergrondse olietanks" zijn door particulieren aan de gemeente gemelde tanks en de in het kader van de actie tankslag gesaneerde ondergrondse olietanks opgenomen. Voor de onderzoekslocatie is met betrekking tot het perceel niets bekend. Tegenover de locatie (Roderweg 33) is wel een tankstation (Texaco) gesitueerd.
CV18373ABO, Roderweg 22 te Liempde (v2.0)
2
Voorgaande bodemonderzoeken (Bron: opdrachtgever, archief Van Vleuten Consult BV, gemeente Boxtel en bodemloket.nl)
Voor zover bekend, bij de geraadpleegde bronnen, zijn ter plaatse van de onderzoeklocatie ‘Roderweg 22’ de volgende bodemonderzoeken bekend: - Verkennend bodemonderzoek, Van Vleuten Consult BV, kenmerk: CV10122vbo, d.d. 07-04-2010 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat zintuiglijk géén bijzonderheden zijn aangetroffen. Analytisch blijkt de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd te zijn met cadmium en minerale olie. In de ondergrond zijn géén verhoogde parameters aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en zink. Op basis van de Wet bodembescherming is voor de lichte verontreiniging van cadmium en minerale olie in de bodem en barium en zink in het grondwater géén aanvullend en/of nader onderzoek noodzakelijk. Er bestaat géén belemmering voor het toekomstige/ huidige gebruik van het terrein. - Verkennend bodemonderzoek, Van Vleuten Consult BV, kenmerk: CV08090vbo, d.d. 26-03-2008 uitgevoerd. Uit de resultaten van de grondmonsters kan worden geconclueeerd dat in de bovengrond PAK en zink de streefwaarden overschrijden. In de ondergrond geen van de onderzochte parameters is aangetroffen boven de streefwaarden. Uit de resultaten van de grondwatermonsters kan worden geconcludeeerd dat geen van de onderzochte parameters zijn aangetroffen boven de streefwaarden.
In de directe omgeving zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: - Verkennend bodemonderzoek, Looeind 1, Van Vleuten Consult BV, kenmerk: CV08090vbo, d.d. 26-03-2008. In de grondmengmonsters MM1 (bovenlaag) en MM2 (onderlaag) géén verhoogde gehalten boven de streefwaarden zijn aangetroffen. In het gorndwatermonster worden chroom en koper aangetroffen in een gehalte groter dan de streefwaarde. Géén belemmering voor het verlenen van de bouwvergunning. - Milieutechnisch bodemonderzoek, Roderweg 33, Amitec BV, d.d. 07-07-1995. In de grond, ter plaatse van het pompeiland, is minerale olie aangetroffen in een concentratie boven de streefwaarde. Op de voormalige tanklocatie zijn ethylbenzeen, xylenen en minerale olie aangetoond in concentraties die de streefwaarde overschrijden. In de bovengrond is zink aanwezig in een concentratie die de streefwaarde overschrijdt. Ter plaatse van de voormalige tanklocatie is in het grondwatermonster ruim 2x de interventiewaarde aan benzeen, 2x de interventiewaarde aan ethylbenzeen, 14x de interventiewaarde aan xylenen en minerale olie boven de interventiewaarde aangetoond. Verder is tolueen aanwezig in een concentratie die de streefwaarde overschrijdt. In het grondwater, bij de spuiterij, is chroom aangetroffen in een concentratie boven de streefwaarde.
Op het onverdachte terreindeel is in het grondwater tetrachlooretheen aangetoond in een concentratie boven de streefwaarde. Het grondwater ter plaatse van het voormalige tankstation is een verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond in concentraties die een vervolgonderzoek noodzakelijk maken. - Nulsituatie bodemonderzoek, Roderweg 33, Van Vleuten Milieuconsult, kenmerk: CV99048nul, d.d. 12-07-1999. Op de onderzoekslocatie zijn streefwaarde overschrijdingen waargenomen. Naar aanleiding van de waargenomen overschrijdingen behoeft geen nader onderzoek te worden uitgevoerd. CV18373ABO, Roderweg 22 te Liempde (v2.0)
3
Voor de gemeente Boxtel is, door Tauw bv, een bodemkwaliteitskaart opgesteld, projectnummer 4736324, d.d. 12-07-2011. Op basis van deze bodemkwaliteitskaart valt de onderzoekslocatie in deelgebied ‘bebouwing na 1950’. Op basis hiervan wordt verwacht dat de bodemkwaliteit voldoet een de achtergrondwaarde (AW2000). Ophogingen / dempingen (Bron: gemeente Boxtel en locatiebezoek)
Bij de geraadpleegde bronnen zijn geen gegevens over ophogingen of dempingen op de locatie bekend. Calamiteiten / verdachte activiteiten (Bron: opdrachtgever en bodemloket.nl)
Op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever zijn geen calamiteiten/ verdachte activiteiten bekend op de onderzoekslocatie. 2.2 Huidig bodemgebruik Momenteel is de onderzoekslocatie in gebruik als tuin/ grasveld. De omliggende percelen zijn als volgt in gebruik: Ten noorden: Openbare weg (Roderweg) en tankstation (Roderweg 33); Ten oosten: Woning en tuin (Roderweg 26); Ten zuiden: Tuin/ grasveld; Ten westen: Hamsestraat 1 en Roderweg 22. Een tekening met de ligging van de locatie is opgenomen in de bijlagen als figuur 1. Kadastrale gegevens (Bron: Dienst voor het kadaster en de openbare registers)
Hieronder staan de terreingegevens vermeld, zoals die bij het kadaster geregistreerd staan: Adres: Roderweg 22 te Liempde Gemeente: Liempde Kadastrale gegevens: Gemeente Liempde, sectie B, nummer 3285 Coördinaten: X 154277; Y 397152 Eigendom: De heer Albertus Johannus Petrus Maria van Oorschot en Mevrouw Louisa Wilhelmina Maria van der Heijden; De heer Jeroen Antoon Martin Maria van Oorschot en Mevrouw Silvia Ida Allegonda Maria van de Ven De kadastrale situatie is opgenomen in figuur 1. De eigendomsgegevens zijn opgenomen in bijlage 2. 2.3 Toekomstig bodemgebruik Ter plaatse van de onderzoekslocatie zal in de toekomst nieuwbouw gerealiseerd worden.
CV18373ABO, Roderweg 22 te Liempde (v2.0)
4
2.4 Regionale bodemopbouw De maaiveldhoogte bedraagt circa +9,3 m NAP. De gegevens over de regionale bodemopbouw zijn samengevat in tabel 2.1. Tabel 2.1: Bodemopbouw Diepte (in m-mv)
Formatie
Samenstelling
0-0,9
Formatie van Boxtel
Zand, zwak siltig
0,9-1,2
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden
Zand, matig fijn
1,2-5,0
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Liempde
Leem, zandig
5,0-10,0
Formatie van Boxtel
Zand, zeer fijn
10,0-20,0
Formatie van Boxtel
Zand, matig fijn tot matig grof, zwak siltig
2.5 Regionale grondwaterstroming De regionale grondwaterstroming in het watervoerend pakket is noordnoordwestelijk gericht. De stromingsrichting in het freatisch grondwater is vermoedelijk noordnoordwestelijk. De verwachte freatische grondwaterstand heeft op de locatie een diepte van circa 2,5 m-mv. Op de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. De onderzoekslocatie is niet gesitueerd in een grondwaterbeschermingsgebied. 2.6 (Financieel-) juridische aspecten De locatie is kadastraal bekend als: gemeente Liempde, sectie B, nummer 3285. Het perceel is sinds 24-04-2008 eigendom van: De heer Albertus Johannus Petrus Maria van Oorschot & Mevrouw Louisa Wilhelmina Maria van der Heijden Hamsestraat 1 5298 NA Liempde En De heer Jeroen Antoon Martin Maria van Oorschot & Mevrouw Silvia Ida Allegonda Maria van de Ven Roderweg 22 5298 NC Liempde Het kadastraal bericht is als bijlage 2 van deze rapportage toegevoegd.
CV18373ABO, Roderweg 22 te Liempde (v2.0)
5
2.7 Conclusies vooronderzoek Op basis van het beleid van de gemeente (regionale Nota bodembeleid) is vastgelegd dat indien een bodemonderzoek van meer dan 5 jaar maar maximaal 10 jaar oud voor handen is, kan worden volstaan met een aanvullend bodemonderzoek van alleen de bovengrond. Op basis van het vooronderzoek wordt uitgegaan van dat er géén activiteiten hebben plaatsgevonden, welke hebben geleid tot een mogelijke bodemverontreiniging ter plaatse. Conform de NEN5740 wordt de strategie “onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL)” gehanteerd. In onderstaande tabel is de op basis van de onderzoeksstrategie te hanteren onderzoeksinspanning weergegeven. Tabel 2.2: Onderzoeksinspanning Locatie
Oppervlakte (m²)
Aantal boringen
Aantal peilbuizen Aantal analyses
Toekomstige nieuwbouw
≤ 1.500
8x tot 0,5 m-mv
-
* **
2x bovengrond (STAP1*/**)
Standaard (STAP1) pakket grond: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), PAK-totaal (10 van VROM), som PCB(7), minerale olie, lutum en organische stof. In afwijking op de NEN5740 worden twee mengmonsters van de bovengrond samengesteld in plaats van één mengmonster. Zo wordt een specifieker beeld gegeven wat de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond is.