CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - TAM-imro omgevingsplan met de ETFAL (toelichting)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 6 februari 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsplan Eikenlaan12.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De volledige rapportage is als bijlage 7 aan deze onderbouwing toegevoegd. In dit onderzoek zijn de geluidniveaus afkomstig van T.V. Thadia aan de Eikenlaan 3B ter plaatse van de beoogde woningen berekend. Getoetst is of de beoogde woningbouw een beperking vormt voor de (mogelijke) activiteiten van de naastgelegen tennisvereniging en of ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voorwaarden De maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.1 van deze rapportage zullen minimaal moeten worden gerespecteerd om te voorkomen dat naastgelegen tennisvereniging in de (mogelijke) activiteiten beperkt. Omgevingsplan Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit paragraaf 4.1 blijkt dat bij toetsing op de randen van de bouwvlakken niet overal voldaan wordt aan de geluidwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit het Omgevingsplan wordt voldaan.

33

In paragraaf 4.1.4 is toegelicht dat deze overschrijdingen zich niet meer voordoen wanneer gerekend wordt met bebouwing binnen het bouwvlak, ongeacht de exacte vormgeving hiervan. Daarnaast is in beeld gebracht dat het verhogen van afschermende voorzieningen er voor kan zorgen dat ter plaatse van het gehele plangebied aan de geluidwaarden wordt voldaan. De gemeente zal gemotiveerd een keuze maken of, en in welke hoedanigheid aanvullende maatregelen noodzakelijk zullen zijn. Daarbij zijn de volgende opties mogelijk: 1. De berekende geluidwaarden (in open veld) toestaan met als motivatie de aanvullende berekeningen met bebouwing welke aantonen dat inclusief bebouwing aan de geluidwaarden zal worden voldaan. 2. De geprojecteerde afschermende voorzieningen ‘Scherm01’ én ‘Scherm02’ verhogen met elk 0,5 meter naar respectievelijk 2,5 en 4,0 meter. Maximale geluidsniveaus Uit paragraaf 4.1 blijkt dat ter plaatse van de beoogde woningen aan de geluidwaarden voor de maximale geluidsniveaus uit het Omgevingsplan wordt voldaan. De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een belemmering van de (mogelijke) activiteiten bij T.V. Thadia.

Ruimtelijke ordening (woon- en leefklimaat) Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit paragraaf 4.2 blijkt dat bij toetsing op de randen van de bouwvlakken niet overal voldaan wordt aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. De hoogst berekende waarde ter plaatse van het plangebied bedraagt 52 dB(A) etmaalwaarde. Daarmee wordt wel aan de grenswaarde uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. In paragraaf 4.2.4 is toegelicht dat het toestaan van deze verhoogde geluidsniveaus (via stap 3) niet zorgt voor een onaanvaardbare situatie. Daarnaast is in beeld gebracht dat het verhogen van afschermende voorzieningen er voor kan zorgen dat ter plaatse van het gehele plangebied aan de richtwaarden kan worden voldaan. De gemeente zal gemotiveerd een keuze maken of, en in welke hoedanigheid aanvullende maatregelen noodzakelijk zullen zijn. Daarbij zijn de volgende opties mogelijk: 1. De berekende geluidsbelastingen via stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering gemotiveerd toestaan. 2. De geprojecteerde afschermende voorzieningen ‘Scherm01’ én ‘Scherm02’ verhogen met elk 0,5 meter naar respectievelijk 2,5 en 4,0 meter.

Maximale geluidniveaus en indirecte hinder Uit paragraaf 4.2 blijkt dat ter plaatse van alle beoordelingspunten (inclusief tuinen) aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. In het kader van de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De beoogde woonbestemmingen vormen geen milieubelastende functie. Een analyse van uitwaartse milieuzonering is niet nodig.

34

Op basis van het vigerende Omgevingsplan zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald. Deze functies en de richtafstanden daarvan zijn opgenomen in de tabel hierna. De richtafstanden zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

35

Ten aanzien van alle aspecten met uitzondering van geluid wordt aan de richtafstanden voldaan. De aspecten geur, stof en gevaar vormen op voorhand geen belemmering voor het plan. Voor het aspect geluid kan niet aan de richtafstand worden voldaan voor meerdere belanghebbende; de tennisvereniging, het bedrijf aan de Monseigneur Hermuslaan 70 (wanneer sprake is van een puinbreker) en de nutsvoorziening. In de omgeving van de planlocatie bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Het aspect hoogspanningsleidingen vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid zijn er – na het treffen van bepaalde geluidbeschermende maatregelen – geen belemmeringen zijn voor onderhavig planvoornemen. 5.7 Geurhinder Toetsingskader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan.

Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze

36

beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. De in dit geval geldende geurnormen en afstanden zijn opgenomen in de tabel hieronder.

De planlocatie maakt onderdeel uit van een bebouwde kom. De gemeente SintMichielsgestel heeft geen geurverordening. Daarom geldt de geurnorm van 3 ouE/m3 (voorgrondbelasting) en de afstandseis van 100 meter. Daarnaast moet een beoordeling worden gemaakt van de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting). Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft geen geurbeleid. Per project wordt beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare situatie. Doorwerking plan(locatie) De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op navolgende kaart.

37

Afstanden De afstand tussen de planlocatie en het dichtstbij gelegen bouwvlak van een veehouderij bedraagt 1286 meter (De Wielse Hoeven 4). Er wordt voldaan aan de afstandseis van 100 meter. Voorgrondbelasting Gelet op de geuremissie in relatie tot de afstand tot de planlocatie vormt de voorgrondbelasting van veehouderijen geen belemmering voor het plan, Dit is ook af te leiden uit de afbeelding hierna (achtergrondbelasting). Aangezien de cumulatieve geurbelasting niet hoger is dan 3 ouE/m3 zal de individuele geurbelasting deze waarde ook niet overstijgen. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is aangegeven op de afbeelding hieronder (kaart ODZOB, 24-12024).

38

De achtergrondbelasting bedraagt minder dan drie ouE/m3. Hiermee kunnen we concluderen dat het woon- en leefklimaat ‘Zeer goed’ is bij de planlocatie, betreffende de achtergrondbelasting voor het aspect geur. Woon- en leefklimaat In de Handreiking bij de voormalige Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de

39

geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in navolgende tabel.

Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is voor het woon- en leefklimaat wanneer deze meer dan de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Dat is hier niet het geval waardoor we kijken naar de achtergrondbelasting als maatgevend. Deze achtergrondbelasting is volgens de OBZOB minder dan 3 ouE/m3, wat wordt gekwalificeerd als “Zeer goed”. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. 5.8 Geluid Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het omgevingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van diverse geluidbronnen in de omgeving. Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is

40

toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Doorwerking plan(locatie) Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusie en het advies letterlijk overgenomen uit de onderzoeksrapportage.

Het integrale rapport is als bijlage 8 opgenomen. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen aan de Eikenlaan naast huisnummer 3 in Sint-Michielsgestel berekend. Toetsing standaardwaarden en grenswaarden De berekende geluidbelasting van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 52 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 52 dB ter plaatse van de rand van de planlocatie aan de straatzijde. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 52 – 33 = 20 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de geluidwering van de gevels.

41

Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Redelijk’ tot ‘Zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.

Industrielawaai Verwezen wordt naar paragraaf 5.6. Railverkeerslawaai De planlocatie ligt niet binnen de geluidzone van een spoorlijn. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. Vliegverkeerslawaai De planlocatie ligt niet binnen een Ke-contour van een vliegveld. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect vliegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn er – na het treffen van bepaalde geluidbeschermende maatregelen – geen belemmeringen voor het plan. 5.9 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht.

Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.

42

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Aantonen luchtkwaliteit op basis van onderzoek, NIBM. Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit.

Doorwerking plan(locatie) Uit de uitsnede van de Atlas Leefomgeving op de afbeelding hierna blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is, er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden. Het project valt onder de kwantitatieve grenzen van de Regeling NIBM. Het bestemmen van minder dan 1.500 woningen per ontsluitingsweg is niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

43

44

Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 5.10 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

45

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;

46

• •

Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Doorwerking plan(locatie) Op basis van gegevens van de Signaleringskaart EV zijn de risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen en invloedsgebieden zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

Inrichtingen In de omgeving van de planlocatie liggen geen inrichtingen die relevant zijn ten aanzien van de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Transportroutes In de omgeving van de planlocatie liggen geen wegen, spoorwegen of waterwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De Esscheweg is wel aangeduid als transportroute van gevaarlijke stoffen, maar de planlocatie ligt buiten het belemmeringsgebied. Buisleidingen In de omgeving van de planlocatie liggen geen buisleidingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen.

47

Conclusie Vanuit het oogpunt van bedrijvigheid in de omgeving en externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 5.11 Verkeer en parkeren De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een goede ontsluiting en ook naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor de planlocatie betekent dit dat de ontsluiting van het terrein afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is. Onderhavige oprichting van twee vrijstaande woningen heeft slechts een minimale toename van verkeersbewegingen tot gevolg. De ontsluiting van beide woningen zal plaatsvinden op de Eikenlaan. Beide woningen krijgen op eigen terrein voldoende parkeerplekken om aan de parkeernormen te voldoen, op de twee percelen is voldoende ruimte voor het oprichten van parkeerplekken. Het aspect verkeer en parkeren vormt daarmee geen enkele belemmering voor het planvoornemen. 5.12 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Beschermen van de gezondheid en van het milieu (§5.1.4 Bkl). Hoe speelt het plan in op gezondheidsvragen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden.

Stap 1 Endotoxine Op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0 kunnen voor de diercategorieën vleeskuikens, leghennen en varkens de aan te houden afstanden worden bepaald op basis van de totale jaarlijkse fijnstofemissie. Door deze afstanden aan te houden wordt een te hoge blootstelling aan endotoxine voorkomen. De dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij met een relevante emissie van PM10 is de varkenshouderij aan Hoek 11 te Sint Michielsgestel op ongeveer 1450 meter van de planlocatie. Met een emissie van 85 kg PM10 per jaar is sprake van een endotoxine-afstand van minimaal 85 meter. Stap 1 vormt daarom geen knelpunt.

48

Stap 2 Emissies Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur-, ammoniak- en fijnstofemissies. Plangebieden met woningbouw tot 1.500 woningen per ontsluitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval). Daarnaast blijkt uit de kaarten bij de NSL-monitoringstool dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie aanvaardbaar is. Stap 2 vormt geen knelpunt. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. Stap 4 Meerdere diersoorten In de directe omgeving van de planlocatie liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van de planlocatie. Stap 4 vormt geen knelpunt. Stap 5 Afstanden Onderzocht moet worden of: a. geitenhouderijen binnen 2 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; b. pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; c. overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom zijn gelegen. Aan elk van deze afstandseisen wordt voldaan.

Hall 17A in Esch is de grootste geitenhouderij in de nabije omgeving met een afstand van 2,3 kilometer. Stap 5 vormt geen knelpunt. Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of -verwerking. Stap 6 vormt geen knelpunt. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Mocht sprake zijn van ongerustheid bij omwonenden (of toekomstige bewoners) dan kan dat een aanleiding zijn om advies in te

49

winnen bij de GGD. Of sprake is van ongerustheid is door het bevoegd gezag te beoordelen op basis van meldingen of klachten uit die omgeving.

50

6. PARTICIPATIE Voor de structuurvisie “Ontwikkelvisie Theereheide” hebben er meerdere omgevingsdialogen plaatsgevonden. Tijdens deze omgevingsdialogen is de locatie Eikenlaan besproken. In aanvulling op de gevoerde omgevingsdialoog wordt er aanvullend hierop een informatieavond over het voorliggende plan georganiseerd voor de direct om/aanwonenden door middel van een inloopavond op d.d. 4 juli 2024. Tijdens deze informatieavond worden de omwonenden geïnformeerd over het plan en de te volgen procedure. Deze inloopavond vindt plaats voordat het TAM-imro plan in procedure wordt gebracht.

51

7. JURIDISCH KADER TAM-OMGEVINGSPLAN 7.1 Werkingsgebied / toepassingsbereik TAM-omgevingsplan Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een Omgevingsplan van rechtswege. In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan, bestaande uit: • • • •

Voormalige omgevingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen (in geval van onderhavig TAMOmgevingsplan: het omgevingsplan 'herstelbesluit omgevingsplan Stedelijk'); Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan (indien aanwezig: Erfgoedverordening, Geurverordening en/of Verordening afvoer van hemelwater); Bruidsschat; Bijzondere ruimtelijke besluiten (zie artikel 4.6 Invoeringswet).

Onderhavig TAM-Omgevingsplan betreft een variant die vrij dicht bij de opzet van een omgevingsplan blijft. Er zijn ook varianten van TAM-Omgevingsplannen mogelijk die al meer kenmerken bevatten van een integraal Omgevingsplan. Onderhavig TAM-Omgevingsplan vormt een wijziging van het Omgevingsplan. Woningbouw op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende omgevingsplan 'herstelbesluit omgevingsplan Stedelijk', waardoor het Omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-Omgevingsplan is op het oog een Omgevingsplan dat losstaat van de rest van het Omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het Omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-Omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-Omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het Omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-Omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het Omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan wijzigt het Omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan [een hoofdstuk 22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan Sint-Michielsgestel. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3).

52

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Dit TAM-Omgevingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan van de gemeente SintMichielsgestel. In regels zijn alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-Omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Hoofdstuk 3: Algemene regels Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-Omgevingsplan.

Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Hoofdstuk 4: Overgangsrecht Verbeelding De verbeelding is opgesteld voor conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel ‘bestemmingen’ zijn te zien en dat specifieke functies als zijnde ‘functieaanduidingen’ worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.

53

8. FINANCIËLE HAALBAARHEID 8.1 Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. Exploitatie Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente hebben afspraken gemaakt over kostenverhaal en locatie-eisen welke middels anterieure overeenkomst juridisch zijn vastgelegd. Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit de planmaatregel voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

54

9. CONCLUSIE Nadrukkelijk is gemotiveerd dat het onderliggende plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in de planlocatie en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid, de stedenbouwkundige toets zijn alle aspecten ten aanzien van fysieke milieu en leeromgeving onderzocht. In artikel 20.2 van het omgevingsplan “Sint-Michielsgestel West” is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de sportbestemming te wijzigen in een woonbestemming. De voorwaarden waaraan dient te worden voldaan zijn hieronder nogmaals opgenomen, aangevuld met een korte toelichting met de wijze waarop aan deze voorwaarde wordt voldaan: 1. planwijziging is toegestaan na beëindiging van de scouting ter plaatse; De scouting heeft reeds een andere plek binnen de gemeente gevonden, het scoutinggebouw is niet meer aanwezig. 2. woningbouw dient te passen in de stedenbouwkundige karakteristiek van het gebied, met dien verstande dat maximaal twee vrijstaande woningen mogen worden gebouwd; In hoofdstuk 2 van deze onderbouwing is uitgebreid stilgestaan bij de stedenbouwkundige karakteristiek van de planlocatie en haar omgeving. Tevens is met kaarten en schetsen uiteengezet op welke wijze de woningen op een gewenste wijze in de bestaande omgeving worden ingepast.

Voorts wordt bij de inpassing rekening gehouden met de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van energietransitie en klimaatadaptatie. 3. woningbouw dient te passen in het gemeentelijk woningbouwprogramma; Oprichting van nieuwe woningen binnen de gemeente is wenselijk wanneer deze invulling geven aan een vrijgekomen locatie binnen de dorpsgrenzen en deze een bestaande vraag naar woningen invullen en/of de doorstroom op de woningmarkt bevorderen. 4. aangetoond dient te zijn dat er kan worden voorzien in minimaal twee parkeerplaatsen per woning; Bij de uiteindelijke bouwontwerp dienen er per woning minimaal twee parkeerplaatsen ingepast te worden. 5. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. In hoofdstuk 5 is verantwoord dat de realisatie van de twee woningen geen milieuhygiënische belemmeringen oplevert. Aan de volgende algemene voorwaarden is voldaan: • het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van onderliggende motivering;

55

•

het met een ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid.

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=8d122e45-7417-4c43-97b0-0ec14bcdef0e