CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - TAM-imro omgevingsplan met de ETFAL (toelichting)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 6 februari 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsplan Eikenlaan12.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-Omgevingsplan, Eikenlaan ong. Sint-Michielsgestel MOTIVERING

NL.IMRO.0845.TAM2024EikenlnSMG-VA1

1

Titel: Projectnummer: Datum:

TAM-Omgevingsplan, Eikenlaan ong. Sint-Michielsgestel 2024.102 29-10-2024

Adviesbureau:

Wintraecken Advies B.V.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 6 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie ..................................................................................... 7 1.3 Toetsing aan omgevingsplan ......................................................................................................... 8 1.4 Wat is een TAM-Omgevingsplan ................................................................................................... 9 1.5 Leeswijzer .................................................................................................................................... 10

2.

BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE .................................................................................... 11 2.1 Huidige situatie omgeving ............................................................................................................ 11 2.2 Planlocatie ................................................................................................................................... 11

3.

PLANBESCHRIJVING: RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BEELKWALITEIT .............................. 12 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) ............................................................... 14

4.

BELEIDSTOETS ........................................................................................................................... 16

5.

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU .................................................................. 22 5.1 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................................ 22 5.2 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 23 5.3 Soortenbescherming (ecologie) en gebiedsbescherming (stikstofdepositie) .............................. 25 5.4 Waterparagraaf ............................................................................................................................ 27 5.5 Bodem .......................................................................................................................................... 29 5.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen .......................................................... 31 5.7 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................................... 32 5.7 Geurhinder ................................................................................................................................... 36 5.8 Geluid ...........................................................................................................................................

40 5.9 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 42 5.10 Omgevingsveiligheid .................................................................................................................. 45 5.11 Verkeer en parkeren .................................................................................................................. 48 5.12 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ............................................................................ 48

6.

PARTICIPATIE .............................................................................................................................. 51

7.

JURIDISCH KADER TAM-OMGEVINGSPLAN ............................................................................ 52 7.1 Werkingsgebied / toepassingsbereik TAM-omgevingsplan ......................................................... 52

3

8.

FINANCIËLE HAALBAARHEID..................................................................................................... 54 8.1 Kostenverhaal .............................................................................................................................. 54

9.

CONCLUSIE .................................................................................................................................. 55

4

BIJLAGEN 1. De Roever Omgevingsadvies, Quickscan milieuaspecten Eikenlaan 3, SintMichielsgestel, referentie: 20240093.v02, 30 mei 2024; 2. a. Bureau voor Archeologie, Bureau voor Archeologie Rapport 1435. Eikenlaan naast 3, Sint-Michielsgestel, gemeente Sint-Michielsgestel: bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, Projectnummer: 2023060702, 24 april 2024; b. Selectieadvies, gemeente Sint-Michielsgestel, 25 april 2024; 3. Blom Ecologie, Quickscan Natuur Eikenlaan ong.te Sint-Michielsgestel, Project: 2023-0676, 16 februari 2024; 4. De Roever Omgevingsadvies, Stikstofdepositieonderzoek Eikenlaan naast 3 SintMichielsgestel, Referentie: 20240097.v01, 8 mei 2024; 5. De Roever Omgevingsadvies, Watertoets Eikenlaan naast 3, Sint-Michielsgestel, Referentie: 20240097, 15 april 2024; 6. MILON, Verkennend bodemonderzoek Eikenlaan ong. (nabij nr. 3) te SintMichielsgestel, Projectnummer: 20241068, 17 mei 2024; 7. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek industrielawaai, Eikenlaan ong. (naast 3) Sint-Michielsgestel, Referentie: 20231260.v02.woningbouw, 11 juni 2024; 8. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Eikenlaan naast 3 Sint-Michielsgestel, Referentie: Eikenlaann3.WVL.v01, 29 mei 2024;

5

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om aan de Eikenlaan, naast huisnummer 3, SintMichielsgestel, twee vrijstaande woningen op te richten. De locatie bevindt zich op voor sportdoeleinden bestemde gronden. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft het betreffende perceel de Eikenlaan in eigendom. De planlocatie is kadastraal bekend als gemeente SintMichielsgestel, sectie K, nummer 4065. De planlocatie heeft een oppervlakte van circa 3.219 m2. De planlocatie is op dit moment braakliggend en is gelegen binnen de bebouwde kom, aan een openbare verharde weg. De belendingen betreffen particulieren woningen, tennisvelden en overige sportvoorzieningen. Het geheel betreft een voormalig scoutingterrein. Het gebouw inclusief alle voorzieningen en opstallen zijn gesloopt en verwijderd. Hoewel het verzoek in strijd is met het omgevingsplan “Sint-Michielsgestel West” is de gemeente Sint-Michielsgestel van mening dat het oprichten van twee nieuwe woningen een aanvaardbare ontwikkeling is. Zo is er in het vigerende omgevingsplan een wijzigingsbevoegdheid (artikel 20.1.2) opgenomen om een dergelijke ontwikkeling mogelijk te maken.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingen te wijzigen, ten aanzien van de plaats van de bestemmingsgrenzen, voor zover de afwijking van geringe aard is en ten aanzien van ondergeschikte punten, wanneer dit met het oog op praktische uitvoering gerechtvaardigd is, respectievelijk indien de aanpassing aan de terreingesteldheid dit noodzakelijk maakt en de belangen van derden niet onevenredig wordt geschaad. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Sport' ter plaatse van de aanduiding 'wro - zone - wijzigingsgebied 1' te wijzigen in de bestemmingen 'Wonen -1', 'Tuin' en 'Verkeer - Verblijfsgebied', met inachtneming van de volgende regels: 1. planwijziging is toegestaan na beëindiging van de scouting ter plaatse; 2. woningbouw dient te passen in de stedenbouwkundige karakteristiek van het gebied, met dien verstande dat maximaal twee vrijstaande woningen mogen worden gebouwd; 3. woningbouw dient te passen in het gemeentelijk woningbouwprogramma; 4. aangetoond dient te zijn dat er kan worden voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen per woning; 5. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen.

6

Het aanwezige pand is reeds gesloopt. Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient ook aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij de volgende drie voorwaarden: 1. Het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de goede ruimtelijke onderbouwing als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2. Het met de ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; 3. Het in procedure brengen van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing na indienen van de aanvraag omgevingsvergunning. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om het plan te kunnen realiseren en is gemotiveerd dat de ruimtelijke ingreep mogelijk is vanuit een oogpunt van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en passend is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl). 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie Op navolgende luchtfoto is de bestaande locatie aan de Eikenlaan aangegeven. Het scouting gebouw is thans niet meer aanwezig. De planlocatie grenst verder aan sportgerelateerde voorzieningen en woningen, in een verder verkeersluwe omgeving. De planlocatie zelf behelst in de huidige situatie braakliggende grond in een groene setting.

Navolgende afbeelding geeft de planlocatie weer (bron: maps.google.nl).

7

1.3 Toetsing aan omgevingsplan Ter plaatse van de planlocatie geldt vanaf 1 januari 2024 het tijdelijke deel omgevingsplan. Deze bestaat onder andere uit de ruimtelijke regels uit de vervallen omgevingsplannen.. Op grond van het omgevingsplan ‘Sint-Michielsgestel West’ rust op het perceel aan de Eikenlaan de bestemming ‘Sport’. Er is een functieaanduiding voor de scouting en een bouwvlak met maatvoering voor het scoutinggebouw aanwezig. Tevens rust op deze locatie de gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 1’, die reeds in de inleiding van deze onderbouwing is benoemd. De ligging en globale begrenzing van de voorliggende planlocate is op navolgende uitsnede van de verbeelding van het vigerende omgevingsplan “Sint-Michielsgestel West” rood omlijnd aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

De voor “Sport” aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. sportvoorzieningen; 2. de scouting met bijbehorende voorzieningen: ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - scouting'; met daarbij behorende: 3. (sport)terreinen; 4. sporthal; 5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. met daaraan ondergeschikt: 6. horeca ten behoeve van de onder a genoemde voorzieningen tot ten hoogste 100 m2; 7. ontsluitingswegen en paden;

8

8. parkeervoorzieningen; 9. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 10. groen en groenvoorzieningen; 11. de aanleg en instandhouding van voldoende parkeervoorzieningen ten behoeve van de genoemde functies, Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: 1. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: • gebouwen ten behoeve van het bepaalde onder a, b en d; • bijgebouwen; • bouwwerken, geen gebouwen zijnde; i. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Binnen de sportbestemming is ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de mogelijkheid bestaat om extra woningen aan een bestaande locatie toe te voegen. De voorwaarden waaraan dan moet worden voldaan zijn reeds in paragraaf 1.1 van deze ruimtelijke onderbouwing opgesomd. Strijdigheid (bouw)plan met omgevingsplan De strijdigheid zit in het feit dat oprichting van woningen niet zonder meer toegestaan is, aangezien thans een sportbestemming vigeert. Het omgevingsplan “Sint-Michielsgestel West” biedt met artikel 20.1.2 echter een wijzigingsmogelijkheid om de ontwikkeling, onder voorwaarden, mogelijk te maken. Met dit omgevingsplan wordt daarbij aangesloten. 1.4 Wat is een TAM-Omgevingsplan ‘TAM’ staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel.

Met een TAM-Omgevingsplan is het mogelijk om met de IMRO-standaard voor omgevingsplannen en bijbehorende software het Omgevingsplan te wijzigen. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is onderkend dat de planapplicaties voor het maken en publiceren van het omgevingsplan in combinatie met het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) vaak nog onvoldoende functioneren. Daarom is het TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt. Dit TAM-Omgevingsplan is dus opgesteld op basis van de IMRO-standaard voor omgevingsplannen. Juridisch is het een wijziging van het omgevingsplan. Dit TAM-

9

omgevingsplan wordt een apart hoofdstuk van het tijdelijke Omgevingsplan. Uiteindelijk zal het verwerkt worden in het definitieve Omgevingsplan. 1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de ruimtelijke onderbouwing. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot de planlocatie en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. Het hoofdstuk 5 gaat in op de aspecten van het fysieke milieu en de leefomgeving. Het onderdeel participatie krijgt aandacht in hoofdstuk 6. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 7, het onderdelen financiële haalbaarheid komt aan bod in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 tot slot bevat de conclusie.

10

2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE 2.1 Huidige situatie omgeving De planlocatie ligt in het zuidwesten van de kern Sint-Michielsgestel. De aanwezige sportvoorzieningen die uitlopen in het groen, vormen een van de dorpsranden van de kern. Grenzend aan de planlocatie bevindt zich een tennisvereniging en in de nabijheid een sporthal. Vanuit de locatie gezien bevinden zich aan de zuid- en oostzijde enkele woningen. Op navolgende afbeelding is de planlocatie in relatie tot haar omgeving weergegeven (bron: maps.google.nl).

2.2 Planlocatie Navolgende foto betreft een weergave van de situatie gezien vanaf de Eikenlaan (bron: maps.google.nl – streetview).

11

3. PLANBESCHRIJVING: RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BEELKWALITEIT Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op een braakliggende locatie Eikenlaan, naast 3, te Sint-Michielsgestel. Aangezien het planvoornemen wordt gerealiseerd aansluitend op een bestaande woonomgeving zal de nieuwbouw in de vorm van twee grondgebonden woningen, qua vorm en uitstraling, zoveel mogelijk aansluiten bij de uitstraling en accenten, zoals aanwezig in het huidige straatbeeld. De hoofdmassa en hoofdvorm van de nieuwe bebouwing worden afgestemd op de bestaande bebouwing op de naastgelegen percelen, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwe woningen en de maatvoering aangesloten bij de stedenbouwkundige uitgangspunten van de gemeente Sint-Michielsgestel. Dit alles conform het welstandsbeleid. De goot- en nokhoogte en massa blijven bescheiden en het materiaal- en kleurgebruik terughoudend. De architectonische uitstraling van de nieuwbouw is in ieder geval ingetogen. Tevens wordt rekening gehouden met de maximaal toegestane bouwhoogte, zoals deze nu ook geldt voor de omliggende percelen. Door de grootte van de planlocatie blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen bebouwing voldoende groot.

Het initiatief is van toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Met het realiseren van het bouwplan wordt verder zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het gebruik van duurzame materialen bij nieuwbouw. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu.

Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in:

12

• • •

duurzaam materiaalgebruik; slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); afvalreductie.

Geconcludeerd kan worden dat de transformatie van de planlocatie bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. Er vindt als het ware een logische koppeling plaats met de bestaande bebouwing. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Binnen de planlocatie is voldoende ruimte beschikbaar voor de oprichting van parkeerplekken. Zodoende zal er in een normale situatie kunnen worden voldaan aan de parkeerbehoefte op eigen terrein. Energietransitie De toepassing van energietransitie in een nieuwbouwplan is van cruciaal belang voor het realiseren van duurzame, energie-efficiënte en milieuvriendelijke gebouwen. De energietransitie heeft als doel om over te stappen van traditionele, op fossiele brandstoffen gebaseerde energiebronnen, naar hernieuwbare en schone energiebronnen. Bij het ontwerpen en bouwen van een nieuwbouwproject is het daarom essentieel om vanaf het begin rekening te houden met innovatieve en duurzame energieoplossingen. Een belangrijk aspect van de energietransitie in nieuwbouwplannen is de integratie van hernieuwbare energiebronnen.

Voor onderhavig planvoornemen kan dit bestaan uit toepassing van zonnepanelen, gebruik maken van geothermische energie of beter omgaan met huishoudelijk water en hemelwater. Het implementeren van zonnepanelen op daken, het gebruik van geothermische warmtepompen en het beter omgaan met water kunnen bijdragen aan het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en het minimaliseren van de ecologische voetafdruk van het gebouw. Energie-efficiëntie speelt ook een sleutelrol in de energietransitie van nieuwbouwplannen. De woningen zouden gecombineerd kunnen worden met toepassing van hoogwaardige isolatie, efficiënte ventilatiesystemen en geavanceerde verlichtingstechnologieën. Het verbruik van energie zal hierdoor aanzienlijk verminderen.

13

Klimaatadaptatie Het integreren van klimaatadaptatie in een nieuwbouwplan is een tweede, essentieel belang om te anticiperen op de steeds veranderende klimaatomstandigheden en de impact ervan op de gebouwde omgeving. Klimaatadaptatie omvat maatregelen die ervoor zorgen dat gebouwen en hun omgeving veerkrachtiger zijn tegen extreme weersomstandigheden, zoals overmatige regenval, hittegolven en overstromingen. Een belangrijke focus bij het ontwerpen van nieuwbouwprojecten met klimaatadaptatie in het achterhoofd is watermanagement. Voorbeeld van maatregelen zijn de toepassing van groene daken, regenwaterinfiltratiesystemen en strategisch geplaatste waterretentiegebieden. Door deze maatregelen te integreren, kan overtollig regenwater effectief worden afgevoerd, overstromingsrisico's worden verminderd en de belasting van het rioleringssysteem worden verlicht. Onderhavig planvoornemen heeft een toename van verhard oppervlak tot gevolg. Echter wordt deze verharding ruimschoots gecompenseerd door maatregelen op het gebied van waterberging in combinatie met groenontwikkeling op eigen terrein. Veel ruimte is groen van karakter en omvat dan ook een bovengemiddelde infiltratiecapaciteit voor hemelwater, en heeft met de groenvoorziening een positieve bijdrage ter voorkoming van hittestress.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) De evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) houdt in dat de activiteiten die op grond van een omgevingsplan (of een BOPA) kunnen worden verricht zich zodanig tot elkaar verhouden, dat ze elkaar niet in de weg zitten. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waar op de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren. Het bevoegd gezag heeft bij het wegen van de relevante belangen niet de volledige vrijheid. De speelruimte is – net als nu – beperkt door nationale en provinciale regelgeving. Deze regels zijn instructieregels. De gemeente is verplicht om een omgevingsvisie vast te stellen. Hierin wordt richting gegeven aan het beleid over de fysieke leefomgeving. Ook andere beleidsdocumenten dragen bij aan het invullen van de weging van belangen en daarmee aan de uitkomst van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In navolgende hoofdstukken zal blijken dat het planvoornemen passend is binnen de bestaande beleidsuitgangspunten: zowel nationaal, provinciaal, regionaal als gemeentelijke.

14

Daarnaast blijkt uit hoofdstuk 5 dat er wordt voldaan aan de milieu- en ruimtelijke voorwaarden.

15

4. BELEIDSTOETS Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Omgevingswet over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. Voor onderhavig planvoornemen zijn de kaders voor ontwikkelingen reeds in het verleden vastgesteld. Naar verderop in deze motivering zal blijken, is de voorgenomen ontwikkeling van de twee woningen, onder de gestelde wijzigingsvoorwaarden, mogelijk. In onderhavig document wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan.

Een volledige beleidstoets van nationaal en provinciaal is derhalve niet meer noodzakelijk. Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in het voormalige artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het (voormalige) Bro (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Er is derhalve geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Onderhavige planontwikkeling voldoet verder wel aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik middels transformatie van bestaand vastgoed. Ten aanzien van het gemeentelijk beleid spelen enkele beleidsuitgangspunten een prominentere rol. In het verdere vervolg van deze paparagraaf worden de gevolgen van de ruimtelijke beleidskaders uit achtereenvolgens de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’,

16

de ‘Woonvisie 2016-2021’, de ‘Uitvoeringsnota Woningbouw 2022’ en het ‘Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen’. Tot slot wordt het planvoornemen in relatie gebracht tot de wijzigingsmogelijkheid in het vigerende omgevingsplan, de Ontwikkelvisie Theereheide en de Woonzorgwelzijnsvisie. Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (2011) Op basis van de gemeentelijke toekomstvisie ‘Zieners van 2025’ is de ‘Structuurvisie SintMichielsgestel 2025’ opgesteld. Doel van de structuurvisie is het toekomstbeeld te vertalen in een ruimtelijk plan met status dat voldoet aan de eisen uit de Wet ruimtelijke ordening. De hierna volgende afbeelding betreft een uitsnede van de structuurvisiekaart van de gemeente weergegeven. Met een gele ster is de globale ligging van de planlocatie aangeduid.

Op basis van een analyse van de huidige situatie worden in de structuurvisie een aantal belangrijke kwaliteiten, maar ook knelpunten onderscheiden. Belangrijke kwaliteiten betreffen

17

de ligging van gemeente Sint-Michielsgestel binnen de invloedssfeer van met name de stad ’s-Hertogenbosch, maar ook Eindhoven en Tilburg, de landschappelijke en groene kwaliteiten zowel binnen de gemeente als daar net buiten (Groene Woud), de hiermee samenhangende recreatieve potentie en het prettig leefklimaat. De belangrijkste knelpunten betreffen de beperkte toegankelijkheid en bereikbaarheid van de natuur en recreatiegebieden, de lage differentiatie in woonmilieus, het ontbreken van een sterke ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de dorpscentra en de ongeschikte locatie van bedrijven die qua aard en schaal niet op die specifieke plek thuis horen. De beperkte variatie in woonmilieus laat zich voelen in het beperkte woningaanbod voor starters/jongeren en senioren. Om de kwaliteiten uit te bouwen, de kansen te benutten en de knelpunten en bedreigingen zo adequaat mogelijk te bestrijden, is een ruimtelijk structuurbeeld vervaardigd waaraan een aantal speerpunten is gekoppeld. Eén van de speerpunten betreft de bouwopgave. Er wordt geconcludeerd dat de woningaantallen uit het gemeentelijk woningbouwprogramma in principe toereikend zijn om te bouwen voor migratiesaldo nul. Er is echter een bouwachterstand, waardoor de wachtlijsten zijn opgelopen. Bovendien worden er verdere vertragingen verwacht.

Er wordt voor gekozen de bouwopgave ook af te stemmen op de woningbehoefte uit ’sHertogenbosch, omdat de gemeente deze stedelingen een goed woonmilieu op korte afstand van de stad te bieden heeft. Dit leidt tot de keuze te bouwen bij alle dorpen en heeft de wens als achtergrond om toekomst te bieden aan de dorpen, de dorpsgemeenschappen, de dorpsvoorzieningen en kleine werkgelegenheid. Dit heeft een sociale en humane achtergrond. De dorpen moeten de gelegenheid krijgen om op een waardige en respectvolle wijze en voor alle bevolkingsgroepen te bouwen aan hun eigen toekomst. Verder ligt de nadruk sterk op de kwalitatieve woningbehoefte. Er moet meer worden gebouwd naar de wensen en behoeften van de inwoners. Hiertoe is onder meer een woonwensenonderzoek uitgevoerd. Duidelijk is in elk geval dat kleinschalig wonen van belang is voor de dorpse uitstraling van de kernen. Van belang is dat de ontwikkeling passend wordt naar aard en schaal bij de bestaande woonkern en het karakter van de bestaande omgeving. Aansluitend op het visiekaartbeeld kan gesteld worden dat er geen expliciete waarden of kwaliteiten aan de planlocatie zijn toegedicht

18

Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2022 De visie op wonen is in gemeente Sint-Michielsgestel opgeschreven in het ‘Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027'. Deze vervangt de woonvisie uit 2016. Met dit programma zet de gemeente de koers uit voor de ontwikkeling van het wonen in SintMichielsgestel, Den Dungen, Berlicum, Middelrode en Gemonde. Het programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027 vatten we samen in drie pijlers, met daaronder in totaal zeven opgaven. Pijler 1: een passend en betaalbaar huis 1. Passende woningen en doorstroming 2. Inspelen op de woningbehoefte 3. Gevarieerde en creatieve woonvormen Pijler 2: wonen met welzijn en zorg 1. Wonen met welzijn en zorg voor ouderen 2. Een thuis voor iedereen Pijler 3: duurzaam wonen in wijken en dorpen 1. Leefbare wijken en dorpen 2. Duurzaam wonen Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen Het ‘Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen’ bevat een analyse van bestaand beleid en beschikbare gegevens betreffende de woningmarkt met als doel enerzijds duidelijk maken wat de meer specifieke woonbehoeften per dorp zijn. Anderzijds moet worden bepaald wat nodig is aan woningbouw per dorp om aan de behoeften op lange en korte termijn tegemoet te komen.

Voor de dorpen wordt een richtinggevend woningbouwkader meegegeven, gericht op de doelgroepen starters, doorstromers en ouderen. Er is behoorlijk wat keuze op de lokale woningmarkt. Waarvoor opgelet moet worden is dat de prijssprongen niet te groot worden, waardoor de woonconsument noodgedwongen moet blijven zitten waar hij zit. De sprongen van een rijwoning naar een tweekapper, of tweekapper naar vrijstaand, zijn substantieel. Aandacht voor meer prijsdiversiteit is gewenst. De nog op stapel staande plannen zijn vrijwel allemaal inbreidingslocaties met als gevolg dat er gestapeld wordt gebouwd en hetgeen grondgebonden wordt gerealiseerd een stenig karakter krijgt. Dit staat in contrast met de overwegend groene woonmilieus. Van belang is dat deze wat meer stedelijk dorpse nieuwbouwkwaliteit (relatief nieuw voor de gemeente)

19

ook goed tot uitdrukking komt en zo toch kan concurreren met aanbod in de bestaande woningvoorraad. In kwantitatieve zin is gesteld dat er in de periode 2012 tot 2025 in SintMichielsgestel circa 380 woningen aan de woningvoorraad moeten worden toegevoegd. Planvoornemen in relatie tot de wijzigingsmogelijkheid in het vigerende omgevingsplan, de Ontwikkelvisie Theereheide en de Woonzorgwelzijnsvisie Na de vaststelling van de Structuurvisie “Ontwikkelvisie Theereheide”, waarin de ontwikkelingen voor de locaties De Huif, SCI-terrein, herontwikkeling locatie bs De Bolster en scouting Eikenlaan zijn opgenomen, is de ontwikkeling van de locatie aan de Eikenlaan, zijnde de realisatie van twee bouwkavels, door de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling opgepakt. Voor het toevoegen van woningen in bestaand stedelijk gebied is een verantwoording in de toelichting van het plan opgenomen over de wijze waarop de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken met betrekking tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw en het type woningen noodzakelijk. Concreet wil dat zeggen dat een plan moet passen binnen de uitgangspunten van het volkshuisvestingsbeleid welke is uitgelegd in gemeentelijke Woonzorgwelzijnsvisie en het gemeentelijk woningbouwprogramma.

In de Woonzorgvisie is onder andere vastgelegd hoe gemeente beleidsmatig omgaat met de toedeling van de ruimte in het woningbouwprogramma. Daarbij toetst de gemeente aan de behoefte per kern. Als gevolg van de geluidsaspecten is het alleen mogelijk om 1-laags te bouwen en zo dicht mogelijk bij de openbare weg. Gezien de perceelsoppervlakte (circa 3.000 m2), in combinatie met de geluidsaspecten vanuit de achterliggende sportvoorzieningen, is sociale woningbouw niet mogelijk. In overleg met de stedenbouwkundige en de beleidsmedewerkers Volkshuisvesting is er voor gekozen om uitvoering te geven aan de wijzigingsbevoegdheid in de door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsplan “Sint-Michielsgestel-West” en de door de gemeenteraad vastgestelde structuurvisie “Ontwikkelvisie Theereheide”. Deze locatie is daarom ook als zodanig in het woningbouwprogramma opgenomen. Dit initiatief voldoet daarmee aan het gemeentelijke beleid. Conclusie De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een

20

actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering, herontwikkeling en transformatie vóór uitleg. Daarnaast zet het plan in op doorstroming, zodat wie dat wil kan verhuizen naar een huis dat geschikt is voor hun leefsituatie – en een huis achterlaat voor andere woningzoekenden. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, betreft intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de genoemde gemeentelijke beleidskaders. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 5.

21

5. ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Ten behoeve van onderhavige motivering is door De Roever Omgevingsadvies een milieuscan uitgevoerd naar de milieu-hygiënische gevolgen van het planvoornemen op de omgeving en andersom. Quickscans door De Roever Omgevingsadvies zijn aanvullend uitgevoerd op de aspecten, bedrijven en milieuzonering (5.7), geurhinder (5.8), luchtkwaliteit (5.9), omgevingsveiligheid (5.10) en volksgezondheid in relatie tot veehouderijen (5.12) en komen terug in onderhavig hoofdstuk. De milieuscan is in zijn volledigheid als bijlage 1 aan deze motivering toegevoegd. 5.1 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Strategische milieubeoordeling-richtlijn (SMB-richtlijn 2001/42/EG, in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. Doorwerking plan(locatie) Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op?

22

Conclusie De planlocatie zal wat bebouwing, vorm en omvang worden gewijzigd. Echter betreft het de oprichting van twee woningen, aansluitend op de bestaande woonomgeving binnen de woonkern Sint-Michielsgestel. Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit de m.e.r.-regelgeving en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Daarmee kan worden gesteld dat geen sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ en is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.beoordeling) niet noodzakelijk. 5.2 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom de planlocatie belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen.

23

De archeologische uitgangspunten zijn de volgende: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom de planlocatie cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.

Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(locatie) Vanwege de voorgestane bouw- en graafwerkzaamheden is op de planlocatie door Bureau voor Archeologie een archeologisch onderzoek. Bureau voor Archeologie adviseert de planlocatie vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het volledige rapport is als bijlage 2a toegevoegd aan deze motivering. In reactie op de conclusie vanuit het archeologisch onderzoek komt gemeente met een selectieadvies welke als bijlage 2b aan deze motivering is toegevoegd. De slotconclusie luidt als volgt: Met dit rapport is de archeologische waarde van het plangebied voldoende vastgesteld. De gemeente keurt het onderzoeksrapport goed en kan instemmen met het advies om geen nader onderzoek te verlangen en het plangebied vrij te geven ten aanzien van archeologie.

24

Ondanks de uitkomsten van deze bureaustudie en booronderzoek, is het altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Sint-Michielsgestel.

Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 5.3 Soortenbescherming (ecologie) en gebiedsbescherming (stikstofdepositie) Toetsingskader Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Eerder is in het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Gebiedsbescherming Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum.

Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Doorwerking plan(locatie) Soortenbescherming Aan de Eikenlaan ong. te Sint-Michielsgestel is een grasveld gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens 2 vrijstaande woningen te realiseren. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming),

25

beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Blom Ecologie heeft hiertoe een quickscan natuur uitgevoerd. Deze is als bijlage 3 aan deze onderbouwing toegevoegd. De belangrijkste conclusies met vervolg zijn hieronder letterlijk weergegeven. Conclusie De beoogde realisatie van 2 vrijstaande woningen aan de Eikenlaan ong. te Sint-Michielsgestel is uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

26

•

De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

Gebiedsbescherming Om de realisatie van de nieuwe woningen mogelijk te maken is een stikstofdepositieonderzoek voor de aanlegfase en gebruiksfase worden uitgevoerd. Navolgende is de slotconclusie van het door De Roever Omgevingsadvies uitgevoerde onderzoek opgenomen. Het onderzoek als geheel, is als bijlage 4 aan deze onderbouwing toegevoegd. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de planontwikkeling aan de Eikenlaan naast 3 in Sint-Michielsgestel de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit.

Conclusie Vanuit het oogpunt van soorten- en gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 5.4 Waterparagraaf Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt ernaar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogde planlocatie, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in

27

paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘her-gebruikvasthouden-berging-afvoer’. De planlocatie valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Ook voor het Waterschap De Dommel is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de water-toets.

Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen heeft een transformatie van de huidige planlocatie tot gevolg. Er is sprake van sloop en nieuwbouw, met een wijziging van verhard oppervlak tot gevolg. Door De Roever Omgevingsadvies is een watertoets uitgevoerd, waarvan de samenvatting en

28

conclusies hierna letterlijk zijn overgenomen. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 5 aan deze onderbouwing toegevoegd. Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Sint-Michielsgestel sectie E met nummer 4065 (gedeeltelijk). De gehele locatie heeft een oppervlakte van ongeveer 2.800 m². De onderzoekslocatie is momenteel volledig onverhard. Watertoets Initiatiefnemer is voornemens om op de vrije kavel 2 grondgebonden vrijstaande woningen te realiseren. De grootte van de woningen is bij het opstellen van de watertoets nog niet bekend. Per woning is derhalve uitgegaan van 175 m2. Dit oppervlak is gebaseerd op de bestemming Wonen-1 uit het omgevingsplan Sint-Michielsgestel West d.d. 7 februari 2011. Deze bestemming is van toepassing op het buurperceel. De vereiste compensatie wordt berekend door het toekomstig verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 70 mm (0,07 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De benodigde compensatie bedraagt 81 m3 (1.150 m2 x 0,07). Gezien de ruime opzet van de kavels zal er in de toekomstige situatie voldoende ruimte beschikbaar zijn om invulling te geven aan de bergingseis. Gedacht kan worden aan het graven van bijvoorbeeld een wadi of vijver.

Door circa 160 m2 oppervlak in te richten voor de retentievoorziening kan voldaan worden aan de bergingseis van de gemeente, rekening houdend met de lokale GHG (0,8 m-mv) en het volumeverlies van het talud. Omdat er geen watergang is gelegen nabij de onderzoekslocatie wordt geadviseerd een overstortconstructie aan te leggen, in de vorm van een slokop en deze aan te sluiten op het aanwezige rioolstelsel aan de Eikenlaan.

Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 5.5 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is het bepalen van de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor de voorgenomen plannen en het bepalen of de voorgenomen plannen financieel haalbaar zijn. Een bodemonderzoek geeft uitsluitsel over de financiële haalbaarheid en een eventuele saneringsnoodzaak.

29

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Doorwerking plan(locatie) Milieuonderzoeksbureau MILON heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 6 aan deze onderbouwing toegevoegd. Navolgend zijn de conclusies letterlijk overgenomen. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van het terrein, waarbij twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. In de grond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aangetroffen die de interventiewaarde niet overschrijden. De hier aangetoonde gehaltes zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. De grond voldoet op basis van indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) aan de klasse landbouw/natuur.

30

Tijdens de bemonstering zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de gestelde voorkeurswaarden aangetoond. De bodemkwaliteit geeft geen belemmering voor de geplande herontwikkeling van het terrein en het huidig en toekomstig gebruik.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 5.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6.

Exploitanten van buisleidingen hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun omgevingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(locatie) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen de planlocatie voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan.

31

Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van de planlocatie. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering De planlocatie valt niet binnen zonering van een kwaliteit of kenmerk welke onderhavig planvoornemen kan belemmeren. Verder zijn er in/op en nabij de planlocatie geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig. 5.7 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1.

omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.

32

Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Er wordt onderscheid gemaakt in agrarische geur en industriële (overige) geur. De planlocatie valt niet binnen de richtafstand voor het aspect geur van industriële bedrijven, maar wel binnen de richtafstand voor het aspect geur van een veehouderij ligt. Daarom wordt hierna het aspect agrarische geur nader toegelicht. Doorwerking plan(locatie) De Roever Omgevingsadvies heeft onderzoek uitgevoerd naar de geluidsniveaus ter plaatse van de planlocatie, afkomstig van deze tennisvereniging. Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek één op één overgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=8d122e45-7417-4c43-97b0-0ec14bcdef0e