Bijlage 2 - Omgevingsplan Laar-Nieuw Laar - toelichting
Tekst van het document
Deze passende beoordeling ziet toe op de beoordeling van effecten voor Natura 2000gebieden als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, met name de uitbreiding van de twee intensieve veehouderijen Laar 31 en Nieuw Laar 5a en nieuwbouw van woningen.
49
Naar aanleiding van de passende beoordeling wordt het volgende geconcludeerd: •
Gezien de afstand van het plangebied tot de Natura2000 gebieden en de aard van de activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt zijn nadelige effecten voor Natura2000 gebieden door stikstofdepositie niet uit te sluiten, maar kunnen ‘overige effecten’ worden uitgesloten.
•
De ontwikkelplannen van de twee varkenshouderijen Laar 31 en Nieuw Laar 5a resulteren in de gebruiksfase in een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen binnen meerdere Natura2000 gebieden, waar de huidige achtergronddepositie al de Kritische Depositie Waarde overschrijdt. Door een stikstofplafondregeling op te nemen in het bestemmingsplan kunnen significant nadelige gevolgen door het bestemmingsplan worden uitgesloten. Uit de passende beoordeling (plantoets Wnb) volgt dat op basis van actuele inzichten de onherroepelijke natuurvergunningen van Laar 31 en Nieuw Laar 5a niet één op één ingepast kunnen worden in het bestemmingsplan en daardoor niet kunnen dienen als referentiesituatie voor de plantoets. Ten opzichte van de feitelijke situatie resulteren de ontwikkelplannen van Laar 31 en Nieuw Laar 5a (gebruiksfase) in een toename van stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is aangetoond in de Passende beoordeling. Voor Laar 31 is het plan uitvoerbaar met een beperkte verkleining van het aantal varkens of het toepassen van brongerichte emissiearme stalsystemen i.c.m. een gecombineerde luchtwasser. Voor Nieuw Laar 5a geldt dat alleen externe saldering tot een uitvoerbaar plan leidt.
Hiervoor is een koopovereenkomst gesloten met saldogevende veehouderij Onrooi 12 en zijn de onderbouwende stukken opgenomen in de passende beoordeling en is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Op basis hiervan is de externe saldering als mitigerende maatregel voldoende zeker en daarmee is ook het ontwikkelplan van Nieuw Laar 5a uitvoerbaar.
•
Gebruiksfase Laar 31 Voor Laar 31 geldt dat bij wijziging van de dierbezetting en/of toepassen van een brongericht emissiearm stalsysteem in de nieuw te bouwen stallen er geen toename van stikstofdepositie optreedt ten opzichte van de feitelijke situatie (= de referentiesituatie voor het stikstofplafond in het bestemmingsplan). De ondernemer kan ook kiezen voor (gedeeltelijke) externe saldering zodra de vergunningenstop door de provincie is opgeheven en het afromingspercentage bij externe saldering bekend is.
•
Gebruiksfase Nieuw Laar 5a Voor Nieuw Laar 5a levert het intern wijzigen van diercategorieën en dieraantallen onvoldoende stikstofruimte op voor de beoogde uitbreiding met een nieuwe vleesvarkensstal. Alleen als alle bestaande stallen én de nieuwe stal voorzien worden van een brongericht emissiearm stalsysteem i.c.m. gecombineerde luchtwassers met 85% ammoniakreductie, kan een toename van stikstofdepositie uitgesloten worden. Het is denkbaar dat het aanpassen van alle bestaande stallen in verhouding tot de uitbreiding in aantallen varkens dier hiermee mogelijk wordt gemaakt niet haalbaar en betaalbaar is, waardoor uitvoerbaarheid van het
50
ontwikkelplan te onzeker is en om deze reden hieraan geen planologische medewerking kan worden verleend. Voor deze locatie resteert als realistisch scenario de mogelijkheid tot externe saldering (of een combinatie met het toepassen van een dubbel emissiearm stalsysteem in één of meerdere stallen). Hiervoor is een koopovereenkomst gesloten met saldogevende veehouderij Onrooi 12 en een intrekkingsverzoek ingediend ten behoeve van het ontwikkelplan van Nieuw Laar 5a. Alle onderbouwende documenten zijn opgenomen als bijlage bij de passende beoordeling in bijlage 5 bij deze toelichting. Hierbij is een voorwaardelijke verplichting in de planregels worden opgenomen, die regelt dat de activiteiten waarmee extern gesaldeerd wordt eerst beëindigd zijn, voordat met de nieuwe activiteit mag worden gestart. •
Realisatiefasen Laar 31 en Nieuw Laar 5a De stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan geldt ook voor de realisatiefasen en voorkomt significant nadelige effecten op Natura2000 gebieden. Voor de stikstofbronnen tijdens de tijdelijke realisatiefasen is voldoende stikstofgebruiksruimte aanwezig. Daarbij is tijdens de realisatiefase van iedere stal geen sprake van stalemissies. Ammoniakemissies leveren een vele malen hogere stikstofdepositie dan de tijdelijke NOx-emissies in de realisatiefase. Ook zijn er voldoende mogelijkheden om emissiearm of emissieloos te bouwen.
•
Nieuwe woningen en niet-agrarische bedrijvigheid De gebruiksfase en realisatiefasen van de extra woningen, toename van oppervlakte bedrijfsbestemming en toename aantal kampeerplaatsen binnen het plangebied passen ruim binnen de stikstofgebruiksruimte in het plangebied, ook in cumulatie met elkaar. Daarbij geldt dat een aantal van deze activiteiten direct samenhangen met beëindiging van veehouderijen binnen het plangebied. De stoppers hebben hun stikstofruimte namelijk niet al een keer elders ingezet voor externe saldering of een opkoopregeling (geen sprake van dubbelgebruik en er zijn ook niet-agrarische bedrijfsactiviteiten die in de bestaande situatie al planologisch legaal plaatsvinden.
Maatregelen in de planregels van het bestemmingsplan t.b.v. goede werking luchtwasser Naar aanleiding van de passende beoordeling zijn er maatregelen opgenomen in de regels van het bestemmingsplan ten behoeve van de goede werking van de luchtwassers, zie navolgend kader: A. Voldaan moet worden aan de eisen voor luchtwassers zoals opgenomen in paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit (artikelen 3.124, 3.125 en 3.126) en eisen voor monitoring zoals opgenomen in de Regeling Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.99 en 3.100): •
In een elektronisch monitoringsysteem worden ieder uur de waarden van in ieder geval de volgende parameters geregistreerd: a)
de zuurgraad van het waswater;
b)
de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter;
c)
de spuiwaterproductie in kubieke meter;
d)
de drukval over het filterpakket in pascal;
e)
het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt uur.
51
Van de parameters onder c en e worden tevens de cumulatieve waarden geregistreerd. •
Het waswater van het luchtwassysteem is voorzien van een laagdebietalarmering..
•
De geregistreerde waarden van de parameters worden gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard.
•
Voor de registratie van voorgaande parameters zijn doelmatige meetvoorzieningen aanwezig die voldoen aan het volgende: -
Voor het meten van de spuiwaterproductie is per spuiwaterstroom in de spuileiding een elektromagnetische flowmeter geïnstalleerd.
-
Ten minste eenmaal per zes maanden worden de EC-elektrode en de pH-elektrode gekalibreerd door een deskundige op het gebied van het kalibreren van elektrodes.
-
Bewijzen van de kalibraties worden gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard.
B. Voldaan moet worden aan de regels voor gedragsvoorschriften zoals opgenomen in artikel 3.101 van de Activiteitenregeling: •
In gedragsvoorschriften wordt ten minste aangegeven: -
wanneer en op welke wijze de schoonmaak en het onderhoud van het luchtwassysteem door een deskundige op het gebied van luchtwassystemen zullen plaatsvinden;
-
wanneer en op welke wijze de visuele controles en schoonmaak van het luchtwassysteem door de drijver van de inrichting zullen plaatsvinden;
-
op welke wijze de waarden en instellingen van het luchtwassysteem die bepalend zijn voor de goede werking worden gecontroleerd, en
-
welke maatregelen onmiddellijk worden getroffen als uit de registratie blijkt dat de parameters die van belang zijn voor een goede werking worden overschreden.
C. Voldaan moet worden aan de eisen van de stalbeschrijving (leaflet) van de toegepaste gecombineerde biologische luchtwasser (in de ontwikkelplannen is dit BWL 2009.12.v5): •
Instelling parameters en controle: -
A1: de zuurgraad van het waswater in de biologische luchtwassers is minimaal gelijk aan pH = 6,5 en mag niet meer zijn dan pH = 7,5
-
A2: de geleidbaarheid van het waswater in de gecombineerde luchtwasser is maximaal 20 mS/cm
•
Reiniging: -
B1: reiniging filterpakket in de biologische wasser minimaal éénmaal per jaar
-
B2: reiniging druppelvanger minimaal éénmaal per jaar -
B3: reiniging van de wateropvangbak (afvoer gesuspendeerd materiaal) minimaal éénmaal per zes maanden.
•
Onderhoud: -
C: met betrekking tot het onderhoud van het luchtwassysteem dienen in overeenstemming met het Activiteitenbesluit milieubeheer gedragsvoorschriften te worden opgesteld.
•
Registratiesysteem: •
D: het meet- en registratiesysteem dient te worden gebruikt, gecontroleerd en onderhouden zoals is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
52
D. Aanvullend op de wettelijk voorgeschreven eisen moet voldaan worden aan de volgende extra maatregelen om een goede werking te kunnen waarborgen: •
In de gedragsvoorschriften moet worden vastgelegd op welke wijze de geregistreerde data worden verwerkt en gepresenteerd.
•
Bijhouden van calamiteiten, uitgevoerd onderhoud, reparaties en storingen in een papieren logboek.
•
Een onderhoudscontract met de leverancier of een andere deskundige partij voor jaarlijkse controle, het onderhoud van het luchtwassysteem en het uitvoeren van een onderhoudsbeurt waaronder de halfjaarlijkse kalibratie van de pH- en EC-elektroden. Ook gaat het onderhoudscontract in op taken voor de veehouder.
•
Uitbreiding van het elektronisch logboek met één of meerdere debietmeters bij de waswaterpomp(en).
•
Toepassen van een automatische doseerinstallatie voor de Ph-regeling en meten en registreren van verbruik aan zuur of base.
•
Definiëren van de locatie van de pH-meting, waarop de voorgeschreven pH range is gebaseerd.
•
De pH- en EC-meter in de luchtwasser dient periodiek gecontroleerd te worden met bijvoorbeeld een handmeter, zodat mogelijke afwijkingen in de sensoren worden geconstateerd en deze dan opnieuw gekalibreerd kunnen worden of vervangen indien noodzakelijk.
•
Emissie-metingen met sensortechnologie. De ammoniaksensoren moeten zo geplaatst worden dat deze voortdurend het ammoniakgehalte van de ingaande en van de uitgaande lucht meten. Het ventilatiedebiet moet gemeten en gelogd worden. De informatie die beschikbaar is in de klimaatcomputer moet worden ontsloten en toegepast ten behoeve van de metingen.
E. In de regels dient per veehouderijbedrijf een ammoniakemissieplafond te worden vastgelegd. Indien uit metingen blijkt dat de gemeten emissies het emissieplafond overschrijden dient de veehouder direct en adequaat bij te sturen en de noodzakelijk maatregelen te treffen om te zorgen dat de gemeten ammoniakemissie voldoet aan het emissieplafond. Dit kunnen maatregelen zijn ten aanzien van techniek, voer, temperatuur of luchtinlaat, maar ook het houden van minder varkens.
Natuurnetwerk Brabant Het dichtstbijzijnde NNB gebied ligt op ongeveer 1.000 meter afstand ten noordoosten en zuidoosten van het plangebied. De voorgenomen activiteiten in het plangebied zullen door hun lokale aard geen aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB in de omgeving en daarmee niet leiden tot negatieve effecten op het NNB.
5.3.3.
Soortenbescherming
Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
53
Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing. In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die beschermd zijn onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Door Staro B.V. is in 2018 een quickscan flora en fauna uitgevoerd van alle ontwikkellocaties in het plangebied. Dit onderzoek richt zich zowel op de beschermde gebieden als op de beschermde soorten. Vervolgens is in 2021 een update van de quickscan uitgevoerd, mede als gevolg van enkele wijzigingen in de begrenzing en aard en omvang van de ontwikkelingen. Deze onderzoeksrapportage (Quickscan flora en fauna Gebiedsvisie Laar – Nieuw Laar te Berlicum, Rapportnummer 21-0099, april 2021, Staro BV) is als bijlage 9 toegevoegd aan de toelichting van dit bestemmingsplan.
Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Op de ontwikkelingslocaties zijn geen huismussen, gierzwaluwen of roofvogels (waarvan het nest jaarrond beschermd is) aanwezig. Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor diverse vogels. De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten hebben ten aanzien van foerageer- en/of broedgebied van vogels mits geen bomen en struiken met nesten van vogels worden verwijderd/gesnoeid. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. In het plangebied zijn meerdere steenuilterritoria aanwezig, blijkt uit onderzoek (Staro, 2018). De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op de aanwezige verblijfplaatsen of het functioneel leefgebied van de steenuilen. Ter plaatse van Laar 19 is in 2018 een steenuilverblijfplaats aangetroffen. Deze bestaande steenuilkast is inmiddels verplaatst. Daarnaast wordt ten noorden van de 2 voorziene RvR woningen een groenstrook ingericht. Hiermee is een ontheffingsaanvraag voor deze locatie niet noodzakelijk. Ter plaatse van Oud Laar 9 is in 2021 een vaste steenuilverblijfplaats aangetroffen in een steenuilkast ter plaatse.
Op deze locatie zijn echter geen fysieke ingrepen beoogd (de kast blijft gehandhaafd), maar wordt uitsluitend de feitelijk reeds gerealiseerde woningsplitsing planologisch nader geborgd. Daarnaast is een nieuw steenuilkast geplaatst op het terrein van Laar 29, nabij de landschappelijke inrichting, waardoor extra nestruimte beschikbaar is. En door het herinrichten van de beek en de sloot, wordt meer geschikt foerageergebied gecreëerd voor de steenuil. Per saldo zullen de voorgenomen plannen geen negatief effect hebben op verblijfplaatsen van steenuilen of het functioneel leefgebied.
54
Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op het foerageergebied zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Na de uitvoering van de werkzaamheden is het plangebied nog steeds even geschikt als foerageergebied en ook in de directe omgeving blijft voldoende alternatief, even geschikt, foerageergebied behouden. Wanneer de bebouwing op Laar 27 wordt gesloopt, wordt een paarverblijfplaats van vleermuizen vernietigd en worden mogelijk individuen gedood. Voorafgaand aan de sloop en de werkzaamheden aan de bebouwing op locatie 2 dienen derhalve mitigerende maatregelen te worden genomen en dient een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming te worden verkregen. De landschapsmaatregelen ter hoogte van Laar 29, kunnen een negatief effect hebben op overwinterende kamsalamander en poelkikker en, op het landhabitat en het voortplantingshabitat van deze soorten, afhankelijk van de periode van uitvoering van de werkzaamheden. Indien mitigerende maatregelen worden genomen, is een negatief effect op de poelkikker en kamsalamander en overtreding van de Wet natuurbescherming uit te sluiten. Soorten van paragraaf 3.3. van de Wet natuurbescherming Ter hoogte van Laar 29 is een dassenburcht aanwezig.
De voorgenomen plannen (landschappelijke inrichting en mogelijke aanleg en gebruik van een onderhouds- en toegangspad) hebben mogelijk een negatief effect op de burcht. Door het verstoren van de burcht door de werkzaamheden kan de burcht permanent verlaten worden. Ook kan de toename van recreanten en passanten (al dan niet met hond) een negatief effect hebben op de rust in de burcht. Het vernietigen van een burcht is een overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen ten aanzien van de das(senburcht) dient een mitigatieplan te worden opgesteld op basis van de precieze planning, werkzaamheden en inrichting met daarin opgenomen de precieze maatregelen om een negatief effect op de dassenburcht te voorkomen. Indien een negatief effect op de burcht wordt voorkomen is overtreding van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk en hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verkregen voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden. Voor de meeste algemenere soorten (konijn, egel en algemene (spits)muizensoorten) geldt in de provincie Noord-Brabant een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten zijn derhalve geen mitigerende maatregelen noodzakelijk, maar geldt wel de zorgplicht.
Voor wezel en hermelijn geldt deze vrijstelling niet. Het is echter in relatie niet noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren naar deze diersoort. Het is wel verplicht om mitigerende maatregelen te nemen. Het is niet aannemelijk, maar niet geheel uit te sluiten dat grote modderkruiper voorkomt in de landbouwsloten die langs de RvR-kavels lopen. Het dempen van een klein deel van
55
de landbouwsloten ter plaatse van een inrit heeft echter geen negatief effect op grote modderkruiper indien mitigerende maatregelen worden genomen. De amfibiesoorten gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander, Alpenwatersalamander en bastaardkikker gebruiken het grasland in het plangebied mogelijk als landhabitat. Als gevolg van de voorgenomen plannen kunnen exemplaren van deze soorten worden verstoord en verdwijnt tijdelijk mogelijk land- en overwinteringshabitat. Voor de amfibiesoorten gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker geldt in provincie Noord-Brabant, in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel blijft voor deze soorten de zorgplicht gelden.Voor Alpenwatersalamander geldt geen vrijstelling. De voorgenomen landschaps-verbeteringsmaatregelen ter hoogte van Laar 29, kunnen een negatief effect hebben op overwinterende Alpenwatersalamander en op het landhabitat en het voortplantingshabitat, afhankelijk van de periode van uitvoering van de werkzaamheden. Indien mitigerende maatregelen worden genomen, is een negatief effect op Alpenwatersalamander en overtreding van de Wet natuurbescherming echter uit te sluiten.
Nader vleermuizenonderzoek Om eventuele overtreding van de huidige Wet natuurbescherming te kunnen voorkomen, heeft in navolging van de resultaten van de eerdere quickscan in de periode half mei t/m september 2018 een nader onderzoek plaats gevonden naar eventuele aanwezigheid en mogelijke aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen op Laar 11. (Memo Resultaten onderzoek vleermuizen Laar 11 te Berlicum, projectnr P18-0237, 12 november 2018, Staro BV). Deze memo is bijgevoegd als bijlage 10 bij de toelichting bij het bestemmingsplan. Uit de memo blijkt dat zich in het gedeelte van de boerderij Laar 11 dat mogelijk in gebruik wordt genomen als woonhuis een paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis bevindt. Indien bij het splitsen van de boerderijwoning werkzaamheden worden uitgevoerd is het noodzakelijk dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming wordt verkregen en dienen maatregelen te zijn genomen. In de huidige regeling is de voorgenomen woningsplitsing uitsluitend indirect toegestaan, via een wijzigingsbevoegdheid. Ook voor de locatie Laar 27 is een nader vleermuizenonderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 11 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen. Uit dit recente onderzoek (18 oktober 2023) blijkt dat er geen verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen vastgesteld in de te slopen stallen.
De te slopen stallen hebben geen negatief effect op verblijfplaatsen of onderdelen van het leefgebied in de omgeving van de te slopen stallen. Tijdens de werkzaamheden wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Het nemen van aanvullende maatregelen ten aanzien van vleermuizen is niet nodig. Met inachtneming van de beschreven maatregelen levert het aspect natuur geen belemmering voor het planvoornemen.
56
5.3.4.
Landschap
Het landschap in het gebied Laar- Nieuw Laar is de laatste 150 jaar ingrijpend veranderd. De grootschalige openheid van de oude bouwlanden is verdwenen door de uitbreiding van de kernen Berlicum en Middelrode. De kleinschalige percelering die van oorsprong in de noordoostkant van het gebied voor kwam, heeft plaats gemaakt voor grotere en beter te bewerken landbouwkavels. Daarbij is de beplanting aan de perceelsranden veelal verdwenen. Vrijwel alle gebouwen zijn in de tweede wereldoorlog verwoest. Wat er nu staat is bijna allemaal van na die periode. De hoeveelheid bebouwing en de maatvoering van gebouwen is bovendien veel groter. De loop van de Wambergsche Beek is verlegd, zodat deze waterloop past binnen de nieuwe verkaveling van het gebied. En hoewel het wegenpatroon bijna overal zijn oorspronkelijk verloop nog heeft, zijn de wegen zelf breder geworden en verhard. In het hele gebied geven de beplante wegen het landschap structuur, maat en schaal en bieden ze tegenwicht aan de grootschaligere agrarisch gebruikte ruimtes die tussen die wegen in liggen. Het contrast tussen de door beplanting en erven besloten wegen en de open ruimtes is een belangrijke kwaliteit van het gebied. Ook de erven zijn fraai, met veel opgaand groen wat vaak een mooie tegenhanger vormt voor de op het erf aanwezige bebouwing.
De bebouwing zelf is niet monumentaal, maar wel aantrekkelijk met over het algemeen een ‘gebiedseigen’ architectuur. Door de dynamiek in het gebied staat de landschappelijke kwaliteit onder druk: • • •
•
Door de toename van de hoeveelheid bebouwing komt de openheid, landelijkheid en het groene karakter in het geding. Wanneer bebouwing erg groot is (met name moderne stallen) past die niet meer in de maat en schaal van het landschap en worden de gebouwen storende elementen. Bedrijfsbeëindiging gaat gepaard met de afbraak van stallen en schuren. Vaak komt daar (minder) nieuwe bebouwing voor terug. Op zich is dat een positieve ontwikkeling, mits die nieuwe bebouwing en de bijhorende erfinrichting passend zijn voor het gebied. Bedrijfsbeëindiging kan ook gepaard gaan met het verlies van de functie van de bijhorende agrarische gronden, vooral wanneer die gronden te klein zijn om een nieuwe rol te krijgen in de agrarische bedrijfsvoering. Geen agrarisch gebruik kan leiden tot ander gebruik, braak liggende percelen, versnippering en verrommeling van het buitengebied. Dit komt met name de open ruimtes in het landschap niet ten goede. Toename van verkeer (en toename van zwaar verkeer) vermindert de kwaliteit als woongebied en maakt wandelen en fietsen minder aantrekkelijk.
In het kader van het opgestelde gebiedsplan is tevens een landschapsplan opgesteld. Op basis van de bestaande kwaliteiten van het gebied, de kansen en knelpunten en de veranderingen die te verwachten zijn, is een landschapsvisie voor het gebied Laar-Nieuw Laar ontwikkeld. Deze visie zet in op het behoud en verder ontwikkelen van de identiteit van het landschap van Laar – Nieuw Laar. Dit landschapsplan is in onderhavig bestemmingsplan doorvertaald. Zo is ondermeer een robuuste groenstrook voorzien ten westen van Laar 31. In het plan wordt tevens een gedeeltelijke verlegging van de Wambergse beek voorgesteld. Deze eventuele verlegging zal echter pas in een later stadium worden
57
opgepakt. De haalbaarheid van de verlegging is op dit moment onvoldoende onderbouwd en onvoldoende verzekerd en maakt derhalve geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. De bestaande watergang is derhalve geconsolideerd in het bestemmingsplan opgenomen. Bovendien is voor alle locaties waar ruimtelijke ontwikkelingen plaats vinden een individueel erfinrichtingsplan opgesteld, dat middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan is geborgd. Deze afzonderlijke landschapsplannen zijn gebundeld als bijlage 3 bij de regels van het bestemmingsplan toegevoegd.
5.4. Waterhuishouding 5.4.1.
Inleiding
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.
Beleid Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) Binnen de Waterwet, en straks de nieuwe Omgevingswet, vormt het RWP van de provincie Noord-Brabant, samen met het Nationaal Waterprogramma en de waterbeheerplannen van de waterschappen, het planstelsel voor het waterbeleid. Provincies leggen op regionaal niveau de strategische doelen vast. In de waterbeheerplannen van de waterschappen worden de voorwaarden voor uitvoering daarvan opgenomen.Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaatrobuust water- en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland. Een belangrijk uitgangspunt van het programma is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water-en bodemsysteem in 2050. Het RWP beschrijft de KRW-doelen, de vertaling naar de uitvoering, de randvoorwaarden voor de te behalen doelen en bijgaande onzekerheden en hoe daarmee omgegaan wordt. Dit alles met als doel om in 2027 te voldoen aan de normen van de Europese KRW waarbij de grondwatervoorraad weer in balans is en de hydrologische randvoorwaarden voor natuur op orde zijn.
Ook wordt met het RWP voldaan aan de verplichtingen uit de Europese Richtlijn OverstromingsRisico’s (ROR). Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking, ofwel abiotische en biotische systemen zoveel mogelijk intact laten. De rode draad in de aanpak van het RWP is gericht op het optimaal gebruiken van de wettelijke kaders en
58
instrumenten, het sluiten van kringlopen en benutten van de economische waarde, het verbinden met de samenleving, kennisontwikkeling en innovatie en data-gedreven werken. Binnen het plangebied zijn geen specifieke thema’s uit het RWP aan de orde. Waterschap Aa en Maas Op 19 november 2021 heeft het waterschap Aa en Maas het waterbeheerplan 20222027 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2022-2027 gaat doen om deze doelen te halen. In het plan worden de volgende doelstellingen voor water uitgewerkt: • • •
goede bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; een hydrologisch en ecologisch goed functionerend watersysteem, óók in extreem droge en extreem natte tijden; goed transport en een goede zuivering van het afvalwater in ons werkgebied.
Om deze doelstellingen te bereiken zijn een drietal programma’s opgesteld: • • •
Programma waterveiligheid; Programma klimaatbestendig en gezond watersysteem; Programma schoon water.
In het kader van haar programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ tracht het waterschap te zorgen voor een goed functionerend watersysteem voor een klimaatbestendige ruimtelijke inrichting en landgebruik, om bestand te zijn tegen weersextremen. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en -kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de huidige Keur vastgesteld, die op 16 november 2018 partieel is herzien (‘Eerste partiele herziening Keur waterschap Aa en Maas 2015’) ten behoeve van enkele ondergeschikte tekstuele verduidelijkingen, nuanceringen en taalkundige verbeteringen. Deze herziening van de keur is evenals de Keur uit 2015 in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor sprake is van een uniforme Keur. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gemeente Het waterbeleid van de gemeente is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP). Momenteel is voor de gemeente het VGRP 2020-2024 van toepassing.
Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeente heeft drie zorgplichten t.a.v. waterbeheer: • Inzamelen en transporteren van al het stedelijk afvalwater wat vrijkomt binnen haar grondgebied naar een zuiveringstechnisch werk;
59
•
•
Doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater binnen de bebouwde kom dat perceelseigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen verwerken. Eventueel kan de gemeente hiervoor maatwerkvoorschriften of een gebiedsverordening instellen; Treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voorwaarde hierbij is dat de maatregelen doelmatig zijn en niet tot de zorg van het waterschap/provincie behoren. De gemeente dient het loket te zijn waar belanghebbenden zich toe kunnen richten voor alle grondwatervraagstukken binnen haar beheersgebied.
Vertrekpunt bij nieuwbouw is dan ook het principe dat afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Bij ontwikkelplannen waar het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 250 m2 , verwacht de gemeente dat er invulling wordt gegeven aan de bergingsopgave (60 mm). Dit is een aanscherping op de regels van de keur van het waterschap waar dit pas geldt bij een verhardingstoename van meer dan 500 (voorheen 2.000) m2. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De voorkeursvolgorde voor omgang met hemelwater is als volgt: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater; 5. afvoeren naar de riolering. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Bergingsvoorzieningen dienen te worden gedimensioneerd conform de richtlijnen van waterschap
5.4.2.
Bestaande situatie
Bodemopbouw De gronden van het plangebied bestaan overwegend uit hoge zwarte enkeerdgronden, opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Het maaiveld van het plangebied in het plangebied varieert van ca 15 meter + NAP in het zuiden/zuidwesten tot ca 3 meter +NAP in het noordoosten van het plangebied (Bron: Actueel Hoogte Bestand Nederland). Grondwater De gronden in het plangebied hebben een grondwaterstand van VI (bron: Bodematlas, Provincie Noord-Brabant). Hiervoor geldt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is gelegen op een diepte van 40 tot 80 cm beneden maaiveld. Een groot gedeelte van het plangebied kan worden aangeduid als infiltratiegebied.
60
De stroming van het freatisch grondwater is globaal noord noordwestelijke gericht en bevindt zich op een hoogte van gemiddeld 5 m +NAP. Het plangebied is niet gelegen binnen een keur of een attentiegebied. Waterlopen In het plangebied komen diverse waterlopen voor. In dit bestemmingsplan zijn uitsluitend de hoofdwatergangen (zgn. A-watergangen volgens de legger watergangen van het waterschap) op de verbeelding opgenomen en tot ‘Water’ bestemd. Betreffende gronden mogen enkel in overeenstemming met hun functie gebruikt worden. De bijbehorende beschermingszone (5 meter aan weerszijde van de waterloop) wordt reeds voldoende geregeld in de Keur en Legger en is derhalve niet apart in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
Uitsnede legger oppervlaktewateren Waterschap Aa en Maas
Afvoer hemelwater - Infiltratie In de huidige situatie stroomt het hemelwater van de verharde oppervlakken af naar de omringende bodem. Riolering De ontwikkellocaties zijn vanwege de bestaande functies (agrarische bedrijven met bedrijfswoning) reeds aangesloten op het gemengde rioolstelsel van de gemeente. Het afvalwater wordt door middel van een drukriolering getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
5.4.3.
Toekomstige situatie
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van diverse vrijstaande woningen en (mogelijkheid tot) realisering van bijgebouwen waarbij echter diverse
61
voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Daarnaast vindt op 2 locaties uitbreiding plaats van het bestaande agrarische bedrijf. Waterlopen In het opgestelde landschapsplan behorend bij de gebiedsvisie wordt tevens een gedeeltelijke verlegging van de Wambergse beek voorgesteld; ter hoogte van Plein 8 wordt een meer westelijke situering beoogd. De verlegging en herprofilering met natuurvriendelijke oevers is op grond van de keur vergunningplichtig. Hiervoor is een watervergunning noodzakelijk, waarbij onder meer wordt beoordeeld of met de verlegging sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling qua oppervlakte, maar ook qua waterbergend vermogen van de te wijzigen waterloop. Daarnaast dient ook een 5 meter brede beschermingszone rondom de te wijzigen Awatergang te worden geborgd ten behoeve van het toekomstig doelmatig beheer en onderhoud van deze A- watergang. Deze eventuele verlegging van deze A-watergang zal pas in een later stadium in nader overleg met het waterschap worden opgepakt en maakt derhalve geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
Compensatie Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dienen negatieve hydrologische gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen te worden geneutraliseerd om te voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt, waarbij met name het hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld dient te worden van het rioleringsstelsel. Aangezien de ontwikkeling weliswaar voorziet in toevoeging van woningen met bijgebouw en mogelijkheid tot geringe uitbreiding van de bestaande veehouderijbedrijven, maar hierbij tevens sloop van bestaand bedrijfsgebouwen plaats vindt wordt per saldo in het gebied slechts voorzien in een zeer beperkte toename aan bebouwing cq. verharding. Indien de bebouwings-/verhardingstoename op een locatie minder dan 500 m2 bedraagt wordt er door het waterschap (op basis van de Keur 2015) geen extra compensatie verreist. Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals opgenomen in het VGRP, geldt echter reeds een waterbergingsverplichting bij een toename van 250 m2 bebouwing/verharding. Voor de geboden ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat de uitgangssituatie van het watersysteem door de ruimtelijke ingreep niet mag verslechteren. Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt.
De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden. Het hemelwater dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden verwerkt.
62
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd in de bodem. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld van het riool en zal gedurende het grootste deel van het jaar vertraagd infiltreren in de bodem. Het plangebied biedt hiervoor de ruimte en de lokale bodemkundig /hydrologische gesteldheid is geschikt voor infiltratie. Niet aannemelijk is dat er, ook in extreme situaties, overlast ontstaat op eigen terrein of bij derden. Om effectief te zijn dient de bodem van een waterbergende voorziening boven de GHG te liggen. Deze ligt in het gebied op een diepte van 40 tot 80 cm beneden maaiveld. Een waterbergingsvoorziening mag onder voorwaarden een noodoverloop hebben naar de omliggende sloten (B-watergangen rond de RvR-woningen); hiervoor gelden eveneens algemene regels van het waterschap. Het is niet toegestaan het hemelwater versneld af te voeren naar de oppervlaktewater en B- watergangen. Bij de feitelijke realisering zal de dimensionering en nadere detaillering van de waterbergingsvoorziening nader worden uitgewerkt. In de regels is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd ten behoeve van de borging van de vereiste waterberging ten behoeve van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Voor de op te richten RvR-woningen is uitgegaan van een toename van bebouwing/verharding van in totaal 500 m2 per woning.
Uitgaande van de bergingsnorm van 60 mm per m2 toename verharding dient derhalve per nieuwe RvR woning te worden voorzien in een waterbergingsvoorziening van 30 m3. De percelen van deze woningen bieden voldoende ruimte voor realisering van een dergelijke voorziening. Voor de hydrologische neutrale ontwikkeling van de voorziene uitbreiding van het agrarische bedrijf aan Nieuw Laar 31 zal de bestaande waterbergingsvoorziening (vijver) ten oosten van de bestaande stallen worden uitgebreid. Bij de dimensionering van de voorziening dient rekening gehouden te worden met een maximale diepgang van 80 cm gezien de GHG (gemiddelde hoogste grondwaterstand) ter plaatse van de bergingsvoorziening. Initiatiefnemer is voornemens de bestaande waterbergingsvoorziening uit te breiden tot een totale oppervlakte van 1.900 m2, waarmee kan worden voorzien in de berging van 1.500 m3 water. Met deze afmetingen is de infiltratievoorziening van voldoende omvang om het hemelwater afkomstig van het gehele verharde oppervlak van de bedrijfslocatie te kunnen bergen. Het hemelwater wordt zowel middels buizen als oppervlakkig afgevoerd naar de voorziening. Voor de hydrologisch neutrale ontwikkeling van de voorziene uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan Nieuw Laar 5a is voorzien in realisering van een waterbergingsvoorziening van ca 200 m2 ten noorden van de op te richten stallen.
De toename aan verharding bedraagt ca 2.000 m2. Conform de generieke rekenregel leidt dit tot een minimale vereiste waterbergingscapaciteit van ca. 120 m3. Uitgaande van een GHG van 60 cm zou een waterbergingsvoorziening van 200 m2 volstaan. Bij de feitelijke realisering van de uitbreidingen zullen de dimensionering en nadere detaillering van de waterbergingsvoorzieningen nader worden uitgewerkt. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter borging van de vereiste waterberging ten behoeve van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
63
Afvoer vuilwater - riolering In de beoogde situatie wordt het huishoudelijk afvalwater van de nieuwe woningen middels een nieuwe aansluiting op de drukriolering afgevoerd. Duurzaam waterbeheer Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit nietuitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. Overleg Waterschap Het concept ontwerp bestemmingsplan is in het kader van het regulier vooroverleg aan het waterschap toegezonden. De in het door het waterschap toegestuurde wateradvies opgemerkte aanpassings- en verbetervoorstellen zijn in onderhavig ontwerp bestemmingsplan opgenomen. In de nota vooroverleg, die als bijlage 17 bij deze toelichting is opgenomen is de reactie van het waterschap samengevat van een gemeentelijke reactie voorzien. Aanvullend heeft het waterschap nog enkele aanvullende opmerkingen gemaakt, die als ambtshalve wijziging in het definitieve bestemmingsplan zijn verwerkt. Met onderhavige ruimtelijke ontwikkelingen, vindt in totaal slechts een zeer beperkte bebouwings- en verhardingstoename plaats.
Per ontwikkelingslocatie wordt zonodig voorzien in waterbergingscompensatie van de eventuele toename aan verharding. Dit is met een voorwaardelijke verplichting nader in de regels geborgd. Realisatie van onderhavig plan leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
5.5. Verkeer en parkeren De nieuw toe te voegen woningen zullen via een eigen oprit direct worden ontsloten op de bestaande wegen. De ontsluiting en bereikbaarheid van de woningen zijn daarmee gegarandeerd. De toevoeging van enkele woningen danwel functiewijziging naar caravanopslag, waarbij tevens diverse agrarische bedrijven worden beëindigd hebben nauwelijks effect op de huidige verkeersbewegingen. Met betrekking tot parkeren worden de parkeerkencijfers (publicatie 381) van CROW aangehouden. Voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,4 per woning (waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers). Dit betekent dat er fysieke ruimte aanwezig moet zijn op het perceel voor 3 voertuigen.
64
Op het eigen perceel is voor de nieuwe woningen fysiek voldoende ruimte aanwezig voor drie opstelplekken. Hiermee kan worden voldaan aan de minimale parkeernorm ten behoeve van de toekomstige bewoners. Voor de blijvende veehouderijen geldt dat het parkeren in de huidige situatie reeds plaats vindt op het erf. Dit blijft ongewijzigd. Op eigen terrein is hiervoor voldoende ruimte Teneinde te waarborgen dat daadwerkelijk wordt voorzien in de aanleg en het behoud van voldoende parkeergelegenheid is hiervoor in de regels een bepaling opgenomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.6. Overige milieuaspecten 5.6.1.
Bodem
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Op diverse locaties in het plangebied is sprake van (voormalig) bedrijfsmatig agrarisch gebruik waar een planologische wijziging naar een milieugevoeligere functie (wonen) plaatsvindt. Voor deze locaties is een nader bodemonderzoek noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de bodem ter plaatse geschikt is voor woondoeleinden. Ten behoeve van de planontwikkeling is door Aelmans ECO B.V. voor diverse locaties een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd conform de Nederlandse Normen NEN-5707 en NEN-5740 bodemonderzoek. Deze onderzoeken zijn als bijlage 12 en 13 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat er vanuit milieuhygiënische oogpunt geen beperkingen of belemmeringen verbonden zijn aan de beoogde bestemminsplanwijzigingen en het beoogde gebruik als zijnde woondoeleinden op de betreffende (deel)locaties. Er bestaan geen aanleidingen om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek met dien verstande dat ter plaatse van deellocatie Plein 26 volledigheidshalve nog wel een aanvullend asbestonderzoek wordt verricht als gevolg van een verhoogde concentratie asbest in één van de grondmonster.
5.6.2.
Externe veiligheid
Algemeen De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico’s van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke
65
risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Plangebied Aan de hand van de provinciale risicokaart zijn de risicobronnen bepaald.
Uitsnede risicokaart
Vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen vindt in de gemeente plaats over de A2 en de A67. Deze wegen zijn gelegen op meer dan 3,5 km afstand van het plangebied. Dit betreft een zodanige afstand dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. In de omgeving van het plangebied liggen geen wegen die deel uitmaken van het Basisnet weg. Over de wegen in en rond het plangebied kunnen incidenteel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Gezien de (zeer) lage vervoersintensiteit levert dit geen relevante risico's op. In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen, spoorwegen of waterwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze aspecten hebben geen invloed op onderhavig plan.
66
Risicovolle inrichtingen In en nabij het plangebied zijn geen inrichtingen gevestigd, die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO). In de omgeving van het plangebied zijn ook geen inrichtingen gelegen waarbinnen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen. Buisleidingen Midden in het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen die in beheer is bij de Gasunie. Het betreft de volgende leiding: Z-523-01: 12 inch, 40 bar . In dit bestemmingsplan is de ‘veiligheidszone – leiding’ op de verbeelding opgenomen. Ter plaatse is de bouw van kwetsbare objecten niet toegestaan. De bouw van beperkt kwetsbare objecten is hier ook niet toegestaan, met uitzondering van de herbouw van bestaande beperkt kwetsbare objecten op dezelfde locatie. Middels een opgenomen wijzigingsmogelijkheid kan de aanduiding ‘veiligheidszone – leiding’ worden gewijzigd. Conclusie Uit de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat het plangebied niet is gelegen in de omgeving van een Bevi-bedrijf. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van Bevibedrijven. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied ook buiten het invloedsgebied van wegen en spoor ligt. In het plangebied is echter wel een buisleiding gelegen.
Binnen de veiligheidszone en het bijbehorende invloedsgebied zijn geen ontwikkelingen voorzien. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen negatieve wijzigingen tot gevolg voor de benodigde inzet van hulpdienstverleningen en voor de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied.
5.6.3.
Fijn stof / luchtkwaliteit
Fijn stof wordt gezien als één van de meest schadelijke stoffen van luchtverontreiniging. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 micrometer (PM10) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst, met een verschillende chemische samenstelling. Concentratie van veehouderijen kan de kans op overschrijding van de fijn stof normen verhogen. Alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren op het gebied van luchtkwaliteit (o.a. fijn stof) hebben in 2007 geleid tot een aanpassing van de Wet milieubeheer op het gebied van de luchtkwaliteitseisen. Het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” zijn in 2007 in werking getreden en het Besluit luchtkwaliteit 2005 is komen te vervallen. Medio 2008 is het verspreidingsmodel ISL3A uitgekomen, aangevuld met de handreiking en per 24 december 2008 is ook het te hanteren toetsingskader vastgelegd in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. In het toetsingskader is opgenomen dat de concentratie van fijn stof uitsluitend wordt beoordeeld op woonlocaties en op locaties die voor het publiek toegankelijk zijn. Een
67
bedrijfswoning van een veehouderij wordt ook beschermd tegen de belasting van fijn stof afkomstig van veehouderijen in de omgeving. Alleen de eigen bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen de belasting van fijn stof afkomstig van de eigen veehouderij. Met behulp van dit toetsingskader en de tabel met emissiefactoren fijn stof kan en zal de gemeente de milieuaanvragen toetsen op het onderwerp fijn stof. Voor fijn stof gelden de volgende landelijke normen: • •
Een jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3 fijn stof in de buitenlucht. Een daggemiddelde concentratie van 50 μg/m3 welke maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden. De wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit liggen een stuk hoger dan de gezondheidskundige advieswaarden. Het gezondheidsadvies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor fijn stof bestaat uit een maximum jaargemiddelde concentratie PM10 van 15 μg/m3.
Zeer fijn stof (PM2,5) In de EU richtlijn luchtkwaliteit van 2008 zijn normen opgenomen voor zeer fijn stof (PM2,5). Deze zijn in de Wet milieubeheer overgenomen. PM2,5 is naar huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM10. De Europese aanpak van PM2,5 richt zich op een algemene vermindering van concentraties in stedelijke achtergrondgebieden. Dit bereikt men via een nationale streefwaarde en een nationale blootstellingsconcentratieverplichting, in combinatie met een streef- en grenswaarde. Voor de vergunningverlening van veehouderijen is alleen de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie belang. Deze geldt vanaf 1 januari 2015, naast de grenswaarden voor PM10. De grenswaarde voor PM2,5 vraagt geen aanvullende toetsing voor de agrarische sector. De gezondheidskundige advieswaarde van de WHO bedraagt 5 μg/m3. De emissie van primair PM2,5 uit veehouderijen is beperkt in verhouding tot de emissie van PM10. Als de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet, dan geldt dit ook voor de PM2,5 normen. Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde. Uit onderzoek van RIVM blijkt dat bij een PM 10concentratie lager dan 32,5 μg/m3 de kans op een overschrijding van de PM2,5 norm kleiner dan 1% is.
Plangebied Met het voornemen wordt de bouw van nieuwe woningen mogelijk gemaakt alsmede woningsplitsingen, waarbij geen wezenlijke toename van verkeersbewegingen wordt verwacht en zullen agrarische bedrijven hun bedrijfsactiviteiten volledig beëindigen. Op basis van de berekende mogelijke toename aan verkeersbewegingen blijkt dat dat het extra verkeer ten gevolge van het plan ruim onder de 3% grens voor PM 10 of NO2 ligt en het plan ten aanzien van verkeer ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
68
Heersende achtergrondconcentraties De achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) ligt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in vrijwel het hele plangebied rond de 16 -17 μg/m3. De achtergrondconcentraties liggen in het hele plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 μg/m3 en benadert de gezondheidskundige WHO-advieswaarde van 15 μg/m3. De achtergrondconcentratie zeer fijn stof (PM2,5) ligt volgens de GCN binnen het hele plangebied rond de 8-9 μg/m3 en ligt ruim onder de grenswaarde van 25 μg/m3 en benadert de WHO-advieswaarde van 5 μg/m3. Bijdrage veehouderijen De indicatieve cumulatieve bijdrage vanuit veehouderijen is voor het PlanMER (zie bijlage 1) inzichtelijk gemaakt. Hieruit volgt dat de bijdrage vanuit veehouderijen binnen het plangebied klein is ten opzichte van de heersende achtergrondconcentratie (bijdrage ligt in de range van 0-1 µg/m3). Mestverwerking Laar 31 Op Laar 31 is naast de varkenshouderij ook mestverwerking vergund en onderdeel van het planvoornemen. Binnen de mestverwerkingsloods worden enkele producten opgeslagen waar stof bij vrij kan komen. Voor de emissie factoren hiervan is aansluiting gezocht bij het rapport ‘’Emissiefactoren van stof bij de open overslag van stortgoederen, emissiefactoren voor fijnstof; rapportnummer R86/205’’.
Gelet op het drogestofpercentage is voor digestaat en champost uitgegaan van stofklasse S5 en voor de compost van S3. De overige producten betreffen allemaal vochtige producten waarbij geen sprake is van stofemissie. De lucht van de mestverwerkingsloods wordt afgezogen en naar een luchtwasser en een nageschakelde biofilter. Gezien het feit dat de ingaande lucht van een biofilter nagenoeg stofvrij dient te zijn en de biofilter een vochtige omgeving is valt niet te verwachten dat er enige vorm van fijnstof uit de biofilter komt. Enige vorm van emissie die wel kan plaatsvindt, is diffuse emissie wanneer de deur(en) van de loods geopend zijn voor het doorlaten van voertuigen. De bijdrage is ten opzichte van de stalemissies te verwaarlozen. Verkeer (NIBM) In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt onder andere onderzocht wat de luchtkwaliteit is ter plaatste van de voorgenomen ontwikkelingen en of er sprake is van een dreigende normoverschrijding. Ten aanzien van verkeer zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide NO2, fijn stof PM10 en zeer fijn stof PM2,5 van belang. In het besluit NIBM staat vermeld dat een project NIBM is bij een toename van maximaal 3% van de grenswaarde (zijnde 1,2 μg/m³) voor de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10.
Wanneer een project als NIBM kan worden beschouwd, vormt de luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor de doorgang van dat project. Met de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën aangewezen die in elk geval NIBM bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ter vergelijking: een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Het bestemmingsplan ziet toe op 21 nieuwe woningen en 8.800 m2 extra bedrijfsbestemming met een beperkte verkeersaantrekkende werking.
69
Uit paragraaf 6.2 volgen als worstcase (inclusief seizoensgebonden vrachtverkeer voor aanvoer CCM op Laar 31) 756 extra verkeersbewegingen per weekdagetmaal, waarvan 24 extra vrachtverkeer (=3,2%). Om te bepalen of de NO2- en PM10-emissie ten gevolge van een toename van verkeersbewegingen aan te merken is als ‘Niet In Betekenende Mate’, kan de NIBM-tool van het Ministerie van I&M / InfoMil gebruikt worden. Het omslagpunt voor extra verkeer ligt bij 756 extra verkeersbewegingen op een aandeel vrachtverkeer van 9,7%. Dit betekent dat er voldoende marge is voor eventueel (incidenteel) extra vrachtverkeer, onder andere ten behoeve van de niet-agrarische bedrijfsbestemmingen en recreatiebestemmingen. Uitgaande van aandeel zwaar verkeer van 3,2% ligt het omslagpunt op 1.370 extra verkeersbewegingen. In ieder geval geven de omslagpunten aan dat er voldoende marge is om te kunnen oordelen dat het extra verkeer ten gevolge van het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2 ligt en het plan ten aanzien van verkeer ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
756
Aandeel vrachtverkeer
3,2%
NO2 in μg/m3
0,66
PM10 in μg/m3
0,13
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Bron: NIBM-tool 2022 InfoMil
In het plangebied is geen sprake van een (dreigende) normoverschrijding. Hier wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. De gezondheidskundige advieswaarden worden benaderd. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat en gezien de lage achtergrondconcentratie is er geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico ten gevolge van fijnstof door de bestaande veehouderijen. Ten aanzien van fijn stof is binnen het plangebied nog milieugebruiksruimte aanwezig. Fijn stof is geen beperkende factor voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen. Hiermee kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit voldoet aan de normen die gesteld zijn in de Wmb. Het aspect fijn stof staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
70
5.6.4.
Endotoxinen
Blootstelling aan stoffen uit de veehouderij (met name pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving) kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan ontwikkeling van een landelijk toetsingskader is de notitie "Handelsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. Hierdoor kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. De gemeente hanteert het voorlopig endotoxine toetsingskader bij vergunningenprocedures (omgevingsvergunning) en ruimtelijke procedures voor veehouderijen en voor nieuwe kwetsbare functies in de omgeving van veehouderijen. Met toepassing van dit toetsingskader kan een toename van het blootstellingsrisico voorkomen worden, maar andersom ook worden voorkomen dat bij functiewijzigingen op VAB-locaties woningen of andere gevoelige functies binnen endotoxine risico-contouren worden toegevoegd (voorkomen van een toename van het aantal blootgestelden).
Op basis van het voorlopig toetsingskader mag in bestaande situaties waar woningen binnen de endotoxinen-risicocontour van één of meerdere veehouderijen liggen, de fijn stof emissie van de veehouderij niet toenemen. Er liggen geen nieuwe of bestaande woningen binnen de individuele en de cumulatieve risico-contouren van de bestaande, resterende veehouderij bedrijven. Er zijn voor de bestaande en nieuwe woningen geen verhoogde gezondheidsrisico’s ten gevolge van endotoxinen uit stallen. Endotoxinen vormt geen belemmering voor realisering van het voornemen.
5.6.5.
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 2007 het beoordelingskader voor geur (stank) bij de afgifte van omgevingsvergunningen voor veehouderijbedrijven. De wet stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Op grond van deze wet kunnen gemeenten een geurverordening opstellen waarin zij - binnen bepaalde wettelijke marges - hun eigen geurnormen stellen. Als een gemeente geen gebruik maakt van deze bevoegdheid gelden de vaste wettelijke waarden. Een gemeente die eigen geurbeleid wil voeren, moet daarvoor wel de huidige geursituatie in kaart brengen en een gebiedsvisie opstellen. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder.