Bijlage 2.21 - Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
2.5.7.2
Luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Voorliggend plan omvat maximaal 125 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. De (negatieve) effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van de NIBMrekentool (www.infomil.nl). Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het plan al of niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht. Uit bijlage 3 blijkt dat er binnen het initiatief in een worst-case scenario 908 verkeersbewegingen per etmaal (weekdaggemiddelde) bijkomen. Op onderstaande afbeelding is het resultaat van de rekentool weergegeven.
26
Afbeelding 5
Rekentool luchtkwaliteit
Uit de berekening volgt dat het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van stoffen in de lucht. Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving. In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Zandstraat, Sint-Michielsgestel; 221911'.
Tabel 5
Monitoringstool NSL
Categorie jaargemiddelde concentratie NO2
grenswaarde 40 µg/m³
2020 2030 13,0 10.0
jaargemiddelde concentratie PM10
40 µg/m³
16.2
14.0
jaargemiddelde concentratie PM2.5
25 µg/m³
9.3
7.6
overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10
35
6.0
6.0
Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
27
2.5.8
Bedrijven en milieuzonering Omgevingstype Het omgevingstype van voorliggend ontwikkelingsgebied is een rustige woonwijk. In de omgeving van de nieuwe woningen is slechts van beperkte functiemenging sprake en er is weinig verstorend verkeer. De Zandstraat betreft een drukkere ontsluitingsweg, maar heeft op de nieuwe woningen weinig invloed. Invloed plan op de omgeving Woonlocatie Door de verkeersbewegingen in en uit het plangebied en het parkeren is er kans op beperkte geluid- en lichthinder door dichtvallende autoportieren, startende auto's en koplampen voor de woningen in de nabijheid van de centrale parkeerplaatsen. Het gebruik van deze parkeerplaatsen beperkt zich echter tot de direct omwonenden. De uit het gebruik van de parkeerplaats voortvloeiende geluiden zijn in algemene zin voorkomend in een woonwijk. Om de geluidbelasting te beperken zijn tussen de parkeerplaatsen en de bestaande woningen erfasfcheidingen en/of groenelementen voorzien welke de lichtinstraling en het geluid van de voertuigen beperkt. Ten aanzien van licht wordt met de toepassing van ledverlichting en naar de straat gerichte armaturen hinder zoveel mogelijk voorkomen. Aan het Diepven is een kinderspeelplaatsgelegen in de vorm van een trapveldje, schommels, glijbanen en klimtoestellen.
Deze speelvoorziening voor de wijk is weer opgenomen in het stedenbouwkundig plan en in voorliggend bestemmingsplan ook vastgelegd. De speelvoorziening betreft dus een bestaande situatie die geen nieuwe (geluid)hinder veroorzaakt. Zandstraat 37 en paardenhouderij Het plan betreft woningbouw, de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het planologisch vastleggen van de bestaande activiteiten van het agrarisch bedrijf aan Zandstraat 37. De woningbouwontwikkeling en omzetting naar burgerwoning betreffen functies zonder milieutechnische uitstraling op de omgeving. De planologische vastlegging van het nieuwe bouwvlak, de agrarische activiteiten en de nevenactiviteiten van Zandstraat 37 zorgt niet voor nieuwe milieutechnische uitstraling op bestaande (burger)woningen in de omgeving. Het nieuwe bouwvlak van het agrarisch bedrijf is op een afstand van meer dan 100 meter gelegen van de nieuwe woonlocatie. In het bijgevoegde geuronderzoek (bijlage 15) is onderzocht en onderbouwd dat er daarmee geen belemmeringen voor de nieuwe woningbouw optreden. Door de wijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning wijzigt de situatie wel voor de boerderij die burgerwoning wordt. In het bijgevoegde geuronderzoek (bijlage 15) is onderzocht en onderbouwd wat de invloed is en of er belemmeringen optreden.
Daarnaast is met betrekking tot geluid geconstateerd dat met het opheffen van de geluidveroorzakende werkzaamheden in de schuur naast de boerderij er in de nieuwe situatie geen belemmeringen zijn. In paragraaf 5.1.5 wordt hier nader op ingegaan. In het plan zijn de volgende planologische maatregelen vastgelegd om een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van woning te garanderen: opnemen van zone waarin geen nieuwe dierverblijven mogen komen; uitsluitend toestaan van opslag ter plaatse van de aanduiding 'opslag' (waar uitsluitend opslag mag plaatsvinden om geluidhinder te voorkomen) zodat er een voldoende woon-en leefklimaat is ter plaatse van de nieuwe reguliere woning. Invloed omliggende inrichtingen op het plan Hieronder staat een overzicht van de niet-agrarische bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.
28
Tabel 6
bedrijven in de omgeving van het plangebied
bedrijf
SBI-code
categorie
Haffertsestraat 21: autodealer Haffertsestraat 27-A: autodealer Brugstraat 9: groothandel in stoffen Dreef 6: woonwinkel Molenstraat 8a:porseleinwinkel Kennedystraat 32: electriciën
45 45 46.41 47 47 43
2 2 2 1 1 2
richtafstand 30 m 30 m 30 m 10 m 10 m 30 m
werkelijke afstand 330 m 400 m 500 m 500 m 220 m 30 m
Daarnaast bevindt zich op circa 500 meter van het plangebied een bedrijventerrein. De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor dienstverlening en bestaande bedrijven in categorie 3 en nieuwe bedrijven in de categorie 1 en 2 dan wel 3.1, met dien verstande dat voor het gebied met de aanduiding ‘overige zone – bedrijventerrein de ploeg noord’ alleen bestaande bedrijven in categorie 3 en bedrijven in de categorie 1 en 2 zijn toegestaan. Voor bedrijven met een categorie 3.1 geldt een richt afstand van 50 meter. Het plangebied ligt op circa 500 meter van het bedrijventerrein. De nieuwe woonlocatie ligt buiten de richtafstanden van zowel het bedrijventerrein als de omliggende bedrijven. Hiermee vormt het plan geen belemmering voor de omliggende bedrijven en andersom zorgen de omliggende bedrijven niet tot belemmering van de beoogde ontwikkeling. Hiermee ontstaat een goed woon/leefklimaat ten behoeve van de nieuwe woonwijk. In de directe nabijheid van de nieuwbouwontwikkeling zijn wel agrarische bedrijven gelegen. In paragraaf 2.5.10 worden de mogelijke belemmeringen met betrekking tot geur nader onderbouwd. Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
2.5.9
Externe veiligheid Om de externe veiligheidsrisico’s ten gevolge van activiteiten in de directe omgeving te inventariseren is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Uit het onderzoek kan het worden volgende worden geconcludeerd: het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied van een waterweg, weg of spoorweg ligt waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water, de weg en het spoor vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. het plangebied is gelegen binnen de 1% letaliteitsafstand van 3 hogedrukaardgasleidingen. De invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico van deze buisleidingen moet middels een CAROLAberekening inzichtelijk worden gemaakt. Tevens dienen de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen meegenomen te worden in de verantwoording van het groepsrisico. het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsgebied van een risicovolle inrichting, waardoor de risico’s als gevolg van het transport van inrichtingen geen belemmering vormen voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.
Buisleidingen Het plangebied is gelegen binnen de 1% letaliteitsafstand van 3 hogedrukaardgasleidingen, derhalve is een COROLA-berekening om de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico van deze buisleidingen te berekenen. Onderzocht is of de nabijgelegen hogedruk aardgasleidingen een belemmering vormen voor de planontwikkeling. Tevens is bepaald welke effecten de plannen hebben op de hoogte van het groepsrisico van
29
de betreffende buisleidingen. De berekeningen hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Uit de berekening volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6-risicocontour van een buisleiding. Het plangebied ligt binnen de 1% letaliteitsafstand van een of meerdere hogedruk aardgasleidingen. De invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleidingen is bepaald. Voor deze buisleidingen is de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie berekend. Uit deze berekeningen blijkt dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie geen groepsrisico wordt berekend voor de buisleidingen A-525-deel-1 en A-526-deel-1. Voor buisleiding A-527-deel-1 is zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake van een groepsrisico dat kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De planvorming leidt niet tot een toename van het groepsrisico van buisleiding A-527-deel-1. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoording voor de hogedrukaardgasleidingen.
Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio. Verantwoording hoogte groepsrisico Voor het plangebied is een verantwoording hoogte groepsrisico opgesteld. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen zijn getroffen om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/ Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn
2.5.10
Agrarisch geur Om uit te sluiten of er al dan niet sprake is van inbreuk op de milieurechten van bestaande veehouderijen en of de planontwikkeling geen inbreuk veroorzaakt op de planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen, is een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd. Tevens is in dit onderzoek onderzocht of ter plaatse van de planontwikkeling een voldoende woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van de voorgronden achtergrondgeurbelasting. Op basis van de resultaten van het agrarisch geuronderzoek wordt geconcludeerd dat: Beoordeling milieurechten en planologische rechten de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de milieurechten en planologische geurruimte van de veehouderij aan het Laar 31, Oud Laar 17, Dreef 3 en 4 en Zandstraat 36, 51 en 57. Beoordeling milieu- en planologische rechten - veehouderij Zandstraat 37 de nieuwbouwontwikkeling geen inbreuk maakt op de milieurechten van de veehouderij aan de zandstraat 37. De om te zetten bedrijfswoning aan de Zandstraat 37 is wel binnen de 40 meter contour gelegen. Hierbij is dus sprake van aantasting van de vigerende milieurechten van de veehouderij. Conform de geurverordening wordt wel aan de minimale afstand van 25 meter tussen dierenverblijven en geurgevoelige objecten voldaan. Waardoor er ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De inrichtingshouder van de veehouderij aan de Zandstraat 37 heeft aangegeven in te stemmen
30
met deze situatie en is zich er van bewust dat bij een nieuwe milieuvergunning er aan een afstand van 50 meter tussen dierenverblijven en geur gevoelige objecten moet worden voldaan. Aan het bevoegd gezag wordt verzocht om de situatie die nu ontstaat door de het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning te dogen aangezien er wordt voldaan aan de 25 meter uit de geurverordening voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat. de nieuwbouwontwikkeling geen inbreuk op de planologische geurruimte van de veehouderij aan de Zandstraat 37 maakt. De om te zetten bedrijfswoning naar reguliere woning aan de Zandstraat 37 is wel binnen de 50 meter contour gelegen. De inrichtingshouder van de veehouderij is hiervan op de hoogte en heeft aangegeven dat de uitbreiding van de dierenverblijven enkel aan de noordzijde van de bestaande stallen zullen worden gerealiseerd waardoor voldaan zal worden aan de 50 meter conform de geurverordening.
Beoordeling woon- en leefklimaat de berekende voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Dreef 4 ten hoogste 2,0 OUE/m³ ter plaatse van de rand van de nieuwbouwontwikkeling binnen het plangebied bedraagt. Hiermee is het woon- en leefklimaat conform de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij te beoordelen als ‘goed’. Conform de beleidsregel van de gemeente is het woon- en leefklimaat te beoordelen als ‘goed’ voor ‘woonkernen’. ter plaatse van het overige deel van het plangebied de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 3,8 OUE/m3 bedraagt. Hiermee is conform de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7 het woon- en leefklimaat te beoordelen als ‘redelijk goed’. Conform de beleidsregel van de gemeente is het woon- en leefklimaat te beoordelen als ‘goed’ voor ‘bebouwingsconcentraties’. De berekende achtergrondgeurbelasting ter plaatse van de rand van de nieuwbouwontwikkeling binnen het plangebied ten hoogste 4,2 OUE/m3 bedraagt. Hiermee is conform de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7” het woon- en leefklimaat te beoordelen als ‘goed’. De berekende achtergrondgeurbelasting ter plaatse het overige deel van het plangebied ten hoogste 6,0 OUE/m3 bedraagt.
Hiermee is conform de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en7” het woon- en leefklimaat te beoordelen als ‘goed’. Conform de beleidsregel van de gemeente is het woon- en leefklimaat te beoordelen als ‘goed’ voor ‘bebouwingsconcentraties’. Conform de vuistregel ‘dat de voorgrondgeurbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondgeurbelasting” is in onderhavige situatie voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat de voorgrondgeurbelasting maatgevend voor de planontwikkeling. Vanuit het aspect geurhinder veehouderijen veroorzaakt het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
2.6
Volksgezondheid Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt, hoogspanningsverbindingen en ontplofbare oorlogsresten. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
2.6.1
Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen dienen stuk voor stuk te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden en of advisering door de GGD wenselijk is. De uiteindelijke keuze om wel of geen medewerking te verlenen aan een ontwikkeling is een afweging die wordt gemaakt door de gemeente. Stappenplan
31
Stap 1 Endotoxinen Op basis van de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid (Endotoxine toetsingskader 2.0) kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen. Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 1000 meter rondom het plangebied zijn geen pluimveeveehouderijen actief. Bovendien liggen er geen overige veehouderijen binnen 250 meter van het plangebied. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van endotoxinen. Stap 2 Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader Dit aspect is beoordeeld in paragraaf 5.1.4 van deze toelichting. Uit de betreffende paragraaf blijkt dat wordt voldaan aan de wet- en regelgeving voor wat betreft agrarische geur. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v.
gezondheidskundige advieswaarde De geurbelasting voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarde van 5,0 ouE/m³. Stap 4a Binnen een veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden. Niet van toepassing Stap 5a Geitenhouderij Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. De meest nabij gelegen geitenhouderij aan de Heikantsehoeve 60 is op circa 2,3 km van het plangebied gelegen. Stap 5b Pluimveebedrijven Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 1 kilometer van een pluimveebedrijf. Stap 5c Overige veehouderijen De planlocatie is gelegen binnen een afstand van 250 meter van een overige veehouderij: Zandstraat 37, een paardenhouderij. In het vigerende bestemmingsplan heeft dit perceel de bestemming 'Agrarisch' en uit het Bestand Veehouderijen Brabant (Web-BVB) blijkt dat voor het adres Zandstraat 37 een vergunning is afgegeven voor het houden van 80 dieren. Stap 6. Is er sprake van mestbe- of verwerking Niet van toepassing. Stap 7.
Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid Of in (de omgeving van) het plangebied sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid zou kunnen volgen uit de klachtenregistratie bij de gemeente. Daaruit blijkt dat in ieder geval de afgelopen 5 jaar op dit punt geen klachten zijn ingediend bij de gemeente Sint-Michielsgestel. Conclusie stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid
32
Uit de beperkte toetsing op afstanden blijkt dat stap 5c leidt tot de conclusie dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. De gemeente moet een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Betrek bij deze afweging het al dan niet inwinnen van GGD-advies.
2.6.2
Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Er wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. In de huidige situatie worden de gronden rondom het plangebied niet gebruikt voor gewasbescherming. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.
2.6.3
Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Het plan leidt tot het toevoegen van woningen waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Er wordt echter opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 1,3 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.
2.6.4
Ontplofbare oorlogsresten In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat ongeveer tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten (OO) om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze ‘blindgangers’ in de bodem voor. Voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten in het plangebied is een historisch vooronderzoek, projectplan en een detectieonderzoek uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken kan worden geconcludeerd dat ; Bij (grondroerende)werkzaamheden dient men rekening te houden met de mogelijkheid dat OO kunnen worden aangetroffen. Het is aanbevolen om ter plaatse van waar daadwerkelijk de grond geroerd zal gaan worden de significante objecten te benaderen, identificeren en veiligstellen/ verwijderen. Daar waar de grond niet geroerd zal gaan worden geldt geen verdere inspanningsverplichting voor de grondroerder. Er wordt geadviseerd om altijd een veiligheidsmarge van minimaal 0,50 m te hanteren onder de maximaal roeringsdiepte om derhalve het risico te minimaliseren.
Het benaderen van de significante objecten in deelgebied A2 en B3 dient te worden uitgevoerd door een bedrijf welke is gecertificeerd conform de CS-OOO. Het nader onderzoeken van het gebied C4 wordt gedaan in de vorm van actieve realtime oppervlaktedetectie. Hierbij wordt een laag van 0,50 m1 gedetecteerd waarna alle significante objecten handmatig tot 0,30-0,40 m1 - mv worden benaderd en verwijderd. Hierop volgend wordt op aanwijzing van de (Senior) Deskundige OOO een grondlaag van maximaal 0,20 - 0,30 m1 dikte
2 gebieden waar geen significante objecten zijn waargenomen 3 gebieden waar significante objecten zijn waargenomen die individueel van elkaar te onderscheiden zijn; 4 gebieden waar significante objecten niet individueel van elkaar te onderscheiden zijn. Dit wordt meestal veroorzaakt door
puin of andere aanwezigheid van bodemvreemde materialen. Ook kan dit veroorzaakt worden door de invloedssfeer van ijzerhoudende bovengrondse obstakels op de detectiedata.
33
-
ontgraven met een graafmachine. Vervolgens wordt een volgende meetslag uitgevoerd waarna bovenstaande procedure cyclisch wordt herhaald tot de gewenste diepte is bereikt of tot op de diepte dat passieve realtime oppervlaktedetectie weer kon worden toegepast. De D gebieden5 dienen in een later stadium onderzocht te worden door middel van passieve non realtime oppervlaktedetectie waarna een aanvulling op de detectierapportage gemaakt kan worden. Aan de hand van de uitkomsten uit deze aanvullende detectiewerkzaamheden zullen de vervolgstappen in kaart gebracht worden.
Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat vanuit het aspect Volksgezondheid geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn
5 gebieden waar geen detectiedata van beschikbaar is doordat deze gebieden niet toegankelijk waren voor het
detectievoertuig.
34
3
PLAATS VAN HET PROJECT
3.1
Bestaand grondgebruik Het plangebied is voor zover te beoordelen tot op heden onbebouwd geweest behalve de bestaande bebouwing die in het beoogde plan zijn opgenomen. Verder is het plangebied in gebruik als grasland en/of agrarisch gebied.
3.2
Rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen Niet van toepassing. Er zijn geen specifieke natuurlijke hulpbronnen in het plangebied aanwezig. Realisering van de voorgenomen activiteiten zal derhalve geen invloed hebben op de rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied.
3.2.1
Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Voorliggend plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd; er wordt gebruikt gemaakt van zonnepanelen; de woningen worden voorzien van een koude-warmte opslag; de woningen worden volgens het BENG-principe gebouwd; het plan kent oplaadpunten voor elektrische auto's.
3.2.2
Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Voorliggend plan voorziet hier op de volgende wijze in: water in openbare ruimte (waterbergende, ecologische, landschappelijke, recreatieve functie); waterberging op eigen terrein; zo min mogelijk verharding / halfverharding; aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, gebiedseigen planten en dieren; verblijfsmogelijkheden in gebouwen (nestkastjes, vleermuiskasten etc.) groen / bomen aanleggen ten behoeve van opname van stikstof en CO², het vast houden van water en het tegengaan van hittestress; goede langzaam verkeersnetwerken.
35
3.3
Opnamevermogen van het natuurlijk milieu a)
Wetlands In de omgeving van het plangebied komen geen wetlands voor. De voorgenomen activiteit zal hierop geen invloed hebben.
b)
Kustgebieden De afstand van het plangebied tot de kustgebieden is dermate groot dat beïnvloeding hiervan op voorhand kan worden uitgesloten.
c)
Berg- en bosgebieden. In de omgeving van het plangebied zijn geen berg- en bosgebieden gelegen. Negatieve invloed op deze gebieden is dan ook niet aan de orde als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten.
d)
Reservaten en natuurparken. Er zijn geen reservaten of natuurparken gelegen in de omgeving van het plangebied.
e)
Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ op circa 8 km van het plangebied. De instandhoudingsdoelen van deze Habitatrichtlijngebieden worden niet beïnvloed als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten (zie hiervoor ook paragraaf 2.5.4.1).
f)
Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. In de omgeving van het plangebied zijn geen gebieden bekend waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit worden overschreden. Het plangebied is zoals hierboven gesteld niet gelegen binnen een Vogel- of Habtitatrichtlijngebied. Ook vanuit de Kaderrichtlijn Water ligt er op dit moment geen opgave voor dit plangebied.
g)
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid. Het plangebied is gelegen in of in de nabijheid van een gebied met een relatief hoge bevolkingsdichtheid (Nederland gemiddeld 517 inwoners/ km2). Het is gelegen in Middelrode, gemeente Sint Micheielsgestel, een kern met circa 2.000 inwoners. (6).
h)
Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Zoals in het voorgaande reeds is aangegeven, is het plangebied niet gelegen in een landschap van historisch, cultureel of landschappelijk belang. In paragraaf 2.5.3 is aangegeven dat de belangrijkst landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle structuren in het ontwerp zijn geïntegreerd.
6 https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84799NED/table?dl=41062
36
4
KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT
4.1
Bereik van het effect (geografische zone en grootte getroffen bevolking Zoals in de vorige hoofdstukken is aangegeven, is de omvang van de effecten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten zeer beperkt .
4.2
Grensoverschrijdend karakter Er worden geen grensoverschrijdende effecten verwacht.
4.3
Orde van grootte en complexiteit effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.
4.4
Waarschijnlijkheid effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.
4.5
Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.
37
5
CONCLUSIE Gelet op het voorgaande is de initiatiefnemer van oordeel dat de aard van de effecten die gekoppeld zijn aan de realisering van de voorgenomen ontwikkeling van Woonlocatie Laarzicht met maximaal 125 woningen in Middelrode, gemeente Sint-Michielsgestel in voldoende mate in beeld zijn gebracht en dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot dermate belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat het maken van een milieueffectrapport een toegevoegde waarde zou hebben. Op grond hiervan verzoekt de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag te besluiten dat een verdere m.e.r.procedure niet aan de orde is.