Bijlage 2.21 - Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
Ruimte voor Ruimte RVR002-0001 26 mei 2023
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Ruimte voor Ruimte RVR002-0001 20230209-RVR002-MER-3.0 Definitief 26 mei 2023
Opsteller: -+C0MEV+-
T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
Verificatie: -+R0DG+-
Validatie: -+V0HvG+-
© 2022 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
INHOUDSOPGAVE 1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding ................................................................................................................................................................ 7 Ligging en begrenzing van het plangebied....................................................................................................................... 7 Besluit milieueffectrapportage....................................................................................................................................... 8 Leeswijzer ................................................................................................................................................................ 9
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Omvang van het project (i.r.t. drempel D-lijst) ............................................................................................................... 11 Cumulatie met andere projecten.................................................................................................................................. 11 Gebruik natuurlijke hulpbronnen .................................................................................................................................. 11 Productie afvalstoffen ............................................................................................................................................... 11 Verontreiniging en hinder ........................................................................................................................................... 12 Volksgezondheid...................................................................................................................................................... 31
3.1 3.2 3.3
Bestaand grondgebruik.............................................................................................................................................. 35 Rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen ........................................................................ 35 Opnamevermogen van het natuurlijk milieu ................................................................................................................... 36
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Bereik van het effect (geografische zone en grootte getroffen bevolking ............................................................................. 37 Grensoverschrijdend karakter ...................................................................................................................................... 37 Orde van grootte en complexiteit effect ........................................................................................................................ 37 Waarschijnlijkheid effect ............................................................................................................................................ 37 Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect.................................................................................................................... 37
5
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding Het voornemen bestaat om in het gebied tussen de straten Zandstraat, Diepven en de Christinastraat , grenzend aan de kern Middelrode in de gemeente Sint-Michielsgestel maximaal 125 woningen te realiseren. Het initiatief bestaat uit twee onderdelen zijnde 'Woonlocatie Laarzicht' en 'Herinrichting Noddelvelt'. 'Herinrichting Noddelvelt' ziet op de herinrichting van het agrarisch bedrijf aan de Zandstraat 37 waarbij een deel van de gronden wordt omgezet naar een woonbestemming en de overige gronden bestemd worden ten behoeve van een paardenhouderij met bijbehorende bedrijfswoning. Het initiatief past niet binnen het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Michielsgestel'. De gemeente SintMichielsgestel heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van een bestemmingsplanwijziging.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1
Ligging van het plangebied
7
Op onderstaande kaart is de kadastrale situatie weergegeven. De gronden zijn kadastraal bekend gemeente sectie M, nummers 404, 568, 824, 990, 1028, 1037, 1038, 1042, 1081, 1082, 1101, 1162, 1203, 1186, 1187. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 14 ha. Tevens is de begrenzing van het plangebied ingetekend.
Afbeelding 2
1.3
Kadastrale begrenzing van het plangebied
Besluit milieueffectrapportage In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor in bepaalde gevallen een m.e.r.- respectievelijk m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (Activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.beoordelingsprocedure noodzakelijk is: het initiatief betreft de realisatie van maximaal 125 wooneenheden in een gebied met een oppervlakte van circa 14 ha. Dit betekent dus dat de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet worden overschreden, waardoor kan worden volstaan met het uitvoeren een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.
8
Voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling stelt de initiatiefnemer een zogenaamde aanmeldingsnotitie op. Deze aanmeldingsnotitie is in principe vormvrij, mits wordt voldaan aan de criteria uit Bijlage III van de ‘Europese richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Dit betekent dat moet worden ingegaan op: 1) Kenmerken van het project. Hierbij dient in het bijzonder in overweging worden genomen de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico van zware ongevallen en/of rampen waaronder rampen door klimaatverandering en ten slotte risico’s voor de menselijke gezondheid. 2) De plaats van de projecten. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waar op de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging genomen worden: a. Het bestaande grondgebruik; b. De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit van het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c.
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd (bijvoorbeeld vogel- en habitatrichtlijngebieden), gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid of landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3) Kenmerken van het potentiële effect. Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria uit punt 1) en 2) in het bijzonder in overweging worden genomen: de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden), de aard van het effect, het grensoverschrijdend karakter van het effect, de intensiteit en complexiteit van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect, de verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect, de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en ten slotte de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
1.4
Leeswijzer Rekening houdend met bovenstaande vormvereisten is na dit algemene inleidende hoofdstuk van de aanmeldingsnotitie ingegaan op het plangebied en de kenmerken van het plan, ook wel de voorgenomen activiteiten genoemd (hoofdstuk 2). In dit hoofdstuk worden ook de uitkomsten van de diverse uitgevoerde specialistische onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op de plaats van het project, en hoofdstuk 4 op de kenmerken van het potentiële effect. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte de afsluitende conclusie van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling opgenomen.
9
2
KENMERKEN VAN HET PLAN
2.1
Omvang van het project (i.r.t. drempel D-lijst) Activiteit D11.2 uit het Besluit m.e.r. stelt dat 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ m.e.r.-beoordelingsplichtig is in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het plangebied waarbinnen de in het Besluit m.e.r. genoemde activiteit wordt uitgevoerd heeft een totale oppervlakte van circa 11 ha. In dit gebied is voorzien in de realisering van maximaal 125 wooneenheden in een agrarisch gebied aan de noordzijde van de kern Middelrode. De gezamenlijke omvang van deze activiteiten is daarmee substantieel lager dan de eerder genoemde indicatieve drempelwaarde voor activiteit D11.2 (100 ha en 2.000 woningen) uit het Besluit m.e.r.
2.2
Cumulatie met andere projecten In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen bekend die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten.
2.3
Gebruik natuurlijke hulpbronnen Er is geen sprake van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen bij de realisering van de voorgenomen activiteiten. De woningen zullen allen aardgasvrij worden gerealiseerd. Er worden (bouw)materialen gebruikt zoals staal, hout, steen en beton, maar dit betreft een eenmalig gebruik en deze materialen zij niet bijzonder schaars. Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
2.4
Productie afvalstoffen Bouw- en sloopafval tijdens de aanlegfase zal door de betreffende aannemer(s) worden afgevoerd en verwerkt. Tijdens de gebruiksfase is enkel sprake van de productie van huishoudelijk afval zoals GFT, papier, plastic, restafval en overige stromingen zoals textiel. Hiervoor worden eigen afvalcontainers bij de woningen geplaatst die door/namens de gemeente worden geleegd. Daarmee is voor wat betreft de productie van afvalstoffen geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
11
2.5
Verontreiniging en hinder
2.5.1
Bodem
2.5.1.1
Bodemopbouw Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied op de overgang van een zone van hoger gelegendekzandruggen naar de lager geleden beekdalbodem. Het noordoostelijk deel ligt op een dekzandvlakte. Het zuidoostelijkdeel ligt op een dekzandrug al dan niet bedekt met een oud bouwlanddek. Volgens de bodemkaart van Nederland worden ter plaatse hoge zwarte enkeerdgronden gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand verwacht. De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 1. Tabel 1 Geo(hydrologische indeling (bron: Dinoloket) Diepte [m-mv] Lithostratigrafie Lithologie 0-19 Formatie van Boxtel Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind. 19-20 Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand. 20-22,5 Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei en klei, Formatie van Beegden met weinig veen en midden zand en een spoor fijn zand. 22,5-30 Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand. Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 5,8 – 6,5 m +NAP.
De stroming van het freatisch grondwater is globaal noordwestelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 0,9 – 1,8 m-mv. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.
2.5.1.2
Bodemkwaliteit Het uitgangspunt voor de bodemkwaliteit is dat er geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie. Hiervoor zijn twee bodemonderzoeken uitgevoerd. Allereerst is ter plaatse van de agrarische percelen tussen Zandstraat, Diepven en Christinastraat een gecombineerd onderzoek uitgevoerd, bestaande uit een verkennend bodemonderzoek, een PFAS-onderzoek en een verkennend waterbodemonderzoek. Daarnaast is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de gronden behorende bij Christinastraat 1, Zandstraat 37 en de woning aan Zandstraat 33 uitgevoerd. Beide bodemonderzoeken dekken samen het totale plangebied waar de ontwikkelingen gaan plaatsvinden. Op basis van de resultaten uit het gecombineerd onderzoek is geconcludeerd dat: in de boven- en ondergrond van de onderzoekslocatie geen verhoogde gehaltes zijn aangetoond. De boven- en ondergrond zijn op basis van de indicatieve toetsing aan Besluit bodemkwaliteit ‘Altijd toepasbaar’. in het grondwater licht verhoogde concentraties aan koper zijn aangetoond. Deze zijn te relateren aan lokaal verhoogde achtergrondwaarden. in de watergangen geen slib is aangetoond. In de vaste waterbodem zijn (bij toetsing als landbodem) geen verhoogde gehalten aangetoond.
Op basis van de toetsing aan Besluit bodemkwaliteit is de waterbodem verspreidbaar op het aangrenzend perceel en toepasbaar in oppervlaktewater. de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering voor de voorgenomen aankoop en ontwikkeling (wonen met tuin) vormt. De geplande werkzaamheden kunnen zonder verhoogde veiligheidsklasse (= basis klasse) uitgevoerd worden.
12
Op basis van het verkennend (water)bodemonderzoek Middelrode (ong.) is geconcludeerd dat: tijdens de veldinspectie op de locatie behoudens enkele intacte asbesthoudende dakbedekkingen geen waarnemingen zijn gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging; plaatselijk bij het bodemonderzoek ter plaatse van drie deellocaties enkele baksteenresten in de humeuze bovengrond zijn aangetroffen; ter plaatse van de twee onderzochte sloten geen bijzonderheden zijn waargenomen. Wel is in de oostelijke sloot een humeuze, slibhoudende zandlaag van 10-20 cm aangetroffen bij het veldwerk; grondmengmonster MMB2 (boringen B09 en B18) licht verhoogd is met cadmium, koper, lood, som PCB, matig verhoogd is met minerale olie en sterk verhoogd is met zink; grondmonster D2 (boring D06 in oprit) licht verhoogd is met lood, PAK, som PCB en minerale olie. De verhoogde gehalten zijn aangetroffen in de bodemlaag waarin visueel baksteenresten waargenomen zijn. In de overige onderzochte mengmonsters ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten; het freatisch grondwater plaatselijk verhoogd is.
De onderzochte baggerspecie bij de zuidwestelijke watergang blijkt altijd toepasbaar en bij de oostelijke watergang betreft dit klasse industrie/A (aangrenzend verspreidbaar); binnen de gehele onderzoekslocatie bij de onderzochte bovengrondmengmonsters en waterbodem geen verhoogde gehalten aan PFAS zijn gemeten (voldoet aan bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur). De resultaten van dit bodemonderzoek geven, behoudens nabij boorpunten B09 en B18, geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Ter plaatse van deellocatie B (Christinastraat 1) dient een aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden om vast te stellen of er een belemmering aanwezig is voor de voorgenomen herontwikkeling. Omdat ter plaatse van deze boorpunten de situatie met voorliggende ontwikkeling onveranderd blijft is op dit moment geen nader onderzoek noodzakelijk. Voor de overige onderzochte deellocaties vormt de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling met woningbouw. In het kader van dit onderzoek wordt verder geconcludeerd dat: er geen verkennend ‘asbest in bodem’ onderzoek conform de NEN 5707 verricht is naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld.
Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen; ter plaatse van de oprit bij de Zandstraat 37 (boring C13) een menggranulaat onder de bestrating is aangetroffen; ter plaatse van locatie B (Christinastraat 1) de asbesthoudende dakbedekkingen op twee stallen in 2016 zijn gesaneerd. Bij de uitgevoerde maaiveldinspectie en het uitkomende bodemmateriaal bij het veldwerk zijn er geen directe aanwijzingen om ter plaatse asbest in de bodem te verwachten. Deellocatie B is derhalve als onverdacht beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem. ter plaatse van locatie C (Zandstraat 37), gezien de aanwezigheid van de asbesthoudende golfplatendakbedekking welke grotendeels niet voorzien is van een gootconstructie, de locatie als heterogeen verdacht op het voorkomen van asbest in de bodem is te beschouwen. Gezien het nog in gebruik zijn van deze panden wordt geadviseerd om bij beëindiging van de bedrijfsactiviteit of bij een asbestsanering een (verkennend) asbest in bodemonderzoek uit te voeren om een eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem te onderzoeken. Het voorliggende bodemonderzoek doet geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.
Conclusie Op basis van het verkennend (water)bodemonderzoek vormt het aspect bodemkwaliteit ter plaatse van de gronden behorende bij Christinastraat 1, de woning aan Zandstraat 33 en ter plaatse van Zandstraat 37 geen planologische belemmering voor het plan.
13
Nabij boorpunten B09 en B18 (ter plaatse van deellocatie B (Christinastraat 1)) dient echter wel een aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden indien deze gronden op een andere wijze in gebruik worden genomen. Daarnaast wordt geadviseerd om bij beëindiging van de bedrijfsactiviteit of bij een asbestsanering, ter plaatse van deellocatie C (Zandstraat 37) een (verkennend) asbest in bodemonderzoek uit te voeren. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient te worden aangetoond dat de grond 'schoon' is. Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat de bodem ter plaatse van het plangebied niet overal volledig schoon is maar er geen grote verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn. Gelet op de aard van het toekomstig gebruik van de locatie als woongebied bestaat er geen risico op het ontstaan van nieuwe bodemverontreinigingen. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan als gevolg van realisering van de voorgenomen activiteiten.
2.5.2
Water Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft een gevolg voor de bodem en grondwater. Als de woningen en wegen op het huidige maaiveldniveau van NAP + 6,0 m worden gerealiseerd, hebben deze een ontwateringsdiepte van 0,40 m en dat is onvoldoende. Om die reden is het noodzakelijk om het plangebied op te hogen. De woningen aan Diepven hebben een tuinhoogte van NAP + 6,75 m, het maaiveld ter hoogte van de waterloop op de grens van het plan ligt op NAP + 5,9 m. Om voor de tuinen ter hoogte van de waterloop voldoende ontwateringsdiepte te realiseren is een ophoging tot NAP + 6,1 m noodzakelijk. Voor de wegen is een peil van minimaal NAP + 6,3 m noodzakelijk voor voldoende ontwateringsdiepte. Voorgesteld wordt om een bouwpeil van tenminste NAP + 6,6 m te hanteren zodat de woningen over voldoende ontwateringsdiepte beschikken. Oppervlaktewater en waterkwantiteit Om de kans op wateroverlast te verkleinen is het van belang om ervoor te zorgen dat er voldoende ruimte voor water wordt gerealiseerd en dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Door de hoge grondwaterstanden en de beperkte verticale infiltratiesnelheid is de bodem op deze locatie in beginsel niet ideaal voor infiltratie. Voor deze locatie wordt daarom voorgesteld om met bovengrondse infiltratievoorzieningen te werken. Regenwater kan daarin worden geborgen en ter plaatse infiltreren.
Mocht de infiltratiecapaciteit niet voldoende zijn dan kan het water vertraagd worden afgevoerd naar het omliggende oppervlakte water. Een bergingsvoorziening moet voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater als gevolg van het verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem. Binnen de ontwikkeling worden een aantal waterlopen gedempt. Op basis van een GIS analyse blijkt dat 436 m³ bestaande waterberging daarmee komt te vervallen. Deze waterberging wordt opgeteld bij de wateropgave die ontstaat door de nieuwe verharding en bepaald de totale wateropgave. Realisatie wateropgave De gemeente heeft de voorkeur voor het realiseren van waterberging op openbaar terrein en niet op particuliere kavels. Hiermee is het toekomstige watersysteem in deze wijk beter te beheren. Voor de woningen en openbare verharding wordt 60 mm waterberging per m² verhard oppervlak op openbaarterrein gerealiseerd. Het water van de kavels en het openbaar verhard oppervlak wordt geborgen in hemelwaterriolen en wadi's in het openbaar terrein. Infiltratie is uitsluitend mogelijk indien deze wadi's boven de GHG worden gerealiseerd. De GHG ligt na ophoging 0,70 m onder maaiveld, dus dit biedt wel ruimte voor realisatie van wadi's en berging in de wadi's. Het beschikbare oppervlak aan ruimte voor water in de woonwijk zelf is te beperkt.
Daarom is er gezocht naar een andere geschikte ruimte voor waterberging. Deze is gevonden in de compensatiegronden voor ecologie welke net benedenstrooms van de ontwikkeling ligt. Het betreft een perceel van 2,4 ha, waarvan circa
14
6.000 m² beschikbaar wordt gesteld voor waterberging. Dit valt wel binnen de projectgrenzen waardoor de waterberging hier mag worden gerealiseerd. Het verhard oppervlak voor deze ontwikkeling bedraagt 26.826 m², wat resulteert in een waterbergingsopgave van 1.610 m³. Omdat het verharde oppervlak groter is dan 10.000 m², is de afvoer van hemelwater vergunningplichtig. De totale waterbergingsopgave (bestaande watergangen + nieuwe waterberging) bedraagt 2.046 m³. Deze wordt binnen het plangebied als volgt gerealiseerd: Waterberging in de vier wadi's in de nieuwe woonwijk; Waterberging in de nieuwe waterloop direct grenzend aan het plan; Waterberging op een perceel dat ook wordt ingezet voor natuurcompensatie.
Tabel 2 Benodigde Ruimte te realiseren waterberging Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan en het ontwerp van het rioleringsstelsel (waaronder hemelwaterafvoer) wordt aangegeven hoe de wadi's het meest effectief kunnen worden ingedeeld en hoe de grote buffer zorgt voor voldoende vertraging in afvoer. Hierbij wordt voorkomen dat het hemelwater direct kan afstromen naar de A-waterloop. Dempen waterloop De waterloop achter het Diepven wordt gedempt. Het bergend vermogen (m³) van deze sloot gaat verloren en wordt elders in het plan gecompenseerd. In de huidige situatie wateren een aantal bergingen/tuinen gelegen aan Diepven af op deze sloot. Met perceeleigenaren worden afspraken gemaakt over aankoop van extra grond (ter plaatse van de sloot) Binnen deze gronden dient de opvang van hemelwater (die eerst afgekoppeld was op de sloot) opgevangen en geïnfiltreerd te worden. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en het vigerend beleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Het vuilwater van de ontwikkeling wordt verwerkt met behulp van een vuilwater stelsel, welke wordt aangesloten op het stelsel in Middelrode. Het bestaande gemengde stelsel kan de verwachte hoeveelheid extra afvalwater verwerken.
15
Uit het onderzoek naar de gevolgen van de ontwikkeling op de waterhuishouding blijkt dat in basis een waterbergingsvolume van 2.046 m³ aan ruimte voor water dient te worden gerealiseerd. In het plangebied en het noordelijk gelegen perceel is genoeg ruimte om deze greppels (of infiltratieriolen), wadi's en waterbergingen aan te leggen ter compensatie van de geplande verhardingen. Het realiseren van waterberging wordt in het bestemmingsplan vastgelegd in de regels zodat de aanleg daarmee geborgen is voor zowel openbaar terrein als het particulier terrein. Vanwege de omvang van het nieuw verhard oppervlak en de te realiseren waterberging moet een waterhuishoudkundig plan worden opgesteld. Voor de realisatie is op grond van de Keur ook een watervergunning nodig. Wanneer er binnen het profiel van de watergangen geen werkzaamheden plaatsvinden, en er geen objecten, bouwwerken of obstakels (zoals beplanting) in de beschermingszone van de A-watergang worden geplaatst, hoeft er voor deze aspecten geen watervergunning te worden aangevraagd. Met de beoogde watercompensatie kunnen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse worden uitgesloten. Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. Vanuit het aspect water zijn derhalve geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten.
2.5.3
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
2.5.3.1
Landschap Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op de overgang van een zone van hoger gelegen dekzandruggen naar de lager geleden beekdalbodem. Het noordoostelijk deel ligt op een dekzandvlakte (code 2M51). Het zuidoostelijk deel ligt op een dekzandrug al dan niet bedekt met een oud bouwlanddek (code 3B53yc). Vanwege de ligging in de bebouwde kom van Middelrode is het (zuid)westelijk deel van het plangebied niet gekarteerd. Naar verwachting zal ook dit deel van het plangebied op een dekzandvlakte en/of dekzandrug liggen. Het meest noordoostelijke puntje ligt op een beekdalbodem met meanderruggen en geulen (code 22R46). De geul staat op de kaart uit 1811-1832 aangegeven als ‘’De Beek’’.11 Deze kwam via Het Spartelgat uit in de beek Leigraaf, ten noordoosten van het plangebied. Op circa 500 meter ten zuiden van het plangebied ligt het beekdal van de Aa. Op het Actueel Hoogtebestand (AHN3) is het beekdal van Aa gemiddeld circa 2,0 meter lager ligt dan de hoger gelegen dekzandruggen ten zuiden van het plangebied. Het AHN laat ook goed zien dat het plangebied op een overgangszone ligt van de hogere dekzandruggen naar de laagte, huidige loop van de Aa. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen circa 5,58 en 7,08 meter +NAP. Het plangebied loopt in noord(oostelijke) richting af.
Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp voor de woonlocatie was het de ambitie om de nieuwe buurt goed aan te sluiten op en op te laten gaan in de gebouwde en landschappelijke omgeving in dit deel van Middelrode. Het plan speelt in op de ligging aan het open landschap aan de ene kant en het boerenerf en de bestaande woonwijk aan de andere kant. Stevige groene verbindingen aan de zijde van het landschap halen de groene kwaliteit de kern in. Daarnaast wordt de nieuwe wijk met de aansluiting op de Zandstraat en de Christinastraat onderdeel van de dorpse ontsluitingsstructuur. Op de overgang tussen de bestaande dorpsrand en de nieuwe ontwikkeling speelt de bestaande boerderij aan de Christinastraat een belangrijke rol. De boerderij en het grote kavel blijven gehandhaafd. De boerderij ligt fraai aan op het eind van de Molenstraat. Door de omvang en de losheid van het kavel breekt het bebouwingsfront open en kent de bestaande situatie een informelere overgang naar het landschap. De fraaie en beeldbepalende boerderij aan de Christinastraat raakt niet ingesloten tussen de nieuwbouw. De nieuwbouw naast de boerderij trekt zich wat terug, weg van de Christinastraat. De nieuwe woningen beginnen pas achter de bebouwingslijn van de boerderij. Ook de speeltuin aan de Christinastraat blijft gehandhaafd. Het plan kent drie ingangen naar de nieuwe buurt voor autoverkeer.
De Christinastraat en de Zandweg vormen de hoofdontsluitingen en aan de Diepven is een secundaire ontsluiting. Beide hoofdentrees komen via een
16
informele route uit op de lange laan, parallel aan de Christinastraat/Diepven. De laan krijgt een breed profiel en een groene landschappelijke uitstraling door de aanplant van diverse type bomen en bloemrijke bermen en de aanleg van een greppel ten behoeve van de opvang en afvoer van het hemelwater. De derde toegang tot de nieuwe buurt met de omgeving wordt gevormd door het karakteristieke driehoekige dorpspleintje tussen de erfbebouwing. Het pleintje is een vriendelijke en sfeervolle verblijfsruimte zonder doorgaand verkeer (uitsluitend bestemmingsverkeer). Het pleintje zal in de dagelijkse sfeer voor voetgangers en fietser een aantrekkelijke schakel zijn tussen de bestaande en nieuwe buurt, tussen dorp en landschap. Een aantrekkelijk onderdeel van het rondje met de hond of een veilige, autoluwe route voor kinderen. Ten zuiden van de laan wordt ter hoogte van het Diepven traditioneel aangesloten op de bestaande woningen. Dat betekent dat de achtertuinen aan elkaar gekoppeld worden en er een voorkant ontstaat aan de laan. Er wordt hier met tweekappers (een veel voorkomend type aan het Diepven) doorverkaveld. Ter hoogte van de boerderij aan de Christinastraat is wat meer diversiteit in woningentypes (aaneengebouwd en gestapeld). Om het parkeren in de laan te beperken wordt er gebruikt gemaakt van een parkeerhof achter de bebouwing.
Aan de noordkant van de laan liggen woonclusters. De voorkanten van de woningen zijn gericht op de autovrije groene wiggen die de sfeer en het beeld van het landschap naar binnen trekken. De woningen kunnen met de auto bereikt worden via de achterkant, waar parkeerhoven worden gerealiseerd. De geparkeerde auto's worden uit het zicht gehaald vanaf de laan. Op deze wijze dringt het landschap diep door in de nieuwe buurt en kan de hele buurt profiteren van de ligging aan het open landschap. De nieuwe te realiseren woonlocatie is landschappelijk ingepast, waarbij er rekening is gehouden met ecologische-,landschappelijke- en milieutechnische waarden. Zo zijn de woningen zodanig gesitueerd, dat de randen van het plangebied een open karakter behouden en er overal het landschap beleefbaar is. Richting de groene lob aan de noordoostzijde is een opening en zichtlijn behouden richting dit open landschap. Dit levert een ruimtelijke kwaliteitswinst op. Bovendien blijft met de transformatie van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning, de langgevelboerderij behouden en wordt hiermee ook leegstand en verloedering voorkomen. Met de sloop van de overtollige schuren aan Zandstraat 37 wordt tevens bijgedragen aan het verbeteren van de kwaliteit van het landschap.
Daarnaast wordt met de bestemmingswijziging van Agrarisch naar Tuin rondom de woonbestemming ter plaatse van Christinastraat 1, de gronden van een bestemming voorzien die passend is bij de reeds geldende woonbestemming en de beoogde woonbestemming rondom. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de landschappelijke waarden van de locatie zo goed mogelijk in het ontwerp zijn geïntegreerd en het plan vanuit landschap geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.
2.5.3.2
Cultuurhistorie Het plangebied ligt ten noordoosten van de historische dorpskern van Middelrode. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw is te zien dat het plangebied grotendeels onbebouwd is. Alleen in het (zuid)oostelijk deel van het plangebied, aan de dan al bestaande Zandstraat, is bebouwing aanwezig. Aan de Zandstraat komt sporadisch bebouwing voor. De Christinastraat staat aangegeven als de Achterstraat. Door het zuidelijk deel loopt een weg die De Zandstraat en Achterstraat. met elkaar verbindt. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT) zijn de overige percelen als bouwland in gebruik. Deze zijn onderdeel van het bouwlandveld Het Laar. Op de topografische kaarten uit 1908 is het plangebied onbebouwd. De bebouwing zoals aangegeven op het minuutplan is verdwenen. Het plangebied is in gebruik als bouwland en weiland. Ten westen van de huidige bebouwing aan de Zandstraat 37 is een weg ingetekend. Deze weg verbindt de Zandstraat met de noordelijk gelegen buurtschap Laar. De bebouwing concentreert zich voornamelijk ten zuidwesten van het plangebied, in de historische dorpskern van Middelrode. Een soortgelijk beeld is te zien op de kaart uit 1940. Eind jaren 60/begin jaren 70 van de vorige eeuw verdwijnt de weg ten westen van Zandstraat 37 en is er bebouwing aanwezig in het westelijk en zuidoostelijk deel van het plangebied.
De huidige bebouwing in het plangebied (Christinastraat 1 en Zandstraat 37) dateert volgens BAG-viewer uit 1948
17
en 1967, deze is echter niet te zien op de topografische kaart uit die jaren. Vanaf begin jaren 70 van de vorige eeuw wordt de huidige woonwijk ten zuidwesten van het plangebied aangelegd. Tijdens de Tweede wereldoorlog werden zowel Berlicum als Middelrode zwaar getroffen. Het oorlogsschaderegister vermeldt enkel dat in 1944 in Middelrode de korenmolen Sint Jozef vernield werd. Volgens de lokale heemkundekring ‘De Plaets’ werd bij de bevrijding vrijwel het gehele dorp verwoest. De heemkundekring heeft ook aangegeven dat er binnen het plangebied meerdere loopgraven aanwezig moeten zijn geweest. Op de geraadpleegde kaarten is de exacte locatie van deze loopgraven niet aan te wijzen. Wel staat op de oorlogshandelingenkaart dat het plangebied deels binnen een oud mijnenveld was gelegen. Door het westen van het plangebied liep een Patrol Area. Het plangebied is op de cultuurhistorische waarde kaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant niet als 'cultuurhistorisch waardevol gebied' aangeduid. Daarnaast tast het plan ook geen waardevolle elementen aan. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn derhalve geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling van de woonlocatie Laarzicht.
2.5.3.3
Archeologie Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Sint-Michielsgestel geldt voor het grootste deel van plangebied een hoge archeologische verwachting voor neolithicum tot nieuwe tijd. Voor het noordelijk en zuidoostelijk deel geldt een middelhoge verwachting. In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 1 kilometer) zijn volgens de gegevens uit Archis3 twee archeologische monumenten bekend. Binnen een straal van 500 meter zijn meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen. Monumentnummer 16.816 Op circa 850 meter ten noordwesten van het plangebied ligt terrein van hoge archeologische waarde. Het betreft de oude kern van Berlicum. Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De selectie en begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 16e-eeuwse (Van Deventer) en vroeg 20e-eeuwse kaarten (Bonnebladen). Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van Vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn.
Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de vroege- en volle middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet per se hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. Monumentnummer 45.710 Op circa 400 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een terrein van hoge archeologische waarde. Het terrein bevat sporen van bewoning uit de vroege en late middeleeuwen. Dit terrein is afkomstig van een oude meldingskaart maar een bijbehorende waarneming ontbreekt. Ten zuidwesten van het terrein zijn bronstijd crematieresten en -aardewerk en Romeins aardewerk gevonden. De vindplaats ligt onder een 70-75 centimeter dik esdek dat op jong dekzand ligt. In het verkennend archeologisch veldonderzoek is door middel van boringen vastgesteld dat plaatselijk nog een (deels intact podzolprofiel aanwezig is. In het (zuid)oostelijk deel wordt de kans klein geacht dat er intacte archeologische waarden in de grond aanwezig zijn. In de delen met een intact profiel is aanbevolen een proefsleuvenonderzoek uit te voeren in het kader van de omgevingsvergunning. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld.
Aangezien dit nog niet is uitgevoerd, is in het nieuwe bestemmingsplan de bestaande dubbelbestemmingen ‘waarde archeologie I’ en ‘waarde archeologie 4’ uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen. Hiermee zijn de eventueel nog aanwezige archeologische waarden voldoende beschermd.
18
Voor het compensatieperceel M568 is nog geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op dit moment is onbekend hoe diep de verstoringen van de bodem zullen zijn. Op dit perceel wordt de reeds aanwezige gebiedsaanduiding ‘'overige zone - archeologische verwachtingswaarde 2' behouden, waarmee de onderzoeksverplichting voor dit perceel in stand wordt gehouden. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen realisering van woonlocatie Laarzicht vanuit het aspect ‘archeologie’ niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
2.5.4
Natuur
2.5.4.1
Beschermde gebieden Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen of direct nabij een Natura 200-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en is gelegen op een afstand van circa 8 km van het onderzoeksgebied. Gezien de afstand van de locatie tot omliggende Natura 2000-gebieden en de ligging van het perceel direct grenzend aan bebouwd gebied, zijn naast directe effecten (vernietiging) ook veel indirecte ofwel externe effecten zoals veranderingen in waterstanden, of verstoring door licht en geluid op voorhand uitgesloten. Enkel het aspect verzuring of vermesting door stikstofdepositie zou mogelijk kunnen optreden. Uit de resultaten van het stikstofdepositie onderzoek (paragraaf 2.5.7) is gebleken dat, ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden, significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie ook kunnen worden uitgesloten. Voor wat betreft het projecteffect betekent dit dat het voornemen vergunningsvrij is in het kader van onderdeel N2000 van de Wet natuurbescherming. Provinciale gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en de Ecologische verbindingszone (EVZ). Op 500 meter oostelijk ligt een het gebied de Leigraaf dat is aangewezen als NNB.
Door de ontwikkeling worden de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNB en de EVZ dan niet aangetast. Hier wordt geen effect verwacht, gezien de grote afstand tussen het plangebied met de tussenliggende bebouwing. Houtopstanden Er worden geen bomen en houtopstanden gekapt die vallen onder artikel 4.2 Houtopstanden van de Wet natuurbescherming en/of de bomenlijst van de gemeente Sint-Michielsgestel.
2.5.4.2
Beschermde soorten Op basis van de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming is in het verkennend flora- en faunaonderzoek geconcludeerd dat: bij uitvoering van de ingreep mogelijk negatieve effecten zijn te verwachten op broedvogels, vleermuizen en amfibieën. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Huismus de bebouwing binnen het onderzoeksgebied waarschijnlijk binnen het broedgebied van huismus valt. De soort is tijdens het veldbezoek ook waargenomen binnen het onderzoeksgebied. Vervolgonderzoek naar de huismus is dan ook noodzakelijk.
19
Steenuil binnen het onderzoeksgebied een steenuil territorium aanwezig is, het steenuilpaar broedt in een aanwezige nestkast aan de Christinastraat. De nestkast dient verplaatst te worden en het foerageergebied dat verloren gaat moet gecompenseerd worden. Voor deze maatregelen dient een compensatieplan te worden opgesteld. in de directe omgeving meerdere steenuilenterritoria aanwezig zijn, waardoor niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het perceel aan de Zandstraat 37 onderdeel vormt van het leefgebied van een (ander) steenuilpaartje. Het perceel (bebouwing) van Zandstraat 37 is ook een mogelijk geschikt leefgebied voor de steenuil, waardoor niet is uit te sluiten dat steenuil hier een vaste rust- en verblijfplaats heeft. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de weilanden binnen het onderzoeksgebied ook onderdeel vormen als foerageergebied van steenuil. Vervolgonderzoek naar steenuil aan de Zandstraat 37 is noodzakelijk om dit aan te kunnen tonen. de werkzaamheden voor de woningbouwontwikkeling uitgevoerd of op zijn minst aangevangen dienen te worden buiten het broedseizoen van in de omgeving voorkomende broedvogels. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli.
20
Vleermuizen mogelijk meerdere vleermuissoorten een vaste rust- en/of verblijfplaats hebben in de gebouwen ter plaatse van Zandstraat 37 die gesloopt gaan worden en aan de Christinastraat. Het is van belang om vast te stellen of in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen aanwezig zijn. Als het gebouw in gebruik is als verblijfplaats voor vleermuizen, is er bij de sloop van het gebouw sprake van een vernietiging van een vaste verblijfplaats en is een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist (Wnb artikel 3.5 lid 4). Daarbij dient bij de uitvoering van de werkzaamheden en bij toekomstige inrichting van het gebied negatieve effecten als gevolg van het gebruik van kunstmatige verlichting gericht op de naastgelegen bomen en struiken voorkomen te worden. Das binnen het onderzoeksgebied een bewoonde vluchtpijp van das aanwezig is. Door de geplande ontwikkeling gaat een deel van het leefgebied verloren van de das. Hiervoor dient een mitigatie en compensatieplan voor worden uitgevoerd. Marterachtigen de bebouwing binnen het onderzoeksgebied mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen voor steenmarter vormt. Vervolgonderzoek dient aan te tonen of steenmarters gebruik maken van de aanwezige bebouwing binnen de bebouwing aan de Zandstraat 37. kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) mogelijk verblijfplaatsen en/of foerageergebied binnen het onderzoeksgebied hebben.
Vervolgonderzoek naar de habitatgeschiktheid van kleine marterachtigen dient te worden uitgevoerd om aan te tonen of het onderzoeksgebied een essentieel leefgebied is van kleine marterachtigen. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is. Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek naar de huismus, de steenmarter en de vleermuizen is uitsluitend noodzakelijk indien de bebouwing ter plaatse van de Zandstraat 37 gesloopt wordt. Op basis van het door Sweco uitgevoerde dassenonderzoek (2021) komt naar voren dat er een compensatieopgave is voor behoud van het leefgebied van de das. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling van de woonlocatie dient soortgericht onderzoek naar de steenuil en de kleine marterachtigen uitgevoerd te worden. Dit soortgericht onderzoek naar deze soorten is reeds uitgevoerd.
2.5.4.3
Soortgericht onderzoeksteenuit en kleine marterachtigen Op basis van de conclusies uit het verkennend flora- en faunaonderzoek is een soortgericht onderzoek naar de steenuil en de kleine marterachtigen uitgevoerd. Steenuil Voor wat betreft de steenuil heeft de ontwikkeling effect op de functionele leefomgeving (foerageergebied en vaste rust- en verblijfplaats) van de steenuil. Artikel 3.1 lid 4 en 5. van de Vogelrichtlijn. Hiervoor dient een mitigatie en compensatieplan voor het verlies van het functioneel leefgebied van de nestplaats aan de Christinastraat te worden opgesteld. Ook dienen alternatieve nestplaatsen voor steenuil worden geplaatst. Voor compensatie dient alternatief leefgebied gerealiseerd en/of bestaand biotoop verbeterd te worden. Momenteel wordt gewerkt aan de compensatieopgave voor zowel de das als de steenuil. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan wordt het compensatie- en mitigatieplan aan dit bestemmingsplan toegevoerd. Kleine marterachtigen Voor wat betreft de kleine marterachtigen blijven potentiële migratieroutes en het (marginale) leefgebied binnen het plangebied door de ontwikkeling behouden. Er zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Er blijft voldoende leefgebied en structuren behouden. Bij de nieuwe inrichting blijft voldoende potentieel leefgebied behouden. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is een compensatie- en mitigatieplan opgesteld.
Deze compensatieen mitigatieplicht is in de regels als voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Daarnaast geldt voor de sloop van bebouwing ter plaatse van Zandstraat 37 nog een onderzoeksplicht. Ook deze onderzoeksplicht is als
21
voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen. Hiermee vormt het aspect natuurwaarden geen planologische belemmering voor het bestemmingsplan. Met de uitvoering van het compensatieplan is voldoende geborgd dat de realisering van de voorgenomen activiteiten voor het aspect natuur niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
2.5.5
Verkeer en parkeren
2.5.5.1
Verkeersgeneratie Het feitelijk aantal woningen zal naar verwachting tussen de 110 en 120 liggen. Voor de bepaling van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een worstcase situatie van maximaal 125 woningen, omdat het stedenbouwkundig ontwerp nog niet definitief vast ligt. De totale ontwikkeling (worstcase 125 woningen) zorgt voor een verkeerstoename van circa 1.008 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal) op een gemiddelde werkdag. Deze toename is berekend aan de hand van de kencijfers van het CROW. Het complete plan wordt afgewikkeld via één van de drie ontsluitingen (2x primair en 1x secundair). In paragraaf 2.5.2 is de ontsluiting van de verkeersgeneratie beschreven. Tabel 3
Verkeersgeneratie woningbouwontwikkeling
Woningtype
Categorie CROW
Appartementen sociaal
Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur) Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, twee-onder-een-kap
Rijwoningen sociaal Rijwoningen goedkoop Hoekwoningen goedkoop
2.5.5.2
Aantal woningen Kencijfer Verkeersgeneratie Maximaal verkeersgeneratie Gem. weekdag, maximaal Gem. werkdag, maximaal** 18 woningen 4,1 per woning 75,2 mvt/etmaal 83,5 mvt/etmaal 7 woningen 8 woningen 5 woningen
7,8 per woning 7,8 per woning 7,8 per woning
53,7 mvt/etmaal 62,6 mvt/etmaal 35,8 mvt/etmaal
59,6 mvt/etmaal 69,5 mvt/etmaal 39,7 mvt/etmaal
Rijwoningen middelduur Koop, huis, twee-onder-een-kap Hoekwoningen middelduur Koop, huis, twee-onder-een-kap Levensloopbestendig middelduur Koop, huis, tussen/hoek
5 woningen 5 woningen 11 woningen
7,8 per woning 7,8 per woning 7,4 per woning
35,8 mvt/etmaal 35,8 mvt/etmaal 84,9 mvt/etmaal
39,7 mvt/etmaal 39,7 mvt/etmaal 94,2 mvt/etmaal
Senioren (patio) duur Tweekappers duur Vrijstaand duur
7 woningen 39 woningen 1 woningen
7,4 per woning 7,8 per woning 8,2 per woning
50,9 mvt/etmaal 304,1 mvt/etmaal 9,4 mvt/etmaal
56,5 mvt/etmaal 337,6 mvt/etmaal 10,4 mvt/etmaal
Kavels duur Koop, huis, vrijstaand 19 woningen Totaal 125 woningen * Conform uitzondering Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel (2020) ** Op deze cijfers is de omrekenfactor van 1,11 toegepast (Bron: CROW 2018)
8,2 per woning
159,9 mvt/etmaal 908 mvt/etmaal
177,4 mvt/etmaal 1008 mvt/etmaal
Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, vrijstaand
Ontsluiting over wegennet Om de impact van de ontwikkeling op de verschillende wegvakken voor in de toekomst te kunnen beoordelen, is de verdeling van het verkeer over de ontsluitingsroutes van belang. In afbeelding 3 zijn daartoe op basis van expert judgement op dorpsniveau de vier belangrijkste ontsluitingsroutes weergegeven met daarbij een inschatting van de verdeling van het verkeer. Hetzelfde is gedaan op buurtniveau in afbeelding 4. Inschatting verkeer op dorpsniveau: In noordoostelijke richting: via (een klein deel van) de Diepven en de Zandstraat richting van Kaathoven. Inschatting: 10% van de totale verkeersgeneratie. In zuidoostelijke richting: via (een klein deel van) de Diepven en de Zandstraat of via (een klein deel van) de Christinastraat, de Molenstraat en de Driezeeg. Beide routes lopen richting de Gouverneursweg richting Heeswijk Dinther. Inschatting: 15% van totale verkeersgeneratie. In zuidwestelijke richting: via (een klein deel van) de Diepven en de Zandstraat of via (een klein deel van) de Christinastraat, de Molenstraat en de Driezeeg. Beide routes lopen via de Brugstraat richting de N279. Voor bestemmingen buiten Middelrode zal dit een populaire route zijn: bijvoorbeeld verkeer van en naar de rijksweg A2 (richting Eindhoven of Utrecht) of A50 (richting Eindhoven en Nijmegen). Inschatting: 60% van totale verkeersgeneratie.
In noordwestelijke via (een klein deel van) de Diepven en de Zandstraat of via (een klein deel van) de Christinastraat en de Molenstraat. Beide routes lopen via de Julianastraat naar Berlicum. Inschatting: 15% van totale verkeersgeneratie.
22
Afbeelding 3
Inschatting verdeling op dorpsniveau, over het regionale wegennet
Inschatting verkeer op buurtniveau De nieuwbouwontwikkeling sluit op drie locaties aan op het bestaande wegennet: één primaire aansluiting ten hoogte van Christinastraat/Molenstraat, één primaire aansluiting ten hoogte van Diepven/Zandstraat en één secundaire ontsluiting ten hoogte van Christinastraat/Diepven. Deze locaties zijn aangegeven met twee zwarte stippen en één grijze stip. Daarmee wordt aangenomen dat het verkeer met name gebruik zal maken van de primaire ontsluitingen. Tussen deze twee aansluitingen loopt ‘De Laan’. Aan De Laan worden de meeste woningen gesitueerd. Daarnaast is er nog een secundaire ontsluiting, die circa 20 woningen ontsluit. Deze ontsluiting kan, middels een afsluiting, niet gebruikt worden door de overige woningen in het plangebied.
Afbeelding 4
Inschatting verdeling op buurtniveau, over het lokale wegennet.
23
Op basis van het beoogde woonprogramma en de situering van de aansluitingen op het wegennet is een inschatting gemaakt van de verdeling van het verkeer vanuit de woningbouwontwikkeling. Het Diepven aan de zuidzijde van het plangebied wordt daarbij minder aantrekkelijk gemaakt als doorgaande verkeersroute. Hieruit volgt dat in de toekomstige situatie: De route via (een klein deel van) het Diepven/Zandstraat circa 60 procent van het verkeer te verwerken krijgt; De route via (een klein deel van de) Christinastraat/Molenstraat circa 35 procent van het verkeer te verwerken krijgt; De route via Christinastraat/Zandstraat circa 5 procent van het verkeer te verwerken krijgt. Deze straten vormen de meest directe ontsluitingsroutes (met een beperkte hoeveelheid bochten) om de buurt snel te verlaten.
2.5.5.3
Parkeren Woningen leiden tot een behoefte aan parkeerplaatsen, de zogenaamde parkeerbalans. Deze parkeerbalans is berekend aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen1. Bij het opstellen van de parkeerbalans dient uit te worden gegaan van het feitelijk aantal te realiseren woningen en het woningtype. Zoals aangegeven zal het feitelijk aantal woningen naar verwachting tussen de 110 en 120 liggen. Deze woningen leiden tot een behoefte aan parkeerplaatsen, de zogenaamde parkeerbalans. In de volgende tabel zijn de parkeernormen, behorend de bij de verschillende woningtypes, opgenomen. Tabel 4
Parkeernormen woningbouwontwikkeling
type (Zorg)Appartementen Rug-aan-rugwoning Rijwoning 450 Rijwoning 510 Rijwoning 540 Rijwoning levensloopbestendig 600 Patiowoning Tweekapper 567 Tweekapper 627 Vrije kavel
segment sociaal goedkoop sociaal middelduur middelduur middelduur duur duur duur duur
norm 1,20 1,60 2,20 2,20 2,20 2,20 2,20 2,20 2,30 2,30
De benodigde parkeerbehoefte wordt binnen het plangebied opgevangen. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt op grond van het parkeerbeleid bepaald bij aanvraag van de bouwvergunning, op grond van het aantal te realiseren woningen. Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
2.5.6
Geluid Verkeerslawaai Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten, de ontwikkelingslocatie en de nieuwe bedrijfswoning van Zandstraat 37. De bestaande woningen aan de Zandstraat 35 en 37 zijn niet als nieuw geluidgevoelige objecten meegenomen. Om de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen te onderzoeken is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke 1 Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel (Geldend van 28-10-2020 t/m heden)
24
ordening zijn tevens de relevante 30 km/uur-wegen in de directe nabijheid van het plan in het onderzoek betrokken. Wet geluidhinder - plangebied Christinastraat ten gevolge van de Zandstraat (60 km/uur) wordt ter plaatse van het plangebied Christinastraat, behalve aan de zuidwestzijde waar de eerstelijns bebouwing is gesitueerd, de voorkeursgrenswaarde gerespecteerd. ter plaatse van de eerstelijns bebouwing aan de Zandstraat de geluidbelasting maximaal 53 dB bedraagt. De voorkeurgrenswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder wordt niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde (63 dB) wordt wel gerespecteerd. Om het woningbouwplan mogelijk te maken dienen hogere waarden vastgesteld te worden van maximaal 53 dB ten gevolge van de Zandstraat (60 km/uur). uit de berekening naar de geluidbelasting ten gevolge van de Oude Laar blijkt dat het gehele plangebied voldoet aan de voorkeurgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Wet geluidhinder – Paardenhouderij de geluidbelasting ter plaatse van de bedrijfswoning van Zandstraat 37 maximaal 53 dB inclusief aftrek artikel 110g Wgh bedraagt. De voorkeurgrenswaarde (48 dB) uit de wet geluidhinder wordt ter plaatse van het zuidwestelijk gedeelte van het plangebied niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde voor buitenstedelijk gebied (53 dB) wordt wel gerespecteerd.
Maatregelen zoals het toepassen van een stiller wegdek, verlaging van de rijsnelheid, plaatsing van geluidsschermen of het verder van de weg afleggen van de woningen stuit, op overwegende bezwaren van financiële, verkeerskundige en/of stedenbouwkundige aard. Door middel van een fictief bouwblok is aangetoond dat het mogelijk is om minimaal één geluidluwe gevel te realiseren. om het woningbouwplan mogelijk te maken hogere waarden vastgesteld dienen te worden van maximaal 53 dB ten gevolge van de Zandstraat (60 km/uur). Goede ruimtelijke ordening - 30 km/uur-wegen ten gevolge van de Christinastraat/Oud Laar en de Diepven de geluidbelasting ter plaatse van het gehele plangebied niet meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt die geldt voor gezoneerde wegen, maar die formeel niet gelden voor deze weg. Ten gevolge van verkeer op de Zandstraat bedraagt de geluidbelasting ter plaatse van een klein deel van het plangebied meer dan de genoemde voorkeursgrenswaarde. Op de beoogde planschets worden geen woningen beoogd ter plaatse van dit deel van het plangebied. Ter plaatse van de rest van het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde gerespecteerd. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening de maximale geluidbelasting ten gevolge van de beoogde binnenplanse weg 49 dB ter plaatse van gevels die direct aan de binnenplanse weg zijn gelegen bedraagt.
Ter plaatse van de gevels die niet direct aan de binnenplanse weg zijn gelegen bedraagt de geluidbelasting minder dan de 48 dB. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Cumulatieve geluidbelasting de cumulatieve geluidbelasting direct ter plaatse van de binnenplanse weg meer dan 53 dB bedraagt. Tot ongeveer 9 meter vanaf de as van de binnenplanse weg bedraagt de cumulatieve geluidbelasting meer dan 53 dB. de maximale cumulatieve geluidbelasting op de zuidoostgevels van de woningen ter plaatse van de Zandstraat maximaal 58 dB bedraagt. Door afscherming van de woning is het mogelijk om aan de noordwestgevel van de woningen een geluidluwe gevel en buitenruimte (op de begane grond) te realiseren. De gevels waarbij een hogere cumulatieve geluidbelasting van meer dan 53 dB wordt berekend wordt geadviseerd om bij het onderzoek naar de geluidwering van de gevel uit te gaan van de cumulatieve geluidbelasting. de maximale cumulatieve geluidbelasting van het ingevoerde bouwblok ter plaatse van de gevels die direct aan de binnenplanse weg liggen 54 dB bedraagt. Door afscherming van de woning is het mogelijk om aan de gevels van de woningen die niet direct aan de binnenplanse weg liggen een geluidluwe gevel en buitenruimte te realiseren.
De gevels waarbij een hogere cumulatieve geluidbelasting van meer dan 53 dB wordt berekend wordt geadviseerd om bij het onderzoek naar de geluidwering van de gevel uit te gaan van de ongecorrigeerde cumulatieve geluidbelasting. In
25
onderstaande paragraaf zijn de eisen uit het bouwbesluit weergegeven voor het onderzoek naar de geluidwering van de gevel. Geluidbelasting bestaande woningen ten gevolge van de Christinastraat, Diepven, Zandstraat (60 km/uur) en de binnenplanse weg, inclusief verkeersgeneratie van nieuwbouwontwikkeling, de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder gerespecteerd wordt en dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft. ten gevolge van de Zandstraat (30 km/uur), inclusief verkeersgeneratie van nieuwbouwontwikkeling, de maximale geluidbelasting 50 dB bedraagt en de maximale toename 1 dB. Ondanks de toename van de geluidbelasting bij de Zandstraat (30 km/uur), is sprake van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig. Er worden geen nieuwe geluidproducerende activiteiten gerealiseerd (met uitzondering van het geluid van het extra gemotoriseerd verkeer). Vanuit het aspect geluid zijn er geen belangrijke gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten.
2.5.7
Luchtkwaliteit en stikstof
2.5.7.1
Stikstofdepositie Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is de depositiebijdrage vanwege de beoogde situatie berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het plan relevante Natura 2000gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen van zowel de gebruiks- als de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Het beschouwen van de referentiesituatie is daarmee niet aan de orde. De onderhavige ontwikkeling zal geen relevante significante cumulatieve effecten veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt.