CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.1 - Toelichting bestemmingsplan 1e herziening actuali

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 3 oktober 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling reparatieplan Hoogstraat en Milrooijseweg te Berlicum15.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende

35

bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg-tankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepassing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. De Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG).

Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10 -6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Op basis van art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan (lees: afwijkingsbesluit ex art. 2.12, lid 1 onder a sub 2 Wabo waar in dit geval sprake van is) de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde.

Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over

36

de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is. Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk: 1 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 2 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 3 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; 4 enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm). Een verantwoording van het GR kan achterwege blijven indien: b het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of c 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden.

Beoordeling en conclusie Om te bepalen of er sprake is van veiligheidsrisico’s wordt per potentieel gevaar opleverende activiteit (Inrichtingen, buisleidingen, vervoer over de weg) gekeken naar de aanwezigheid daarvan in de buurt van het plangebied en daarna naar het eventuele plaatsgebonden- en groepsrisico. Inrichtingen, transportroutes en buisleidingen Aan de hand van de Atlas voor de Leefomgeving, kan worden gesteld dat het plangebied - en de omgeving daarvan – niet valt binnen een Plaatsgebonden Risico contour (PR) of binnen het invloedsgebied van een transportroute, inrichting of een buisleiding. Dit houdt tevens in dat het Groepsrisico (GR) van die activiteiten niet nader hoeft te worden beschouwd.

Uitsnede Atlas Leefomgeving

37

4.1.4

Bodem Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. De bodemkwaliteit is in het kader van een plan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld.

Beoordeling en conclusie Aan de Milrooijseweg worden bedrijfswoningen bestemd tot reguliere woningen. Er mag dus al gewoond worden, alleen met de beperking dat dit alleen mag door personen die ter plaatse een bedrijf exploiteren. In de nieuwe situatie kan iedereen er wonen. Deze verandering heeft geen invloed op de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit mag dus geschikt worden geacht voor het beoogd gebruik. Voor de Hoogstraat is in de vergunning van 6 september 2007 bodemonderzoek verricht en geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt. Zodoende vormt bodem geen belemmering. 4.1.5

Geluid Inleiding De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor) wegverkeer het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet

38

dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Algemeen Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Spoorverkeer is ter plaatse niet relevant. De breedte van de zone bij wegverkeer is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Aantal rijstroken

Zones langs wegen Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 meter

250 meter

3 of 4 rijstroken

350 meter

400 meter

5 of meer rijstroken

350 meter

600 meter

Tabel 4-1. Overzicht van de zones langs wegen

Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig 6. Beoordeling en conclusie Het plan bevindt zich binnen het onderzoeksgebied van enkele wegen. Voor beide wegen geldt ter plaatse van het bouwplan een maximum snelheid van 50km/uur. Het plan voorziet niet in de Voor wat betreft de Hoogstraat gaat het niet om de toevoeging van een geluidgevoelige functie, het gaat immers om een gebouw ten behoeve van kleinschalige dienstverlening. Daardoor is er geen onderzoeksplicht. Bovendien is de geluidwaarde ter plaatse laag. Dit beeld wordt bevestigd door de Atlas voor de Leefomgeving, de geluidwaarde bedraagt voor de percelen aan de Hoogstraat 48 dB. Onder deze omstandigheden is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk en op voorhand geconcludeerd worden dat sprake is van een acceptabel leefklimaat voor wat betreft wegverkeerslawaai.

6

Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh is voor 30 km/uur-wegen geen onderzoeksplicht. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesproken (nr. 200203751/1: Abcoude) dat nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefklimaat, zoals opgenomen in het Bouwbesluit). Daarom wordt bij 30 km/uur-zones onderzocht of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of de hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel.

39

Uitsnede Atlas Leefomgeving Voor de Milrooijseweg 33,35,37 geldt dat geen geluidgevoelige functies woreden toegevoegd, slechts gaat het om het omzetten van bedrijfswoningen naar reguliere woningen. Om die reden kan worden afgezien van akoestisch onderzoek wegverkeer. Uit de Atlas voor de Leefomgeving kan worden afgeleid dat het geluidniveau tamelijk hoog is, en volgens de indeling van Miedema kan deze worden geclassificeerd als tamelijk slecht. De geluidsituatie wordt ter plaatse echter met name veroorzaakt door de omliggende bedrijven, zie eerder dit hoofdstuk. Het wegverkeer zal mede gezien de relatief lage verkeerintensiteit niet bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. Onder deze omstandigheden hoeft ook vanuit goede ruimtelijke ordening geen akoestisch onderzoek te worden verricht.

40

Tabel Milieukwaliteitsmaat (Miedema) Gecumuleerde geluidbelasting in Lden (dB) < 50 50-55 55-60 60-65 65-70 > 70

4.1.6

Milieukwaliteitsmaat Goed Redelijk Matig Tamelijk Slecht Slecht Zeer slecht

Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO 2 en PM10 is 40 µg/m3; voor PM2,5 is dat 25 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in; 4. past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk

41

en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Bij woningen ligt de grens op 1.500 bij één ontsluitingsweg. Beoordeling en conclusie Het onderhavige project gaat over het planologisch omzetten van 3 bedrijfswoningen naar 3 reguliere woningen en het positief bestemmen van een reeds vergund gebouw ten behoeve van kleinschalige dienstverlening. Er is netto dus geen sprake van verkeerstoename.

Daarmee valt het binnen de NIBM gevallen. Daarnaast blijkt uit de Atlas voor de Leefomgeving dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is (zie vorige paragraaf); er worden geen grenswaarden overschreden (PM 10, PM2,5 of NO2). Het aspect “luchtkwaliteit” vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

42

4.2

Omgevingsaspecten

4.2.1

Water Beleid In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21 e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. De uitkomsten uit deze watertoets zijn in deze paragraaf opgenomen. Europees beleid Europese Kaderrichtlijn De Europese Kaderrichtlijn is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2009 zijn de eerste (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen zij gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen Rijn-West is het Stroomgebied beheerplan Rijn 2016-2021 vastgesteld. Nationaal Water Programma 2022–2027 Nederland heef te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk.

In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.

43

•

Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur

Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven. Waterwet Voornoemd beleid is voor zover nodig juridisch verankerd in de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Provinciaal Milieu- en Waterplan Brabant 2016-2021 De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan.

De provincie ziet een duurzaam, gezond en veilig Brabant voor ons, met een schone en groene economie. − Duurzaamheid en gezondheid zijn uitgangspunt voor ons handelen. − Bodem, water, lucht en natuur zijn van goede kwaliteit en dragen bij aan onze gezondheid. − Ook zorgen ze voor een aantrekkelijk, gevarieerd landschap. − Tegelijkertijd is Brabant met haar robuuste, duurzame economie één van de meest innovatieve regio’s in Europa. De welvaart in onze regio komt voort uit kennis, creativiteit, innovatie en een zuinig gebruik van de ruimte en hulpbronnen. − Het energiegebruik is duurzaam en kringlopen zijn gesloten. − Woningen en bedrijfsgebouwen zijn energieneutraal

44

− Bedrijfsprocessen zijn energiezuinig. − De lucht is schoner en de geluidsoverlast is afgenomen. − De agrofoodsector is duurzaam en de landbouw volledig nutriëntenneutraal, want agrariërs − gebruiken niet meer voedingsstoffen dan hun gewassen kunnen opnemen. − Brabanders voelen zich veilig en beschermd, ze zijn voorbereid op rampen en overstromingen. Waterschap De Dommel In maart 2015 is een gezamenlijke Keur door de Brabantse Waterschappen opgesteld. De keur is een verzameling regels die het waterschap gebruikt. Hiermee beschermen wij onze dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen. Op grond van de Keur zijn Algemene regels (Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015) en een aantal Beleidsregels opgesteld. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past.

Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.” Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen. De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen.

De ambitie en de verandering zijn gericht op: − van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal; − van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied; − van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de waterhuishouding voldoende aandacht is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de

45

initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Navolgende tekst dient als watertoets (de opbouw en inhoud van de watertoets is vormvrij). Beoordeling en conclusie Er is geen sprake van een toename van de verharding. Er is dus geen significant effect op de waterhuishoudkundige situatie en daarom hoeven geen compenserende maatregelen uitgevoerd worden. In het plan is verder geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd. Voorts wordt niet gebouwd in een beschermingszone van een waterkering en wordt er geen water gedempt. Zodoende werpt het aspect water geen belemmeringen op. 4.2.2

Natuur Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet. Beoordeling en conclusie Gebiedsbescherming: Nu er geen bouw- of sloopactiviteiten plaatsvinden, bomen worden gekapt of water wordt gedempt kan geen sprake zijn van overtreding van de Nb-wet, onderdeel gebiedsbescherming. Het gebied ligt niet nabij enig Natura 2000-gebied zodat op voorhand kan worden geconcludeerd dat er geen externe effecten zijn, zoals trilling, verstoring of stikstofdepositie. Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Omdat de vertaling van dit netwerk in de provinciale verordening geen externe werking kent, leiden de beoogde plannen niet tot effecten op deze gebieden. Soortenbescherming Er worden geen gebouwen gesloopt, beplanting verwijderd of water gedempt. Daarom kan van overtreding van de Wnb, onderdeel soortenbescherming, geen sprake zal zijn. Het onderwerp natuur werpt gelet op bovenstaande geen belemmeringen op. Wel dient te allen tijden de zorgplicht in acht te worden genomen als opgenomen in artikel 1.11 van de Wet Nb. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden

46

veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.2.3

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Op grond van het overgangsrecht van deze wet zijn de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht gebleven totdat de Omgevingswet in werking treedt. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Beoordeling en conclusie Nu er geen grondroerende werkzaamheden worden verricht, kunnen geen archeologische relicten worden aangetast en is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Wel is een op bescherming gerichte dubbelbestemming voor Archeologie opgenomen, mochten er in de toekomst grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Wel geldt altijd de zorgplicht, zoals vastgelegd in de Erfgoedwet, ofwel ‘meldingsplicht’, zoals vastgelegd in Artikel 5.10.

Archeologische toevalsvondst: 1 Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2 De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, is gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.

4.2.4

Cultuurhistorie Algemeen In 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Onder meer heeft dit tot gevolg dat in bestemmingsplannen cultuurhistorie meegewogen dient te worden. Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Beoordeling en conclusie In hoofdstuk 2 is reeds ingegaan op de geschiedenis; de cultuurhistorische waarden van de locatie worden niet aangetast. Cultuurhistorie vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

47

4.2.5

Verkeer en parkeren De woningen aan de Milrooijseweg worden op die weg ontsloten. Uitgegaan mag worden van 8,6 vervoersbewegingen/etmaal, gebaseerd op de VNG-publicatie CROW Publicatie Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen (publicatie 381, 2018). De omliggende infrastructuur kan dit eenvoudig verwerken. Datzelfde geldt voor het bedrijfsgebouw aan de Hoogstraat, waarbij zij opgemerkt dat dit gebouw met bijbehorend gebruik reeds vergund is. De woningen zullen over voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein moeten beschikken. Wat ‘voldoende’ is wordt bepaald door de gemeentelijke parkeernorm. Voor de situatie aan de Hoogstraat is de volgende berekening uitgevoerd en de conclusie luidt dat de parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden gerealiseerd.

Voor de woningen aan de Milrooijseweg kan worden gekeken naar de gemeentelije parkeernormen:

De locatie ligt in de rest bebouwde kom. Voor no 33 geldt dus een norm van 2,3P en voor de twee onder een kapper 2,2. Daar wordt niet helemaal aan voldaan. Ingevolge de Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel zijn de parkeernormen evenwel niet van toepassing op de bestaande omgeving. Als uitgangspunt geldt dat nieuwe ontwikkelingen een parkeerbehoefte met zich meebrengen en daarmee parkeerdruk genereren. De ‘Beleidsregels parkeernormen Sint-

48

Michielsgestel’ zijn van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (aanvraag omgevingsvergunning): 1.Nieuwbouw: van ‘niets’ (braakliggend terrein) naar een ruimtelijke ontwikkeling; 2.Vergroting/uitbreiding/splitsing: Vergroting/uitbreiding/splitsing van een pand kan immers leiden tot een grotere parkeerbehoefte; 3.Functie-/bestemmingswijziging: eventueel in combinatie met verbouwingsactiviteiten, waarbij de nieuwe functie/de nieuwe bestemming een andere parkeerbehoefte genereert. De woningen zijn nu bestemd als bedrijfswoning en genereren geen andere/hogere parkeerdruk in de nieuwe situatie. Conclusie Verkeer en parkeren vormt gelet op bovenstaande geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.2.6

Duurzaamheid Over duurzaamheid kan worden aangegeven dat aangezien het gaat om bestaande woningen en een bestaand gebouw voor dienstverleningen, zijn er geen wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid.

49

5 5.1

Economische uitvoerbaarheid Inleiding Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan/plan als bedoeld in artikel 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wabo, dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is in dit kader de vraag relevant of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade.

5.2

Beoordeling plan Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde. Voor de gemeente Sint-Michielsgestel zijn derhalve geen kosten verbonden aan het plan, anders dan de kosten van het opstellen daarvan en het uitvoeren van onderzoek en realiseren geluidsscherm.

5.3

Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende aangetoond.

50

6 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg Gelet op jurisprudentie, kan worden afgezien van vooroverleg ex artikel 3.1 Bro7.

6.2

Zienswijzen Uit jurisprudentie blijkt in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij staat om bij een nieuwe poging terug te vallen op de procedure die aan het besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure opnieuw te doorlopen (ECLI:NL:RVS:2016:471). Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen (ECLI:NL:RVS:2018:4). Uit een uitspraak van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2481) volgt dat de omstandigheid dat het beleid intussen is gewijzigd en dat de voorheen van toepassing zijnde Verordening Ruimte inmiddels is vervangen door een gewijzigde Verordening Ruimte, geen omstandigheid is waarin de gemeenteraad aanleiding had moeten zien een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen. Er dient dan wel geen sprake te zijn van een ‘wezenlijk ander plan’. Wat onder een wezenlijk ander plan wordt verstaan, is uiteraard casuïstisch. Uit de uitspraak ECLI:NL:RVS:2013:BY9958 blijkt dat een verandering van 14 naar 18 zorgwoningen niet gezien wordt als een wezenlijk ander plan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het plan geen verandering brengt in het gebruik van het perceel, dat bestemd blijft voor maatschappelijke doeleinden.

In ECLI:ML:RVS:2014:3805 speelt ook het belang van appellante een rol. Vast staat dat het bestreden plandeel geen onderdeel was van het ontwerpplan. Gelet op de omstandigheid dat dit plan een herziening betreft en gelet op de beperkte omvang van het bestreden plandeel in verhouding tot de omvang van het gehele plan, is de Afdeling van oordeel dat de afwijking ten opzichte van het ontwerpplan naar aard en omvang niet zo groot is dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld. Overigens is [appellante] door deze wijziging niet benadeeld, nu zij op uitnodiging van het gemeentebestuur voorafgaand aan de vaststelling van het plan over deze wijziging een zienswijze naar voren heeft gebracht bij de raad. Het betoog faalt. Verder wordt genoemd de uitspraak ECLI:NL:RVS:2017:600. In het ontwerpplan was aan de twee opgenomen bouwvlakken onder meer de aanduiding "maximum bebouwingspercentage 65" toegekend, waardoor per bouwvlak ongeveer 93,5 m² aan bebouwing was toegestaan. In het vastgestelde plan is aan deze bouwvlakken onder meer de aanduiding "maximum bebouwingspercentage 80" toegekend, waardoor per bouwvlak ongeveer 115 m² aan bebouwing is toegestaan. De bestemming is daarbij ongewijzigd gebleven en dus is geen sprake van een wezenlijk ander plan. 7 ABRvS 18 januari 2012, TBR 2012/52

51

De uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1327 is tot slot van belang. De Afdeling is van oordeel dat de raad de voorbereidingsprocedure niet opnieuw hoefde te doorlopen, omdat geen sprake is van een wezenlijk ander plan. De wijziging van de bestemming "Groen" naar de bestemming "Wonen" is in dit geval niet een zo grote afwijking van het ontwerp dat sprake is van een wezenlijk ander plan, omdat in het ontwerp een groot deel van de percelen in het plangebied al de bestemming "Wonen" had. De wijzigingen zijn ook naar omvang niet een zo grote afwijking van het ontwerp dat sprake is van een wezenlijk ander plan. Het plangebied heeft een omvang van ongeveer 12,6 hectare, terwijl de gebieden aan de Hummelsweide en de Blekerij samen een omvang hebben van ongeveer 0,3 hectare. Ook is het aantal van 13 woningen dat mogelijk is gemaakt in die beide gebieden beperkt ten opzichte van het totale aantal van 217 toegestane woningen in het plangebied. De wijzigingen op de twee percelen waarop [appellant sub 2] heeft gewezen, zijn ook beperkt. Op één perceel was in het ontwerp al een bedrijfswoning mogelijk en is alleen de bestemming gewijzigd van "Maatschappelijk" naar "Wonen". Op het andere perceel is één woning mogelijk gemaakt en is de bestemming gewijzigd van "Maatschappelijk" naar "Wonen".

Overigens zijn omwonenden voor de vaststelling van het plan geïnformeerd over de wijzigingen en konden zij inspreken bij de commissie- en raadsvergadering over het plan. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben daarvan gebruik gemaakt. Gelet op bovenstaande, wordt het ontwerp bestemmingsplan niet opnieuw ter inzage gelegd.

6.3

Conclusie Het bestemmingsplan wordt geacht maatschappelijk uitvoerbaar te zijn.

52

7 7.1

Juridische regeling Planonderdelen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1. via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; 2. via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc.. Via een aanduiding wordt in de planregels ‘iets’ geregeld.

Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestemmingsregel hebben. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel.

De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.

53

2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’, en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmasten, speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen.

Hoewel het hier in wezen ook algemene regel betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

7.2

De bestemmingen In het bestemmingsplan zijn voor het plangebied de bestemmingen Dienstverlening voor drie percelen aan de Hoogstraat opgenomen, met bouwvlak en maximale gooten bouwhoogte. Voor de Milrooijseweg is een bestemming Bedrijventerrein opgenomen, met een aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein wonen’, zodat zowel de burgerwoningen als de bijbehorende tuinen en erven als zodanig gebruikt mogen worden. Het gaat hier dus om woningen op een bedrijventerrein. Er is onderscheid gemaakt tussen no. 33 enerzijds en no. 35 en 37 anderzijds, omdat voor eerstgenoemd adres in dit plan een voorwaardelijke verplichting is opgenomen om een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen; hiertoe moet een geluidsscherm van tenminste 4,2 m hoog aanwezig moet zijn ter plaatse van de aanduiding ‘geluidscherm’. Het onderscheid is gemaakt met de aanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijventerrein wonen-1 respectievelijk 2’. Om de geluidsituatie niet te laten verslechteren, en bestaande bedrijven niet te belemmeren in de bedrijfsvoering, worden nieuwe aan- en uitbouwen niet toegestaan, ook niet vergunningsvrij (hiertoe is een specifieke gebruiksregel opgenomen dat de gronden niet beschouwd dienen te worden als erf). De woningen (het

54

hoofdgebouw) dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht met maximale gooten bouwhoogte. De dubbelbestemming Waarde-Archeologie 4 is overeenkomstig het vernietigde bestemmingsplan(deel) opgenomen.

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=25bd5b1e-4d1a-4985-a0d8-81e856f2e8a9