CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.1 - Toelichting bestemmingsplan 1e herziening actuali

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 3 oktober 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling reparatieplan Hoogstraat en Milrooijseweg te Berlicum15.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

,

Toelichting

1e herziening Actualisatie kommen Berlicum en Middelrode Gemeente Sint Michielsgestel

25 juni 2024

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en doelstelling Plangebied Geldend planologisch regime Leeswijzer

3 4 5 7

2

Bestaande en toekomstige situatie

9

2.1 2.2

Bestaande situatie Het plan

9 11

3

Beleidskader

16

3.1 3.2 3.3 3.4

Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

16 16 18 24

4

Milieu- en omgevingsaspecten

28

4.1 4.2

Milieu-aspecten Omgevingsaspecten

28 43

5

Economische uitvoerbaarheid

50

5.1 5.2 5.3

Inleiding Beoordeling plan Conclusie

50 50 50

6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

51

6.1 6.2 6.3

Overleg Zienswijzen Conclusie

51 51 52

7

Juridische regeling

53

Bijlage 1: Milieutechnisch onderzoek woningen Milrooijseweg 33,35,37 i.v.m. herbestemming van bedrijfswoning naar burgerwoning, M+P, 9 oktober 2023

1 1.1

Inleiding Aanleiding en doelstelling Bij tussenuitspraak van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:512, heeft de Raad van State de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel opgedragen om de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 23 januari 2020" tot vaststelling van het bestemmingsplan "Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode" te herstellen. Het gaat hierbij om onder andere om de percelen Hoogstraat 45a, 45b en 47 en de Milrooijseweg 33, 35 en 37, allen gelegen in Berlicum. De raad dient daartoe: a. te onderzoeken of het gebruik van de woningen op de percelen Milrooijseweg 33, 35 en 37 als burgerwoning onder het gebruiksovergangsrecht valt en zonodig de uitkomsten daarvan te betrekken bij de bestemmingsregeling voor deze percelen; b. de bestemming voor het perceel Hoogstraat 45a, 45b en 47 in overeenstemming te brengen met de op 6 september 2007 verleende afwijkingsvergunning voor de bedrijfsruimte op dit perceel of een ander besluit te nemen. Bij besluit van 15 december 2022 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld, onder meer door voornoemde percelen buiten het nieuwe Actualisatieplan kommen Berlicum en Middelrode te houden. Tegen dit besluit is beroep aangetekend. Op 15 maart 2023 heeft de Raad van State inzake dit beroep uitspraak gedaan (202001917/3/R2, ECLI:NL:RVS:2023:1035).

De Afdeling is van oordeel dat met het buiten het nieuwe bestemmingsplan laten van de percelen Milrooijseweg 33,35 en 37 en Hoogstraat 45a, 45b en 47 door aanpassing van de plangrens, niet aan de opdracht in de tussenuitspraak is voldaan. Deze opdracht behelsde een aanpassing van de bestemming voor deze percelen. Het herstelbesluit heeft tot gevolg dat geen aangepaste planregeling voor deze percelen is opgenomen. Dat volgens de raad het gebruik van de bebouwing op de percelen Hoogstraat 45a, 45b en 47 met de in 2007 verleende artikel 19 lid 2 procedure positief is bestemd betekent evenmin dat aan de opdracht in de tussenuitspraak is voldaan. Een eenmalige vrijstelling voor het oprichten van bebouwing kan niet worden gelijkgesteld met een bestemming die voor herhaling toepasbaar is. Dat volgens het herstelbesluit de uitkomst van onderzoek naar de percelen Milrooijseweg 33,35 en 37 niet dermate compleet was dat het college van burgemeester en wethouders de raad kan adviseren de bestemming van de bedrijfswoningen mogelijk te wijzigen, laat onverlet dat de raad niet aan de opdracht in de tussenuitspraak heeft voldaan.

Dat geldt ook voor de overweging in het herstelbesluit dat het college van burgemeester en wethouders zich na vaststelling van dit besluit zal inspannen om ook voor deze locaties een juridisch-planologisch passende oplossing te vinden en uiterlijk 30 juni 2023 een voor deze locatie gemaakte planologische procedure te starten. Met dit bestemmingsplan wordt alsnog uitvoering gegeven aan de tussen- en definitieve uitspraak. Tevens wordt hierbij een aangenomen motie d.d. 23 januari 2020 van de raad van Sint-Michielsgestel betrokken, inhoudende dat het college verzocht wordt

3

medewerking te verlenen aan het wijzigingen van de bestemming Bedrijf naar Wonen onder de voorwaarde dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd, en hiertoe milieu hygiënisch onderzoek uit te voeren alsmede onderzoek naar de integrale planologische (o.a. ruimtelijk, planschade en bedrijfsschade) gevolgen van de directe omgeving ter plaatse van de Milrooijseweg 33, 35 en 37 en de resultaten van dit onderzoek te sturen aan de gemeenteraad. Om de burgerwoningen op voornoemde adressen positief te bestemmen, dienen ze te worden bestemd als woning op een bedrijventerrein. Zie verder hoofdstuk 2.

1.2

Plangebied Het plangebied omvat voornoemde 6 percelen, allen gelegen in Berlicum.

Globale ligging plangebied

4

Plangebied (Hoogstraat 45a, 45b, 47 boven, Milrooijseweg 33,35, 37 beneden)

1.3

Geldend planologisch regime Met het buiten het bestemmingsplan Actualisatie kommen Berlicum en Middelrode houden geldt voor de percelen aan de Hoogstraat het bestemmingsplan Centrum Berlicum, vastgesteld op 24 april 1997. De gronden hebben een bestemming Gemengd Gebied gekregen.

5

De op de plankaart als "gemengd gebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor: -

bestaande detailhandelsdoeleinden horecadoeleinden bestaande kantoren met baliefunctie kantoren zonder baliefunctie publiekverzorgend ambacht en dienstverlening kleinschalige maatschappelijke dienstverlening bedrijfsdoeleinden, niet zijnde inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de wet geluidhinder woondoeleinden benzineverkooppunt, ter plaatse van de op de plankaart aangeduide locatie parkeren

Voor de Milrooijseweg 33,35,37 geldt het bestemmingsplan Berlicum-Noord, vastgesteld op 26 april 2001. Er geldt een bestemming bedrijven met bebouwingspercentage van 60%. De op de plankaart als 'bedrijven' aangewezen gronden zijn bestemd voor: lichte industriële en ambachtelijke bedrijven; productiegebonden detailhandel; bedrijfswoningen; afschermende groenvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding op de plankaart; opslag-, kantoor- en parkeerdoeleinden;

6

-

geluidsscherm ter plaatse van de aanduiding op de plankaart.

Een gebruik als reguliere woning is op basis van deze bestemming niet toegestaan en levert dus strijd op.

Uitsnede geldend bestemmingsplan

1.4

Leeswijzer Deze toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan

7

het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in het hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de maatschappelijke procedure. In hoofdstuk 7 tenslotte wordt de juridische werking van het bestemmingsplan uitgelegd.

8

2 2.1

Bestaande en toekomstige situatie Bestaande situatie Alle percelen zijn gelegen in Berlicum, een dorp in de gemeente Sint-Michelsgestel. Het dorp is gelegen op hoger gelegen temidden in het verder nogal natte landschap en als boerengemeenschap ontstaan, die het vee op de weiden langs de regelmatig overstromende rivier de Aa liet grazen. De Hoogstraat vormt de historische structuur waarlangs de bebouwing zich lange tijd concentreerde. Vanouds is de structuur van het dorp een lintstructuur, met een centrale as die noordwest-zuidoost loopt. De eerste ontwikkelingen van het dorp hebben aansluitend hierop plaatsgevonden. Daardoor ontstond er een structuur van parallelstraten, een zogenaamd lintakkerdorp.

Dit komt nu tot uiting door de traditionele bebouwing die aan de Hoogstraat nog steeds te vinden is, maar ook door de wat grotere verscheidenheid aan functies. Berlicum behoudt lange tijd haar kleinschalige, agrarische karakter. Pas na de Tweede Wereldoorlog vinden planmatige uitbreidingen plaats, waaronder het bedrijventerrein de Ploeg/ Milrooijseweg. Het bedrijventerrein kent functioneel vormgegeven bedrijfsgebouwen en is niet op een klassieke manier afgescheiden van woongebied. Veeleer lopen deze functies in elkaar over, hetgeen op navolgende uitsnede van het geldende bestemmingsplan goed te zien is: paars (bedrijven) en geel (wonen) lopen langs elkaar en verspreid komen ook andere functies voor. Het straat- en bebouwingsbeeld aan de Milrooijseweg doet meer aan als een rustige dorpsstraat met hoofdzakelijk vrijstaande woningen. Op andere plaatsen is direct bedrijvigheid zichtbaar, maar vaak bevindt zich de bedrijfsbebouwing achter de (bedrijf)swoning. Mede hierom leent het bedrijventerrein zich niet voor zware industrie en deze komt dan ook niet voor: de meeste bedrijven zijn onder milieucategorie 1 of 2 te scharen, met enkele uitzonderingen in milieucategorie 3.1 of 3.2.

9

Impressies omgeving plangebied Milrooijseweg

Uitsnede geldend bestemmingsplan omgeving Milrooijseweg

10

Impressies Hoogstraat

2.2

Het plan Onderdeel Hoogstraat 45a, 45b, 47 Aan de Hoogstraat 45a, 45b en 47 bevinden zich drie dienstverlenende bedrijven, gevestigd in één gebouw, gelegen ‘in de tweede lijn’, achter bestaande woningen. Het bouwwerk bestaat uit één bouwlaag en een samengestelde kap. Het gebouw is opgesplitst in drie delen met elk een eigen toegang. Hierdoor is het bouwwerk geschikt voor drie verschillende gebruikers. Zoals aangegeven, is hier op 6 september 2007 vergunning voor verleend. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gesproken over ‘kleinschalige maatschappelijke voorzieningen zonder baliefunctie’.

Deze gebruiksvorm wordt met dit bestemmingsplan expliciet toegestaan. De ruimtelijke inpasbaarheid is met de vergunning uit 2007 reeds aangetoond, inclusief

11

benodigde onderzoeken, zodat een nadere onderbouwing hiervoor niet noodzakelijk is. De functies worden geacht ter plaatse ruimtelijk, functioneel en stedenbouwkundig gewenst te zijn. De bebouwing is vanaf de straat niet zichtbaar en het parkeren wordt op eigen terrein opgelost. In voornoemde ruimtelijke onderbouwing staat dit als volgt verwoord:

De parkeerbehoefte is destijds als volg bepaald:

Situatieschets vergunning 2007

12

Impressies plangebied Hoogstraat 45a, 45b, 47 Aan het perceel worden geen verdere uitbreidingsmogelijkheden toegekend, zowel qua gebruik als bebouwing. Daardoor kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omgeving worden gegarandeerd. Onderdeel Milrooijseweg 33,35,37 Op voornoemde adressen zijn al geruime tijd objecten aanwezig die als reguliere woning (en dus niet als bedrijfswoning) in gebruik zijn. Een gebruik als bedrijfswoning is wel toegestaan. Alle drie objecten zijn als woning met tuin en erf vormgegeven en ingericht. De objecten bestaan uit één bouwlaag met kap. De Milrooijseweg 33 betreft een vrijstaande woning, staat kadastraal bekend BLC00-H-2171 en meet 1.480 m 2, Milrooijseweg 35 en 37 betreft een twee-onder-één kapper, no. 35 staat bekend BLC00-H-3654 en kent een oppervlakte van 477 m 2; no. 37 BLC00-H-3655 en meet 373 m2.

13

Impressies plangebied Milrooijseweg

Nu er in stedenbouwkundig opzicht niets veranderd en bedrijven niet belemmerd worden door de functiewijziging (zie meer in detail hoofdstuk 4), er voldoende ruimte is voor parkeerplaatsen op eigen terrein en in openbaar gebied, bestaan er geen ruimtelijke bezwaren om de planologie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Door de woningen als zodanig te bestemmen ontstaat een betere financiële basis te investeren in onderhoud van het pand. Bovendien wordt een met het bestemmingsplan strijdige situatie opgelost, waarbij het niet goed voorstelbaar is hoe het plan in overeenstemming kan worden gebracht. Dit heeft te maken met de definitie van bedrijfswoning zoals opgenomen in het bestemmingsplan en de jurisprudentie omtrent dit onderwerp. De definitie luidt:

Uit diverse uitspraken van de Raad van State blijkt dat de noodzaak van een bedrijfswoning niet eenvoudig is aan te tonen. Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2017:1005 en ECLI:NL:RVS:2016:1359, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4962 enECLI:NL:RVS:2021:2387. Het vaste vertrekpunt van de Raad van State is dat dat met betrekking tot de vraag naar de noodzaak van een dienstwoning het van belang is of de bedrijfsvoering ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeist, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. En daar is

14

niet snel sprake van. Zo vloeit uit de omstandigheid dat op het terrein wel eens vernielingen plaatsvinden, niet rechtstreeks de noodzaak van een dienstwoning voort, te meer nu het terrein op andere manieren zou kunnen worden beveiligd. Zodoende wordt overwogen dat een regulier gebruik als woning feitelijk het enige zinvolle en mogelijke gebruik is ter plaatse. Zoals aangegeven, worden bedrijven niet belemmerd door het positief bestemmen van de woningen. Daartoe worden de woningen bestemd als woningen op een bedrijventerrein. Hierdoor mag van een hogere, doch nog steeds acceptabele geluidbelasting worden uitgegaan op de gevels van de woningen, zodat bedrijven niet belemmerd worden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Teneinde een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen, wordt wel een geluidsscherm geplaatst van 2 m hoog op navolgende locatie. Het realiseren en in stand houden hiervan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

Locatie geluidsscherm Er kan gelet op bovenstaande medewerking worden verleend. In navolgend hoofdstuk wordt getoetst aan ruimtelijk relevant beleid van diverse overheden en in het hoofdstuk aan milieu-en omgevingsaspecten.

15

3 3.1

Beleidskader Algemeen Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders die ontworpen worden op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid weergegeven.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.

sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna.

16

Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of

17

zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken - Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4201501297/1/R4 (plannen tot 11 woningen zijn niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Beoordeling en conclusie Onderhavig plan betreft het positief bestemmen van reeds aanwezige functies, binnenstedelijk gelegen. Er vindt geen nieuwe ruimtebeslag plaats. Gezien de aangehaalde jurisprudentie hieromtrent ligt de locatie bovendien binnen Bestaand Stedelijk Gebied (BSG). Het plan hoeft daarom niet verder getoetst aan de Ladder.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018 de Kwaliteit van Brabant (intern, per 1 januari 2024 van rechtswege rechtsgeldend) De Omgevingswet heeft als doel een balans te vinden tussen beschermen (veilig, gezond met waarborg voor omgevingskwaliteit inclusief natuur) en benutten (optimaal gebruik en ontwikkelen van de leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen). Met de huidige en volgende generaties op ons netvlies grijpt het provinciaal bestuur de Omgevingsvisie aan als kans om privaat, maatschappelijk en publiek handelen en beslissingen over ontwikkelingen met elkaar in samenhang te brengen. Met de omgevingsvisie formuleren we onze ambitie: hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uitzien? En daarbij stellen we mobiliserende tussendoelen: wat willen we in 2030 voor elkaar hebben om die ambitie te verwezenlijken? Brabant is in 2050 welvarend, verbonden en klimaatproof. Dit wordt uitgewerkt in voer hoofdopgaven: 1. Werken aan de Brabantse energietransitie 2. Werken aan een klimaatproof Brabant 3. Werken aan de slimme netwerkstad 4. Werken aan een concurrerende, duurzame economie Hier ligt een basisopgave aan ten grondslag: Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa.

De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.

18

Hoofdopgave 1: Doel 2050: 100% duurzame energie, grotendeels afkomstig uit Noord-Brabant. Doel 2030: ten minste 50% reductie van broeikasgassen ten opzichte van de uitstoot in 1990 en ten minste 50% duurzame energie. Hoofdopgave 2: Doel 2050: Brabant is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Doel 2030: Brabant handelt al sinds 2020 klimaatbestendig en waterrobuust; in 2030 zijn de eerste grote gebiedsopgaven daartoe al gerealiseerd. Hoofdopgave 3: Doel 2050: Het stedelijk netwerk van Brabant functioneert als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen als onderdeel van de Noordwest-Europese metropool. Brabant kenmerkt zich door een sterke sociale cohesie, een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem en een uitstekende (digitale) infrastructuur. Doel 2030: Brabantse partijen werken aan de transformatie van het bestaand bebouwd gebied van Brabant. Ondersteund door de digitale ontwikkelingen zijn er belangrijke stappen gezet in de richting van een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem. Bewoners uit alle geledingen van de bevolking voelen zich verbonden met hun omgeving en met elkaar doordat zij meedenken en meedoen aan de veranderingen in hun omgeving.

Hoofdopgave 4: Doel 2050: Brabant is top kennis- en innovatieregio in Europa. Producten, materialen en grondstoffen worden op alle onderdelen van de Brabantse economie in verregaande mate hergebruikt. Niet hernieuwbare hulpbronnen worden behouden. Het streven naar waardecreatie voor mens, natuur en economie gaan hand in hand. De Brabantse economie is verregaand circulair. Doel 2030: Brabant is top kennis- en innovatieregio in Europa. We werken aan een circulaire economie door duurzamer om te gaan met de beschikbare grondstoffen en natuurlijke bronnen. We verminderen daartoe samen met maatschappelijke partners het gebruik van niet vernieuwbare grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen) volgens de landelijke afspraken met 50%. Beoordeling en conclusie Voor dit plan zijn met name hoofdopgave 3 en 4 van belang. Over wonen wordt onder meer aangegeven dat herbestemmen het nieuwe bouwen is: als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebieden. Het geeft interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw.

De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. Dit plan is een typisch voorbeeld van transformeren/ herbestemmen (van bedrijf naar wonen) en bovendien wordt een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave en gaat om binnenstedelijk gelegen gebied. Daarmee past het plan binnen de provinciale omgevingsvisie. Voor de bedrijven aan de Hoogstraat geldt dat deze positief bestemd zijn, zonder verdere uitbreidingsmogelijkheden, qua gebruik en bebouwing, zodat een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omgeving is gegarandeerd.

19

3.3.2

Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. Om uitvoering te geven aan de visie heeft de provincie straks onder de Omgevingswet verschillende instrumenten tot haar beschikking. De omgevingsverordening is daarbij slechts 1 van de instrumenten die de provincie inzet om haar doelen en ambities te realiseren. De omgevingsverordening bevat de spelregels en randvoorwaarden met een bindende werking voor het handelen van burgers en bedrijven, gemeenten en waterschappen. Bij de omgevingsverordening zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • een gebruikersvriendelijke verordening met een duidelijke opbouw en eenvoudige regels; • geen dubbele regelgeving dus er worden geen regels gesteld voor aspecten die al op nationaal niveau zijn geregeld; • regels ondersteunen de uitvoering en nieuwe manier van werken uit de omgevingsvisie en brengen partners als gemeenten, waterschappen, ondernemers en bewoners zoveel mogelijk in positie om eigen verantwoordelijkheid te nemen; • regels bieden waar mogelijk ruimte voor eigen invulling en afweging, bijvoorbeeld door meer te werken met doelvoorschriften en open normen; • een ja, mits benadering door het positief formuleren van voorwaarden.

Beoordeling en conclusie Wanneer ingezoomd wordt op het plangebied verschijnen vier werkingsgebieden in beeld, waarbij alleen de instructieregels basiskaart en het werkingsgebied Omgevingswaarden voor dit plan relevant zijn; de andere twee werkingsgebieden (specifieke agrarische ontwikkelingen en instructieregels voor gemeente water en geluid) zijn dus buiten beschouwing gelaten. Daarnaast gelden er ‘regels voor iedereen’. Artikel 4.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. De karakteristiek van een plek of gebied bestaat uit herkomst- en belevingswaarden. Onderling zijn deze nauw verbonden en geworteld in een lang historisch ontwikkelingsproces. Herkomstwaarde gaat onder andere over verbondenheid, eigenheid en herkenbaarheid, cultuurhistorische verscheidenheid en leesbaarheid van de omgeving in tijd en ruimte. Voorbeelden van belevingswaarde zijn uitstraling en aantrekkelijkheid, de schoonheid van de omgeving en een omgeving met contrasten, diversiteit, rust en ruimte.

De gebruiksen toekomstwaarden van een plek of gebied zijn vooral verbonden met de maatschappelijke en ruimtelijke dynamiek. Actuele maatschappelijke opgaven en vraagstukken zijn veelal in grote mate bepalend voor de toekomstige kwaliteit van de leefomgeving. Gebruikswaarde heeft onder andere betrekking op een goede bereikbaarheid en functionaliteit van locaties, effectiviteit en productiviteit, externe veiligheid, een schoon milieu en een goede waterhuishouding. Bij toekomstwaarde gaat het bijvoorbeeld om

20

stabiliteit en flexibiliteit, duurzaamheid, draagvlak voor een betekenisvolle toekomst, erfgoed, rekening houden met ecologische voorraden en duurzame ecosystemen. Artikel 4.8 Zorgvuldig ruimtegebruik Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwde locaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied is een belangrijk uitgangspunt. Dit beleid wordt gecontinueerd. Mede gelet op de leegstand van agrarisch vastgoed is nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied niet nodig of wenselijk. Hierop bestaan wel uitzonderingen, bijvoorbeeld in geval van verplaatsing van een bedrijf in het kader van een groot openbaar belang of in het geval van functies die vanuit het borgen van een goede en veilige leefomgeving niet in de directe omgeving van kwetsbare functies mogelijk zijn, zoals windturbines. In het algemeen geldt dat het oprichten van bebouwing buiten bestaand ruimtebeslag gepaard gaat met sanering van leegstaande bebouwing elders, bijvoorbeeld door het instellen van een sloopfonds.

Beoordeling en conclusie Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik aangezien het gaat om het positief bestemmen van bestaand panden, binnen bestaand stedelijk gebied. Uit deze ruimtelijke onderbouwing lijkt bovendien dat sprake is van een goede omgevingskwaliteit. Zodoende wordt voldaan aan de Omgevingsverordening. Getoetst is ook aan de Interim-omgevingsverordening die tevens raadpleegbaar zijn op ruimtelijkeplannen.nl. Voor zover kan worden nagegaan, is alleen het werkingsgebied Instructieregels voor gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed relevant in die zin dat er een aparte regel is opgenomen die niet voorkomt in de Omgevingsverordening. Deze luidt: Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: • de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; • het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: • bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; • bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; • geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

21

• • •

houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Zie navolgende paragraaf voor de regionale afstemming/ regionale behoefte. Aan voornoemd artikel wordt voldaan. 3.3.3

Brabantse Agenda Wonen 2017 De Brabantse Agenda Wonen sluit aan op de ambitie van de provincie te blijven behoren tot de top van Europese kennis- en innovatieregio’s. Een aantrekkelijk woon-, leefen vestigingsklimaat is hiervoor essentieel. Ingestoken vanuit deze ambitie is het van provinciaal belang, dat regionale woningmarkten goed functioneren en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Brabant. Dit betekent dat: • er voldoende woningen worden gebouwd; • er een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod is van woningen en woonmilieus, dat aansluit op de vraag van de woonconsument, met aandacht ook voor de huisvesting van specifieke doelgroepen en nieuwe woonvormen; • er oog is voor verduurzaming en kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en woonomgeving; • het wonen bijdraagt aan de omgevingskwaliteit van stad én dorp en de mogelijkheden voor woningbouw op binnenstedelijke locaties en om woonruimte te realiseren in leegstaand vastgoed zo goed mogelijk worden benut; • het planaanbod voor woningbouw realistisch en flexibel is en • het planaanbod – zowel kwantitatief, kwalitatief als ruimtelijk – regionaal is afgewogen, met specifiek aandacht voor de meer grootschalige gebiedsontwikkelingen en uitbreidingslocaties. Er zijn vier actielijnen met onderliggende richtinggevende principes geformuleerd. 1. Accent op duurzame verstedelijking 2.

Meer nadruk op de bestaande woningvoorraad 3. Inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbodmet ruimte voor nieuwe woonvormen 4. Versterken van de regionale samenwerking en vernieuwen van regionale woningbouwafspraken Met name van belang is actielijn 1, waarbij geformuleerd is dat er ruim baan moet zijn voor goede plannen. Een beleid gericht op een duurzame verstedelijking en zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik biedt ruim baan voor ‘goede plannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen. Ruim baan dus voor woningbouw op geschikte inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en in leegstaand vastgoed, die aansluit op een actuele vraag en snel in aanbouw kan worden genomen. Om ook langs deze lijn bij te dragen aan versnelling van de woningbouwproductie. Hierbij geldt als uitgangspunt ‘zorgvuldig gaat voor zuinig’. Als inbreiding bijvoorbeeld te zeer ten koste gaat van groen en open ruimte in bestaand stedelijk gebied, dan kan dat als zuinig ruimtegebruik worden beschouwd, maar is er – gelet op aspecten als klimaatadaptatie, hittestress, wateropvang en volksgezondheid – geen sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Tempo willen

22

maken op de woningmarkt en tegelijkertijd inzetten op transformatieopgaven in bestaand stedelijk gebied lijkt paradoxaal. Natuurlijk, binnenstedelijke (her)ontwikkelingen zijn vaak niet eenvoudig en kosten tijd en geld. Er zijn diverse belangen mee gemoeid en er zijn tal van hobbels te nemen, bijvoorbeeld op het gebied van bereikbaarheid, bouw- en parkeernormen en bezwarenprocedures. Het is de rol van de gezamenlijke overheden om in samenspraak met de betrokken marktpartijen deze belemmeringen op binnenstedelijke locaties weg te nemen. Beoordeling en conclusie De kwantitatieve woningbouwafspraken worden bepaald door de verwachte vraag op basis van de provinciale bevolkingsprognose te confronteren met de bestaande woningvoorraad (aanbod). Het residu is de woningbehoefte. De ontwikkelingsruimte voor nieuwbouwplannen wordt bepaald door de woningbehoefte (incl. verwachte sloop) te verminderen met de harde plancapaciteit (woningbouwtitels in vastgestelde bestemmingsplannen). De meest recente woningbouwafspraken voor Sint-Michelsgestel, zijn vastgesteld in de regionale Woondeal 2023. In de regio Noordoost is er op dit moment (peildatum is december 2022) voor de periode tot en met 2030 plancapaciteit voor ruim 41.000 woningen.

In theorie zijn er gezien de harde plancapaciteit voldoende plannen (zie tabel navolgende pagina). Hoewel de hardheid van plannen in de tijd terugloopt. Voor de eerste vijf jaren is dat gemiddeld 50%. Het is voor de korte termijn daarom belangrijk om zachte plannen voor de komende twee à drie jaar 100% hard te maken en de harde plannen versneld uit te voeren. De kwalitatieve prioriteiten voor de ontwikkeling van de woningvoorraad zijn vastgelegd in de ‘Woonvisie 2016-2025’, vastgesteld door de gemeenteraad op 28 juni 2016. Er kan gesteld worden dat er behoefte is aan alle type woningen. In dit geval gaat het om een vrijstaande eengezinswoning, waar behoefte aan is. Het plan geeft invulling aan de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte en daarmee past het plan binnen de provinciale woonvisie.

23

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Sint-Michelsgestel 2025 2011 De structuurvisie legt geen ontwikkelingen onwrikbaar vast, maar geeft hoofdlijnen van beleid en is erop gericht ontwikkelingen te stimuleren. De drie opgenomen scenario's voor de ontwikkeling van de gemeente zijn mogelijk aan de orde op lange termijn. Er wordt nog geen keuzes gemaakt. Deze is afhankelijk van de dan geldende woningbehoefte en de ontwikkeling van vraag en aanbod. Voor het woningbouwprogramma is een opgave van 1800 woningen, zoals in de toekomstvisie Zieners 2025 (vastgesteld 2009) wordt gehanteerd, aan de hoge kant. Een aantal van 1600 woningen wordt als een beter uitgangspunt gezien, zolang er nog geen actuele provinciale prognose is. Gesteld wordt dat een discussie over de juiste woningbouwopgave minder noodzakelijk is, omdat in de gemeente de afgelopen jaren te weinig is gebouwd en nog een inhaalslag moet worden gemaakt. De gemeente richt zich op lokaal gebonden bedrijvigheid, geen uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen, verplaatsing van bedrijven naar regionale terreinen en herstructurering van bedrijventerreinen op basis van lokale behoefte, kleinschaligheid en passend in de woonomgeving. De gemeente ziet kansen voor de vestiging van niet-agrarische bedrijven op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied.

In bebouwingsconcentraties worden hergebruiksmogelijkheden toegestaan, waarbij ruimtelijke kwaliteit van de concentraties voorop staat. De gemeente wil de kwaliteiten van de grotere groengebieden en de stroomdalen van de Dommel en de Aa, als hoofdgroenstructuur van de gemeente, behouden en versterken. De beekdalen zijn aangewezen voor ecologische

24

ontwikkeling, waterberging en natuurontwikkeling. Streefbeeld is een dynamisch watersysteem, waarbij natte natuurontwikkeling, kleinschalige landbouw en recreatief medegebruik belangrijke nevendoelstellingen zijn. Beoordeling en conclusie Op de kaart is de Milrooijseweg 33, 35, 37 voorzien van een aanduiding revitalisering bedrijventerrein en terrein van hoge archeologische waarde. Dat laatste geldt ook voor de Hoogstraat 45a,4 5b en 47. De archeologische aanduiding is niet relevant omdat er geen grondroerende werkzaamheden worden voorzien. Dit plan voegt planologisch 3 woningen toe aan de voorraad, hetgeen beantwoordt aan de opgave. Revitaliseren van het bedrijventerrein valt buiten de scope van dit plan. Aan de Hoogstraat worden voorts bestaande bedrijven positief bestemd, hetgeen bijdraagt aan de economische vitaliteit. Het plan is on overeenstemming met de structuurvisie.

Uitsnede visiekaart structuurvisie

25

3.4.2

Woonzorgvisie, Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023 – 2028 Dit programma zet de gemeente de koers uit voor de ontwikkeling van het wonen in Sint-Michielsgestel, Den Dungen, Berlicum, Middelrode en Gemonde. We beogen de realisatie van 1685 woningen in de periode 2023 t/m 2032 en groei in alle kernen. Daarmee speelt de gemeente in op zowel de woonbehoefte van onze inwoners als op de woonvraag afkomstig uit 's-Hertogenbosch en de regio Noordoost Brabant. We versnellen de woningbouw onder andere door de realisatie van 200 flexwoningen in de periode t/m 2028 en andere maatregelen. In het toe te voegen woningbouwprogramma bestaat een groter aandeel uit passende en betaalbare woningen en is er meer ruimte voor vernieuwende woonvormen en zelfbouw. Vanwege de demografische ontwikkelingen beogen we tevens een sterke toename van seniorengeschikte woningen zowel in nieuwbouw als door aanpassing van bestaande woningen en woongebouwen. Aangevuld met een passend aanbod vanuit welzijn en preventie en ondersteuning doorprofessionele zorg in alle kernen en wijken. We voorzien in de woon- en ondersteuningsbehoefte van diverse aandachtsgroepen om hen zo zelfstandig mogelijk te laten deelnemen aan de samenleving. Door extra groei ook in de kleine kernen bijdragen aan de leefbaarheid en vitaliteit van deze kernen.

Tenslotte werken we aan de verduurzaming van de woningvoorraad en woonomgeving. Waarbij de gemeente wonen, leefbaarheid en verduurzaming graag in samenhang zien. Relevant voor dit plan is met name het volgende doel: Voorzien in de woningbehoefte door het toevoegen van extra woningen. Door te groeien bieden we eigen inwoners kansen om in Sint-Michielsgestel te blijven en voorkomen we verdrukking bij vestiging van mensen van buiten de gemeente. We voegen dus woningen toe voor onze eigen inwoners, en voor de regionale behoefte. In dit volkshuisvestingsprogramma gaat men uit van een nieuwbouwambitie van 1.003 woningen in de eerste vijf jaar (periode 2023 t/m 2027) en 682 woningen in de tweede vijf jaar (periode 2028 t/m 2032).

De gemeente wil zo goed mogelijk inspelen op de lokale woningbehoefte. Gelet op de fricties tussen vraag naar en aanbod van woningen gaat het vooral om de vraag van (koop)starters en doorstromende ouderen. In beide groepen gaat het doorgaans om kleinere huishoudens, terwijl de huidige woningvoorraad juist veel grote woningen omvat. Om in te spelen op de behoefte richten we ons op de volgende mix in iedere kern: 35% sociale huur; 30% betaalbare koop; 15% goedkope koop; 20% dure koop. De gemeente voegt strategisch woningen toe voor deze groepen en om de verhuisketen ‘compleet’ te maken: Voor (koop)starters zet de gemeente in niet alleen in op woningen tot de grens uit de woondeal (€ 355.000), maar ook op betaalbaardere woningen die

26

-

-

-

voor middeninkomens bereikbaar zijn, tot circa € 248.000. Aanvullend dagen we ontwikkelaars uit om ook woningen van rond € 200.000 te realiseren. Voor senioren biedt de gemeente levensloopgeschikte en geclusterde (gezamenlijke) woonvormen aan in alle kernen. De gemeente zet op ook in op nieuwe woonvormen en koopconstructies als PO en CPO. De gemeente stimuleert ook dat toevoegingen optimaal terecht komen bij beoogde doelgroepen. De gemeente werkt naar grotere variatie in type woningen, met name buiten de kern Sint-Michielsgestel, door kansen te benutten om kleine woningtypen toe te voegen in de bestaande voorraad (splitsen, inwonen) en bij nieuwbouw. De gemeente stimuleert verhuisketens door strategische toevoegingen in alle kernen en door verhuis-begeleiding; met name voor doorstroming van ouderen. Van de toe te voegen woningen is de helft levensloopgeschikt, bij voorkeur op locaties binnen 500 meter van basisvoorzieningen. De gemeente draagt bij aan lagere energielasten en voorkomen van energiearmoede via verduurzaming van bestaande woningen.

Beoordeling en conclusie Met dit plan worden 3 woningen planologisch toegevoegd aan de voorraad (feitelijk reeds aanwezig). Er kan een voldoende kwaliteit worden gerealiseerd en er wordt een bijdrage geleverd aan de woningopgave. Het plan past binnen de Woonvisie.

27

4

Milieu- en omgevingsaspecten

4.1

Milieu-aspecten

4.1.1

Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Algemeen In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Beoordeling Het plan voorziet in het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en het toevoegen van 6 zorgappartementen. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 1. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In dit plan neemt het verhard oppervlak niet toe ten opzichte van de bestaande situatie en mede gezien de binnenstedelijke ligging en de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk. M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Een M.e.r plicht kan ook ontstaan vanwege de Wet natuurbescherming. Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Nu het plangebied niet is gelegen binnen beschermd natuurgebied en er ook geen effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied (zie meer in detail paragraaf 4.2.2), ontstaat er ook geen M.e.r plicht als gevolg van de Wet natuurbescherming.

1 ECLI:NL:RVS:2022:2394

28

Conclusie Het aspect Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.1.2

Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.

Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien

29

de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid is als gemengd gebied te typeren. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Milieucategorie 1 2

Richtafstand woonomgeving in meters 10 30

Richtafstand gemengd gebied in meters 0 10

3.1 3.2

50 100

30 50

4.1

200

100

In beginsel dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, er dient tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is2. Blijkens meerdere jurisprudentie mag echter ook uitgegaan worden van de representatieve mogelijkheden van het bestemmingsplan 3. De maximale mogelijkheden worden dan bepaald door de huidige, feitelijke situatie. Zo kan van het bestaand gebruik blijkens een uitspraak van de Raad van State worden uitgegaan als verandering van het bestaand agrarisch gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden 4. In deze uitspraak van de Raad van State is er sprake van een melkveehouderij, ten behoeve waarvan recent nog een nieuwe ligboxenstal is gebouwd, en geen concreet voornemen kenbaar is gemaakt om de veehouderij te staken of de bedrijfsvoering ervan ingrijpend te wijzigen. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak ABRS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, r.o. 36.2.

Daarmee wordt dus het huidig gebruik bepalend en hoeft niet gekeken te worden naar de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Er wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ook wordt in dit verband gewezen op een uitspraak van 4 april 2012, ABRS 4 april 2012, nr. 201004316/1/R1 welke betrekking op een nieuw te realiseren bedrijventerrein. De Afdeling overweegt dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek uit 2 ECLI:NL:RVS:2014:1173 3 ABRS 26 september 2012, nr. 201206937/1/R1 en 20120693/2/R1, r.o. 4.2. en Vz. ABRS 5

november 2010, nr. 201007744/2/R1, r.o. 2.7.5 4 ECLI:NL:RVS:2018:3131

30

is gegaan van een invulling van het bedrijventerrein met bedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2. Zij is van oordeel dat niet tevens rekening hoefde te worden gehouden met bedrijven in milieucategorie 4.1. Weliswaar kunnen volgens de Afdeling met ontheffing categorie 4.1-bedrijven op Distriport worden gerealiseerd, maar kunnen tevens bedrijven in een lagere milieucategorie dan 3.1 worden gevestigd. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden als uitgangspunt is genomen. Uit deze uitspraak tenslotte, volgt ook dat uitgegaan mag worden van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, zijnde de feitelijke situatie in combinatie met concrete plannen, als het gaat om het beoordelen van de geluidseffecten van een bedrijventerrein in relatie tot woningbouwontwikkeling. I.c zijn de geluidseffecten van de feitelijke situatie van enkele bedrijven in milieucategorie 3.1 berekend, terwijl het bestemmingsplan maximaal milieucategorie 3.2 toestaat (ECLI:NL:RVS:2020:717). Beoordeling en conclusie De Hoogstraat is gelegen in het centrum van Berlicum, waar meerdere functies aanwezig zijn. De Hoogstraat is voorts een drukke klinkerweg (ongeveer 7.00 mvt/etmaal).

De geluidbelasting vanwege de Hoogstraat op de woningen (Hoogstraat 45 en 47) bedraagt ongeveer 60 dB inclusief aftrek Wet geluidhinder. Zodoende is al sprake van een verhoogde achtergrondconcentratie en gaat het dus om gemengd gebied. Functies als aanwezig in het plangebied mogen gezien voornoemde VNG publicatie op 0 m van woningen aanwezig zijn. Zodoende is vanwege de aanwezige functies aan de Hoogstraat 45a, 45b en 47 sprak van een goed woon- en leefklimaat bij de aanwezige woningen. Daarbij zij opgemerkt dat de VNG publicaties gaat over nieuwe situaties, niet over reeds vergunde, waar in dit geval sprake van is. Ook de woningen aan de Milrooijseweg bevinden zich in gemengd gebied. De betreffende woningen aan de Milrooijseweg 33, 35 en 37 zijn momenteel gelegen op een bedrijventerrein. Deze afweging wordt onder meer gesteund door de volgende uitspraken van de Raad van State: Uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2021:1586 van 21 juli 2021 De raad heeft de directe omgeving van het plangebied aangemerkt als gemengd gebied, omdat zich in de omgeving van het plangebied meerdere bedrijven bevinden: aan de overzijde van de Zomerweg bevinden zich bestaande bedrijven op bedrijventerrein ’t Broek, zo staat in de plantoelichting. De Afdeling vindt deze kwalificatie van de omgeving juist.

Uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2022: 1005 van 6 april 2022 De Afdeling is van oordeel dat de omgeving van het plangebied van het wijzigingsplan kwalificeert als een gemengd gebied omdat in de omgeving van het plangebied, naast woningen, ook diverse bedrijven gevestigd zijn. Teneinde een conclusie te kunnen trekken of de woningen aan de Milrooijseweg 33, 35 en 37 ook als burgerwoning bestemd kunnen worden is akoestisch onderzoek verricht5, waarbij navolgend stappenplan is gevolgd.

5 Milieutechnisch onderzoek woningen Milrooijseweg 33,35,37 i.v.m. herbestemming van be-

drijfswoning naar burgerwoning, M+P, 9 oktober 2023

31

Stap 1 Indien de richtafstand uit de richtlijn (lijst 1) voor het aspect geluid niet wordt overschreden kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: buitenplanse inpassing is mogelijk. Aan deze stap wordt niet door alle bedrijven voldaan. Stap 2 Vanaf deze stap is een geluidonderzoek noodzakelijk Indien stap 1 niet toereikend is: Bij een geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: o 50 dB(A) Iangtijdgemiddeld beoordelingsniveau; o 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden); o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; is buitenplanse inpassing mogelijk. Stap 3 Indien stap 2 niet toereikend is: Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: o 55 dB(A) Iangtijdgemiddeld beoordelingsniveau; o 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden) exclusief piekgeluiden door aan- en afrijden verkeer; o 65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; is buitenplanse inpassing mogelijk. Het bevoegd gezag dient echter te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidsbelasting moet worden betrokken.

Het bevoegd gezag kan daarbij gebruik maken van gemeentelijk geluidbeleid, indien de te verwachten geluidbelasting voldoet aan de in dat gemeentelijk geluidbeleid vastgestelde grenswaarden voor het betreffende gebied. Stap 4 Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Bij stap 3 wordt verwezen naar gemeentelijk beleid. Voor zover bekend is er geen gemeentelijk geluidbeleid van de gemeente Sint-Michielsgestel van toepassing op de onderhavige situatie. Op navolgende tabel zijn de bedrijven in de omgeving weergegeven en is aangegeven of de woningen binnen de richtafstand liggen. Als dat het geval is, is er akoestisch

32

onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege dit bedrijf.

Het gaat hierbij concreet om Smulders stratenmakersbedrijf, Milrooijseweg 19, Van Dorp Infra, De ploeg 14/14a/16 en het Perceel de Nieuwe Ploeg 3 (onbekend). Van het bedrijf Steenbergen Bouwwerken zal, gezien de relatief zware milieucategorie en relatief grote richtafstand voor geluid een beschouwing worden gegeven.

Overzicht relevante bedrijven

33

Voor wat betreft het bedrijf Smulders wordt een overschrijding van 50dB (A) berekend voor de Milrooijseweg 33 voor het langtijdgemiddelde (namelijk maximaal 54 dB(A). Bij de overige woningen is de geluidsbelasting niet hoger dan 50 dB(A). Uitgaande van woningen op een bedrijventerrein wordt wel voldaan aan de grenswaarden. De voor deze overschrijdingen verantwoordelijke geluidsbronnen zijn. o miniloader o proefdraaien materieel o hogedrukspuit o warm draaien vrachtwagen De piekgeluiden worden op meerdere woningen overschreden, zie navolgende tabel.

34

Gezien de veelheid aan verantwoordelijke geluidsbronnen is onderzocht of de geluidsbelasting door het plaatsen van een geluidsscherm kan worden gereduceerd. Met een geluidsscherm zoals afgebeeld in figuur 3, met een hoogte van 4,2 m (lengte circa 24 m) voldoen de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus aan de grenswaarde van 50 dB(A) bij de woningen Milrooijseweg 33, 35 en 37. Gelet op de verwachtte sociaal-maarschappelijke en psychische impact van een geluidsscherm van 4,2 meter hoogte op deze locatie is met de betrokkenen uitvoerig overleg gepleegd om te komen tot een proportioneel compromis. Uitkomst van dit overleg is een vaststellingsovereenkomst waarin een lagere (2 meter hoog) akoestisch werende erfafscheiding zal worden gerealiseerd. Met de plaatsing van deze akoestisch werende erfafscheiding en de afspraken in de vaststellingsovereenkomst komen alle betrokkenen deze uitgangssituatie overeen als geaccepteerde 0-situatie. In het belang van de omliggende bedrijven wordt geadviseerd om de bestemming bedrijventerrein ter plaatse van de woningen 33, 35 en 37 te handhaven, met de toevoeging dat de woningen ook als reguliere bedrijfswoning kunnen worden gebruikt. Hiermee verandert er zo min mogelijk voor zowel de bedrijven als bij de woningen (de grenswaarden bij de woningen veranderen niet).

Indien ervan wordt uitgegaan dat de drie woningen aan de Milrooijseweg op een bedrijventerrein blijven, dan is er geen overschrijding van de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Er resteren wel grote overschrijdingen van de grenswaarden voor de maximaal optredende geluidsniveaus (hoger dan 80 dB(A) in dag/avond/nachtperiode). In deze situatie zijn dezelfde maatregelen nodig als hierboven besproken met betrekking tot het geluidsscherm en de geluidsbronnen trilplaat, schrapen over tegels en slijpen. Geconcludeerd wordt daarom dat met het plaatsen vaan een geluidsscherm en een maatwerkvoorschrift, er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Weliswaar worden de grenswaarden voor de maximale belasting overschreden, doch dit is nu ook al het geval, op meerdere woningen, niet alleen die in het plangebied. Vanwege de andere bedrijven is geen overschrijding van grenswaarden voor langtijdgemiddelde of piekbelasting, wanneer de woningen worden bestemd als woningen op een bedrijventerrein. Dit gebeurt met dit bestemmingsplan. 4.1.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=25bd5b1e-4d1a-4985-a0d8-81e856f2e8a9