bijlage 1c ONBP Postelstraat Toelichting.pdf
Tekst van het document
Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Voor het project is een AERIUS berekening opgesteld. De uitgangspunten, resultaten en conclusie van deze berekening is als bijlage aan deze toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt: De aanlegfase heeft geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca.
3,0 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en het eenmalige karakter van de aanlegfase, heeft de depositie van de aanlegfase geen meetbaar of merkbaar effect op de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen van het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Van significant negatieve effecten als gevolg van de aanlegfase is dan ook geen sprake. Omdat voor het bouwverkeer zelfs is uitgegaan van een permanent karakter kan gesteld worden dat de aanlegfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie boven de drempelwaarde. Uit de AERIUS berekening blijkt dat in de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger uitkomen dan 0,00 mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca. 3,0 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen heeft de aanlegfase geen significant negatief effect op het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
31
De stikstofdepositie ter plaatse van het Natura-2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen bedraagt 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Daarnaast heeft de voorgenomen ontwikkeling voor de bouw van vier gasloze woningen een positieve bijdrage aan het verduurzamen van de woningvoorraad.Ook betreft het de bouw van een woning die middels de ruimte-voor-ruimte regeling mogelijk wordt gemaakt. Deze regeling voorziet in een financiele bijdrage in de bekostiging van de sanering van veehouderijbedrijven nabij natuurgebieden. Dit resulteert in een afname van de stikstofdepositie in die gebieden. Daarbij is het voor de ontwikkeling nodig om te kunnen voldoen aan de bepalingen ten aanzien van de geurnormen dat het aantal dieren op het naastgelegen agrarische bedrijf wordt gehalveerd.Dit betekent een afname van de stikstofdepositie. Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Haaren heeft haar archeologiebeleid vormgegeven middels haar bestemmingsplannen. Op het perceel is een beschermende waarde in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Deze waarde heeft bepaald dat voor bodemverstoringen van 100 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 50 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. Uit dit rapport moet blijken dat er geen archeologische waarden in het geding zijn voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het is nog niet duidelijk op welke wijze vormgegeven gaat worden aan de bouwplannen en de aanleg van de nieuwe natuur. Vooralsnog blijft de dubbelbestemming gehandhaafd. Als tijdens de werkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt bij het bevoegd gezag.
Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten of andere cultuurhistorische waarden aanwezig. De beschermende waarde uit het vigerend bestemmingsplan wordt overgenomen. Na de uitvoering van onderzoek waaruit blijkt dat er geen archeologische waarden in het geding zijn, is het aspect archeologie ne cultuurhistorie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.6
Milieuzonering, geur en spuitzones
Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van nieuwe woningen (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. 32
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd. Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. De projectlocatie is niet gelegen in een omgeving waar functiemenging wordt nagestreefd. Een beoordeling op basis van zonering is nodig. In de nabijheid van het de projectlocatie zijn de volgende bedrijven aanwezig.
Een basisschool aan de Postelstraat 19a De bestaande basisschool direct ten zuiden van de projectlocatie heeft op basis van het bestemmingsplan Kom Esch de bestemming “Maatschappelijk” Op basis van de VNG-brochure kent een basisschool categorie 2 (SBI-2008; 852). De richtafstand hiervoor is 30 meter.
Agrarisch bedrijf
1
school
Uitsnede bestemmingsplan “Kom Esch” met de in de omgeving aanwezige bedrijven. bron: ruimtelijkeplannen.nl BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
33
Agrarisch bedrijf aan de Postelstraat 21 Aan de Postelstraat 21 is een agrarisch bedrijf gelegen waar rundvee en schapen worden gehouden. Op basis van de VNG-brochure is de richtafstand voor een dergelijk bedrijf voor het aspect geluid 30 meter. (SBI-2008; 0141). Ook het aspect geur is relevant voor dit bedrijf. Hier wordt verderop in deze paragraaf op ingegaan. Gemengd gebied Zoals beschreven kent de VNG-brochure verschillende omgevingstypen. Het gemengd gebied wordt als volgt beschreven: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingsgebied gemengd. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het gebied is niet te beschouwen als een “gemengd gebied”. De afstand mag niet met één afstandsmaat worden verlaagd. De afstand tussen de basisschool en de eerste, meest zuidelijke nieuwe woning is gekozen op 30 meter.
Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstand en moet geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. Ten aanzien van de belangen van de school is het zo dat er reeds een bestaande woning op een kleinere afstand van de school is gelegen. De nieuwe woningen hebben geen invloed op de belangen van de school. De afstand tussen het agrarisch bedrijf en de zijgevel van de meest noordelijke woning bedraagt ruim 51 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat voor wat betreft het aspect geluid. Ook kan worden vastgesteld dat de belangen van het bedrijf niet worden geschaad. Dit is het mede het geval doordat reeds woningen van derden op een kortere afstand van het bedrijf zijn gelegen dan dat de noordelijkste woning van het plangebied dat doet.
34
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
51 meter
30 meter
Illustratie met de beoogde ontwikkeling met daarin aangegeven de afstand tussen de school, het agrarisch bedrijf en de dichtstbij gelegen woningen. Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woning. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De Wet geurhinder en veehouderij(Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. Ook voor de planning van nieuwe geurgevoelige objecten speelt de wet een rol door de zogenaamde “omgekeerde werking” wordt beoordeeld of nieuwe woningen op gepaste afstand zijn gelegen van bestaande veehouderijen.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
35
Aan de Postelstraat 21 is een agrarisch bedrijf gelegen. Op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 50 meter voor zover dit betrekking heeft op bedrijven met maximaal 56 stuks dieren waarvoor vaste afstanden gelden. De afstand bedraagt 100 meter voor bedrijven vanaf een omvang van 126 stuks dieren waarvoor vaste afstanden gelden. Voor de bedrijven met een bedrijfsomvang tussen 56 en 126 dieren zonder geuremissiefactoren bestaat een rechtevenredig verband tussen de bedrijfsomvang en de afwijkende vaste afstand. Het verband wordt beschreven in de formule: Afstand = 50 m. + ((aantal dieren - 56)* 0,714). Op grond van de gegevens van de provincie Noord-Brabant worden 114 dieren gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Dit resulteert in een aan te houden afstand van 91,4 meter. Met het bedrijf is overeengekomen het aantal dieren te halveren. Dit leidt tot een contour van 51 meter. De halvering van de veestapel is voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan geborgd middels een melding activiteitenbesluit. Met deze afstand is rekening gehouden bij de planontwikkeling.
De berekening van de contour is als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan. Cumulatieve geurbelasting Voor de beoordeling van de cumulatieve geurbelasting of de achtergrondwaarde is inzicht gezocht in de actuele geurkaart van de gemeente Haaren. De achtergrondwaarde biedt inzicht in de algemene geursituatie en dus of er sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. Volgens de geurkaart is er sprake van een achtergrondbelasting kleiner dan 5 OUE/m3. Op grond van de beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2019 van de gemeente Haaren is er sprake van een goed woon-, en leefklimaat.
Uitsnede geurkaart met in rood de ligging van het plangebied
36
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Spuitzones open teelten In de omgeving is ook een aantal akkers gelegen waarop akkerbouw/open teelt kan plaatsvinden. Dergelijke open teelten zijn niet in de VNG-brochure vermeld. Als vuistregel wordt een afstand van 50 meter gehanteerd. De indicatieve afstand van gevoelige objecten tot open teelten volgt uit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tijdens het bespuiten van de gewassen komt als gevolg van de wind een deel van het beschermingsmiddel buiten het teeltgebied terecht (drift). De genoemde afstand van 50 meter is indicatief en zeer algemeen. Tussen de nieuwe woonpercelen en de kavels waar mogelijk teelt plaatsvindt is de nieuwe natuur gelegen. De afstand tussen de akkers en de woonpercelen is ruim 60 meter waardoor gesteld kan worden dat voldaan wordt aan de vuistregel. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit zijn geen bezwaren gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Aangezien er geen activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten kunnen hebben is uitgesloten dat onderhavige ontwikkeling een negatief effect kan hebben op de Natura 2000-gebieden en de Beschermde Natuurmonumenten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Kampina en Oisterwijkse Vennen” is bovendien gelegen op een afstand van circa 3 kilometer.
5.8
Geluid
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
37
• • •
Woningen; Andere geluidsgevoelige gebouwen; Geluidsgevoelige terreinen
Omdat door met de beoogde ontwikkeling nieuwe geluidsgevoelig objecten (woningen) worden toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen. Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. De projectlocatie is niet gelegen binnen de zone van een weg. De Postelstraat is een weg met een snelheidsregime van 30 kilometer/ uur. Een geluidsonderzoek is voor deze wegen niet verplicht. Voor de beoordeling of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat kan worden opgemerkt dat de Postelstraat een weg is met weinig verkeer als gevolg van het feit dat het aantal woningen dat op de weg is ontsloten klein is. De weg is bovendien kort en is op twee punten aangesloten op de belangrijkste infrastructuur. Het wegprofiel is smal waardoor passerende auto’s elkaar stapvoets moeten passeren.
Hierdoor is het aannemelijk dat er geen geluidhinder als gevolg van het wegverkeer te verwachten is. Spoorweglawaai De spoorwegen met een geluidszone (het planologisch aandachtsgebied) langs een spoorweg staan op de geluidplafondkaart of de zonekaart. De locatie is niet gelegen binnen een geluidszone langs een spoorweg. Het aspect spoorweglawaai is niet aan de orde. Vliegtuiglawaai Dit aspect is niet aan de orde. Industrielawaai Dit aspect is niet aan de orde. Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
5.9
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de plannen: • • • •
38
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt - al dan niet per saldo - niet bij tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt "niet in betekenende mate" (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Toetsing initiatief aan ‘niet in betekende mate’ begrip Projecten die 'niet in betekenende mate' leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van 'niet in betekenende mate' ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van 'niet in betekenende mate' sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk vier nieuwe woningen te realiseren. Dit betreft een ontwikkeling die kleiner is dan een ontwikkeling van 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of het initiatief voorziet in een goede ruimtelijke ordening. Dit is onderzocht door middel van de NSLmonitoringstool (https://www.nsl-monitoring.nl). De meetpunten aan de Rijksweg A2 zijn het dichtst op de projectlocatie gelegen.
Hier wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxide: 40 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3). Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde lager dan 35 μg/m3 en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 20 μg/m3. Ook het aantal overschrijdingsdagen is lager dan 35 per jaar en voldoet daarmee aan de normen. Omdat de projectlocatie verder van de Rijksweg A2 is gelegen dan de meetpunten van het NSL dat doen, kan worden verondersteld dat wordt voldaan aan de normen en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Uitsnede NSL-viewer met in rood de projectlocatie; bron: nsl-monitoring.nl Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
5.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
39
Voor inzicht in de actuele bodemkwaliteit op het perceel is onderzoek gedaan. Het onderzoek is in zijn geheel aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; “Bodemvreemde materialen Bij het zintuiglijk onderzoek zijn bodemvreemde materialen aangetroffen in de vorm van baksteen, resten slib en plastic. Er zijn voor zover zintuiglijk waarneembaar verder geen asbestverdachte materialen op of in de bodem aangetroffen. Hiernaast is bij boring Pb03 en B21 een sterk puinhoudende laag (1,0 tot 1,5 m-mv) aangetoond en lijkt er mogelijk geboord te zijn in een gedempte sloot. Puin is formeel gezien verdacht op asbest. Grond en grondwater Er zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen gemeten in zowel het grond als grondwater gemeten. De oorzaak van de verhoogde gehalten in grond kunnen (deels) aan bodemvreemde bijmengingen toegewezen worden. Conclusies en advies Gezien de diepte van de puinhoudende laag bij boring Pb03 en B21 is in overleg met de opdrachtgever vooralsnog geen verkennend onderzoek asbest uitgevoerd (geen contactmogelijkheden, praktisch lastig). Indien men wil gaan graven nabij de gedempte sloten moet men rekening houden dat de ondergrond asbestverdacht is. De bodemkwaliteit op de rest van het terrein (en specifiek ter plaatse van de te realiseren woningen) vormt uit milieuhygiënische oogpunt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Voor het hergebruik van vrijkomende grond dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat onderhavig onderzoek formeel niet beschouwd kan worden als een partijkeuring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit.” De boringen waar de verdenkingen op het voorkomen van asbest op een diepte van 1,0 tot 1,5 meter onder maaiveld zijn geconstateerd, zijn niet gelegen binnen de gronden die in dit bestemmingsplan zijn bestemd voor woondoeleinden maar zijn gelegen in de beoogde bestemming natuur. In de regels is geborgd dat indien graafwerkzaamheden nodig zijn die dieper reiken dan 0,5 meter onder het huidig maaiveld, onderzoek nader onderzoek nodig is. Het aspect “Bodemkwaliteit” is, rekening houdend met hetgeen ten aanzien van het graven nabij de gedempte sloten is geadviseerd geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Externe Veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • • • 40
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
41
Wanneer verantwoorden?
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een “goede ruimtelijke ordening” (artikel 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het activiteitenbesluit en effectafstanden uit de “Circulaire effectafstanden LPG-tankstations”. Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren De gemeente Haaren heeft met het Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren beschreven hoe de gemeente omgaat met externe veiligheidsvraagstukken binnen haar gemeente. Dit werkdocument dient aanvullend op de landelijke wetgeving betrokken te worden bij de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s. Inventarisatie Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In navolgend figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.
42
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Uitsnede risicokaart met in groen de locatie van de nieuwe woning. Bron: ODBN Uit de risicokaart blijkt, dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over het plangebied hebben liggen. Tevens zijn er geen buisleidingen, wegen en vaarwegen aanwezig, waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in de omgeving met een risicocontour (veiligheidscontour, PR-10-6 contour en/of invloedsgebied) over het plangebied. Wel is het plangebied gelegen in de nabijheid van de spoorlijn ’sHertogenbosch – Eindhoven, spoordeel Vught-Boxtel. Over dit spoordeel vindt momenteel ‘incidenteel’ transport van gevaarlijke stoffen plaats. Echter met de realisatie van het programma hoogfrequent spoor (PHS) zal het transport van gevaarlijke stoffen over dit spoordeel aanzienlijk toenemen. In een externe veiligheidsonderzoek voor het PHS (Meterenboog)1 is aangegeven, welke categorie gevaarlijke stoffen over dit spoordeel zullen worden vervoerd. Hieruit blijkt dat de bepalende stof voor het invloedsgebied groepsrisico toxisch gas is (stofcategorie B3, invloedsgebied 995 meter). Het plangebied is hier geheel binnen gelegen. Toetsing Plaatsgebonden risico Het plangebied is niet gelegen binnen de PR-10-6 contour (plaatsgebonden risico) van de spoorlijn.
Groepsrisico De spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Eindhoven, spoordeel Vught - Boxtel bevindt zich op een afstand van 600 meter van het plangebied. Dit spoordeel is opgenomen als Basisnetroute in de Regeling Basisnet. Momenteel vindt nog geen significant transport van gevaarlijke stoffen plaats over dit spoordeel. In de toekomst zullen over de spoordeel echter gevaarlijke stoffen vervoerd worden uit de stofcategorie B3. Deze stofcategorie heeft conform de HART een invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied zal in de nabije toekomst dan ook volledig binnen het invloedsgebied van dit spoordeel komen te vallen. De overige stofcategorieën, welke vervoerd worden over de spoorlijn zijn niet relevant, omdat het invloedsgebied hiervan niet over het plangebied ligt. Conform het Bevt dient voor een plan binnen het invloedsgebied van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Aangezien het plan niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan volstaan worden met beperkte verantwoording (artikel 8, lid 1 en artikel 7, Bevt).
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
43
Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren Het plangebied valt binnen de zone 3 (200 - 1500 meter) van de zonering voor spoorlijnen, welke benoemd zijn in het ’Werkdocument verantwoording groepsrisico Haaren’. Deze zone heeft de volgende kenmerken: • •
Vanaf 200 meter zijn mensen binnenshuis in principe voldoende veilig voor een BLEVE. Vanaf 200 meter wordt daarom alleen nog rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied kan bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten.
Voor de zone dient een type verantwoording niveau 3a afgelegd te worden. Verantwoordingsniveau 3a is het lichtste verantwoordingsniveau en bestaat uit een standaard verantwoordingstekst.
Standaard verantwoording groepsrisico niveau 3a uit werkdocument
44
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Verantwoording groepsrisico Conform artikel 8, lid 1 en artikel 7 van het Bevt is, vanwege de ligging van het plangebied binnen het (toxisch) invloedsgebied groepsrisico van de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Eindhoven, spoordeel Vught - Boxtel, een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd. Hierbij is de Veiligheidsregio conform artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. 1. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid zijn goed. Er zijn geen aanwijzingen dat een grotere groep niet –of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied woonachtig (zullen) zijn.
De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. 2. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied: - goed te alarmeren is; In geval van een calamiteit kan NL-alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. - goed te ontvluchten is. Bij een toxisch rampscenario is ontvluchten van het plangebied niet aan te raden. Schuilen binnen de bebouwing is bij dit scenario de beste optie. - goed te schuilen is. Blootstelling aan een toxisch gas is voor het plangebied het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen binnen de bebouwing.
De mate waarin deze bebouwing afsluitbaar is tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur, dat deze bebouwing wordt blootgesteld aan het toxische gas, zijn hierbij maatgevende parameters voor het beschermingsniveau. Nieuwe bouwwerken zijn, mede vanwege de eisen uit het bouwbesluit, goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat installatie voor de luchtbehandeling van het gebouw, waarbinnen geschuild wordt, met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt binnen het (toxisch) invloedsgebied groepsrisico voor het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn ’s Hertogenbosch- Eindhoven, spoordeel Vught- Boxtel. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
45
• •
de zeer beperkte gevolgen van een ramp -met een toxische vloeistof op het spoor- binnen het plangebied, vanwege de grote afstand van het plangebied tot de risicobron; de goede mogelijkheden binnen het plangebied voor de zelfredzaamheid van personen.
De Veiligheidsregio ziet geen aanleiding tot het geven van een nader advies over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het plan voldoet aan de voorwaarden uit het ‘werkdocument verantwoording groepsrisico Haaren’.
5.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het wijzigingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.
5.13 Duurzaamheid De beoogde ontwikkeling maakt het mogelijk om door de aankoop van ruimte-voor-ruimte titels de intensieve veehouderij elders in het landelijk gebied, op plaatsen waar ze ongewenst is en voor milieuhinder leidt te saneren. Ook voorziet de beoogde ontwikkeling in de realisatie van nieuwe natuur en geeft ze vorm aan de ambities van het waterschap voor waterberging.
5.14 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen varkens-, en/of pluimveehouderijen aanwezig. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
46
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij.
De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Binnen 2 km van het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 1.550 meter een geitenhouderij aan Hal 17a (3859 geiten). De gemeente Haaren moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Op basis van de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” kan een dergelijke afweging worden gedaan. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. Uit toetsing aan het stappenplan volgt dat geen advies van de GGD nodig is voor dit plan. Er wordt voldaan aan de normen voor geur, fijn stof. Daarnaast worden geen bijzondere gevoelige personen gehuisvest. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden.
Stap 1 Endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft vier nieuwe woningen en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
47
Er zijn geen bedrijven met meer dan één diersoort. Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen en overige veehouderijen Binnen een straal van 2 kilometer bevinden zich geitenhouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer bevinden zich geen pluimveehouderijen. Het plangebied is gelegen tegen de bebouwde kom van Esch. Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden. Uit het stappenplan blijkt dat sprake is van een gezond woon-, en leefklimaat en dat advies van de GGD niet nodig wordt geacht. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid. In de bijlage is het stappenplan opgenomen. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid.
5.15 Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De afgelopen jaren is hier meer aandacht voor. Dit komt omdat er statistische aanwijzingen zijn dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed zijn op de gezondheid van kinderen. Voorkomen moet worden dat nieuwe gevoelige functies binnen de magneetveldzone van 0,4 microTesla liggen. Dit blijkt uit het advies van het rijk uit 2005 en de toelichtende brief van 2008 over bovengrondse hoogspanningslijnen. In de brieven van 2005 en 2008 is toegelicht dat bestemmingen waar kinderen (tot 15 jaar) langdurig kunnen verblijven worden aangemerkt als gevoelig. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. 'Zoveel als redelijkerwijs mogelijk' houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. Op de Netkaart van het RIVM zijn indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. In de nabijheid van het plan zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig.
48
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1
Verantwoording planvorm
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Er is sprake van een specifiek bestemmingsplan voor meerdere aaneengesloten kadastrale percelen, een postzegelplan. Het perceel ligt in het recente bestemmingsplan Buitegebied Haaren. Dit postzegelplan sluit qua systematiek en bestemming zo veel mogelijk aan op dit bestemmingsplan.
6.2
Systematiek bestemmingen
De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. 1. Hoofdstuk 1 'Inleidende Regels' gaat in op de begripsomschrijvingen en de wijze van meten. 2. In hoofdstuk 2 van de regels - 'Bestemmingsregels’- wordt een regeling gegeven voor de bestaande functies in het plangebied die positief zijn bestemd. Bepaald is welke vormen van gebruik en bouwwerken rechtstreeks (dus zonder voorafgaande wijziging of afwijking) zijn toegestaan. Indien een bepaalde vorm van bebouwing past binnen de doeleinden van de bestemming en voldaan is aan de bouwregels, dan kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend. 3. In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels weergegeven (anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels etc.). 4. In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.
6.3
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van onderhavig plan moet worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent de enkelbestemmingen Natuur en Wonen. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen Waarde –Archeologie 2 en Waterstaat - Waterberging. Hierna volgt een korte toelichting op deze bestemmingen. Natuur De bestemming dient ter bescherming van de ter plaatse aanwezige (en potentiele) natuurwaarden. Er mogen uitsluitend kleinschalige bouwwerken worden gebouwd. Voorts is het uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden aan een vergunningplicht onderworpen. Wonen Op de tot ‘Wonen’ bestemde gronden mogen 4 woningen binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. De maatvoering waar het hoofdgebouw aan moet voldoen, is opgenomen in de regels. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
49
Waarde – Archeologie 2 Deze dubbelbestemmingen dient ter bescherming van de (potentiele) archeologische waarden in de grond. Hiertoe zijn diverse bouwregels en regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen. Waterstaat - Waterberging Deze dubbelbestemmingen dient voor de tijdelijke opvang van water. Ter behoud van deze functie zijn diverse regels opgenomen. In de regels zijn nadere bouwregels gegeven voor de bouw van bijgebouwen en overkappingen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Onder voorwaarden kan een vergunning worden verleend ten behoeve van aan huis verbonden beroepen en -bedrijven. Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepaalde specifieke gebruiksregels opgenomen voor het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het gehele plangebied.
Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om afwijking te verlenen van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Slotregel Als laatste wordt de slotbepaling opgenomen. Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.
50
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De grond en het pand is in eigendom van een particulier waardoor er geen kosten zijn voor de gemeente als gevolg van de wijziging van de bestemming. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt ook de procedurele kosten. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht. Als met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In deze procedure is de exploitatie gewaarborgd door een privaatrechtelijke -met de initiatiefnemer te sluiten- overeenkomst over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Voorgaand aan het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan zal daarom worden besloten dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
51
Hoofdstuk 8 Procedure 8.1
Omgevingsdialoog
De plannen zijn reeds besproken met de direct omwonenden middels een aantal persoonlijke gesprekken. Tijdens deze ‘keukentafelgesprekken’ zijn de plannen toegelicht en is er ruimte geweest voor het stellen van vragen en een open gesprek. De plannen zijn daarnaast ook aan geïnteresseerden gepresenteerd tijdens een inloopavond op 11 februari 2020.
8.2
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het bestemmingsplan aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap de Dommel voorgelegd. Op deze wijze worden de Provincie en het Waterschap in de gelegenheid gesteld een reactie op het plan te geven. Provincie en waterschap hebben beiden hun reactie gegeven. Deze reactie heeft geleid tot enkele nuanceringen in de regels.
8.3
Vervolg van de procedure
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening dient de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb in de Staatscourant en een huis-aan-huis blad te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Vervolgens kan het bestemmingsplan worden vastgesteld. Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt het plan in werking, tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt ingediend. In dat laatste geval wordt de werking van het vaststellingsbesluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.
52
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Separate bijlagen • • • • • •
Beeldkwaliteitplan Postelstraat, Esch Natuuronderzoek Toelichtend memo AERIUS-calculatie Berekening geurcontour Verkennend bodemonderzoek Toetsingskader 2.0 Handreiking veehouderij en volksgezondheid
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
53