Bijlage 1. Wijzigingsbesluit omgevingsplan 2026-01 (Regels en artikelgewijze toelichting met renvooiweergave)
Tekst van het document
Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. KKKKKKKK De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
55
Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. [Vervallen] LLLLLLLL Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel MMMMMMMM De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.179 Water Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. NNNNNNNN De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. [Vervallen] OOOOOOOO Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.11 Uitwassen van beton PPPPPPPP De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.183 Water Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoor-
56
beeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. QQQQQQQQ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. [Vervallen] RRRRRRRR Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.12 Recreatieve visvijvers SSSSSSSS Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal TTTTTTTT De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.190 Water In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. UUUUUUUU De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. [Vervallen] VVVVVVVV
57
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen WWWWWWWW De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.194 Water Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden. Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858de meet-1 en 2rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen.
Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht. Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht. XXXXXXXX De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. [Vervallen] YYYYYYYY Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding ZZZZZZZZ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.198 Water Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.
58
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater. Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825de meet-1 en NENEN 1825-2rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2daarvan, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NENmeet-EN-normen en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». AAAAAAAAA Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie BBBBBBBBB Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen. CCCCCCCCC De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt. Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825de meet-1 en -2rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2daarvan, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast. Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NENmeet-EN-normen en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.
Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal. DDDDDDDDD De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
59
Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.
Eerste lid Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.
Tweede lid Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht: – op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en – op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.
Derde lid Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. EEEEEEEEE De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.
Eerste lid Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot: – De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740de meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd. – De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart. – De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening
60
direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden. FFFFFFFFF Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine GGGGGGGGG De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie en artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen – Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 22.219 of artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is. HHHHHHHHH Na sectie 22.218 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. IIIIIIIII Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.19 In werking hebben van een acculader JJJJJJJJJ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
61
KKKKKKKKK Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.21 Traditioneel schieten LLLLLLLLL De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.
Eerste lid Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot: – de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740de meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd; – de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of – de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden.
Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. MMMMMMMMM Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht NNNNNNNNN Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
62
§ 22.3.23 Opslaan van vaste mest OOOOOOOOO Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen PPPPPPPPP Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels QQQQQQQQQ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet. RRRRRRRRR De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. [Vervallen] SSSSSSSSS Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten TTTTTTTTT Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING Afdeling 22.4 AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN OF SPOORWEGEN ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS Aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidsproductieplafonds
63
UUUUUUUUU Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING Afdeling 22.5 OVERIGE ACTIVITEITEN Overige activiteiten VVVVVVVVV Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.5.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet WWWWWWWWW Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.5.2 Aanvraagvereisten XXXXXXXXX Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.5.2.1 Algemene bepalingen. YYYYYYYYY Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet ZZZZZZZZZ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.5.2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan AAAAAAAAAA Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet BBBBBBBBBB Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
64
§ 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet CCCCCCCCCC Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§ 22.5.3 Voorschriften DDDDDDDDDD De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDEEERSTE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN In Bijlage I bij artikel 1.1 , eerste lid, van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’sAMvBs en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Activiteitenbesluit-bedrijventerrein Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd. Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.
In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
concentratiegebied geurhinder en veehouderij Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven. Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
distributienet voor warmte Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie
65
is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
geurgevoelig object Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl. Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie. Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw. Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw.
Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd. Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
gezoneerd industrieterrein Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet. Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant. De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
straatpeil Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
warmteplan Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar. Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of
66
milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk.
Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is. In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing. De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen.
Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten. Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
67
Bijlage B Analyse begrippen Bijlage B Analyse begrippen
68
Bijlage C Mer-beoordeling Bijlage C Mer-beoordeling
69
Bijlage D Nota van zienswijzen en Nota van wijzigingen Bijlage D Nota van zienswijzen en Nota van wijzigingen
70
Bijlage E Informatiebijeenkomst Bijlage E Informatiebijeenkomst
71
Bijlage F Eindverslag participatie Bijlage F Eindverslag participatie
72
Bijlage G Expertbijeenkomst Bijlage G Expertbijeenkomst
73
Bijlage H Terugkoppeling expertsessie Bijlage H Terugkoppeling expertsessie
74
Motivering Inleiding Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en sindsdien beschikken we als gemeente over één omgevingsplan van rechtswege. Juridisch vormt dit omgevingsplan één geheel, maar in de praktijk bestaat het uit een groot aantal losse documenten (zoals bestemmingsplannen, enkele verordeningen en voormalige rijksregels). Als gemeente krijgen we tot eind 2031 de tijd om tot een nieuw en volwaardig omgevingsplan te komen dat aan de juridische en technische eisen van de Omgevingswet voldoet. We hebben een transitiestrategie opgesteld om stapsgewijs tot een nieuw omgevingsplan te komen. Deze wijziging van het omgevingsplan ziet toe op het leggen van een fundament, in augustus 2025 is kennisgegeven van dit voornemen. De beoogde wijziging bevat verschillende onderdelen die hierna stuk voor stuk worden gemotiveerd, namelijk: • casco; • begripsbepalingen; • voorrangsregels; • gebiedsaanwijzingen; en • integreren Vangnetbepalingen.
Casco Het omgevingsplan is grotendeels vormvrij. De enige verplichting is dat het eerste hoofdstuk “Algemene bepalingen” heet en dat daarin onder meer begripsbepalingen worden vastgelegd. Voor de rest kan iedere gemeente zelf bepalen uit hoeveel hoofdstukken het omgevingsplan bestaat, welke hoofdstukken dit zijn, welke volgorde daarin wordt gehanteerd, hoe een paragraaf wordt opgebouwd enzovoorts. Met deze wijziging van het omgevingsplan leggen we de structuur op hoofdlijnen vast, met in ieder geval een hoofdstukindeling. In volgende fasen werken we dit verder uit, waarbij we voor bijvoorbeeld de paragraafstructuur en tekstformulering vasthouden aan de uitgangspunten in onze transitiestrategie en in ons handboek omgevingsplan.
Begripsbepalingen Uiteindelijk landen alle begripsbepalingen in hoofdstuk 1 van het omgevingsplan, maar op dit moment staan er nog begripsbepalingen in de voormalige rijksregels (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan) en bevatten nog geldende bestemmingsplannen en TAM-omgevingsplannen nog eigen begrippen die onderling lang niet altijd uniform zijn. Ook in verordeningen worden nog verschillende begrippenlijsten gehanteerd. Voor deze omgevingsplanwijziging hebben we twee belangrijke acties verricht: 1. we hebben de begripsbepalingen uit hoofdstuk 22 overgeheveld naar hoofdstuk 1, inclusief een label (“bruidsschat”) om te kunnen herkennen dat deze voortkomen uit de voormalige rijksregels; en 2. Daarbij is gebruik gemaakt van de 'Digitale tool begrippen Omgevingswet' van Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en een analyse van bestaande begripsbepalingen. Deze analyse is toegevoegd als bijlage bij dit besluit. Op basis van (een vergelijking van) bestaande documenten hebben we een aanzet gemaakt voor uniforme begripsbepalingen. Na vaststelling van dit wijzigingsbesluit kan hier voortaan gebruik van worden gemaakt. Nieuwe begripsbepalingen worden in de toekomst uitsluitend toegevoegd in hoofdstuk 1 van het omgevingsplan.
Het vaststellen van een uniforme begrippenlijst voor het hele ambtsgebied zou negatieve consequenties kunnen hebben, bijvoorbeeld als daardoor de interpretatie van bestaande regels wijzigt. We hebben daarom voorrangsregels opgesteld waarmee we dit ondervangen. In het onderdeel Voorrangsregels gaan we hier verder op in.
Voorrangsregels Het omgevingsplan bestaat vooralsnog uit verschillende losse onderdelen (zoals bestemmingsplannen, enkele verordeningen en voormalige rijksregels) die nog niet met elkaar in lijn zijn gebracht. Door middel van voorrangsregels wordt bepaald hoe deze overlappende/conflicterende regels zich tot elkaar verhouden.
75
Op dit moment staan de voorrangsregels op verschillende plekken, met name in hoofdstuk 22 (voormalige rijksregels) en in de (technisch) afzonderlijke TAM-omgevingsplannen. Als gemeente hebben we behoefte aan meer overzicht in het omgevingsplan, op basis waarvan we ook beter regie kunnen voeren. Daarom kiezen we ervoor om de voorrangsregels tussen onderdelen van het omgevingsplan te concentreren in hoofdstuk 1. In de voorbereiding van dit wijzigingsbesluit hebben we daarom zoveel mogelijk verschillende scenario’s in kaart gebracht, waarna we hiervoor een uniforme set beleidsarme voorrangsregels hebben opgesteld. Groot voordeel van deze voorrangsregels is dat we in één hoofdstuk voor iedere locatie kunnen bepalen welke regels in het omgevingsplan van toepassing zijn. Voor nieuwe gebiedsontwikkelingen die met een wijziging van het omgevingsplan worden gefaciliteerd, activeren we vanuit hoofdstuk 1 de juiste hoofdstukken. Zeker gedurende de transitieperiode is dat van groot belang om overzicht te behouden. Na de transitieperiode zijn deze voorrangsregels niet meer nodig en worden ze uit het omgevingsplan geschrapt.
Gebiedsaanwijzingen Inleiding In hoofdstuk 2 van het omgevingsplan nemen we alle gebiedsaanwijzingen op die voor het omgevingsplan van toepassing zijn. In de meeste gevallen worden daar in latere hoofdstukken en op een later moment inhoudelijke regels aan gekoppeld. Met deze wijziging van het omgevingsplan willen we zoveel mogelijk gebiedsaanwijzingen gemeentebreed en uniform vastleggen, dit schept duidelijkheid voor de verdere uitwerking van het omgevingsplan én voor het faciliteren van initiatieven. We hebben ervoor gekozen om de gebiedsaanwijzingen te categoriseren per bronhouder, zodat we dit hoofdstuk zo eenvoudig mogelijk kunnen beheren en zodat bepaalde aanwijzingen toch enigszins thematisch bij elkaar kunnen worden gezet. Met behulp van thema-annotaties kunnen we er bovendien voor zorgen dat thematisch samenhangende gebiedsaanwijzingen gezamenlijk kunnen worden geraadpleegd. Voor wat betreft bronhouderschap maken we onderscheid tussen gebiedsaanwijzingen vanuit het Rijk, vanuit de provincie Noord-Brabant en vanuit de gemeente zelf. De bovenlokale gebiedsaanwijzingen vloeien voort uit het Besluit kwaliteit leefomgeving/Omgevingsregeling (Rijk) en de Omgevingsverordening Noord-Brabant (provincie).
Bovenlokale aanwijzingen Voor wat betreft bovenlokale aanwijzingen hebben we eerst beoordeeld welke gebiedsaanwijzingen (en dus ook welke instructieregels) relevant zijn voor onze gemeente. Daarna hadden we twee keuzes: 1. deze gebieden intekenen en opnemen in het omgevingsplan; of 2. deze gebieden alleen tekstueel noemen in het omgevingsplan, met een verwijzing naar de bron. Optie 1 is het meest duidelijk, maar vergt ook beheer (bijvoorbeeld als het Rijk of de provincie zelf kaartwijzigingen aanbrengt die voor onze gemeente van belang is). Optie 2 is minder duidelijk, maar is wel dynamischer omdat bovenlokale wijzigingen direct doorwerken. Uiteindelijk kiezen we vanwege de duidelijkheid voor optie 1 en beoordelen we bij iedere omgevingsplanwijziging of de bovenlokale gebiedsaanwijzingen nog actueel zijn. Het voordeel van duidelijkheid bij het raadplegen van het omgevingsplan vinden we namelijk zwaarder wegen dan het beheren van de gebiedsaanwijzingen. De bovenlokale aanwijzingen liggen deels in onze gemeente, maar deels ook in andere gemeenten door heel Nederland (Rijk) of Noord-Brabant (provincie). De bovenlokale gebiedsaanwijzingen hebben we daarom op onze eigen gemeentegrenzen toegesneden, zodat we alleen overhouden wat voor ons relevant is. Het resultaat nemen we op in hoofdstuk 2 van het omgevingsplan. Bijzondere aandacht gaat uit naar het Zinkassengebied De Kempen.
Onze gemeente valt binnen dit gebied en in hoofdstuk 22 (de voormalige rijksregels) zijn hier specifieke bodemregels aan gekoppeld. Omwille van de raadpleegbaarheid hebben we de begrenzing van het Zinkassengebied digitaal ingetekend en opgenomen in hoofdstuk 2.
Lokale gebiedsaanwijzingen Naast de bovenlokale gebiedsaanwijzingen zijn er ook lokale gebiedsaanwijzingen. Deze aanwijzingen komen voort uit wettelijke verplichtingen óf uit ons gemeentelijk beleid. Voor wat betreft wettelijke verplichtingen gaat het bijvoorbeeld om het verdelen van de landbodem in bodemfunctieklassen, het aan-
76
wijzen van brand- en explosievoorschriftengebieden en om het aanwijzen van bebouwingscontouren voor houtkap, geur en jacht. Daarnaast hebben we een locatie ‘omgevingsplan – nieuw deel’ opgenomen waar we de nieuwe regels van het omgevingsplan tijdelijk ‘parkeren’ voordat ze worden geactiveerd. Deze aanwijzingen lichten we hierna stuk voor stuk toe. Bodemfunctieklassen Op basis van artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de landbodem in het omgevingsplan worden verdeeld over de bodemfunctieklassen wonen, industrie en landbouw/natuur. Het in het omgevingsplan opgenomen kaartmateriaal is afkomstig uit de Nota Bodembeheer 2019-2024. Brand- en explosievoorschriftengebied Op basis van artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wijst de gemeente ter plaatse van brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebied gebieden aan als brand- en explosievoorschriftengebieden, met enkele mogelijkheden om hier (beleidsmatig) vanaf te wijken. Beleidsvorming en inventarisatie op dit onderwerp zijn nog gaande, waardoor we ervoor kiezen om deze voorschriftengebieden nog niet op te nemen in het omgevingsplan. Dit doen we bij een volgende wijzigingsronde. Bebouwingscontouren houtkap, geur en jacht De instructieregeling in het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht iedere gemeente om in het omgevingsplan drie bebouwingscontouren aan te wijzen, namelijk: 1.
De bebouwingscontour geur (artikel 5.97); 2. De bebouwingscontour jacht (artikel 5.165a); en 3. De bebouwingscontour houtkap (artikel 5.165b). Op basis van de instructieregels bestaan deze bebouwingscontouren uit verschillende (deels) gemeenschappelijke componenten, zoals het stedelijk gebied, gebieden aansluitend aan het stedelijk gebied en lintbebouwing. Zie daarvoor onderstaande tabel. Bebouwings-contour
Verplichte componenten
Optionele componenten
Geur
• •
Stedelijk gebied Gebieden grenzend aan het stedelijk gebied
• •
Jacht
• •
Stedelijk gebied Gebieden grenzend aan het stedelijk gebied Lintbebouwing Gebieden grenzend aan lintbebouwing
• •
Houtkap
• •
Lintbebouwing Groen grenzend aan het stedelijk gebied
Stedelijk gebied Gebieden grenzend aan het stedelijk gebied
Als gemeente vinden we het belangrijk om tot herleidbare bebouwingscontouren te komen. Daarom zorgen we ervoor dat de verschillende componenten op uniforme wijze tot stand komen, bijvoorbeeld één gemeenschappelijke toepassing van ‘stedelijk gebied’ en ‘lintbebouwing’. Bovendien vinden we het belangrijk dat perceeleigenaren zoveel mogelijk met één regime te maken hebben, daarom gebruiken we de kadastrale grenzen als uitgangspunt voor de begrenzing van bebouwingscontouren. Deze uniforme gebiedsindeling is nog in voorbereiding. Daarom worden de bebouwingscontouren opgenomen in een volgende wijziging van het omgevingsplan.
Omgevingsplan - nieuw deel Regels in het omgevingsplan zijn gekoppeld aan een werkingsgebied, oftewel waar de regel van toepassing is. Een regel geldt automatisch voor de gehele gemeente, tenzij het werkingsgebied geografisch wordt ingeperkt. Overeenkomstig onze transitiestrategie stellen we eerst een basisversie van het nieuwe omgevingsplan op,, voordat we deze set regels gebiedsgericht activeren. Dit krijgen we alleen voor elkaar als we de basisregels ergens tijdelijk kunnen ‘parkeren’, zonder dat dit direct consequenties heeft. De oplossing die we hiervoor hebben bedacht is dat we de basisregels koppelen aan de locatie ‘omgevingsplan – nieuw deel’. Deze locatie beslaat in eerste instantie een zeer beperkt oppervlak in de raadszaal van onze gemeente (ca. 1 m2). Naarmate we het omgevingsplan in de komende jaren gebiedsgericht uitrollen wordt de locatie
77
‘omgevingsplan – nieuw deel’ steeds groter en vervangt het de oude regels uit bestemmingsplannen en andere documenten.
Integreren Vangnetbepalingen Met de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk een groot aantal voormalige rijksregels overgedragen naar gemeenten. Deze regels zijn (tijdelijk) opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, met de bedoeling deze regels al dan niet te verwerken in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Na invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk geconstateerd dat deze regels nog enkele fouten bevatten. Daarnaast is er voor bijvoorbeeld NEN-normen sprake van voortschrijdend inzicht. Het Rijk wil de toepassing van deze NEN-normen landelijk blijven voorschrijven via de Omgevingsregeling. Via de Vangnetregeling Omgevingswet brengt het Rijk juridische correcties aan, met directe consequenties voor ons omgevingsplan. Echter, gemeenten moeten deze correcties zélf nog doorvoeren, zodat het omgevingsplan juridisch en technisch weer up-to-date is. Met dit wijzigingsbesluit nemen we dit mee.
Participatie In lijn met de kennisgeving van ons voornemen (gepubliceerd in augustus 2025) hanteren we voor dit wijzigingsbesluit een uiteenlopende participatiestrategie, omdat dit wijzigingsbesluit verschillende onderdelen omvat. Zo hebben we vooraf contact gehad met provincie en waterschap(pen) en de Omgevingsdienst Brabant-Noord. Daarnaast worden twee bijeenkomsten georganiseerd, één voor bewoners en bedrijven en één expertsessie voor met name andere gemeenten en adviesbureaus. Tot slot zijn we voornemens om een webinar op te nemen waarin we de Omgevingswet, (de transitiestrategie voor) het omgevingsplan en het Digitaal Stelsel Omgevingswet in algemene zin toelichten. Sommige elementen van dit wijzigingsbesluit lenen zich het meest voor ‘informeren’, omdat het geen inhoudelijke zaken betreft. Het gaat dan bijvoorbeeld om: • de hoofdstukstructuur; • het opnemen van een uniforme begrippenlijst; • het opnemen van bovenlokale gebiedsaanwijzingen; en • het integreren van Vangnetbepalingen in hoofdstuk 22. Deze zaken presenteerden we tijdens de informatiebijeenkomst op 26 januari 2026 en de expertsessie op 5 februari 2026. De presentatie en het eindverslag van de informatiebijeenkomst en de expertsessie zijn opgenomen als bijlage E tot en met H bij dit besluit.
Voor de overige elementen van dit wijzigingsbesluit kiezen we voor ‘raadplegen’, omdat dit zaken betreft die juridisch complex zijn of die inhoudelijke consequenties kunnen hebben voor belanghebbenden. Het gaat dan met name om: • de voorrangsregels; en • de gebiedsaanwijzingen. De voorrangsregels zijn juridisch complex. Daarom hebben we deze bij de voorbereiding voorgelegd aan diverse experts, collega’s van andere gemeenten tijdens de expertsessie op 5 februari. De presentatie en de schriftelijke terugkoppeling van de expertsessie zijn opgenomen als Bijlage G en Bijlage H bij dit besluit.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Het omgevingsplan dient te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze wijziging van het omgevingsplan is voornamelijk procedureel/administratief van aard en leidt ten opzichte van het vigerende planologisch regime niet tot nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden. Daarom concluderen we dat er sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit blijkt ook uit de mer-beoordeling (zie bijlage C).
78