CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Onrooi 12 Boxtel (1289581)- Bijlage 2 Toelichting en regels.pdf

Raadsvergadering Boxtel 12 juli 2022, gemeente boxtelBij agendapunt: Bestemmingsplan Onrooi 12 Boxtel (reg nr 1289581)23.851 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

26

3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Er is door BRO een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van een ander bouwplan.

De wijziging van het bouwplan heeft echter niet geleid tot wijzigingen in conclusies. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:  Protocollair veldonderzoek dient tijdig uitsluitsel te even omtrent de functionaliteit van de bebouwing voor huismussen en diverse soorten vleermuizen.

Hoofdstuk 4

27

 

Voor de steenuil dient er te allen tijde voldoende foerageerhabitat aanwezig te blijven of vervolgonderzoek dient de aanwezigheid uit te sluiten Ten aanzien van overige broedvogels dient het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

Vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000, het NNB en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. Stikstof Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is “Kampina en Oisterwijkse Vennen” en ligt op circa 4,2 kilometer ten westen van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de sloop van enkele bebouwing en de realisatie van een woning betreft, kan een toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Er is een stikstofonderzoek uitgevoerd voor zowel de aanlegfase (sloop en bouw) als de gebruiksfase. Deze is opgenomen in de bijlagen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Vervolgonderzoek huismus, vleermuis en steenuil Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek naar huismus, vleermuis en steenuil uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen.

Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen huismussen waargenomen. Aanwezigheid van nestlocaties of ander essentieel leefgebied van de huismus is daarmee uitgesloten. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de huismus is uitgesloten. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van vleermuis waargenomen. Er gaan bij de werkzaamheden geen verblijfplaatsen van de vleermuis verloren. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de vleermuis is uitgesloten. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen nestlocaties of territoria van steenuilen waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de steenuil is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Andere diersoorten als vogels, zoogdieren en amfibieën kunnen in het plangebied aanwezig zijn. Hiervoor geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat men zorg moet dragen voor aanwezige individuen, ook algemene soorten. Men moet deze dieren de tijd geven om het plangebied te verlaten. Weinig mobiele soorten als egel of pad kunnen met beleid naar buiten het plangebied worden verplaatst. Daarnaast zijn broedende vogels en hun nesten tijdens het broedseizoen beschermd.

Geadviseerd wordt om het opgaand groen binnen het plangebied buiten het broedseizoen te verwijderen, om verstoring van

Hoofdstuk 4

28

broedende vogels te voorkomen. Het broedseizoen loopt gemiddeld van half maart tot half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval. Conclusie flora en fauna In de gebouwen zijn geen nesten of verblijfsplaatsen van huismus, steenuil of vleermuizen aangetroffen, noch biedt het plangebied essentieel leefgebied aan een van deze soorten. Bij sloop van de gebouwen wordt geen verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is dus niet aan de orde. 4.8.3 Conclusie Het onderdeel flora en fauna zorgt niet voor belemmeringen.

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek (april 2021) Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de boven- en ondergrond zintuiglijk geen bijmengingen waargenomen. De aangetroffen halfverharding betreft geen bodem en is derhalve niet meegenomen in onderhavig onderzoek. Asbestverdacht materiaal is niet aangetroffen. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie.

In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond is een zeer licht verhoogd gehalte aan zink gemeten. Een locatiespecifieke bron van deze lichte verhoging is niet bekend. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium en zink aangetoond. Geacht wordt dat dit natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden betreffen.

Hoofdstuk 4

29

Asbestonderzoek (augustus 2021) Naar aanleiding van het onderzoek in april 2021 is nog een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd in augustus 2021. De samengevoegde rapportage (verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek) is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Het volgende wordt geconcludeerd. In verband met het ontbreken van dakgoten aan de asbestverdachte daken van de aanwezige schuren is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn resten en sporen van baksteen aangetroffen. Er is geen noemenswaardige verontreiniging met asbest aangetoond. Het onderzoek (verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek) heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Er zijn geen belemmeringen voor de realisatie van de bouwplannen in relatie tot de bodemkwaliteit. 4.9.3 Conclusie Het onderdeel ‘bodem’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 4.10.2 Onderzoek Er is een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Oppervlaktewater Op de leggerkaart van het Waterschap De Dommel is te zien dat het plangebied aan de noordzijde direct gelegen is aan een B-watergang. Daarnaast is er aan de zuidzijde van het plangebied eveneens een B-watergangen gelegen in de omgeving van het plangebied. Op circa 145 meter afstand is een Awatergang (de Dommel) gelegen. In het plangebied zijn verder geen waterstaatswerken, waterwegen, greppels of sloten aanwezig. Grondwater De bodem bestaat naar verwachting uit voornamelijk matig/fijn zand, maar ook uit leem, zand midden categorie en uit zand grove categorie (Formatie van Boxtel). De toplaag bestaat op dit moment uit stedelijke bestrating. Echter ligt er onder deze laag een fijne, matig humeus zandgrond. Deze grondsoort is zeer goed waterdoorlatend. De stroming van het grondwater is lokaal zuidwestelijk gericht en bevindt zich gemiddeld op een oogte van circa 6.9 meter +NAP.

De onderzoekslocatie bevindt zicht niet binnen de grenzen van een grond-

Hoofdstuk 4

30

waterbeschermingsgebied. Op basis van de verwachte bodemopbouw is een goede/matige (voornamelijk horizontale) doorlatendheid aanwezig. Door de aanwezige leemlaag (op circa 0,9 meter diepte t.o.v. NAP) zijn ter plaatse van het plangebied mogelijk hogere grondwaterstanden te verwachten. Uit gegevens van Bodemdata Nederland is ter plaatse een grondwatertrap van (VI) te verwachten. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand is ter plaatse binnen 40 cm-mv en de Gemiddeld Laagste grondwaterstand op 80-120 cm-mv te verwachten Uit de gegevens van bodematlas Noord-Brabant is ter plaatse grondwatertrap VI te verwachten. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand is ter plaatse op 40-80 cm-mv en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand op dieper dan 120 cm-mv te verwachten. Afvalwater Onder de Onrooi is drukriolering gelegen. Het is niet bekend of het bestaande drukriool op korte termijn vervangen zal worden door een klimaat adaptief stelsel De nieuwbouwwoning kan hier in principe op aangesloten worden. Doordat de huidige bedrijfsvoering zal worden stopgezet en er slechts één woning zal worden gerealiseerd (in de huidige situatie reeds het geval), zal de hoeveelheid afvalwater ter plaatse verminderen doordat de agrarische bedrijfsvoering zal worden stopgezet.

Echter, het uitgangspunt in het beleid is dat bij (nieuwbouw)projecten een regenwaterriolering dient te worden aangelegd met inachtneming van de uitgangspunten van het duurzaam omgaan met regenwater. De vuil- en regenwaterriolering worden dan volgens dit principe gescheiden. Voor onderhavig initiatief kan een gescheiden rioolstelsel aangelegd worden zodat het in de toekomst eenvoudig op het toekomstige gemeentelijk rioolstelsel aangesloten kan worden. Ook bestaat er de mogelijkheid om de woning af te koppelen. Voor de berekening van het toekomstig aanbod van de verandering van het vuilwater op het rioolstelsel is uitgegaan van een gemiddeld waterverbruik van 120 liter per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekend dus dat er 2,5 x 120 = 300 liter vuilwater per woning geloosd zal worden op het rioolstelsel. Deze berekening is echter gebaseerd op basis van een inschatting en betreft derhalve een indicatie van de hoeveelheid. Er zijn geen capaciteitsproblemen te verwachten na het realiseren van één vrijstaande woning op de locatie Onrooi 12, daar er in de huidige situatie reeds een bedrijfswoning is gelegen in het plangebied. Hemelwater Bij de planontwikkeling bedraagt het toekomstig verhard oppervlak ca. 1.746 m². Dit betreft een afname van verhard oppervlak.

Door de kleinschalige ontwikkeling (<2.000 m2 toename) en de ligging buiten hydrologisch beschermd gebied is geen aanvullend overleg met het waterschap noodzakelijk. Vanuit het gemeentelijk beleid van de gemeente Boxtel is een nieuwbouwproject in stedelijk gebied een hemelwaterneutrale ontwikkeling en is hemelwaterverwerking ter plaatse verplicht. Doordat er in het voorgestelde plan een nieuwe vrijstaande woning wordt gerealiseerd dient hemelwater ter plaatse verwerkt te worden. Bij een nieuwbouwwoning dient een gescheiden stelsel aangelegd te worden waarbij het afvalwater op het toekomstige gemengde riool aangesloten dient te worden. Voor de aansluitingen op het gemeentelijk stelsel dient voor de woning een aansluitingsvergunning van de gemeente Boxtel aangevraagd te worden. Voor een bui van T = 60 bedraagt de benodigde waterberging zonder aanvullende maatregelen circa 104,76 m3 (746 m² x 0,06 m). Ter plaatse is geen minderingsfactor van toepassing.

Hoofdstuk 4

31

Eventueel kan water hergebruikt worden voor de besproeiing van de tuin met het opgevangen hemelwater in een regenton. De benodigde retentie of afvoersnelheid kan verder beperkt worden door bovengronds afvoeren in een grindgoot of middels het gebruik van een halfverharding zoals grind of een waterpasserende bestrating. Op eigen terrein wordt gezorgd voor waterberging. Op de landschappelijke inrichtingstekening in de bijlage is een zone aangeduid waar waterberging is voorzien. Eventueel extra regenwater kan rechtstreeks afstromen naar de B-watergang langs de Onrooi. Het is op deze manier niet nodig om het hemelwater af te koppelen op het drukriool. Dit is ook niet toegestaan. 4.10.3 Conclusie Het onderdeel water zorgt niet voor belemmeringen.

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. 4.11.2 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – categorie 3’. Archeologisch onderzoek is in dit gebied noodzakelijk bij bodemingrepen met een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstorings-oppervlakte van meer dan 125 m². Deze grens zal overschreden worden op delen van het plangebied. Echter zal de grens voor het overgrote deel van het plangebied niet overschreden worden.

Daar zijn namelijk geen bodemingrepen gepland. Er heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden ter plaatse van de woning, de garage en de tuin. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de locatie van de woning en de garage uitgesloten kan worden van archeologie. Hier kan dus gegraven worden zonder aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. De tuin is niet geheel uit te sluiten van archeologie. Op dit moment is niet bekend of hier verdere bodemingrepen gaan plaatsvinden. Het is niet de wens om in deze tuin nog meer bijgebouwen of iets dergelijks te realiseren. Over het gehele plangebied is daarom de dubbelbestemming nog gehandhaafd. Bij overschrijding van de onderzoeksgrenzen (door bijvoorbeeld realisatie van groen) zal alsnog een aanvullend archeologisch onderzoek nodig zijn.

Hoofdstuk 4

32

Het westelijke deel van het plangebied is niet onderzocht. Hier vinden geen bodemingrepen plaats. Daarnaast staan hier nog de bestaande (leegstaande) stallen. Deze zullen worden gesloopt. De toekomstige loods (schuur/bijgebouw) wordt gerealiseerd op de locatie van deze stal. Hier is de bodem reeds verstoord. Bij de realisatie van de loods zal dus geen onverstoorde grond geroerd raken, waardoor geen archeologische waarden in het geding raken. Ook hier blijft de dubbelbestemming gehandhaafd. Selectieadvies en voorwaardelijke verplichting Naar aanleiding van het archeologisch onderzoek is een selectieadvies opgesteld. Deze is toegevoegd aan de bijlagen. Er wordt ingestemd met de conclusies uit het onderzoek. In het zuidelijke gedeelte van het plangebied moet bij bodengrepen dieper dan 20 cm-mv nabij boringen 3 en 6 een archeologisch vervolgonderzoek plaatsvinden. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bijlagen. Hiermee wordt voorkomen dat een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd wordt zonder dat bodemingrepen plaatsvinden, maar wordt daarnaast geborgd dat voordat grondroerende werkzaamheden plaatsvinden in het archeologische niveau bij boringen 3 en 6 een vervolgonderzoek nodig is. Samen met de te handhaven dubbelbestemming zorgt dit voor voldoende boring van eventuele archeologische waarden in het plangebied.

4.11.3 Conclusie Het onderdeel ‘archeologie’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek De cultuurhistorische waarden bij het plangebied zijn afgebeeld in figuur 4.3. De staat Onrooi is aangeduid als ‘waardevolle lijnstructuur’. Daarnaast ligt het plangebied in de regio ‘De Meijerij’. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes.

Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa)

Hoofdstuk 4

33

stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. De nieuwe bebouwing wordt in een landelijke stijl gerealiseerd en past daardoor in de omgeving. Er vinden verder geen ingrepen plaats aan de straat Onrooi. Het planvoornemen heeft derhalve geen negatieve invloed op de lijn van hoge waarden. In de omgeving bevinden zicht daarnaast geen monumentale gebouwen. Om deze reden zal het initiatief de cultuurhistorische waarden van de regio ook niet belemmeren. 4.12.3 Conclusie Het onderdeel ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een woning mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied De voorgenomen activiteit komt niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Het plan kan niet gezien worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op dit moment staat er al een woning op het perceel met daarnaast grote stallen van de voormalige veehouderij. De woning wordt gesloopt en er wordt een nieuwe woning binnen het perceel gebouwd. Dit wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteit. Er is geen m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk. Er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.

Hoofdstuk 4

34

5.

JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels De regels geven aan wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn binnen het plangebied. Uitgangspunt voor de regeling is het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2 en 5.3.

5.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Natuur en Landschap’, ‘Groen’ en ‘Wonen’ ingetekend. Verder zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie categorie 3’, ‘Waarde – Attentiegebied EHS’, ‘Waarde – Bolle akker’ en ‘Waarde – waardevolle vegetaties’ opgenomen.

5.3 Toelichting op de bestemmingen Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de verschillende bestemmingen. Agrarisch met waarden – Natuur en Landschap De voormalige agrarische gronden krijgen de bestemming Agrarisch met waarden – Natuur en landschap. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden zoals beschreven in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden. In de inpassing is vastgelegd dat het ‘open karakter’ van het gebied in stand dient te worden gehouden. De maatregelen zijn er op gericht de ruimtelijkheid van het perceel te benadrukken en aan te laten sluiten bij het omringende landschap. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

Hoofdstuk 5

35

Groen De landschappelijke inpassingselementen hebben de bestemming ‘Groen’ gekregen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Wonen Binnen deze bestemming is wonen toegestaan. Voor de systematiek is aangesloten bij het moederplan ‘Buitengebied 2011’. Per bestemmingsvlak is maximaal 1 woonhuis toegestaan. De inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 850 m 3. Voor bijgebouwen geldt dat de gezamenlijke grondoppervlakte niet meer dan 250 m 3 mag bedragen. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 Deze bestemming voorziet in het behoud en de bescherming van de in de grond mogelijk aanwezige archeologische waarden. Er is daarnaast een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de conclusies uit het archeologisch onderzoek. Waarde – Attentiegebied EHS’, ‘Waarde – Bolle akker’ en ‘Waarde – waardevolle vegetaties’ Deze dubbelbestemmingen voorzien in het behoud en bescherming van de aanwezige waarden binnen het plangebied.

5.4 Toelichting op de regels Hieronder volgt een toelichting op hoofdstuk 1, 3 en 4 van de regels. Hoofdstuk 1. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van bouwwerken te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hoofdstuk 3. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is verplicht overgenomen uit het Bro (art. 3.2.4.) en is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat een algemene regeling ten aanzien van het overschrijden van het bouw- en bestemmingsvlak door ondergeschikte bouwdelen.

Hoofdstuk 5

36

Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan een omgevingsvergunning tot afwijken kan worden verleend. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Ook is een regeling opgenomen voor zend- en ontvangen/of sirenemasten. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarbij een wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht De overgangsregeling is overgenomen uit het Bro (art. 3.2.1 en 3.2.2). Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 5

37

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk.

De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en

Hoofdstuk 6

38

waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De verschillende instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. In de bijlagen van dit bestemmingsplan zijn de vooroverlegreacties opgenomen. Het gaat om een reactie van de brandweer, provincie en van het waterschap. De beoordelingen zijn hieronder kort samengevat. Brandweer De bestaande objecten en de bedrijfswoning waar de initiatiefnemer nu woont worden gesloopt waarna door de initiatiefnemer een nieuwe woning wordt opgericht. De feitelijk risicosetting wijzigt niet. De kans op een fakkelbrand blijft erg klein. De gevolgen van een incident met een van de buisleidingen blijven onveranderd, de bewoners zullen ten tijde van een fakkelbrand afhankelijk van de exacte locatie van de fakkelbrand met letaal tot lichte verwondingen geconfronteerd worden. De ontwikkeling heeft ook geen negatieve invloed op de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze blijft in beide gevallen als gevolg van de beperkte afstanden tot de risicobronnen slecht. Tot de fakkelbrand gedoofd is zijn de bewoners op zichzelf aangewezen.

Advies: Door aan de buitenzijde van objecten niet brandbare constructiematerialen te gebruiken kan de kans op het ontstaan van een secundaire brand worden verminderd. Overwogen kan worden om dit principe op een van de bijgebouwen toe te passen zodat dit als schuilplaats gebruikt kan worden. Naar aanleiding van deze reactie is in de paragraaf externe veiligheid tekstueel iets toegevoegd ten aanzien van niet brandbare constructiematerialen bij de bijgebouwen. Provincie Er zijn geen opmerkingen ten aanzien van de kwaliteitsberekening en de landschappelijke inpassing. Het volgende wordt namelijk beschreven: “Er is een berekening bij gevoegd en ook een inrichtingsplan en beplantingsplan. Wat de inrichting betreft is er goed naar de landschappelijke structuren van het kampenlandschap gekeken en daarop ingehaakt. Ook wat beplanting betreft. De kwaliteitsverbetering is met een voorwaardelijke bepaling geborgd in de planregels. De voorgestelde kwaliteitsverbetering van het landschap voldoet aan de vereisten van de IOV.” Wel wordt beschreven dat paragraaf 3.2 gedeeltelijk herschreven dient te worden ten aanzien van de juiste artikelen uit de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Advies: Wij verzoeken u om de onderdelen van het bestemmingsplan die nog niet in overeenstemming zijn met de Interim-Omgevingsverordening aan te passen.

Mocht onze reactie aanleiding geven tot vragen of opmerkingen dan zijn wij graag bereid tot nader overleg. Naar aanleiding van de reactie is de paragraaf over de Interim omgevingsverordening aangepast. Waterschap Het waterschap heeft geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging. Het plan heeft een positief effect op de waterhuishouding. Als gevolg van het plan neemt de oppervlakte bebouwing en verharding in het plangebied af. Het slopen van de bestaande bedrijfswoning, stallen en bijgebouwen is namelijk een voorwaarde voor de bouw van de nieuwe woning. Minder verhard oppervlak betekent, dat er meer regenwater rechtstreeks kan infiltreren in de bodem in plaats van dat dit tot afstroming komt

Hoofdstuk 6

39

en versnelt afvoert via het oppervlaktewatersysteem. Dit zorgt voor meer aanvulling van het grondwater. Wel wordt meer duidelijkheid verschaft over hoe wordt omgegaan met het regenwater. In de plantoelichting onder paragraaf 4.10 is hier daarom verder op ingegaan. Dit heeft ook geleid tot het toevoegen van een zone voor waterberging op de landschappelijke inrichtingstekening. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft de direct omwonenden geïnformeerd over het plan in het kader van de omgevingsdialoog. Het gaat hierbij om de bewoners van de woningen Onrooi 13, 14 en 4 en daarnaast ook het Groene Hart. De bewoners van de woningen hebben allen kenbaar gemaakt geen bezwaren te hebben tegen het plan. Het Groene Hart heeft niet aangegeven bezwaar te hebben tegen het plan. Wel wordt een suggestie gedaan ten aanzien van laanbeplanting langs de weg in de vorm van populieren. De landschappelijke inpassing is op basis van deze reactie niet aangepast. De voorkeur blijft om de inpassing op eigen terrein plaats te laten vinden in plaats van naast de openbare weg. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening.

In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.

Hoofdstuk 6

40

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Geuronderzoek Bijlage 4: Quickscan Flora en fauna Bijlage 5: Vervolgonderzoek Flora en fauna Bijlage 6: Waterparagraaf Bijlage 7: Stikstofonderzoek Bijlage 8: Hogere grenswaarde geluid Bijlage 9: Welstandsadvies Bijlage 10: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 11: Archeologisch bureau- en verkennend onderzoek Bijlage 12: Omgevingsdialoog Bijlage 13: Vooroverlegreacties

Hoofdstuk 6

41

Onrooi 12

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 11

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

12

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap Groen Wonen Waarde - Archeologie - Categorie 3 Waarde - Attentiegebied EHS Waarde - Bolle akker Waarde - Waardevolle vegetaties

12 14 15 19 23 24 26

Hoofdstuk 3

Algemene regels

28

Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17

Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels

28 29 30 31 32 33 34 35

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

36

Artikel 18 Artikel 19

Overgangsrecht Slotregel

36 37

Bijlagen bij regels

39

Bijlage 1

40

2

Landschappelijke inpassing

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

Plan

het bestemmingsplan Onrooi 12 met identificatienummer NL.IMRO.0757.BP01ONROOI12-VST1 van de gemeente Boxtel. 1.2

Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

AAB

Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; 1.4

aan-huis-verbonden-bedrijf

een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend, en waarbij deze activiteit door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend. 1.5

aan-huis-verbonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, en waarbij deze activiteit door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend; 1.6

aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht en qua afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.7

aardkundige waarden

waarden van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen danwel anderszins vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van algemeen belang zijn vanuit aardkundig oogpunt; 1.8

agrarisch grondgebruik

het weiden van vee en/ of het verbouwen van gewassen, boomgaardfruitteelt en teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie daaronder begrepen, met uitzondering van het verbouwen van gewassen in een volkstuincomplex;

4

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

1.9

agrarisch natuurbeheer

Natuurbeheer op landbouwgronden uitgevoerd door boeren gecombineerd met de agrarische bedrijfsvoering; 1.10

akkercomplex

door gelijksoortig gebruik in het verleden samengevoegde bolakkers; 1.11

archeologische (verwachtings)waarde

de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis; 1.12

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.13

bebouwingscluster

een vlakvormige verzameling van gebouwen buiten bestaand stedelijk gebied; 1.14

bebouwingsconcentratie

een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster; 1.15

bed&breakfast

het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan een beperkt aantal personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.16

beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.17

bestaand stedelijk gebied

gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies; 1.18

bestaande (bedrijfs)gebouwen

bouwwerken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.19

bestaand

voor zover dit betrekking heeft op bebouwing, gaat het om de oppervlakte van de bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning;

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

5

voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van grond en opstallen, gaat het om het gebruik zoals dat aanwezig was op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen. 1.20

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak; 1.21

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; indien en voorzover twee bestemmingsvlakken middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bestemmingsvlak; 1.22

bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.23

bodemarchief

de sporen van (vooral) menselijke bewoning en bewerking die in de bodem zijn achtergebleven; 1.24

bolle akker

akker waarvan het oppervlak bol ligt; het midden van de akker is dan een halve tot een hele meter hoger gelegen dan de rand van de akker; 1.25

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.26

bouwlaag

doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.27

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien en voorzover twee bouwpercelen middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel; 1.28

bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel; 1.29

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

6

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

1.30

cultuurhistorische waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden; 1.31

dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.32

diepploegen

grondbewerking dieper dan 40 cm, waartoe wordt gerekend het vermengen, woelen en keren van (alle) lagen in het bodemprofiel; 1.33

ecologische verbindingszone

een langgerekt gebied waarbinnen verbindende landschapselementen zijn of worden gerealiseerd; 1.34

extensief recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; 1.35

gebiedswaarden

de landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van het gebied, zoals deze tot uiting komen in de omschrijvingen van de bestemmingen en dubbelbestemmingen; 1.36

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.37

halfvrijstaande woning

een twee-onder-één-kap-woning; 1.38

hoofdgebouw

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.39

huishouden

een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksverbinding of een met een huwelijksverbinding gelijk te stellen samenlevingsverband;

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

7

1.40

kampeermiddel

een tent, tentwagen, een kampeerauto of een caravan, niet zijnde een stacaravan; 1.41

kleinschalige activiteiten

activiteiten die geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, die geen elektronisch opgewekt geluid produceren en waaraan maximaal 40 personen deelnemen, zoals workshops, lezingen, wandelingen en dergelijke; 1.42

landschappelijke waarde

gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap en de natuurwaarden, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten; 1.43

landschapsversterkingsplan

een rapportage waarin is aangegeven op welke wijze een bepaalde ontwikkeling leidt tot een substantiele versterking van de gebiedswaarden. De rapportage bevat versterkingsmaatregelen als het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het aanbrengen van beeldkwaliteit en/of het herstellen van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of omgeving; 1.44

milieucategorie

milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering, Den Haag 2009; 1.45

milieuhygiënische uitvoerbaarheid

overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, natuur, etcetera, aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden; 1.46

natuurontwikkelingsgebied

gebied dat zijn waarde ontleent aan de bijzondere geschiktheid voor het ontwikkelen van nieuwe natuur, verhogen van de kwaliteit van bestaande natuur en het verbinden van natuurkerngebieden; 1.47

natuurwetenschappelijke waarde

aan een gebied toegekende waarde in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen, voorkomend in dat gebied; 1.48

nevenactiviteiten

activiteiten die ondergeschikt zijn aan de primair aan de gronden toegekende functie; 1.49

normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming;

8

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

1.50

onderbouw

een ruimte die beneden peil is gelegen; 1.51

onderkomens

voor verblijf geschikte al dan niet aan de bestemming onttrokken voer- en vaartuigen en kampeermiddelen; 1.52

open akker

groot open akkergebied, ontstaan door plaggenbemesting, met een typische maat van 50 tot 200 hectare. Open akkers beslaan vaak een flink stuk van een in of kort na de laatste ijstijd gevormde dekzandrug; 1.53

overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zonder eigen wanden dat aan maximaal twee zijden begrensd een gesloten wand kent; 1.54

paardenbak

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 1.55

permanente teeltondersteunende voorziening

teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas; 1.56

peil

a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: 1. de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: 1. de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: 1. de gemiddelde hoogte van de aan het water grenzende gronden; 1.57

prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding; 1.58

seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

9

1.59

teeltondersteunende kassen

ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een vollegrondstuinbouwbedrijf of boomkwekerij. Ze worden gebruikt om de bedrijfsvoering te optimaliseren. In teeltondersteunende kassen vindt de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productkwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of -verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik; 1.60

teeltondersteunende voorziening

ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij; 1.61

voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel; 1.62

vormverandering van een bouwblok

wijziging van de begrenzing van een bouwvlok zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte; 1.63

wonen

het gehuisvest zijn of het huisvesten van personen in een woning/woonhuis. 1.64

woning

een complex van ruimten dat dient voor de huisvesting van: 1. één huishouden, of; 2. één huishouden plus maximaal twee individuele personen, of; 3. maximaal 4 individuele personen. 1.65

woonhuis

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat; 1.66

water en waterhuishoudkundige voorzieningen

water en voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 1.67

WUBBB

de Werkgroep Uitvoering Bestemmingsplannen Buitengebied Boxtel;

10

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

Gebouwen en bouwwerken

2.1.1

De bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.1.2

De breedte van een gebouw:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren. 2.1.3

De dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.1.4

De goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.1.5

De inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.1.6

De oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.2

Ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. 2.3

Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders aangegeven: a. b. c. d. e. 2.4

voor lengten in meters (m); voor oppervlakten in vierkante meters (m²); voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³); voor verhoudingen in procenten (%); voor hoeken/hellingen in graden (º). Meten

Bij de toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van de lijn.

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

11

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

agrarisch grondgebruik; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; extensief recreatief medegebruik; doeleinden van openbaar nut; het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden zoals beschreven in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden; een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden, groenvoorzieningen en sloten. 3.2

Bouwregels

Op de voor 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienst van de bestemming, met dien verstande dat: a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan. 3.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.

teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter zijn niet toegestaan; voeropslagvoorzieningen zijn niet toegestaan; paardenbakken zijn niet toegestaan; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (waaronder erf- en terreinafscheidingen) bedraagt niet meer dan 1 m; e. poorten zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 m; 3.3

Nadere eisen

3.3.1

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de bouwhoogte van bebouwing; b. de aard, bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen. 3.3.2 Afwegingskader De in 3.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld: a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of landschappelijke inpassing; b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van omliggende waarden; c. ter verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik; d. ten behoeve van de milieusituatie; e. ten behoeve van de verkeersveiligheid; f. ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

12

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

3.3.3

Procedure

Bij de gebruikmaking van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is de procedure als genoemd in 16.1 van toepassing. 3.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik of laten gebruiken gronden voor het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen. 3.5

Wijzigingsbevoegdheid

3.5.1

Vergroting Wonen

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap' wijzigen in de bestemming 'Wonen' ten behoeve van de vergroting van het vlak met de bestemming 'Wonen', onder de voorwaarden dat: a. de oppervlakte van de bestemming 'Wonen' met maximaal 15% toeneemt; b. de wijziging milieuhygiënisch uitvoerbaar is; c. de gebiedswaarden substantieel worden versterkt conform een ingediend landschapversterkingsplan, door middel van het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het aanbrengen van beeldkwaliteit en/of het herstellen van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of omgeving; d. artikel 3.5.3 in acht worden genomen. 3.5.2 Voorwaarden wijziging Ten aanzien van de in 3.5.1 genoemde bevoegdheden geldt dat: a. ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - Categorie 3' dat na wijziging voor het gewijzigde deel niet de uitzondering geldt, genoemd in 6.2.1 onder d. 3.5.3 Advies Met betrekking tot de toepassing van de in 3.5.1 genoemde bevoegdheid wordt advies ingewonnen bij: a. de WUBBB ten aanzien van de vraag of de gebiedswaarden in voldoende mate worden versterkt bij uitvoering van het ingediende landschapversterkingsplan (voor zover deze voorwaarde bij de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen), waarbij de WUBBB zich zo nodig baseert op een deskundigenrapport; b.

de AAB wanneer sprake is van een bedrijfseconomisch advies en/of belang; c. het waterschap ten aanzien van de vraag of de waterhuishoudkundige situatie niet onevenredig wordt aangetast.

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

13

Artikel 4 4.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, waaronder het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 Landschappelijke inpassing; met de daarbij behorende: b. c. d. e. f. g.

waterlopen, waterpartijen en waterberging; bermen en beplanting; paden; voorzieningen van algemeen nut; waterstraatkundige werken; extensief recreatief medegebruik.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de gevellijn ter plaatse van de bestemming 'Wonen' niet meer dan 1 meter mag bedragen; b. overige bouwwernek geen gebouw zijnde zijn niet toegestaan. 4.2.3 Algemeen nut Voor het bouwen van voorzieningen van algemeen nut gelden de volgende bepalingen: a. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter; b. de maximale oppervlakte bedraagt 15 m².'

14

Bestemmingsplan "Onrooi 12" (vastgesteld)

Artikel 5 5.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in een woning; b. aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven in de hoofd- en bijgebouwen tot een vloeroppervlakte van 50 m2; c. het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden; een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. 5.2

Bouwregels

Op de tot 'Wonen' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming. 5.2.1

Hoofdgebouwen

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. per bestemmingsvlak mag ten hoogste 1 woonhuis worden gebouwd; b. de inhoud mag niet meer dan 850 m3 bedragen, met dien verstande dat: c. de goothoogte mag niet meer dan 4,50 m bedragen, met dien verstande dat de goothoogte aan de achterzijde van het hoofdgebouw voor maximaal 50% van de gevelbreedte maximaal 6 m mag bedragen; d. de bouwhoogte mag niet meer dan 9 m bedragen; e. de dakhelling mag niet minder dan 25o en niet meer dan 60o bedragen; f. ondergrondse gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd onder de oppervlakte van de woning. 5.2.2 Bijgebouwen Voor bijgebouwen gelden de volgende regels: a. de dichtst bij het hoofdgebouw gelegen gevel van het bijgebouw mag alleen binnen een straal van 30 meter van de gevel van het hoofdgebouw worden opgericht; b. het bijgebouw mag niet vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan mogen worden opgericht; c. de gezamenlijke grondoppervlakte mag niet meer dan 250 m2 bedragen; d. de goothoogte mag niet meer dan 3,25 m bedragen; e. de bouwhoogte mag niet meer dan 5 m bedragen; f. ondergrondse bijgebouwen zijn niet toegestaan. 5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=cd31b1b4-90d9-4427-b0ba-b2879973782e