CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Onrooi 12 Boxtel (1289581)- Bijlage 2 Toelichting en regels.pdf

Raadsvergadering Boxtel 12 juli 2022, gemeente boxtelBij agendapunt: Bestemmingsplan Onrooi 12 Boxtel (reg nr 1289581)23.851 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Onrooi 12 te Boxtel 12 juli 2022

Bestemmingsplan Onrooi 12 te Boxtel Gemeente Boxtel Vaststelling

Rapportnummer:

P03487

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0757.BP01ONROOI12-VST1

Datum:

25 april 2022

Opdrachtgever:

particulier

Projectteam BRO:

TSc, JRi, TAu

Concept:

april 2021

Ontwerp:

november 2021, december 2021, januari 2022

Vaststelling:

12 juli 2022

Bron foto kaft:

BRO

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 4 4

2.PLANBESCHRIJVING

5

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

8 8 9 13

4.Omgevingsaspecten 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Geluid weg- en spoorlawaai

15 15 15

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

15 16 18 18

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

18 18 19 19

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur agrarisch

19 20 21 21

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid

21 21 23 23 23

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie

23 24 26 26

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Bodem

26 27 29 29

Inhoudsopgave

1

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water

29 29 30 30

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Archeologie

30 30 32 32

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Cultuurhistorie

32 32 33 33

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling

33 33 34 34

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de bestemmingen 5.4 Toelichting op de regels

35 35 35 35 36

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

38 38 38

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure

38 40 40

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Geuronderzoek Bijlage 4: Quickscan Flora en fauna Bijlage 5: Vervolgonderzoek Flora en fauna Bijlage 6: Waterparagraaf Bijlage 7: Stikstofonderzoek Bijlage 8: Hogere grenswaarde geluid Bijlage 9: Welstandsadvies Bijlage 10: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 11: Archeologisch bureau- en verkennend onderzoek Bijlage 12: Omgevingsdialoog Bijlage 13: Vooroverlegreacties

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Op de locatie Onrooi 12 in Boxtel (gemeente Boxtel) staat enkele bestaande bebouwing voor de (voormalige) veehouderij en bijbehorende bedrijfswoning. De initiatiefnemers willen de bestaande bebouwing slopen en een vrijstaande woning met bijgebouwen realiseren. De beoogde ontwikkeling voor het realiseren van het project past niet binnen de toegelaten activiteiten en functies conform geldend bestemmingsplan. Hierdoor zal een bestemmingsplanprocedure/planherziening nodig zijn om de functiewijziging van het perceel ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ te kunnen realiseren. Op dit moment staat er op het perceel enkele verouderde bebouwing. De initiatienemers willen de grond beter gaan benutten door een nieuwe woning te realiseren. De gemeente Boxtel is bereid om in principe medewerking te verlenen aan het plan. Er dient een bestemmingsplan opgesteld te worden waarin de nadere eisen uit het principebesluit in verwerkt zijn en een goede ruimtelijke ordening geborgd is. Onderhavig bestemmingsplan geeft de nieuwe kaders aan het plangebied.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft de locatie Onrooi 12 te Boxtel. Het gebied ligt in het buitengebied van de kern Boxtel, en staat kadastraal bekend als Boxtel, sectie P, nummer 66. De perceelgrootte bedraagt 8.039 m2. Op het plangebied geldt een enkelbestemming ‘Agrarisch-Agrarisch bedrijf’. Rondom het plangebied zijn er relatief veel percelen met de functie: ‘Agrarisch met Waarden – Natuur en Landschap’, en in bepaalde gevallen de functie: ‘Wonen’. De begrenzing en ligging van het plangebied is weergegeven op de navolgende afbeelding met de kadastrale gegevens.

Figuur 1.1: Ligging en begrenzing plangebied

Hoofdstuk 1

3

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. Dit bestemmingsplan is door de gemeente Boxtel vastgesteld op 10-04-2012 en onherroepelijk op 10-07-2014. Op dit perceel geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. Naast de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ gelden de dubbelbestemmingen: ‘Waarde Archeologie – categorie 3’, ‘Waarde attentiegebied EHS’, ‘Waarde – Bolle Akker’ en ‘Waarde- Waardevolle Vegetaties’. Op het plangebied geldt ook de functieaanduiding ‘Intensieve Veehouderij’ en de gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – Verwervingsgebied’. De door ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ bestemde gronden zijn bedoeld voor de uitvoering van het agrarische bedrijf. De dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie – categorie 3’ is mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De overige dubbelbestemmingen zijn bedoeld voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie, landschappen en natuur(waarden). Met dit plan zal de agrarische functie van het perceel verdwijnen, aangezien ook de stallen van de voormalige veehouderij wordt gesloopt. Ook de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt. De beoogde ontwikkeling past daarom niet binnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. Ook wijkt het plan af van de geldende bouwregels.

Figuur 1.2: Uitsnede geldend bestemmingsplan met ligging plangebied

1.4 Leeswijzer De toelichting bestaat uit 6 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een beschrijving van het plan in de huidige en toekomstige situatie. Vervolgens volgt het rijks-, provinciaal-, en gemeentelijk beleid.in hoofdstuk 4 worden de relevante milieuaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 is een juridische toelichting gegeven en in hoofdstuk 6 wordt de uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 1

4

2.

PLANBESCHRIJVING De huidige situatie Het plangebied heeft de functie: ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. Op dit moment staat er een verouderde bedrijfswoning op het perceel met een vervallen bijgebouw. Ook zijn de stallen nog aanwezig van de voormalige veehouderij op het perceel. Het plangebied ligt ten oosten van de kern Boxtel aan straat Onrooi. In de omgeving bevindt zich natuur, veehouderijen en enkele woonbestemmingen. Aanzichten van het plangebied in de huidige situatie zijn weergegeven in figuur 2.1.

Figuur 2.1: Plangebied in huidige situatie

Hoofdstuk 2

5

Toekomstige situatie Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing op het terrein te slopen en plaats te maken voor nieuwbouw. Zowel de verouderde woning als de bijgebouwen/stallen worden gesloopt. De agrarische functie van het perceel zal hiermee verdwijnen.

Figuur 2.2: Sfeerimpressies toekomstige bebouwing

De nieuwe woning wordt op ongeveer dezelfde locatie gerealiseerd als de te slopen bedrijfswoning, namelijk in het noordoosten. Hier zullen twee aansluitingen/inritten op de straat Onrooi gerealiseerd worden. De woning krijgt een inhoud van maximaal 850 m 3. De bouwhoogte bedraagt maximaal 9 meter en de goothoogte maximaal 4,5 meter. De daadwerkelijke goothoogte zal echter op veel plekken lager liggen, wat ook te zien is in figuur 2.2. Aan de achterzijde is het toegestaan om voor 50% van de gevelbreedte een goothoogte van maximaal 6 meter te realiseren. De woning wordt voorzien van een rieten kap om een landelijke uitstraling te creëren passend bij de agrarische omgeving. In figuur 2.2 zijn enkele sfeerbeelden weergegeven van de nieuwe woning. De standaard maximale inhoud bedraagt binnen de gemeente Boxtel 600 m 3. Per 100 m2 aan (te slopen) bebouwing kan de inhoud van de bestaande woning worden vergroot met 50 m 3. De bestaande woning van 200 m 3 zou dus vanwege de sloop van ruim 2.100 m 2 aan bedrijfsbebouwing toe kunnen nemen met 1.050 m 3. De woning

Hoofdstuk 2

6

wordt echter beperkt tot 850 m 3 vanwege het gestelde maximum. In combinatie met de substantiële grootte sloopt (circa 2.100 m 2), kwaliteitsverbetering en de aanwezige cultuurhistorische kenmerken, is een grotere inhoud voor de woning aanvaardbaar. Zowel de grotere woning en het grotere oppervlak aan bijgebouwen is hiermee verantwoord. De te slopen vierkante meters van de stallen worden daarnaast niet dubbel ingezet. Nabij de toekomstige woning worden twee bijgebouwen gerealiseerd met een totaal oppervlak van maximaal 250 m2. Voor de bijgebouwen geldt een maximale bouwhoogte van 5 meter (excl. 10%-afwijking conform regels bestemmingsplan). Het bijgebouw ten zuidoosten van de woning zal worden gebruikt als garage met carport. Het tweede bijgebouw ten zuidwesten van de woning (met eigen ontsluiting) krijgt de vorm van een loods/schuur. Dit gebouw wordt voornamelijk gebruikt voor opslag mede ten behoeve van de naastgelegen pony-weide. Ook hier geldt de situatie dat wordt afgeweken van de bestaande maximale oppervlakte (100 m 2 aan bijgebouwen). Het huidige aantal vierkante meters aan bedrijfsgebouwen bedraagt veel meer dan 100 m 2. Op dit moment is er namelijk nog ruim 2.100 m2 aan stallen aanwezig ten behoeve van de eerder aanwezige intensieve veehouderij.

Hoewel 20% van deze 2.100 m 2 circa 420 m2 bedraagt zullen de toekomstige bijgebouwen een maximaal totaaloppervlak hebben van 250 m 2, gezien het gestelde maximumoppervlak. Hieraan zal worden voldaan. In figuur 2.3 is een schets weergegeven van de toekomstige landschappelijke inrichting. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 3.2. Op de afbeelding is te zien dat aan de randen van het perceel wordt voorzien in de benodigde kwaliteitsverbetering. Hierbij wordt gedacht aan de realisatie van enkele houtsingels, bomen en hagen. Ook het weidegebied zorgt voor een versterkende functie van het plangebied richting het omliggende landschap.

Figuur 2.3: Landschappelijke inrichting Onrooi 12

Hoofdstuk 2

7

3.

BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wordt gemaakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:  een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;  over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;  een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt niet binnen een van de Nationale hoofdstructuren. De SVIR heeft geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het me-

Hoofdstuk 3

8

rendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de SVIR is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Dit plan voorziet in de realisatie van een woning. Op dit moment is er ook al een woning aanwezig op het plangebied, waardoor het aantal woningen niet toeneemt. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn?

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

9

De Brabantse economie staat er goed voor: de economie is concurrerend en internationaal georiënteerd. Dit is te danken aan de ligging met goede verbindingen, een uitstekende fysieke en digitale infrastructuur, een sterke kennis- en innovatiekracht en een aantrekkelijke combinatie van een grootstedelijke allure in een groene leefomgeving. De economie en leefomgeving worden sterker gekoppeld, waar beide van profiteren. Want een goed functionerende economie stelt ons in staat te investeren in natuur, landschap en cultuurhistorie. Een fraai, beleefbaar landschap met veelzijdige natuur en cultuurhistorische elementen, historische binnensteden en karakteristieke dorpen en een gevarieerd aanbod aan recreatieobjecten in landelijk en stedelijk gebied vormen een essentiële vestigingsfactor. Daarnaast is de export van hoogwaardige Brabantse producten, agrotechniek en –kunde, is een belangrijke bron van inkomsten. Om dit te behouden en verbeteren, is een transitie noodzakelijk waarvan de eerste stappen al gezet zijn. Hierdoor ontstaat een diverser palet aan productiemethoden op de as low-tech high-tech. Dit vraagt nu en in de toekomst om inspanningen in de gehele keten. Doorwerking plangebied Met dit plan wordt de bestaande verouderde bebouwing gesloopt en de stallen van de voormalige veehouderij verwijderd. De agrarisch functie verdwijnt.

Hiervoor zal een nieuwe woning gebouwd wordt met enkele bijgebouwen (max. 250 m 2). De ontwikkeling gaat daarnaast gepaard met een versterking van het landschap. Het plan is in lijn met de omgevingsvisie. Interim omgevingsverordening De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 november 2019 deze verordening vastgesteld en op 8 december 2020 geconsolideerd. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte 2014.

In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De Verordening heeft het plangebied aangewezen als ‘Landelijk gebied’. Onderstaand is uitsluitend de voor het onderhavige plan relevante regelgeving vanuit de Interim omgevingsverordening beschreven. Het gaat om artikel 3.9, 3.26, 3.32 en 3.69. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Hoofdstuk 3

10

Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.

Artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud. Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a.

strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken;

Hoofdstuk 3

11

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. Met dit plan wordt een agrarisch bedrijf met bebouwing (stalling van voormalige veehouderij) geamoveerd in het buitengebied van Boxtel. Ook de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt.

Er zal een nieuwe kwalitatief hoogwaardige woning gerealiseerd worden die qua uitstraling en omvang past bij de (landelijke) omgeving. Op het perceel wordt een nieuwe woning gerealiseerd met bijbehorende bijgebouwen. Hiermee wordt aangesloten bij de regels zoals opgenomen in artikel 3.69 (onder a). Het plangebied ligt daarnaast binnen de attentiezone waterhuishouding en binnen het werkingsgebied groenblauwe mantel. Het plan heeft geen negatief effect op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Daarnaast wordt aan alle regels voldaan zoals gesteld onder lid 2 van artikel 3.26. Ten aanzien van artikel 3.32 over de groenblauwe mantel kan (mede gezien de te realiseren landschappelijke inpassing) gezegd worden dat het plan strekt op het behoud en herstel van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden van het plangebied. De ontwikkeling gaat daarmee gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Ook wordt voldaan aan de regeling omtrent kwaliteitsverbetering uit artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In bijlage 1 van deze toelichting is de landschappelijke inpassing met berekening kwaliteitsverbetering opgenomen.

Met de inrichtingsmaatregelen wordt € 64.296,30 in het landschap geïnvesteerd, in aanvulling op de benodigde landschappelijke inpassing (10% van bestemmingsvlak Wonen). Hiermee wordt aan de minimale basisinspanning voldaan. De landschappelijke inpassing is als kaart opgenomen in de bijlagen van de toelichting. Globaal komen de maatregelen neer op het volgende:  Aanplant lage haag  Aanplant hoge haag

Hoofdstuk 3

12

      

Aanplant landschapsbomen Aanplant houtsingel Aanvullen bestaande bomenrij Aanplant houtsingel met zichtopeningen Aanplant fruitboomgaard met kruidachtige vegetatie Open weide Slopen bestaande bebouwing

Er is daarnaast een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen ten aanzien van de realisatie en het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing. Het plan is in lijn met de regels en uitgangspunten uit de Interim omgevingsverordening van Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie verfrissend Boxtel 2011 In juli 2011 heeft de gemeenteraad van Boxtel de Structuurvisie Verfrissend Boxtel voor het gemeentelijk grondgebied vastgesteld. Hierin wordt een integrale visie gegeven op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. In de structuurvisie wordt de nadruk gelegd op de ligging van Boxtel en de omringende dorpen in het Nationale Landschap Het Groene Woud. Beide entiteiten zijn onmiskenbaar aan elkaar gekoppeld, het wonen en werken kunnen daar direct van profiteren. Ondanks de wenselijke verschillen tussen de bebouwde kommen en het buitengebied, wordt juist ook gezocht naar overeenkomsten. Hierbij wil de gemeente Boxtel de omgeving niet grondig in aanzien veranderen, maar de bestaande sterke punten van de gemeente beter benutten. Doorwerking plangebied Volgens de Structuurvisie wil de gemeente inzetten op het verbeteren van de recreatieve gebruiksmogelijkheden (waarbij vooral wordt gedacht aan ‘groene’ vormen van recreatie). Daarnaast zet de gemeente in op verbreding van de mogelijkheid om diverse functies (economisch, toeristisch-recreatief) in het buitengebied toe te staan. Met dit planvoornemen wordt een nieuwe ‘groene’ vorm van wonen mogelijk gemaakt.

Het plan leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van dit gebouw door de sloop van de verouderde bebouwing en de realisatie van de landschappelijke inpassing. Het plan is in lijn met de structuurvisie Verfrissend Boxtel. Visie Duurzaam Boxtel 2030 De gemeente Boxtel heeft in 2017 deze nieuwe duurzaamheidsvisie met bijbehorende uitvoeringsagenda vastgesteld. Deze is een vervolg op de nota ‘100 stappen in een sprong naar duurzaamheid’ die tot 2015 heeft gegolden. De nieuwe visie bevat onder andere het hoofdstuk ‘Ondernemend leven in Boxtel’ dat zich speciaal richt tot ondernemers. Van ondernemers op bedrijventerreinen wordt speciaal aandacht gevraagd voor de volgende punten:  warmtenet + terugwinnen & uitwisselen van energie en grondstoffen  energiebesparing  prestatieladder socialer ondernemen  opwekken van duurzame energie Doorwerking plangebied In relatie tot het onderhavige project kan het volgende worden opgemerkt. De aanpassing van het bestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking op de realisatie van een woning op een perceel met op dit

Hoofdstuk 3

13

moment al een verouderde woning en stallen. Er vindt geen uitbreiding plaats van activiteiten en/of ruimtebeslag buiten het bestaande bestemmingsvlak. Belangrijke maatregelen om energie te besparen bestaan uit het goed isoleren van de bebouwing en het gebruik van ledverlichting.

Hoofdstuk 3

14

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren De gemeente Boxtel heeft haar parkeernormen opgenomen in een gemeentelijke nota. Hierin is opgenomen dat voor een vrijstaande woning minimaal 3 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Ook is in het kader van het principebesluit aangegeven dat minimaal 3 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Deze 3 parkeerplaatsen kunnen gemakkelijk op eigen terrein opgevangen worden. Hier is voldoende ruimte aanwezig. Conform de meest recente CROW-publicatie met kencijfers zorgt een vrijstaande woning voor circa 78 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De straat Onrooi kan deze verkeersgeneratie goed verwerken. Daarnaast is er op dit moment ook al een vrijstaande woning aanwezig (met voormalige veehouderij) waardoor de verkeersgeneratie ten opzichte van de voormalige situatie niet toeneemt. Met dit plan worden twee verkeersaansluitingen op de straat Onrooi gerealiseerd (ter plaatse van de bestaande ontsluiting en een nieuwe inrit aan de oostzijde ter plaatse van de toekomstige garage). De extra ontsluiting op de weg zorgt niet voor een onveilige verkeersituatie. De straat Onrooi is erg verkeersluw en functioneert niet als doorgaande verkeersroute. Aan de straat zijn al meerdere woning en andere (agrarische) percelen gelegen met twee of meer ontsluitingen. De extra inrit zorgt niet voor hinder bij ander verkeer in de omgeving.

4.2 Geluid weg- en spoorlawaai 4.2.1 Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Hoofdstuk 4

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

15

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

4.2.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied lopen geen spoorlijnen. Eventuele negatieve geluidseffecten van een spoorlijn bij de woning zijn daarom uitgesloten. Wel ligt het plangebied nabij de rijksweg A2 en nabij de straat Onrooi (60 km/uur-weg). Er is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen Rijksweg A2 De voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de A2 is maximaal 56 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Indien de maximale ontheffingswaarde buitenstedelijk gebied wordt overschreden is nieuwbouw in dit gebied alleen mogelijk door het toepassen van een of meer dove gevels. Dit is een gevel waarin, voor zover zich daarachter een verblijfsruimte bevindt, geen te openen delen zijn opgenomen. Door de nieuwe woningen akoestisch slim te ontwerpen kan het aantal gevels wellicht beperkt blijven (te denken valt aan het toepassen van geluidschermen, loggia’s). Op basis van het huidige ontwerp komt de optredende belasting alleen ter plaatse van de badkamer boven de maximale ontheffingswaarde. Gezien de badkamer geen verblijfsgebied is hoeft geen dove gevel te worden gecreëerd. De A2 is al voorzien van 2-laags ZOAB en schermen.

Het aanbrengen van een ander stiller wegdek of hoger scherm om de geluidbelasting ten gevolge van de A2 terug te dringen is uit het oogpunt van financiële aard, praktische uitvoerbaarheid, esthetica, beheer en onderhoud niet wenselijk. Ter plaatse van waarneempunt 1 t/m 11 (met uitzondering van wnp 9 4,5 meter hoogte) bedraagt de optredende belasting maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh).

Hoofdstuk 4

16

Bij de gemeente Boxtel kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde voor deze waarneempunten. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gerealiseerd ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning en stallen. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Volgens tabel 4.1 t/m 4.2 is zichtbaar dat het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, ter plaatse van waarneempunt 12 en 13. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.3 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.

Onrooi De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Onrooi is maximaal 52 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Boxtel kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde voor deze waarneempunten. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gerealiseerd ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning en stallen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €31.250,- (125 m * 5m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Het betreft één woning. Het vervangen van kleine stukken wegdek is op basis van praktische uitvoerbaarheid, esthetica, beheer en onderhoud niet wenselijk. Hogere waarde en voorwaardelijke verplichting Er is een hogere waarde aangevraagd voor het plangebied. Het aanvraagformulier is tevens toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Hierin is een hogere waarde aangevraagd vanwege de geluidsbelasting vanwege zowel de A2 als voor de straat Onrooi.

De hoogste geluidsbelasting ontstaat bij waarneempunt 9 op 4,5 meter hoogte, namelijk 56 dB. Hiermee wordt op dat punt de maximale ontheffingswaarde overschreden. Bij de indeling van de woning wordt echter rekening hiermee gehouden door achter deze gevel geen geluidgevoelige ruimte te realiseren. Voor de overige punten kan de hogere grenswaarde verleend worden. Aangezien in dit bestemmingsplan geen bouwvlak is opgenomen voor de woning, is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van de bebouwing zoals opgenomen in het bouwplan (en ook in de landschappelijke inpassingstekening). Hierbij zijn ook de bijgebouwen meegenomen. Aangezien het bouwplan als uitgangspunt is genomen is het van belang dat de ligging van de woning vastgelegd wordt. Hiermee wordt voorkomen dat de woning verder naar het zuiden (richting de A2) gerealiseerd kan worden en er een hogere geluidsbelasting op de gevel ontstaat. Hiervoor is daarom een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Ook de positionering en omvang van de

Hoofdstuk 4

17

loods is vastgelegd. Dit bijgebouw heeft namelijk voor een geluidswerende werking. De loods schermt het geluid vanwege de A2 gedeeltelijk af. Door de opgenomen voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat de gevelbelasting niet hoger is dan is onderzocht in het akoestisch onderzoek. Op die manier kan een goed woon- en leefklimaat worden geborgd. De geluidsbelasting op de gevel van 56 dB is daarnaast nog relatief beperkt. Een binnenwaarde van 33 dB zal zeker behaald worden. Zowel de gevels als het dak van de woning zullen voor voldoende geluidsdemping zorgen. Hierdoor is een acceptabel binnenniveau geborgd. 4.2.3 Conclusie Bij de gemeente Boxtel is een verzoek ingediend voor het verlenen van een hogere waarde voor de waarneempunten waar de grenswaarden worden overschreden. Het onderdeel geluid zal verder niet voor belemmeringen zorgen.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Met dit initiatief wordt 1 woning gerealiseerd. Woningbouwplannen met minder dan 1.500 eenheden (woningen) vallen in beginsel onder de regeling NIBM. Een luchtkwaliteitsonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast moet ook gekeken worden naar de achtergrondwaarden ten aanzien van de luchtkwaliteit. Middels de NSL-monitoringstool is bepaald wat de achtergrondwaarden zijn ten aanzien van stikstof en fijnstof. In de volgende tabel zijn deze gegevens weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit bij het plangebied geen invloed heeft op het woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 4

18

Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

692477

20.4

19.0

6.8

11.9

2020

695933

20.5

19.0

6.8

11.9

2020

708673

20.8

19.0

6.8

11.9

2020

724439

22.0

19.0

6.9

11.9

2020

734357

21.1

18.9

6.8

11.8

2020

Norm

40

40

35

25

4.3.3 Conclusie Het onderdeel luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

19

4.4.2 Onderzoek Invloed initiatief op omgeving Met dit plan wordt een bestaande agrarische functie in het buitengebied geamoveerd. De bestaande stallen van de voormalige veehouderij worden gesloopt. Ook de bedrijfswoning wordt gesloopt. De oude bebouwing maakt plaats voor een reguliere burgerwoning. Aangezien een woning geen richtafstand of milieucategorie kent, zorgt het plan niet voor belemmeringen in de omgeving. Ook worden omliggende bedrijven niet beperkt, aangezien op dit moment ook al een woning in het plangebied was toegestaan. Invloed omgeving op initiatief Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Boxtel. In figuur 4.1 zijn functies en bestemmingen in de omgeving in kaart weergegeven. Te zien is dat in de omgeving voornamelijk agrarische gronden liggen met verspreid enkele woonpercelen en bedrijven. De agrarische bedrijven liggen op relatief grote afstand. Deze bedrijven kennen voornamelijk een geuruitstraling richting de omgeving. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.5 ‘Geur agrarisch’. Ten westen van het plangebied liggen twee bedrijfspercelen. Hier zijn bedrijven toegestaan tot en met categorie 2. Deze kennen een richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt hier ruim buiten. Aan de oostzijde van het plangebied ligt een gebied met enkele volkstuinen en aan de achterzijde (zuidzijde) worden bomen gekweekt.

De toekomstige woning ligt op ruime afstand van deze functies. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Figuur 4.1: Ligging plangebied t.o.v. omliggende functies

Hoofdstuk 4

20

4.4.3 Conclusie Het onderdeel bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.5.2 Onderzoek Er is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

De te realiseren woningen vallen onder artikel 14, lid 2 van de Wgv, zoals beschreven in paragraaf 3.3.1 van dit rapport: voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: a) op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, b) in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en c) in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. Binnen de afstandscontour van 50 meter rondom het plangebied liggen geen bouwvlakken van veehouderijen. Ten aanzien van afstanden is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de belangen van de veehouderijen worden niet geschaad. Hierbij is rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden van de veehouderijen. Voorgrondbelasting Gelet op de totale geuremissie en de afstand tot het plangebied is de veehouderijen aan De Vennekens 1 maatgevend voor de voorgrondbelasting. Voor die veehouderij is op 23 maart 2016 een revisievergunning verleend voor volgende veebezetting.

Hoofdstuk 4

21

Op basis van de omgekeerde werking van de Wgv is geurberekening uitgevoerd. Daarbij is uitgegaan van één emissiepunt op de rand van het bouwvlak, zo ver mogelijk in de richting van het plangebied. De geurcontouren zijn berekend met het rekenprogramma V-Stacks vergunning 2020 (meest recente milieuhygiënische inzichten). De maximale geurbelasting binnen het plangebied (waarvoor een geurnorm van 14 ouE/m3 geldt als geen sprake was van een woning die valt onder artikel 14, lid 2 van de Wgv) bedraagt 0,7 ouE/m3. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen. De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. Op basis van Web-BVB van de provincie Noord-Brabant3 zijn de relevante veehouderijen geselecteerd en zijn de totale geuremissie en de overige (algemene) parameters voor de geurberekeningen bepaald. De achtergrondbelasting is berekend met het verspreidingsmodel VStacks Gebied. De hoogst berekende geurbelasting op een bouwvlak binnen het plangebied bedraagt ongeveer 1,5 ouE/m3.

Woon- en leefklimaat Uit voorgaande paragrafen blijkt dat ter plaatse van het hoogst belaste punt op de rand van een bouwvlak binnen het plangebied:  ruimschoots wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter;  de voorgrondbelasting op zijn hoogst 0,7 ouE/m3 bedraagt;  de achtergrondbelasting op zijn hoogst 1,5 ouE/m3 bedraagt. Omdat veehouderijen op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 50 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting binnen het plangebied bedraagt 0,7 ouE/m3 (worstcase, op basis van de omgekeerde werking). Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. De geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied bedraagt 14,0 ouE/m3. Aan deze geurnorm wordt voldaan. De hoogst berekende waarde voor de achtergrondbelasting van 1,5 ouE/m3 komt overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat en is daarmee ook beter dan het woon- en leefklimaat op basis van de individuele geurnorm.

Hoofdstuk 4

22

4.5.3 Conclusie Het aspect geur zorgt niet voor belemmeringen.

4.6 Kabels en leidingen In de omgeving van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Ook hoogspanningslijnen liggen op voldoende afstand. Gasleidingen zijn behandeld in paragraaf 4.7.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Hoofdstuk 4

23

4.7.2 Onderzoek Om de eventuele externe veiligheidsrisico’s te bepalen is gekeken naar de risicokaart. Inrichtingen Het plangebied ligt buiten alle risicoafstanden en invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen in de omgeving. Buisleidingen De verschillende buisleidingen zijn weergegeven in figuur 4.2. De dichtstbijzijnde buisleidingen (rood gestreept aangegeven) hebben geen risicoafstanden die tot aan het plangebied reiken. De buisleiding ten westen van het plangebied kent een uitwendige diameter van 42 inch en een maximale werkdruk van 66.2 bar. Hiervoor geldt een 1%-letaliteitsafstand van 490 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 190 meter. De woning ligt binnen het invloedsgebied van deze leiding, namelijk op circa 170 meter. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk. De buisleiding ten noorden van het plangebied kent een uitwendige diameter van 14,5 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Hiervoor geldt een 1%-letaliteitsafstand van 190 meter en een 100%letaliteitsafstand van 90 meter. De woning ligt binnen het invloedsgebied van deze leiding, namelijk op circa 180 meter. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk. De twee buisleidingen ten oosten van het plangebied kent een uitwendige diameter van 36 en 42 inch en een maximale werkdruk van 66,2 bar.

Hiervoor geldt een 1%-letaliteitsafstand van 490 en 430 meter en een 100%-letaliteitsafstand van 190 en 180 meter. De woning ligt binnen het invloedsgebied van deze leiding, namelijk op circa 350-360 meter. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk.

Figuur 4.2: Buisleidingen in de omgeving van het plangebied

Hoofdstuk 4

24

Transportroutes Er lopen rond Boxtel verschillende transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit zijn de rijksweg A2 en de spoorlijnen tussen Den Bosch, Eindhoven, Boxtel en Tilburg. Over de A2 (tussen knooppunt Vught en Ekkersweijer) worden stoffen vervoerd uit de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2 en GT3. Het invloedsgebied van de weg wordt gevormd door de stof LT2 (een toxische vloeistof) en bedraagt 880 meter. De woning ligt op circa 250 meter van de A2 en dus binnen het invloedsgebied. Voor deze weg is dus een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. De spoorlijn ligt op circa 2,3 kilometer van het plangebied. Deze spoorlijn heeft een invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied ligt hier dus buiten. Voor de spoorlijn is dus geen verantwoording van het groepsrisico nodig. Beperkte verantwoording groepsrisico Groepsrisico Vanwege de grote afstand tot risicobronnen in de omgeving zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Er zal daarnaast geen toename van het groepsrisico plaatsvindne aangezien het aantal personen in het plangebied niet zal toenemen (er is nu een bedrijfswoning aanwezig, in de toekomstige situatie ook een woning).

De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. Bestrijdbaarheid In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas en vloeistof is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas of vloeistof en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het bouwwerk is goed geïsoleerd, waardoor het een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden.

Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en alarmsysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Advies brandweer De Veiligheidsregio/de brandweer is om advies gevraagd. Dit advies is opgenomen in de bijlagen. De beoordeling luidt als volgt: De bestaande objecten en de bedrijfswoning waar de initiatiefnemer nu woont worden gesloopt daarna door de initiatiefnemer een nieuwe woning wordt opgericht. De feitelijk risicosetting wijzigt niet. De kans op een fakkelbrand blijft erg klein. De gevolgen van een incident met een van de buisleidingen blijven onveranderd, de bewoners zullen ten tijde van een fakkelbrand afhankelijk van de exacte locatie van de fakkelbrand met letaal tot lichte verwondingen geconfronteerd worden. De ontwikkeling

Hoofdstuk 4

25

heeft ook geen negatieve invloed op de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze blijft in beide gevallen als gevolg van de beperkte afstanden tot de risicobronnen slecht. Tot de fakkelbrand gedoofd is zijn de bewoners op zichzelf aangewezen. Het advies luidt als volgt: Door aan de buitenzijde van objecten niet brandbare constructiematerialen te gebruiken kan de kans op het ontstaan van een secundaire brand worden verminderd. Overwogen kan worden om dit principe op een van de bijgebouwen toe te passen zodat dit als schuilplaats gebruikt kan worden. 4.7.3 Conclusie Het onderdeel externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen. Bekeken wordt of in een van de bijgebouwen wordt gezorgd voor niet brandbare constructiematerialen om zo te voldoen aan het advies van de brandweer.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=cd31b1b4-90d9-4427-b0ba-b2879973782e