Bestemmingsplan Albinonistraat 86a Boxtel- Bijlage 1 Regels en toelichting.pdf
Tekst van het document
Dat kan onder andere worden achterhaald aan de hand van het voor het buitengebied van Boxtel geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ en bijbehorende verbeelding. Bovendien is gebruikgemaakt van luchtfoto’s. Er dient te worden uitgegaan van de in paragraaf 4.5.1 genoemde omgekeerde werking. Normaal gesproken hebben de geurnormen die opgenomen zijn betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. In het geval van een omgekeerde werking worden de normen uit de Wgv echter gebruikt voor toevoeging van geurgevoelige objecten in de buurt van reeds aanwezige veehouderijen. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond, dat: er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en veehouderijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel voorgrondbelasting genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt achtergrondbelasting genoemd. Als vuistregel wordt normaal gesproken gehanteerd dat de achtergrondbelasting bepalend is voor de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat, tenzij de voorgrondbelasting ten minste de helft van de achtergrondbelasting betreft.
Achtergrondbelasting Om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot geur afkomstig van veehouderijen is eerst de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bepaald aan de hand van gegevens uit de kaart ‘Achtergrond geurbelasting’. Deze kaart is afkomstig van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Een uitsnede van de kaart voor het plangebied en omgeving is
Hoofdstuk 4
30
opgenomen in onderstaande figuur. Te zien is dat de kwaliteit van de leefomgeving voor wat betreft geurbelasting ter plaatse van het plangebied wordt geclassificeerd als zeer goed.
Figuur 14: Achtergrondbelasting geur (plangebied gelegen binnen rode cirkel; bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant).
Aanvaardbaarheid woon- en leefklimaat De achtergrondbelasting is bepalend voor de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat, tenzij de voorgrondbelasting ten minste de helft van de achtergrondbelasting betreft. In onderhavig geval bedraagt de voorgrondbelasting naar verwachting minder dan de helft van de achtergrondbelasting. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan De Vennekens 1. Geuronderzoek van De Roever (23 februari 2021, referentie 20210185.01) ten behoeve van een nieuwe woning aan de Onrooi 12 in Boxtel laat zien dat de maximale geurbelasting ter plaatse van de Onrooi 12 0,7 ouE/m3 bedraagt. Dit betekent gezien de afstand tot onderhavig plangebied (circa 1 km) dat de geurbelasting vergelijkbaar of lager zal zijn dan ter plaatse van de Onrooi 1. De voorgrondbelasting is lager dan de wettelijk gestelde norm van 3 ouE/m3. Daarom is de achtergrondbelasting maatgevend om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot geur afkomstig van veehouderijen. Aangezien de kwaliteit van de leefomgeving voor wat betreft achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied wordt geclassificeerd als goed, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot geur afkomstig van veehouderijen. 4.5.3 Conclusie Het aspect geur agrarisch zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
31
4.6 Kabels en leidingen Aan de hand van de Netkaart5 kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone6 van hoogspanningslijnen. Een uitsnede van het voor het plangebied relevante deel van deze kaart is weergegeven in onderstaande figuur. Hieruit blijkt dat zich in het plangebied geen planologisch gezien relevante hoogspanningslijnen bevinden. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden gedaan.
Figuur 15: Uitsnede Netkaart (ligging plangebied indicatief weergegeven met rode cirkel; bron: RIVM).
In de omgeving van het plangebied liggen wel een aantal hoogspanningslijnen. Ten oosten van het plangebied, op een afstand van ruim 11 kilometer, ligt een 150 kV-hoogspanningslijn. Aan de hand van de Netkaart van het wordt ten aanzien hiervan uitgegaan van een indicatieve magneetveldzone van 100 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. Het plangebied ligt hier ruim buiten. Voor de 150 kV-hoogspanningslijn en de 380 kV-hoogspanningslijn ten zuiden van het plangebied gelden indicatieve magneetveldzones van respectievelijk 80 en 100 meter. Ook hier ligt het plangebied ruim buiten. Het aspect kabels en leidingen veroorzaakt ten aanzien van elektriciteitskabels geen belemmeringen. Eventueel aanwezige gas- en olieleidingen en daarmee samenhangende belemmeringen worden in kaart gebracht bij het aspect externe veiligheid (paragraaf 4.7).
5
https://geodata.rivm.nl/netkaart.html. Een magneetveldzone is het gebied waar het magneetveld van een hoogspanningslijn waar het magneetveld over een jaar gemiddeld sterker is dan 0,4 microtesla. 6
Hoofdstuk 4
32
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek Op basis van beschikbare gegevens zoals risicoatlassen kan inzicht gegeven worden in het al dan niet aanwezig zijn van risicovolle inrichtingen en/of transportroutes in de omgeving van het plangebied. Een uitsnede van de risicokaart voor het plangebied en omgeving is in onderstaande figuur weergegeven.
Hoofdstuk 4
33
Figuur 16: Uitsnede van de risicokaart voor de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied zelf is aangeduid met rode cirkel (bron: risicokaart.nl).
Zoals te zien is op bovenstaande kaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied een aantal inrichtingen en buisleidingen die van belang kunnen zijn in het kader van externe veiligheid. Zo ligt zowel ten noorden als ten westen van het plangebied een LPG-tankstation, namelijk op respectievelijk ± 850 meter en ± 720 meter afstand. Uit de in dit kader verleende vergunningen blijkt dat bij beide LPGtankstations rekening moet worden gehouden met een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico van toepassing binnen een invloedsgebied van 150 meter. Die afstand is conform wat is opgenomen in bijlage 2 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Gelet op wat bepaald is in de Revi over de PR 10-6-contouren voor LPG-tankstations moet, de voor de LPG-tankstations vergunde doorzet van LPG in acht nemend, rekening worden gehouden met een PR10-6-contour van 35 meter vanaf het vulpunt. Voor het ondergronds of ingeterpt reservoir en de afleverzuil gelden PR10 -6-contouren van respectievelijk 25 en 15 meter7. Het plangebied ligt ver buiten deze contouren en tevens ver buiten het invloedsgebied. Ten westen van het plangebied, op ongeveer 1.350 meter afstand, ligt een spoorlijn. Hierover worden gevaarlijke stoffen uit de categorieën A, B2, C3 en D3 vervoerd. Daarvoor geldt een maximaal invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied ligt daarom buiten dit invloedsgebied.
Ook ligt het plangebied buiten het gifwolkaandachtsgebied. Op dit punt is geen beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Gelet op de ruime marge tussen het invloedsgebied en de afstand waarop het plangebied gelegen is hoeft dat ook niet in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Ten oosten van het plangebied, op plusminus ongeveer 700 meter, ligt de Rijksweg A2 (wegvak B62: knp. Vught – knp. Ekkerswijer.). Hierover worden gevaarlijke stoffen uit de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2 en GT3 vervoerd. Daarmee is sprake van een maximaal invloedgebied van 880 meter. Dat betekent dat het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg ligt. Dientengevolge dient er een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Deze verantwoording is opgenomen in subparagraaf 4.7.3. 7
Zie bijlage 1 Revi.
Hoofdstuk 4
34
Voor de twee in de nabijheid gelegen tankstations geldt dat over de aanvoerroutes gevaarlijke stoffen worden getransporteerd van de categorieën LF1, LF2 en GF3. Hiervoor geldt een invloedsgebied van maximaal 355 meter. Het plangebied is gelegen buiten betreffend invloedsgebied. Daarom is geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk met betrekking tot deze aanvoerroutes. Tot slot zijn er ten noorden, zuiden en oosten buisleidingen aanwezig waardoorheen aardgas wordt getransporteerd. Aangezien voor aardgasleidingen een maximaal invloedsgebied kan gelden van 580 meter, terwijl de kleinste afstand tot een aardgasbuisleiding ruim 700 meter is, ligt het plangebied binnen geen van de invloedsgebieden van deze buisleidingen. In onderhavig geval is de 1%-legaliteitsafstand met betrekking tot beide aardgasleidingen overigens kleiner, zoals volgt uit de Visie Omgevingsveiligheid van de gemeente Boxtel (zie onderstaande tabel). In relatie tot deze leiding is daarom geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Dat het plangebied niet gelegen is binnen de invloedsgebieden en PR10-6-contouren met betrekking tot externe veiligheid is tevens zichtbaar in navolgende figuren.
Figuur 17: Ligging plangebied (ter plaatse van rode marker) ten opzichte van invloedsgebieden en PR10-6-contouren (bron: gemeente Boxtel).
Hoofdstuk 4
35
Figuur 18: Ligging plangebied (ter plaatse van rode marker) ten opzichte van invloedsgebieden en PR10 -6-contouren (bron: gemeente Boxtel).
4.7.3 Beperkte verantwoording groepsrisico Rijksweg A2 Het plangebied is, zoals eerder aangegeven, gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A2. In deze subparagraaf is om die reden een verantwoording van het groepsrisico met betrekking tot deze weg opgenomen. Hierbij is gebruikgemaakt van het ‘Standaard advies scenario toxisch’ van de Brandweer Noord-Brabant. Dit advies is tevens opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Toxisch scenario Het relevante scenario is in dit geval het overdrijven van een toxische wolk. Deze kan bijvoorbeeld ontstaan door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank waarbij een gat ontstaat. Door dit gat komt dan een groot deel van de toxische stof vrij. De toxische stof wordt vervolgens met de wind mee verspreid. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Indien personen binnen in gebouwen schuilen is/wordt de kans op ernstig letsel sterk beperkt. De kans op een dergelijk ongeval is als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen bijzonder klein. Bestrijdbaarheid Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan.
Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben omdat de brandweer enkele minuten nodig heeft om ter plaatse te komen en er aan doorgaande wegen in algemeenheid geen of in beperkte mate bluswater beschikbaar is. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig / slecht beoordeeld. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied.
Hoofdstuk 4
36
De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn afhankelijk van de gewenste functies in het plangebied. Over het algemeen wordt geconcludeerd dat de zelfredzaamheid redelijk tot goed is. Voor objecten waar verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn is de zelfredzaamheid afhankelijk van de aard van de fysieke en mentale gesteldheid matig tot slecht. In onderhavig geval kan worden aangenomen dat de zelfredzaamheid van de personen aanwezig binnen de beoogde appartementen over het algemeen goed is en dat de aanwezige personen in staat zijn om zelfstandig op een dreiging te reageren. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Het is in dit kader van belang dat sprake is van een goede alarmering van de personen binnen het plangebied, dat er goede schuilmogelijkheden binnen het plangebied zijn en dat het plangebied goed te ontvluchten is. In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat mensen op dat moment het beste kunnen doen.
Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Bouwwerken bieden als gevolg van energieprestatie eisen uit het Bouwbesluit gedurende enkele uren voldoende bescherming tegen het binnendringen van schadelijke stoffen. Eventueel aanwezige ventilatie moet op eenvoudige wijze afgeschakeld of afgesloten kunnen worden. Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Advies veiligheidsregio/regionale brandweer Uit de beoordeling volgt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid. In dit kader worden de volgende maatregelen geadviseerd: Communiceer actief met initiatiefnemers en gebruikers over het aanwezige risico en handelingsperpectief (belangrijk: ramen en deuren sluiten, ventilatiesysteem uitzetten); Voer extra controle uit bij de uitvoering van bouwcontrole op detaillering van gevels, ramen en deuren. Hierdoor wordt de kans op het binnen dringen van schadelijke stoffen verder beperkt. 4.7.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie
Hoofdstuk 4
37
is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 4
38
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Wettelijke gebiedsbescherming De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ bevinden zich respectievelijk op 3,4 kilometer ten westen 9,6 kilometer ten noorden en 10,6 kilometer ten noordwesten van het plangebied.
Een overzicht hiervan is te vinden in onderstaande figuur.
Figuur 19: Ligging van Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (bron: Natura 2000 Network Viewer).
De effecten die eventueel in het genoemde gebied zouden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gelet op de afstand tussen het plangebied en betreffend Natura 2000-gebied is het echter geheel onwaarschijnlijk
Hoofdstuk 4
39
dat er een toename in licht en geluid is in het Natura 2000-gebied. Een significante toename van stikstofdepositie in dit gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening met AERIUS worden uitgesloten. Gebruiksfase Vanwege de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 is, waarin een partiële vrijstelling is opgenomen voor stikstofuitstoot tijdens bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, hoeft deze berekening in beginsel alleen voor de gebruiksfase te worden uitgevoerd. BRO heeft deze berekening uitgevoerd. Voor de berekening en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de separate bijlagen. In onderstaande alinea’s is een beschrijving gegeven van de belangrijkste uitgangspunten en conclusies uit deze toelichting. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in 27 woningen. Deze woningen zullen gasloos worden opgeleverd, waardoor geen sprake is van stikstofemissies vanuit deze functies. De verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen zorgen hier echter wel voor. Hierbij is uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie als berekend in subparagraaf 4.1.2 van deze toelichting. Deze bedraagt 108 mvt/etmaal.
Aangezien is uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie en het aantal woningen in de planregels is gemaximeerd op 27, kan worden gesteld dat is uitgegaan van een worstcasesituatie. In totaal worden met onderhavig planvoornemen maximaal 108 motorvoertuigbewegingen per etmaal gegenereerd. Dit betreft het totale aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal in beide richtingen voor de nieuwe situatie (exclusief saldering van het huidige aantal motorvoertuigbewegingen). Voor de volledigheid zijn eveneens 16 zware vrachtbewegingen per maand (bewegingen voor bijvoorbeeld een ophaaldiensten en vuilniswagens) meegenomen in de berekening. Deze bewegingen zijn over de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen in twee richtingen is ingevoerd. Hierbij zijn meer bewegingen gemodelleerd dan waarvan daadwerkelijk sprake zal zijn, waardoor onzekerheid over de richting van de bewegingen wordt opgevangen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er voor de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
Aanlegfase Er is tevens een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanlegfase. Voor deze berekening wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting. In onderstaande alinea wordt een verantwoording gegeven van de belangrijkste uitgangspunten voor en uitkomsten uit deze berekening. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij sloop van een gebouw en realisatie van 27 appartementen, gebaseerd op informatie uit eerdere berekeningen. Een en ander is weergegeven in stikstofdepositieberekening die is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Het depositieresultaat met de ingevoerde mobiele werktuigen is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wnb wijzen gedeputeerde staten van de provincie gebieden in hun provincie aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gedeputeerde staten van
Hoofdstuk 4
40
de provincie Noord-Brabant hebben in dat kader het Natuurnetwerk Brabant (NNB) aangewezen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze verordening is in artikel 3.16 tevens geregeld dat er een externe werking uitgaat van het NNB. Dat betekent dat regelingen met betrekking tot NNBgebieden niet alleen in acht moeten worden genomen bij ontwikkelingen in de NNB-gebieden maar mogelijk ook bij ontwikkelingen buiten deze gebieden. Dat laatste is het geval wanneer er sprake is van een aantasting van ecologische waarden en kenmerken van NNB-gebied8. Zoals aangegeven in de navolgende figuur ligt het plangebied buiten de gebieden die aangewezen zijn in het kader van het NNN. Meer specifiek gaat het hierbij om het NNB, dat onderdeel is van het NNN. Gelet op deze ligging buiten de begrensde planologische gebiedsbescherming en de aard en omvang van de ontwikkelingen hoeft geen rekening te worden gehouden met het optreden van negatieve effecten op deze gebieden.
Figuur 20: Ligging van het plangebied ten opzichte van gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (aangegeven in groen, met verbindingszones aangeduid in paars. Een indicatie van de ligging van het plangebied is gegeven middels een rode cirkel (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
8
Zie artikel 3.16 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Hoofdstuk 4
41
Soortenbescherming Ecologische quickscan In het kader van soortenbescherming in de zin van de Wet natuurbescherming heeft Woonstichting JOOST een habitatgeschiktheidsbeoordeling ten behoeve van vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen laten uitvoeren voor het bestaande schoolgebouw dat moet worden gesloopt om ontwikkeling van de 27 woningen mogelijk te maken. Deze ecologische quickscan is uitgevoerd door in mei 2019 door Sweco. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Uit de ecologische quickscan komt naar voren dat het dak van het schoolgebouw niet geschikt is om te fungeren als broedlocatie voor gierzwaluwen en huismussen. Ook voor vleermuizen is dit dak niet geschikt als verblijfplaats. Het gebouw beschikt echter wel over een spouwmuur met open stootvoegen, waardoor er een open ruimte aanwezig is tussen de muren van het gebouw. Vanwege de open stootvoegen beschikt de spouwmuur over de potentie om te dienen als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Bovendien is het aannemelijk dat vleermuizen foerageren in en rondom de groenstructuren die op dit moment aanwezig zijn rondom het plangebied. Mogelijk zijn de rondom het plangebied aanwezige groenstructuren van essentieel belang voor het behoud van de potentieel aanwezige verblijfplaatsen voor vleermuizen in het schoolgebouw.
Verder onderzoek naar de daadwerkelijke functionaliteit van het gebouw en de aanwezige groenstructuur ten behoeve van vleermuizen wordt noodzakelijk bevonden. Voor overige soortgroepen dieren geldt dat er geen aanwijzingen gevonden zijn voor hun aanwezigheid. Tijdens de uitvoering van het vervolgonderzoek naar vleermuizen (zie onder ‘Vervolgonderzoek vleermuizen’) is het plangebied in het jaar 2021 nogmaals 5 maal onderzocht door een ecoloog van BRO. De waarnemingen die hierbij gedaan zijn hebben geen aanleiding gegeven tot het trekken van andere conclusies dan beschreven in de ecologische quickscan. Er bestaat hiermee geen reden om aan te nemen dat de resultaten uit de ecologische quickscan gedateerd zijn. Vervolgonderzoek vleermuizen Vervolgonderzoek naar vliegroutes van vleermuizen en de functionaliteit van de in het plangebied aanwezige groenstructuur is door BRO uitgevoerd in de periode medio mei – eind juni en in de periode medio augustus – medio september van het jaar 2021. Gedurende deze perioden zijn in totaal vijf (aanvullende) veldbezoeken uitgebracht. Tijdens de veldbezoeken is voornamelijk gelet op uitvliegende, invliegende of zwermende vleermuizen. Daarnaast is er ook gelet op foeragerende en passerende vleermuizen. Tijdens de twee laatste veldbezoeken is voornamelijk gelet op sociale geluiden.
In de periode half augustus - september produceren mannetjes vleermuizen de meeste sociale geluiden vanuit of vliegend rondom bebouwing om vrouwtjes te lokken. Zowel in het voorjaar als in het najaar zijn er geen verblijfplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. Er is geen binding met de gebouwen binnen het plangebied waargenomen. Bij de eerste avond in het najaar zijn een enkele keer incidenteel sociale roepjes gehoord direct rond het plangebied. Gezien deze roepjes niet met regelmatige vluchten werden waargenomen betreft het waarschijnlijk geen baltsterritorium. Tijdens vrijwel ieder veldbezoek zijn enkele (3-4) foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen op en rond het plangebied. Zij maakten gebruik van de eikenlaan langs het Apollopad en de opschot van berken binnen het plangebied als foerageergebied en bleven hier gedurende grote delen van de avond, met name in het najaar. Verder zijn in de directe omgeving geen eenduidige vliegpatro-
Hoofdstuk 4
42
nen aangetroffen welke door meerdere individuen werd gevolgd. Wel kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de bomenrijen langs het Apollopad en richting het westen verbindingen vormen voor individuele vleermuizen. Het opgaand groen binnen het plangebied, dat door achterstallig onderhoud recentelijk sterk is toegenomen in omvang, wordt veelvuldig gebruikt door vleermuizen. Doordat dit pas zeer recentelijk dit volume heeft gekregen is het redelijkerwijs uitgesloten dat de vleermuizen hiervan afhankelijk zijn. Het opschot binnen het plangebied zelf is daarmee redelijkerwijs geen essentieel leefgebied. Bij de ontwikkeling blijven de omliggende bomen behouden. Wanneer verlichting gericht en uitschijnend op het omliggend opgaand groen wordt vermeden is een effect op foerageer- en vliegroutefuncties eveneens uitgesloten. Om dit te borgen dient het verlichtingsplan te worden afgestemd met een ter zake kundige ecoloog. Er gaan bij werkzaamheden geen rust- en verblijfplaatsen, essentieel leefgebied of vliegroutes verloren. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten. 4.8.3 Conclusie Uit de uitgevoerde stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
Daarmee kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie op voorhand uitgesloten worden. Op dit punt bestaan daarom geen belemmeringen. Ook wat betreft planologische gebiedsbescherming gelden geen belemmeringen. Tevens zijn met betrekking tot soortenbescherming geen overtredingen geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Aeres Milieu heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoeksverslag wordt verwezen naar de bijlagen. Een verkennend bodemonderzoek bestaat uit een onderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid van het plangebied. Historisch onderzoek heeft plaatsgevonden middels het bestuderen van historisch kaartmateriaal. Bovendien heeft in de vooronderzoeksfase dossieronderzoek plaatsgevonden.
Hoofdstuk 4
43
Op basis van de informatie die verzameld is aan de hand van vooronderzoek heeft bodemonderzoek plaatsgevonden conform de strategie ‘onverdacht’ uit de NEN 5740-richtlijnen. Daarbij zijn bovengrond, ondergrond en grondwater onderzocht op de in de genoemde richtlijnen aangegeven stoffen. Drie grondmengmonsters zijn daarbij in een laboratorium onderzocht. Ook is een grondwatermonster chemisch onderzocht. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de onderzochte grondmengmonsters van de boven- en ondergrond geen gehalten van chemische stoffen verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten zijn. Ook zijn er geen zintuiglijk waarneembare bijzonderheden met betrekking tot de onderzochte grond naar voren gekomen. Verder is gebleken dat het onderzochte grondwatermonster (afkomstig uit peilbuis 1) licht vervuild is met xylenen. Voor de overige onderzochte componenten zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de streefwaarden gemeten. De resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Wel is het zo dat indien er werkzaamheden plaatsvinden waarbij grond vrijkomt, deze grond niet zonder meer kan worden afgevoerd of elders worden toegepast. Bij afvoer grond moet rekening gehouden worden met het feit dat de acceptant van de grond een zogenaamd ‘AP04 bodemonderzoek’ of partijkeuring kan eisen.
Aanvullend verkennend bodemonderzoek Aeres Milieu heeft een aanvullend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de gronden ter plaatse van de beoogde parkeerplaatsen ten zuiden van de toekomstige appartementen. Hiertoe heeft allereerst een vooronderzoek conform de NEN 5725 plaatsgevonden. Op basis van de informatie die verzameld is aan de hand van vooronderzoek heeft bodemonderzoek plaatsgevonden conform de strategie ‘onverdacht’ uit de NEN 5740-richtlijnen. Hierbij zijn in totaal zes boringen gezet, waarvan één boring met peilbuis. De bovengrond, ondergrond en het grondwater zijn onderzocht op de in de genoemde richtlijnen aangegeven stoffen. Twee grondmengmonsters zijn daarbij in een laboratorium onderzocht. Ook is een grondwatermonster chemisch onderzocht. Uit de analyseresultaten blijkt dat zowel in de bovengrond als in de ondergrond geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is marginaal verhoogd met naftaleen en xylenen ten opzichte van de betreffende streefwaarde. Een verklaring hiervoor is niet voorhanden. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. 4.9.3 Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen. Er hoeft geen nader bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. De resultaten uit de watertoets landen vervolgens in een waterparagraaf.
Hoofdstuk 4
44
Verschillende overheden hebben beleidskaders opgesteld aan de hand waarvan ze streven naar een duurzaam watersysteem. Dat gebeurt op Europees, rijks- provinciaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. De beleidskaders op waterschaps-, provinciaal en gemeentelijke niveau worden hieronder geschetst. Waterschap Keur In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft.
Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling.
De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Hoofdstuk 4
45
We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar MiddenBrabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken.
Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied; van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Provincie De provincie Noord-Brabant heeft het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) opgesteld. In dit document verwoordt de provincie hoe ze de komende jaren gaat werken aan een veilig en gezond milieu. Hierbij wordt een integrale aanpak gehanteerd waarbij gekeken wordt naar de duurzame fysieke leefomgeving als één geheel. Schone bodem, water en lucht worden onderkend als fundament van een gezonde leefomgeving en van een natuur die rijk is aan planten- en diersoorten. Van belang hierbij is dat het PMWP allen bindend is voor de provincie zelf. Gemeente De gemeente Boxtel heeft haar gemeentelijke water- en rioleringsbeleid voor de jaren 2020-2024 vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP).
In het VGRP zelf is vastgelegd wat onder dit instrument moet worden verstaan, namelijk: “een strategische beleidsnota waarin op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende planperiode is neergelegd met betrekking tot aanleg en beheer van het rioleringssysteem. Het VGRP is een verplicht planinstrument volgens de Wet Milieubeheer”9. In het VGRP wordt ten aanzien van de strategie voor hoe om te gaan met hemelwater aangesloten bij het beleid van waterschap De Dommel. Er wordt expliciet benoemd dat het uitgangspunt bij ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkelen is. In de kern betekent dat dat hemelwater dat op daken en verhardingen valt niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. In lijn met wat waterschap De Dommel heeft opgenomen in de Tweede partiële herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater dient voor de behandeling van hemelwater de waterkwantiteitsrits doorlopen te worden. Deze ‘rits’, bestaande uit vijf stappen, is al eerder in deze paragraaf vermeld.
9
VGRP (2020-2024), p. 43.
Hoofdstuk 4
46
Gelet op de geohydrologische omstandigheden hanteert de gemeente Boxtel het uitgangspunt dat perceeleigenaren in nieuw- en herbouwsituaties – wat zoveel inhoud als bij uit- en inbreidingen – hun hemelwater altijd redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. Meer specifiek houdt in dat aan een bergingseis van 60 mm/24 uur moet worden voldaan. Pas vanaf die grens wordt van perceeleigenaren in nieuw- en herbouwsituaties niet meer verwacht dat ze hemelwater redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. In tegenstelling tot wat in de Keur het geval is hanteert de gemeente Boxtel een ondergrens van 250 m2 in plaats van 500 m2 als minimale toename in verharding vanaf wanneer compensatie moet plaatsvinden. In specifieke gevallen, zoals in bestaan stedelijk gebied en/of lokaal minder geschikte geohydrologische omstandigheden kan van het door de gemeente vastgestelde richtlijnen worden afgeweken. 4.10.2 Onderzoek Aeres Milieu heeft ten aanzien van onderhavig plan een waterparagraaf opgesteld. Deze waterparagraaf is opgenomen in de bijlagen behorende bij dit bestemmingsplan. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies vermeld. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv. voor bebouwing en wegen (onderzijde verharding) en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen.
Ter plaatse van het plangebied en directe omgeving zijn hoge grondwaterstanden te verwachten. Al sinds de aanleg van de wijk Boxtel-Oost, ruim 40 jaar geleden, is er sprake van grondwateroverlast. De zorgplicht voor grondwater ligt bij de gemeente. Op basis van conclusies en aanbevelingen van onderzoeken in 2007 en 2008 heeft de gemeente Boxtel verschillende maatregelen genomen om de grondwateroverlast aan te pakken. Inmiddels zijn reeds diverse maatregelen uitgevoerd. Uit de uitgevoerde evaluatie blijkt dat door de maatregelen de bewoners nu minder grondwateroverlast ondervinden. Centraal in de wijk (o.a. de Albinonistraat) behoeven nog enkele verbeteringen aan de drainage doorgevoerd te worden, in combinatie met het uitvoeren van andere werkzaamheden aan het riool of aan de bestrating. In Boxtel-oost, en dus het plangebied) zijn de grondwaterstanden goed en wordt geen ernstige grondwateroverlast verwacht in de toekomstige situatie met nattere winterperioden. Op basis van de gekende gegevens met de aangelegde drainage in de wijk is de optredende grondwaterstand gemiddeld op circa 70 cmmv te verwachten. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. De bestaande bebouwing ligt reeds iets hoger. Er is geen aanvullende ontwatering gepland.
Gezien de huidige situatie wordt voor de toekomstige herontwikkeling tot woningbouw geadviseerd om een vloerpeil als bestaand (minimaal 7,8 m +NAP of hoger aan te houden. Door de bijkomende parkeerplaatsen aan te sluiten op de bestaande weg wordt de benodigde ontwateringsdiepte gewaarborgd. De toepassing van drainage in relatie tot de overdracht van het openbaar gebied dient in overleg met de gemeente bij de nadere planuitwerking meegenomen te worden. Binnen of vlakbij het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. Het plangebied ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.
Hoofdstuk 4
47
Oppervlaktewater Door de ligging midden in het stedelijk gebied is op of in de directe omgeving van het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig. Vanuit het plangebied met toekomstige woningbouw is geen direct (nadelig) effect te verwachten op het bestaande oppervlaktewaterstelsel te verwachten. De Dommel is het dichtstbij gelegen op circa 400 meter ten zuidwesten van het plangebied. Afvalwater Het bestaande schoolgebouw is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel. Nabij het plangebied wordt dit stelsel zover bekend nog niet op korte termijn vervangen door een klimaatadaptief stelsel. Er kan en zal op eigen perceel een gescheiden stelsel aangelegd worden. Bij toekomstige scheiding van het gemeentelijk rioolstelsel kan het plangebied hier dan eenvoudig op aangesloten worden. Door de sloop van het schoolgebouw en de realisatie van 27 appartementen neemt de afvalwaterafvoer uit het plangebied toe tot gemiddeld 0,81 m 3/uur, met maximale piekmomenten tot circa 1,6 m3/uur. Het toekomstige stelsel op het perceel wordt hierop voorzien. De gescheiden aanvoer uit het plangebied kan naar verwachting, ook door de afname gezien het huidige hemelwaterbeleid, zonder aanpassing aan de capaciteit in het gemeentelijk stelsel verwerkt worden. Hemelwater Ter plaatse is geen infiltratieonderzoek uitgevoerd.
Daarentegen is infiltratie in de toplaag gelet op de bodemsamenstelling naar verwachting mogelijk. Binnen het plangebied bevinden zich momenteel geen infiltratievoorzieningen. Gezien de verwachte hoge grondwaterstanden en de mogelijkheden van het inpassen van eenvoudige voorzieningen wordt bij voorkeur een bovengrondse hemelwatervoorziening aangelegd. Het afkoppelen en infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van schoon afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden. Vervuilde oppervlakken worden bij voorkeur op het afvalwaterriool aangesloten, waarna dit water gezuiverd wordt in de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het perceel is deels verhard. De bestaande bebouwing wordt gesloopt voor de nieuwbouw. In onderstaande tabel is een overzicht van de huidige en toekomstige verharde oppervlakken. Hierbij zijn de bestaande parkeerplaatsen nabij de Albinonistraat meegenomen, omdat er ten aanzien van parkeerplaatsen sprake zal zijn van heraanlegging en/of uitbreiding. Daarnaast wordt de mogelijkheid opengehouden om eventueel nog bijkomende parkeerplaatsen te realiseren op het grasveld als dit noodzakelijk blijkt.
De ontsluiting van deze parkeerplaatsen toe en de parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in openverharding. Bruto (verharde) oppervlakten Dakoppervlak Overig verhard oppervlak Totaal verhard oppervlak
Huidige verharding (m2) 995 600 240 parkeerplaatsen 1.595
Toekomstige verharding (m2) 975 (dak + terrassen) 340 965 parkeerplaatsen 2.280
Uit de tabel is af te leiden dat door het planvoornemen het verhard oppervlak licht toeneemt tegenover de huidige situatie. De toename aan verharding is voornamelijk ten behoeve van de bijkomende parkeerplaatsen. Er is nog geen rekening gehouden met aanvullende maatregelen.
Hoofdstuk 4
48
Er dient minimaal 60 mm voor de toename op eigen perceel verwerkt te worden (indien redelijkerwijs mogelijk). De nieuwbouw wordt voorzien van een gescheiden stelsel. De toename aan verharding is voornamelijk ten behoeve van de bijkomende parkeerplaatsen. Ter plaatse van deze parkeerplaatsen zal zoveel mogelijk openverharding worden toegepast om de toename in verharding te beperken. Ten behoeve van het klimaatbestendig ontwikkelen bedraagt de benodigde waterretentie voor de gehele planontwikkeling circa 137 m3 (bui van 60mm). In vooroverleg met de gemeente Boxtel en waterschap De Dommel zijn onderstaande maatregelen besproken welke toegepast zullen worden bij de voorgenomen planontwikkeling. De waterberging van regenwater in het plan wordt opgelost door: Toepassing van een sedumak op de nieuwbouw. Hierdoor is een totale statische waterberging van circa 17,5 m3 mogelijk is. Dit is opgebouwd uit: o 646 m2 dakbegroeiing met 26,5 l/m 2 ≈ 17 m3 o 101 m2 grind en tegels op drainagebaan met 5,5 l/m 2 ≈ 0,5 m3 De inzet van open verharding bij de parkeerplekken en de extra weg (de gesloten verharding neemt daardoor niet toe). Er wordt met de beheerder wegen bekeken of ook de huidige parkeerplaatsen en de rijbaan in open verharding uitgevoerd kunnen worden; De footprint van het gebouw wordt eigendom van de coöperatie. Alle gronden er omheen zijn openbare ruimte / gemeentegrond.
Zo heeft de gemeente maximaal de mogelijkheid om de benodigde waterretentie te realiseren. Als een extra oplossing wordt bekeken of er in het inrichtingsplan mogelijkheden zijn om een geknepen waterberging (lage wadi) te realiseren, zodat het regenwater aanvullend vertraagd af te voeren is. Hiervoor is in het groen ruimte beschikbaar. De geknepen waterberging kan en zal op gelijke wijze functioneren als de vijver bij Princenlant. De overloop van de geknepen berging wordt mogelijk aangesloten op de bestaande drainageleiding die in de wijk aanwezig is. 4.10.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect water.
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Hoofdstuk 4
49
De gemeente Boxtel heeft een nota waarin het gemeentelijk beleid is opgenomen ten aanzien van archeologie, namelijk de Nota gemeentelijk archeologiebeleid Boxtel. In deze nota (Nota gemeentelijk archeologiebeleid Boxtel) is een kaart met een classificatie opgenomen. De classificatie gaat in op de mogelijkheid tot het aantreffen van archeologische vondsten. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek Het plangebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Boxtel (2013) in een zone met de Categorie 5: gebieden met middelhoge verwachting en naoorlogse woonwijken en industriegebieden die in een gebied van hoge archeologische verwachting liggen. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 centimeter onder maaiveld en een omvang van meer dan 2.500 m2. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is. Deze beleidsregels zijn als zodanig verwerkt in de bestemmingsplanregels voor de bestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ die op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘BoxtelOost’ geldt. Uitgaande van een standaard funderingsdiepte zal een fundering van tussen de 0,8 m en 1,0 m worden aangelegd. Daarmee is sprake van een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm.
Ten gevolge van lid 19.2.1, onderdeel a, van bestemmingsplan ‘Boxtel-Oost’ diende daarom een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Aeres Milieu heeft vanwege de noodzaak tot het doen van onderzoek een archeologisch bureauonderzoek en een archeologisch verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd voor/in het plangebied. De belangrijkste conclusies daaruit worden hieronder benoemd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Voor het plangebied geldt op basis van het archeologisch bureauonderzoek een middelhoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de bronstijd als voor nederzettingsresten uit de ijzertijd, Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf tenminste het begin van de 19e eeuw onbebouwd was. Het plangebied blijft onbebouwd tot het moment aan het einde van de twintigste eeuw dat de school binnen het oostelijke deel van het plangebied wordt gerealiseerd. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het plangebied tot minimaal in de top van de C-horizont geroerd is.
Hierbij is de oorspronkelijke bodemopbouw verdwenen en volledig opgenomen in de bovenliggende ploeglaag. Een eventueel aanwezige podzolbodem zal zodoende geheel zijn opgenomen in de ploeglaag of zich nooit heeft gevormd. Enkel in boring 3 is sprake van restanten van een B-horizont, binnen een verstoorde context. Op basis hiervan wordt de middelhoge archeologische verwachting voor alle perioden (laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd) bijgesteld naar laag. In het plangebied worden geen intacte archeologische waarden meer verwacht, aangezien sprake is van verstoring die tot ver in de C-horizont reikt. Naar verwachting zijn daarmee ook eventueel aanwezige archeologische resten verdwenen. De bodem is ter plaatse van al de boringen geroerd in het verleden, waardoor de oorspronkelijke A-, E- en B-horizont in de bouwvoor zijn opgenomen. Ook is de top van de moederbodem (C-horizont) tot enige diepte omgewerkt. Dit is waarschijnlijk toe te schrijven aan (diep)ploegen in het (sub)recente verleden. Ter plaatse van de huidige bebouwing en de zone
Hoofdstuk 4
50
daaromheen is de bodem diep verstoord als gevolg van bouwwerkzaamheden. De voorgenomen ontwikkelingen zullen geen bedreiging vormen voor archeologische resten. De kans wordt klein geacht dat binnen het plangebied behoudenswaardige resten aanwezig zijn. Op 10 december 2020 heeft de gemeente Boxtel een selectieadvies (concept) uitgebracht met betrekking tot het conceptrapport van het archeologisch onderzoek. Naar aanleiding hiervan heeft Aeres Milieu het onderzoeksrapport aangepast tot een definitief rapport. Dit definitieve onderzoeksrapport wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeente Boxtel. 4.11.3 Conclusie Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen.
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek Aan de hand van de verbeeldingen van het vigerende bestemmingsplan, ‘Boxtel-Oost’, en de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant is bepaald of in de omgeving van het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.
Een uitsnede van de CHW is weergegeven in navolgende figuur.
Hoofdstuk 4
51
Figuur 21: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (indicatie plangebied weergegeven middels rode cirkel; bron: Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant).
Zowel uit het hetgeen opgenomen is in het vigerende bestemmingsplan als uit de CHW volgt dat er geen reden is om aan te nemen dat cultuurhistorische waarden worden aangetast. Er is geen sprake van molenbiotopen waarmee rekening dient te worden gehouden. Ook worden er geen historische bouwwerken of bomen van hoge waarde aangetast. Dat is voor een belangrijk deel verklaarbaar doordat de volledige wijk is gebouwd in de periode 1970 tot en met 1980. 4.12.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.
4.13 M.e.r.-plicht Met dit bestemmingsplan worden maximaal 27 woningen in het plangebied mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.-(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een 27 woningen mogelijk. De ontwikkeling van maximaal 27 woningen is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” Het aantal woningen dat zal worden ontwikkeld ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in ko-