Beleidsneutraal aanpassen regels fysieke leefomgeving naar aanleiding van herindeling (1304845)- Bijlage 2a Bijlagen welstandsnota Haaren.pdf
Tekst van het document
Artikel 3.1.r • - Het betreft borden die geplaatst zijn ten behoeve van een toeristische recreatieve route, zoals bijvoorbeeld fiets-, ruiter-, wandel- en skateroutes. Het recreatieve aspect zit in de route zelf, niet in het beoogde eindpunt. Indien voor de financiering van de route een sponsor noodzakelijk is, mag deze een naam/logo op het verwijsbordje zetten, mits de oppervlakte van deze naam/logo niet meer dan 15% van de oppervlakte van het totale bord beslaat. Indien een route niet meer in gebruik is en de borden daardoor hun feitelijke verwijsfunctie verliezen, dienen de borden verwijderd te worden. Onder recreatieve en toeristische bewegwijzering worden ook routeoverzichtsborden verstaan; de categorie is bij de wijziging in 2006 expliciet opgenomen in deze vrijstelling. Voor routeoverzichtsborden geldt een maximale oppervlakte van 1,5 m2. Voor de overige borden geldt een kleinere oppervlakte. Artikel 3.1.s • - Dit artikellid is komen te vervallen bij de wijziging van 2006. Het betrof een vrijstelling voor bruine toeristische verwijzingsborden die geplaatst konden worden ten be-
44
Bijlagen
•
•
•
•
Bijlagen
hoeve van bewegwijzering naar toeristische bezienswaardigheden. In de praktijk werden deze borden evenwel niet aangetroffen, omdat vanuit het wegbeheer inmiddels gangbaar geworden was hiervoor blauwe strokenborden te plaatsen. Met het oog op de uniformiteit is deze categorie opgegaan in art.3 lid 1, onderdeel p. Het vervallen van deze vrijstelling voor de bruine verwijsborden laat overigens vanuit de Landschapsverordening onverlet dat bruine borden met (toeristische) gebiedsinformatie worden geplaatst bij een gebied (De Kempen, De Peel etc.), dit is toegestaan onder 3 lid 1 onder m. (Het betreft dan echter zuiver gezien geen `verwijs'bord). Artikel 3, lid 2 • - Onder- of achtergrond die kennelijk tot het bord of spandoek behoort zijn bijvoorbeeld het raamwerk waaraan het bord is bevestigd of het transport- of vervoermiddel met daarop de reclame-uiting. Artikel 3, lid 3 • - De oppervlakte van de hier bedoelde informatiezuilen, wordt berekend door het totale oppervlak van de informatiezuil te projecteren op een plat vlak. Artikel 3, lid 5 • - Dit artikel regelt de hoogte van borden, spandoeken en informatiezuilen, zoals bedoeld in de genoemde artikelen. Een aparte categorie vormen de borden bij werk in uitvoering (ook wel `bouwborden' genoemd).
Sinds de wijziging in 2006 gelden hiervoor (vanuit het oogpunt van landelijke uniformiteit) de normen die Rijkswaterstaat voor deze borden hanteert (zij het afgerond). De borden bij werken aan of naast autosnelwegen mogen maximaal 8 meter hoog en 6,5 meter breed, en bij overige wegen maximaal 5 meter hoog en 4 meter breed zijn. Een van de redenen voor deze aanmerkelijke verruiming is dat in verband met de leesbaarheid voor weggebruikers bouwborden op grond van de Wegenverkeerswetgeving (BABW) ten minste 1,2 meter boven het maaiveld (in de praktijk naast rijkswegen 2 meter boven maaiveld) worden geplaatst. De voorschriften voor de maatvoering in de Landschapsverordening gaan uit van totale hoogten, inclusief de hoogte van de constructie; hetgeen wijziging noodzakelijk maakte om tegenstrijdig beleid te voorkomen. Artikel 3, lid 7 • - Dit artikel houdt in dat de borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en objecten genoemd in de onderdelen die niet in dit artikel staan, noch direct, bijvoorbeeld 45
•
met behulp van lichtbakken of neonletters, noch indirect, bijvoorbeeld door daarop een lamp te richten, mogen worden verlicht. Artikel 3, lid 8 • - Strekking van dit artikel is dat eenmaal geplaatste borden, spandoeken, vlaggen en informatiezuilen niet in verwaarloosde toestand geraken en daardoor alsnog het landschapsschoon aantasten.
Artikel 4 Uitgangspunt van deze regeling is een algeheel verbod voor borden buiten de bebouwde kom, behoudens nader genoemde uitzonderingen. Het is niet precies te voorzien of er zich gevallen zullen voordoen waarvoor geldt dat toepassing van de regeling leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Gelet hierop is in dit artikel een zogenaamde hardheidsclausule opgenomen. De hardheidsclausule maakt het mogelijk om voor die gevallen van de regeling af te wijken. In het algemeen zal het gaan om individuele gevallen. Onder omstandigheden kan het ook een concrete groep van gevallen betreffen.
Artikel 5 Dit artikel maakt strafrechtelijke handhaving van de verordening mogelijk.
Artikel 6 Voor het toezicht op de naleving van de regeling worden toezichthouders aangewezen. Buitengewoon Opsporingsambtenaren worden niet aangewezen, maar ontlenen hun opsporingsbevoegdheid aan hun aanwijzing als toezichthouder en daarnaast aan hun bediging. De opsporingsbevoegdheid beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn.
Artikel 7 Dit artikel bevat het overgangsrecht voor borden en objecten in het buitengebied die door de Landschapsverordening worden verboden. Het overgangsrecht voor borden in de Landschapsverordening (1999) gold tot 30 juli 1999. Inmiddels is deze overgangstermijn verstreken en worden in beginsel alle borden die in het buitengebied geplaatst zijn, in strijd met artikel 2 van de Landschapsverordening gehouden. Ook de overgangstermijn voor het in 2002 in artikel 2 gestelde verbod voor objecten
46
Bijlagen
is inmiddels verstreken. Voor wat betreft de aantalsbeperking voor borden bij tankstations (wijziging van 2006) geldt een ruime overgangstermijn, nl. vier maanden na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit. Na afloop van deze overgangstermijn worden alle borden die in afwijking met het gewijzigde voorschrift zijn geplaatst, in strijd met artikel 2 gehouden. Dit neemt niet weg, dat indien in de `Landschapsverordeningsloze'-periode (1988-1999) een bouwvergunning voor een bord/object is verleend, en daarbij de eisen van welstand (in de zin van landschapsschoon) expliciet deel hebben uitgemaakt van de afweging, Gedeputeerde Staten via de hardheidsclausule kunnen toestaan dat de afweging van B&W in stand blijft. In dat bijzondere geval mogen de in het verleden vergunde borden/objecten toch blijven staan.
Artikel 9 Artikel 22 lid 2 van de inmiddels vervallen Tijdelijke referendumwet bepaalde dat besluiten van Provinciale Staten, houdende algemeen verbindende voorschriften zoals deze verordening, in afwijking van artikel 139 van de Provinciewet niet eerder in werking traden dan 6 weken na bekendmaking van het besluit. Dit was het geval bij de herziening in 2002. was het geval bij de herziening in 2002.
Bijlagen
47