Beleidsneutraal aanpassen regels fysieke leefomgeving naar aanleiding van herindeling (1304845)- Bijlage 2a Bijlagen welstandsnota Haaren.pdf
Tekst van het document
Inhoudsopgave
Bijlage 1: Bebouwingskenmerken Bijlage 2: Begrippenlijst Bijlage 3: Monumentenlijst Bijlage 4: Historische boerderijen Bijlage 5: Landschapsverordening
pagina
1 2 2 15 22 28
Bijlage 1: Bebouwingskenmerken
Bijlagen
1
Bijlage 2: Begrippenlijst
2
Bijlagen
Bijlage 2: Begrippenlijst Aanbouw:
een grondgebonden toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een hoofdgebouw; deze toevoeging heeft een directe verbinding met dit hoofdgebouw; de toevoeging is in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
Aangekapt:
met kap bevestigd aan dakvlak.
Aardtinten:
roodbruine tinten.
Achtererfgebied:
erf aan de achterkant en aan de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw;
Achterkant:
de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of openbaar groen.
Afdak:
dak dat is aangebracht tegen een muur of gebouw om tegen neerslag te beschermen.
Afstemmen:
in overeenstemming brengen met.
Antennedrager:
antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
Antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. Asymmetrische kap: zadeldak met twee ongelijke dakvlakken. Authentiek:
Bijlagen
Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.
3
Bebouwing:
één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.
Bedrijfsbebouwing: gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen, hebben meestal een utilitair karakter. Behouden: Belendend: Beschermd stadsof dorpsgezicht:
handhaven, bewaren, in stand houden. naastgelegen, (direct) grenzend aan. gebied dat vanwege de ruimtelijke of cultuurhistorische waarde is aangewezen tot beschermd gebied krachtens de Monumentenwet 1988
Bestemmingsplan: door de gemeenteraad vastgesteld plan als bedoeld in artikel 10 WRO waarin gebruik van grond en bebouwingsvoorschriften zijn vastgelegd. Bestrating: Bijbehorend bouwwerk:
Bijgebouw:
verharding zoals straatstenen of tegels.
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak; een gebouw, dat in bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw; een bijgebouw kan zowel vrijstaand zijn als niet-vrijstaand (aangebouwd) zijn; een bijgebouw heeft geen directe verbinding met het hoofdgebouw.
Blinde muur / gevel: gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.
4
Bijlagen
Boeiboord:
opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
Boerderij:
gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij behorende woonhuis.
Bouwblok:
een aan alle zijden door straten, wegen of groen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt.
Bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.
Bouwlaag:
verdieping van een gebouw.
Bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
Bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Bovenbouw:
het bovendeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de schuine kap van een huis met de daarbij behorende kopgevels.
Buitengebied:
buiten de bebouwde kom gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd.
Bungalow:
meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.
Buurtschap:
verzameling woningen of boerderijen buiten de bebouwde kom.
Bijlagen
5
Conformeren:
zich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op.
Context:
omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.
Contrasteren:
een tegenstelling vormen.
Dak:
afdekking van een gebouw, vlak of hellend dak, waarop dakbedekking is aangebracht.
Dakbedekking:
materiaal en constructie waarmee een dakvlak is afgedekt om te voorkomen dat er water binnenkomt.
Dakbeschot:
bedekking van een kap, bestaande uit planken of delen, die over de gordingen of de daksparren zijn aangebracht.
Dakhelling:
de hoek van het dak.
Dakkapel:
uitbouw op een hellend dakvlak.
Dakopbouw:
een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
Daknok:
hoogste punt van een schuin dak.
Dakraam:
raam in een hellend vlak.
Dakvlak:
een vlak van het dak/kap.
Dakvoet:
laagste punt van een schuin dak.
Damwandprofiel:
metalen beplatingsmateriaal met een damwandprofilering.
Detail:
ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.
6
Bijlagen
Detaillering:
uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen.
Diversiteit:
verscheidenheid, afwisseling, variatie.
Ensemble:
architectonische en stedenbouwkundige compositie van meerdere panden.
Erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden
Eerste verdieping:
tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.
Erker:
kleine toevoeging van ten hoogste één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in hout en glas.
Flat:
groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.
Galerij:
gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
Gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Geleding:
verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van inspringingen.
Gepotdekseld:
horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).
Bijlagen
7
Gevel:
buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel).
(Gevel)geleding:
onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, inspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.
Goot:
waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.
Gootklos:
in de muur bevestigd stuk balk te ondersteuning van een goot.
Gootlijn:
veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.
Groengebied:
gebied met veel beplanting zoals parken, plantsoenen, sportterreinen en natuurgebieden.
Hoekaanbouw:
grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.
Hoofdgebouw:
gebouw of gedeelte daarvan dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
Hoogbouw:
gebouwen van meer dan vier lagen.
Individueel gebouw: zelfstandig, op zichzelf staand gebouw. Industriegebied:
gebied bestemd voor de vestiging van industrie.
Installatie:
set van elektrische beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf.
Kap:
samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.
Kavel:
grondstuk, kadastrale eenheid.
8
Bijlagen
Kern:
centrum van een dorp of stad.
Kop:
in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld een gebouw.
Kortgevelboerderij: Een type boerderij die veelvuldig in Brabant voorkomt. De kortgevelboerderij heeft dezelfde kenmerken als de eveneens veelvuldig in Brabant voorkomende langgevelboerderij. Bij de kortgevelboerderij zit de voordeur alleen niet, zoals bij de langgevelboerderij het geval is, in de lange gevel maar in de korte gevel. Laag:
zie bouwlaag.
Laagbouw:
gebouwen van één of twee lagen.
Landelijk gebied:
zie buitengebied.
Latei:
draagbalk boven gevelopening.
Lessenaarsdak:
dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.
Lijst:
een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel.
Lint:
langgerekte weg met daarlangs bebouwing.
Luifel:
een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur.
Maaiveld:
bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht.
Mansardekap:
dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor ene geknikte vorm ontstaat.
Bijlagen
9
Markies:
opvouwbaar zonnescherm.
Massa:
volume van een gebouw of bouwdeel.
Metselverband:
het zichtbare patroon van metselwerk.
Middenstijl:
verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.
Monument:
aangewezen onroerend goed als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening voorzover aanwezig op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van deze welstandsnota.
Muurdam:
penant, gedeelte van een muur tussen twee openingen (vensters of deuren) waarvan de hoogte groter is dan de breedte.
Negge:
het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.
Nok:
horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.
Onderbouw:
het onderdeel van een gebouw, heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met een zadeldak.
Ondergeschikt:
voert niet de boventoon.
Ontsluiting:
de toegang tot een terrein of een gebouw.
Oorspronkelijk:
origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.
Oorspronkelijke gevel:
gevel van een gebouw zoals deze oorspronkelijk (ten tijde van de oplevering van het gebouw) was.
10
Bijlagen
openbaar toegankelijk gebied:
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
Openbaar groen:
met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bossage of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen.
Oriëntatie:
de richting van een gebouw.
Overstek:
bouwdeel dat vooruit steekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
Paneel:
rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.
Parcellering:
indeling in percelen.
Penant:
gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw. Gedeelte van een gevel tussen twee openingen (vensters of deuren) waarvan de hoogte groter is dan de breedte.
Pilaster:
weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.
Plaatmateriaal:
bouwmateriaal dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (o.a. trespa) of staal (vlak of met profiel).
Planmatige bebouwing:
Bijlagen
groep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld stedenbouwkundig c.q. architectonisch plan.
11
Plasticiteit:
ruimtelijkheid in de gevel, uitspringende of diepliggende vormen of kozijnen geven meer plasticiteit aan een gevel.
Plint:
een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.
Portiek:
gemeenschappelijk trappenhuis.
Potstal:
een oud staltype dat nog wel eens voorkomt bij biologische melkveehouders, vanwege de waardevolle mest die met dit systeem ontstaat. De koeien staan op stro en laten daarin hun mest vallen. Op de laag van stro en mest wordt regelmatig nieuw stro geworpen. De bodem van stro en mest wordt zodoende steeds hoger en één of twee keer per jaar uitgemest en over het land uitgereden.
Renovatie:
vernieuwing van een gebouw.
Rijtjeshuis/woning: huis als onderdeel van een reeks aaneengebouwde, gelijkende woningen. Rollaag:
horizontale rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.
Sanering:
herinrichting door middel van sloop en vervangende nieuwbouw.
Schilddak:
dak met vier hellende vlakken waarvan twee grote en twee kleine vlakken.
Schuur:
bijgebouw ten behoeve van opslag.
Slagenlandschap:
een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten.
Speklaag:
lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk Oorspronkelijk van natuursteen, later ook van kunststeen of beton.
12
Bijlagen
Situering:
de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving.
Stads- en dorpsvernieuwing: maatregelen voor de verbetering of vervanging van bebouwing en de openbare ruimte daaromheen. Tactiel:
met de tastzin verbonden.
Textuur:
de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).
Tiendakkernederzetting:
In dergelijke nederzettingen hadden landeigenaren een stuk grond in hun bezit. Deze grond werd verpacht aan boeren. De pachters dienden meestal een tiende deel van hun opbrengst aan de landeigenaren af te staan (dit stelsel is afgeschaft bij de tiendwet van 1909).
Uitbouw:
een grondgebonden vergroting van een bestaande ruimte behorende tot het hoofdgebouw; deze vergroting heeft een directe verbinding met dit hoofdgebouw; de vergroting is in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
Voorerfgebied:
Onder voorerfgebied wordt het erfdeel verstaan dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. (Het gaat hier dus om het voorerf en de delen van het zijerf die naar openbaar toegankelijk gebied zijn gekeerd dan wel op minder dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw zijn gelegen.)
Voorgevelrooilijn:
voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening
Bijlagen
13
Voorkant:
de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde direct grenst aan openbaar toegankelijk gebied.
Windveer:
plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen.
Wolfsdak/ wolfseinden:
Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop zijn afgeknot.
Woonwagen:
voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst.
Zadeldak:
dak met twee tegenovergestelde dakvlakken die bij de nok samenkomen.
14
Bijlagen
Bijlage 3: Monumentenlijst
Bijlagen
15
ALFABETISCHE LIJST RIJKS- EN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN
Gemeentelijke monumenten BIEZENMORTEL 1. Biezenmortelsestraat 14 2. Biezenmortelsestraat 31 3. Biezenmortelsestraat 65 4. Capucijnenstraat 44 5. Capucijnenstraat 46 6. Capucijnenstraat 54 7. Capucijnenstraat 56 8. Gijzelsestraat 20 9. Gijzelsestraat 22 10. Hooghoutseweg 1 11. Hooghoutseweg 7 12. Hooghoutseweg 17-19 13. Winkelsestraat 3 14. Winkelsestraat 6 15. Winkelsestraat 15 16. Winkelsestraat 25 ESCH 17. Baarschot 2 18. Broekstraat 1 19. De Ruiting 4 (schuur) 20. De Ruiting 3 21. Dorpsstraat 1-3 22. Dorpsstraat 7-9 23. Dorpsstraat 15-17 24. Gestelseweg 4-6 25. Gestelseweg 8
16
Bijlagen
26. Gestelseweg 10 27. Groenendaal 2 28. Haarenseweg 10-12 29. Haarenseweg 13d 30. Haarenseweg 14-16-18 31. Haarenseweg 15 32. Haarenseweg 24 33. Heikant 2a 34. Heikant (kapel) 35. Koningsweg 1 36. Leunisdijk 1 37. Leunisdijk 2-2a 38. Leunisdijk 3-5 39. Leunisdijk 7 40. Leunisdijk 11-13 41. Leunisdijk 15 42. Leunisdijk 44 43. Pickensteeg 1 44. Postelstraat 1-3 45. Postelstraat 2 46. Postelstraat 6 47. Postelstraat 76 HAAREN 48. Beekweg 4 49. Beekweg 5 50. Belversedijk 1 51. Belversestraat 27a 52. Belversestraat 38 53. Belversestraat 40 54. Belversestraat 42 55. Belversestraat 43
Bijlagen
17
56. Driehoeven 1 57. Driehoeven 23 58. Eind 23 59. Eind 25 60. Groenplein 1 61. Haarendijk 7 62. Haarendijk 36-38 63. Haarendijk 40 64. Haarensteijnstraat 2 (kapel) 65. Haarensteijnstraat 2 (H.Hartbeeld) 66. Holleneind 5 67. Holleneind 7 68. Holleneind 10 69. Holleneind 15 70. Holleneind 27 71. Kerkeind 1 72. Kerkeind 12 73. Kerkeind 14 74. Kerkeind 16 75. Kerkeind 17-19 76. Kerkeind 20 77. Kerkstraat 17 78. Kerkstraat 21 79. Kerkstraat 40 80. Lage Raam 7 81. Langeweg 17 82. Langeweg 50 (leerlooierij) 83. Nemelaerstraat 13 84. Nemelaerstraat 44 85. Oisterwijksedreef 6 86. Roonsestraat 2
18
Bijlagen
HELVOIRT 87. Achterstraat 1 88. Achterstraat 61 89. De Heikant 4 90. De Heikant 8 91. De Voort 4 92. Helvoirtsestraat 36 93. Hoenderstraat 5 94. Hoge Raam 3 95. ’t Hoog (maria-kapel) 96. ’t Hoog 1 97. Kastanjelaan 2 98. Kastanjelaan 5 99. Kastanjelaan 10 100. Kastanjelaan 12 101. Kastanjelaan 27 102. Kerkstraat ong. (zerk past. Becx) 103. Klein Laar 1 104. Klein Laar 3 105. Molenstraat 2 106. Molenstraat 14 107. Molenstraat 30 108. Nieuwkuikseweg 7 109. Nieuwkuikseweg 19 110. Nieuwkuikseweg 38 111. Nieuwkuikseweg 52 112. Oude Rijksweg 30-30a 113. Oude Rijksweg 34 114. Oude Rijksweg 36 115. Torenstraat 8 116. Torenstraat 16 117. Udenhoutseweg 8 (schuur)
Bijlagen
19
118. Udenhoutseweg 9-11
Rijksmonumenten BIEZENMORTEL 119. Brabantsehoek 34 120. Hooghoutseweg 3-5 ESCH 121. Broekstraat 3 122. Dorpsstraat 8 123. Dorpsstraat 10 124. Gestelseweg 1 125. Haarenseweg 20 126. Hal 11 127. Hal 13-13a HAAREN 128. Holleneind 4 129. Holleneind 23a 130. Kasteellaan 2 131. Kerkeind 10 132. Mgr. Bekkersplein 4 133. Past. Jansenstraat 13 134. Past. Jansenstraat 24 135. Rijksweg 3 136. Rijksweg 9 137. Tempeliersweg 1 HELVOIRT 138. Cromvoirtseweg 2-2a 139. De Dijk 2-2a
20
Bijlagen
140. 141. 142. 143. 144. 145. 146. 147. 148. 149. 150. 151. 152. 153. 154. 155. 156. 157. 158. 159.
Bijlagen
De Jonge van Zwijnsbergenstraat 19 (ned. Herv.kerk) v. Grevenbroeckstraat (toren ned.Herv.kerk) Helvoirtsestraat 6 Helvoirtsestraat 8 Helvoirtsestraat 10 Kastanjelaan 14 Kastanjelaan 16 Loonse Baan 1 Molenstraat 12 Molenstraat 13 Molenstraat 16 Oude Rijksweg 4 Rijksweg 16 Torenstraat 32 Torenstraat 34-36 Torenstraat 42 Torenstraat 45 Torenstraat 47 Torenstraat 49-51 Torenstraat 55
21
Bijlage 4: Historische boerderijen
22
Bijlagen
Historische boerderijen In de gemeente Haaren staan veel historische boerderijen. De meeste boerderijen in de streek zijn van het ‘Hallehuis-type’ en een variant daarop; de langgevelboerderij. De Vlaamse schuur komt ook een aantal malen voor. In Brabant zijn de daken van de boerderijen aan de voor- of achterzijde vaak voorzien van een wolfseind en/of een schild. Daarnaast zijn er ook enkele boerderijen die opgaande gevels hebben. De historische achtergrond van de boerderijen vraagt om een zorgvuldige benadering in het kader van welstand, ondanks het feit dat de historische boerderijen veelal reeds onder de monumentenwet vallen. Welstandseenheden Verspreid over de gemeente Haaren. Ontstaansgeschiedenis Rond 1500 was er in Noord-Brabant sprake van één type boerderij, het hallehuis. Deze oorspronkelijke boerderij komt in vrijwel geheel Noord-Brabant en dus ook in de gemeente Haaren voor. De gemeente Haaren ligt in De Meijerij. Dit gebied was van oudsher een welvarende streek in de nabijheid van de op één na grootste stad van Nederland. Men kon hier marktgericht boeren en door die welvaart ook degelijk bouwen. Kenmerkend voor het hallehuis is dat het dak steunt op een H-vormige balkenconstructie (ge-koppelde ankerbalkgebinten) en niet op de buitenmuren.
Het hallehuis kent een veelvoud aan vormen die samenhangen met haar historische ontwikkeling, verschillen in het landschap en in de welvaart van zijn eigenaren of bewo-ners. Diezelfde ontwikkeling is terug te vinden op het boerenerf. Er bestaat een aantal gemeenschappelijke kenmerken voor deze boerderijen: - In zijn meest oorspronkelijke vorm omsluiten de wanden van de boerderij één grote slechts door de houten stijlen ingedeelde ruimte, waarin mens en dier onderdak vinden. Bij de jonge boerderijen zit tussen deze houten stijlen een ankerbalkgebint;
Bijlagen
23
-
-
Er is sprake van een driebeukig gelede ruimte, drie naast elkaar gelegen ruimten, waarvan het middendeel onder de nok ligt. Alle werkzaamheden worden in deze ruimte (‘’halle’’) verricht. Het vee stond in een potstal, centraal in de stalruimte. Hierdoor had men weinig werkruimte; er kon bijvoorbeeld geen hooiwagen binnen. Het gedorste graan sloeg men op de zolder boven het woongedeelte op via een luik in de korte gevel pal onder het wolfseind. Een kenmerkende ontwikkeling is dat de deeldeur in de zijgevel zit en de staldeuren in de achtergevel; de koeien staan dan aan de achter- en zijwand en de deeldeur ligt centraal.
In de gemeente Haaren lagen de meeste boerderijen sinds de middeleeuwen gegroepeerd rondom betrekkelijk kleine akkerbouwcomplexen en de natte graslanden. Veelal lagen deze boerderijen op de hoger gelegen gronden, de dekzandruggen. Hier overheerste het akkerbouwbedrijf waarbij de nadruk lag op de teelt van granen. Bij elke boerderij behoorde vanouds een bouwkamp, een hoger gelegen stuk bouwland en wat lager gelegen weide- of hooiland. Rondom het cultuurland lagen de woeste gronden. Deze deden dienst als gemeenschappelijke weidegrond en voor het steken van plaggen. De plaggen werden gebruikt voor brandstof en de bemesting van de akkers. Door de groei van de bevolking aan het einde van de 17e eeuw ontstond een nijpend gebrek aan grond en woonruimte. Onder invloed van landbouwhervormers en grootgrondbezitters werden de woeste gronden verdeeld onder de grootgrondbezitters. Eerst werden de lagere gronden omgezet in grasland. Later werden ook de heidegronden ontgonnen. Op het nieuw ontgonnen land werden grote aantallen nieuwe, vaak kleine, boerderijen gebouwd. Van de oude boerderijen is bekend dat deze in de 17e eeuw werden vernieuwd en vergroot. De 19e eeuw bracht weer een verbouwingsgolf tot stand waarbij de oude gevels van de boerderij werden vervangen door baksteen. De boerderijen zijn dus vaak ouder dan ze er uit zien.
Een andere ontwikkeling was die van een gebouw met een topgevel geörienteerd op de openbare weg naar een langwerpig gebouw die met de lange zijde op de openbare weg stond geörienteerd. Het woongedeelte raakte geleidelijk aan geheel op de zijgevel (straatzijde) georiënteerd en in het bedrijfsgedeelte werden een dwarsdeel en grondtas opgenomen, waardoor de stal- en deeldeur ook in de zijgevel moesten worden verplaatst. Deze ontwikkeling drong de Meierij vanuit het zuiden binnen. Het eindstadium van deze ontwikkeling was een éénbeukig gebouw zonder gebint, waarbij de moerbalken op de gemetselde muren rustten en de dakstoel de basis werd van de dakconstructie.
24
Bijlagen
Karakteristiek Langgevelboerderij De langgevelboerderij is het boerderijtype dat het meest voorkomt in de gemeente Haaren. Dit type ligt vaak met de lange zijde evenwijdig aan de weg. De langgevelboerderij is in drie delen opgedeeld, te weten: woonhuis, stalgedeelte en schuurgedeelte (behalve als er een Vlaamse schuur op het erf staat). De meeste langgevelboerderijen hebben een steile dakhelling van ongeveer 45 graden. Bij oudere boerderijen is de dakhelling vaak iets steiler (circa 50 graden). Het dak kent óf een met muldenpannen gedekte kap, óf een met riet gedekte kap óf een deels met riet en deels met pannen gedekte kap. De met muldenpannen gedekte daken dateren uit de twintiger jaren. Van oudsher worden de volgende kleuren/materialen gebruikt: -Raamwerk: wit; -Kozijnen: zandkleur; -Voordeur: donkergroen; -Luiken: donkergroen; -Staldeur: zwart; -Eventuele houten aan- en uitbouwen, vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen: zwart gepotdekselde planken. Het langsgeveltype staat in de langsrichting van de weg. Tussen weg en het gebouw ligt vaak een tuin met een haag. De entree van de kavel ligt naast de hoofdbe-bouwing. Op het achtererf staat een schuur of is beplanting aanwezig. Een houtwal of een sloot begrenst de kavel.
Vlaamse schuur De Vlaamse schuur is karakteristiek voor de Brabantse zandgronden. De Vlaamse schuur komt in verschillende vormen regelmatig in de omgeving van de gemeente Haaren voor. De Vlaamse schuur is te herkennen aan de opbouw van de gebinten. Aan de hoogste kant steekt de ankerbalk door over de gebintstijl. Door een schoor wordt deze overstek sterk
Bijlagen
25
gemaakt en wordt extra hoogte gecreëerd. In de lengterichting is een extra langsbalk van gebint naar gebint aanwezig. Door deze constructie ontstaat de typische vorm met een hoge en een lage kant. Een enkele keer is de Vlaamse schuur gekoppeld aan de boerderij. Gebruikelijk is dit allerminst.
welstandscriteria Voor de erfinrichting wordt verwezen naar het ‘’Beeldkwaliteitplan buitengebied’’ van de gemeente Haaren. ligging in de omgeving: 1. Hoofdbouwvormen dienen op de weg gesitueerd te zijn met de voorgevel op de belangrijkste openbare ruimte georiënteerd. Hierbij dient de oorspronkelijke situering van de hoofdbouwmassa gerespecteerd te worden. Behalve het hoofdobject (meestal de boerderij) moet bij de situering vooral ook de ensemblewaarde van het complex de aandacht krijgen: zoals andere oorspronkelijke bouwwerken, het erf maar ook de omgeving van de boerderij. 2. Bijbehorende bouwwerken dienen bij voorkeur achter de hoofdbebouwing te liggen, maar minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn indien de kavelbreedte dit in verband met doorzichten toelaat. 3. Het bouwplan moet passen in de omgeving waarbij bestaande ‘’groene’’ kwaliteiten (zoals bos- en houtopstanden, laanbeplantingen e.d.) worden gerespecteerd. massa en vorm van het gebouw: 4. Bij renovatie van boerderijen dient de originele vorm(geving) het uitgangspunt te zijn. 5. Bij vervangende nieuwbouw bij voorkeur de oorspronkelijke eenvoudige hoofdvorm van de boerderij als beeldbepalend element in het landschap bewaren. Een hoofdvorm met één of anderhalve verdieping met steile kap is het uitgangspunt. 6. Bij grote ingrepen moet zorgvuldig met de boerderij worden omgesprongen.
De verdeling ‘’woon-huisbedrijfsgedeelte’’ dient als uitgangspunt te worden genomen bij grote ingrepen.
26
Bijlagen
detaillering, materiaal en kleur van het gebouw: 7. Gootlijsten, speklagen en andere gevelelementen zijn eenvoudig maar zorgvuldig gedetailleerd en zijn wat betreft maatvoering, architectuur en kleur goed afgestemd op de hoofdboerderij. 8. De voorgevel kent vaak een eenvoudige indeling met een duidelijk onderscheid tussen woon- en bedrijfsgedeelte. Veel voorkomende gevelelementen zijn houten luiken, vlechtingen in metselwerk, sierankers, strekken boven vensters en deuren. Bovendien zijn de gevels boven de kozijnen vaak in de vorm van rollagen afgewerkt; 9. Lijnvormige elementen dienen niet te worden onderbroken. 10. Uitdrukkingen van de functie dienen te worden gerespecteerd (zoals hooideuren, draagbalken, (mest)luiken, en dergelijke); 11. Grote gevelvlakken hebben een duidelijke eenduidige textuur, zoals baksteen of houten gepotdekselde planken. 12. Toegestane materialen voor gevel en dak zijn metselwerk van bakstenen met soms een gepleisterde plint, houten kozijnen, dakpannen (veelal gesmoorde Hollandse pannen), rietbedekkingen. Toepassingen van kunststof, aluminium of staal zijn ongewenst; 13. Het kleurgebruik dient te worden beperkt tot aardkleuren. Toepassing van sterk contrasterende kleuren is ongewenst. 14. Dakkapellen alleen toevoegen ter vervanging van een eerder exemplaar. Voor meer daglicht op het zoldergedeelte (bijv.
bij het ombouwen van boerderij naar meerdere wooneenheden) heeft het de voorkeur om smalle en verticale dakramen toe te passen i.p.v. dakkapellen. 15. Bij het plaatsen van loodsen en schuren bij boerderijen dient het toepassen van damwandprofielen te worden voorkomen en dient er gestreefd te worden naar donker gepotdekselde houten planken of daarop gelijkend materiaal.
Bijlagen
27
Bijlage 5: Landschapsverordening
28
Bijlagen
Landschapsverordening Noord-Brabant (2002), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 maart 2012 PROVINCIALE STATEN van Noord-Brabant, gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 3 september 2002; • gelet op artikel 118 en 136 en volgende van de Provinciewet, de provinciale inspraakverordening, de Tijdelijke Referendumwet en de toepasselijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht; • gelet op de ingekomen zienswijzen en hetgeen ten aanzien daarvan is overwogen; • gelet op het advies van de Provinciale Commissie Natuur en Landinrichting van 30 mei 2002; • gelet op het advies van de Commissie voor Milieu, Natuur en Landschap d.d. 23 september 2002; • gelezen de Memorie van Antwoord d.d. 8 oktober 2002; besluiten de navolgende Landschapsverordening Noord-Brabant 2002 vast te stellen:
Artikel 1 verklaring begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: • a. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 ; • b. borden: opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, constructies ten behoeve daarvan of kennelijk voor reclamedoeleinden gebezigde vervoer- en/of transportmiddelen en overige objecten; • c. vlaggen: opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, aangebracht op doek, plastic of vergelijkbaar materiaal voor dat doel bestemd, dat aan één of twee zijden bevestigd is; • d. spandoeken: opschriften, aankondigingen, afbeeldingen aangebracht op een uitgespannen doek, plastic of vergelijkbaar materiaal voor dat doel bestemd; • e. objecten: overige landschapsontsierende elementen voor reclamedoeleinden, niet zijnde borden, vlaggen of spandoeken; • f. bedrijventerrein: gerealiseerd industrie- of bedrijventerrein, als zodanig bestemd in het vigerende bestemmingsplan of waarop artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is toegepast;
Bijlagen
29
•
• •
g. sportterrein: terrein, waar men sport kan beoefenen en dat als zodanig bestemd is in een bestemmingsplan, hetzij als hoofdbestemming, hetzij als subbestemming, dan wel in de voorschriften als zodanig is aangegeven of waar sprake is van bestendiging van bestaand gebruik of waarop artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening is toegepast; h. gebouw: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 onder c van de Woningwet; i. strokenbord: bord als bedoeld in de provinciale Beleidsnota Wegenbeheer; module bewegwijzering, vastgesteld op basis van de provinciale Wegenverordening.
Artikel 2 Verbodsbepaling •
• • •
1. Het is verboden, behoudens het bepaalde in artikel 3, om buiten de bebouwde kom borden, vlaggen, spandoeken en objecten te plaatsen, te doen plaatsen, aan te brengen, te houden, dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing op, aan of tegen die onroerende zaak toe te staan; 2. Het verbod bedoeld in het eerste lid van dit artikel geldt niet als de borden, vlaggen, spandoeken en objecten niet zichtbaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats; 3. Het verbod bedoeld in het eerste lid van dit artikel geldt niet als de borden, vlaggen, spandoeken en objecten zijn of worden geplaatst op een bedrijventerrein; 4. Het verbod bedoeld in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor vlaggen op sportterreinen en voor borden, spandoeken en objecten welke zijn of worden geplaatst op een sportterrein, mits de zijde met de tekst of de afbeelding naar het speelveld gericht is.
Artikel 3 Vrijstellingen •
1.Het in artikel 2 bedoelde verbod geldt niet voor: • a. borden, vlaggen en spandoeken die kennelijk tot de meubilering of stoffering van een gebouw behoren, mits • 1.deze tegen het gebouw zijn geplaatst; • 2.borden en spandoeken niet boven het gebouw uitsteken; • 3.vlaggen niet meer dan 2 meter uitsteken boven de nokhoogte van het gebouw; • 4.er een relatie bestaat tussen de borden, vlaggen en spandoeken en de functie van het gebouw.
30
Bijlagen
• •
•
•
•
•
Bijlagen
b. borden, vlaggen, spandoeken en objecten die zich in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak bevinden; c. borden die moeten worden aangebracht ter voldoening aan een wettelijk voorschrift, mits de wettelijk voorgeschreven maten niet worden overschreden; worden er geen maten vermeld, dan mag de oppervlakte ten hoogste 0,50 m2 en de grootste afmeting in één richting ten hoogste 1 meter bedragen; d. borden, vlaggen en spandoeken die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, uitgeoefend in een gebouw, mits niet meer dan twee borden of spandoeken en maximaal vier vlaggen bij het gebouw of bij de inrit naar het gebouw toe zijn aangebracht; e. borden en spandoeken die op of in de onmiddellijke nabijheid bij een onroerende zaak zijn aangebracht, waarbij deze onroerende zaak te koop, te huur of te pacht wordt aangeboden: • 1.zolang zij feitelijke betekenis hebben en • 2.het aantal borden of spandoeken niet groter is dan twee; f. borden die betrekking hebben op een werk in uitvoering, mits; • 1.deze in de onmiddellijke nabijheid van het werk zijn geplaatst en • 2.deze niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van dat werk duurt en • 3.het aantal niet meer bedraagt dan twee; g.
borden, spandoeken en vlaggen die zijn geplaatst in verband met een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling, mits • 1.niet behorend tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst; • 2.niet eerder dan twee weken daaraan voorafgaand geplaatst; • 3. zij een week na afloop van de openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling worden weggehaald; • 4. niet meer dan twee borden of spandoeken en maximaal vier vlaggen zijn aangebracht op het terrein waar het evenement et cetera plaatsvindt, en • 5. niet meer dan twee borden of spandoeken zijn geplaatst bij invalswegen, conform de voorschriften van de betrokken wegbeheerder.
31
•
•
• • • •
•
h. borden voor de verkoop van agrarische streekproducten, mits niet meer dan drie borden worden geplaatst, waarvan • 1. twee in de onmiddellijke nabijheid van het verkooppunt of het agrarisch bouwblok van het bedrijf waar de verkoop plaatsvindt, en • 2. één elders, binnen een straal van 1 km gemeten vanaf het bedrijf waar de verkoop plaatsvindt, en dit derde bord geen bedrijfsnaam of reclame bevat; i. alle verkeersborden als bedoeld in artikel 4 BABW; borden als bedoeld in de Module Bewegwijzering van de Beleidsnota Wegenbeheer 2002 en nadien vastgestelde versies; en overige (dynamische) informatie op borden die een wegbeheerder op/aan de weg plaatst vanuit haar zorgplicht voor de weg (artikel 2 Wegenverkeerswet); j. borden behorend tot de verkeerstekens en verkeersaanwijzingen als bedoeld in de Scheepvaartverkeerswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten; k. borden en spandoeken die zijn geplaatst voor een campagne ten behoeve van de verkeersveiligheid, mits de borden en spandoeken geen handelsreclame bevatten; l. borden die zijn aangebracht op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; m. borden en informatiezuilen die educatieve en/of geografische informatie bevatten over een bezienswaardigheid, een gebied of daarin aanwezige primaire watergangen: • 1. geplaatst bij de bezienswaardigheid, het gebied of de watergang • 2. mits de handels- c.q.
bedrijfsreclame, indien noodzakelijk, niet meer dan 5% van de totale oppervlakte van het bord beslaat; • 3. borden bij watergangen mogen maximaal 35 centimeter hoog en 100 centimeter breed zijn, en alleen de naam van de watergang, en daarnaast eventueel een calamiteitennummer en logo bevatten, waarbij het logo niet meer dan 5% van de totale oppervlakte van het bord beslaat; n. borden, spandoeken en vlaggen die op of in de onmiddellijke nabijheid van tankstations en ANWB Wegenwachtstations zijn aangebracht, mits • 1.naast het bord met brandstofprijzen als bedoeld in het hiernavolgende onderdeel 3, niet meer dan twee borden of spandoeken en maximaal vier vlaggen bij het tankstation zijn aangebracht; • 2.die borden direct betrekking hebben op de aldaar uitgeoefende activiteiten;
32
Bijlagen
3.De totale hoogte van het bord bij tankstations waarop de brandstofprijzen worden aangeduid mag maximaal 7,50 meter boven het maaiveld zijn, de breedte maximaal 2,40 meter; o. borden, spandoeken en vlaggen die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, waaronder verkiezingsborden; mits deze borden geen handelsreclame bevatten; p. borden die langs de provinciale of gemeentelijke weg de weg wijzen naar enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, uitgeoefend in of op een onroerende zaak in de nabijheid van het desbetreffende bord, of borden die verwijzen naar toeristische bezienswaardigheden, mits; • 1.de borden conform de voorschriften van de betrokken wegbeheerder zijn geplaatst; • 2.de borden feitelijke betekenis hebben; en • 3. verwezen wordt door middel van borden, behorende tot de reguliere bewegwijzering (RVV1990) of door middel van strokenborden. q.
borden die tijdelijk geplaatst zijn langs een weg teneinde het verkeer naar een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement, tentoonstelling of een werk in uitvoering te geleiden dan wel borden die geplaatst zijn ten behoeve van een omleidingsroute, mits: • 1.de borden conform de voorschriften van de betrokken wegbeheerder zijn geplaatst; • 2.niet eerder dan drie dagen daaraan voorafgaand geplaatst; • 3.de borden uiterlijk een week na afloop van de openbare wedstrijd, de manifestatie, het evenement, tentoonstelling of beëindiging van het werk worden weggehaald. r. borden die geplaatst zijn ten behoeve van recreatieve en toeristische routebewegwijzering, mits • 1.de oppervlakte van routeoverzichtsborden maximaal 1,5 m2 bedraagt; • 2.de oppervlakte van de overige borden maximaal 0,2 m2 bedraagt; en • 3.de handels- c.q. bedrijfsreclame, indien noodzakelijk, niet meer dan 15% van de totale oppervlakte van het bord beslaat; •
•
•
•
•
Bijlagen
33
•
•
• •
• •
•
• 4. zolang zij feitelijk onderdeel uitmaken van de route. • s. Vervallen bij besluit van 22 juni 2006. • t. vlaggen die zijn aangewezen als officiële binnenlandse en buitenlandse vlaggen. 2.De afmetingen van een bord dan wel spandoek worden gemeten langs de buitenomtrek. De onder- of achtergrond en constructie die kennelijk tot het bord dan wel spandoek behoren, wordt hierin begrepen. 3.De oppervlakte van de borden dan wel spandoeken, bedoeld in het eerste lid van dit artikel onder d, e, g sub 5, h, m en o mag maximaal 1,5 m2 bedragen. • 3.a.De oppervlakte van informatiezuilen als bedoeld in het eerste lid onder m mag maximaal 6 m2 bedragen, en wordt berekend door de projectie van de totale oppervlakte op een plat vlak. 4.De oppervlakte van een vlag bedoeld in het eerste lid van dit artikel onder a, d, g, n, o en t mag maximaal 6 m2 bedragen. 5.De totale hoogte van de borden en spandoeken bedoeld in het eerste lid van dit artikel onder d, e, g, h, m, n, o, q, r en s, en van informatiezuilen als bedoeld in het eerste lid onder m, mag niet meer zijn dan 2,5 meter boven het maaiveld. • 5.a.Voor borden bij een werk in uitvoering als bedoeld in eerste lid onder f.
gelden de volgende afmetingen: • 1.bij autosnelwegen mogen borden in totaal maximaal 8 meter boven het maaiveld hoog zijn, en maximaal 6,5 meter breed; • 2.bij overige, niet-autosnelwegen mogen borden in totaal maximaal 5,0 meter boven maaiveld hoog zijn, en maximaal 4,0 meter breed. 6.De totale hoogte van een vlag bedoeld in het eerste lid van dit artikel onder d, g, n, o en t mag niet meer zijn dan 7 meter boven het maaiveld. 7.De borden, spandoeken en vlaggen bedoeld in het eerste lid van dit artikel mogen niet verlicht zijn, met uitzondering van de onderdelen a, b, d, i, j, k, l, m, n, o en de informatiezuilen als bedoeld onder m. 8.Borden, spandoeken, vlaggen en informatiezuilen bedoeld in het eerste lid van dit artikel dienen in goede staat van onderhoud te verkeren.
34
Bijlagen
Artikel 4 Hardheidsclausule Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant zijn bevoegd al dan niet onder het stellen van nadere voorwaarden af te wijken van het bepaalde in artikel 2 voor zover de toepassing daarvan, mede gelet op het belang van de bescherming van het landschap, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 4a Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb is niet van toepassing op besluiten als bedoeld in de artikel 4 van deze verordening.
Artikel 5 Strafbaarstelling Een gedraging in strijd met artikel 2 van deze verordening is een strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of een geldboete van de tweede categorie.
Artikel 6 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening gestelde, zijn belast de door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant aan te wijzen ambtenaren. Met de opsporing van de bij deze verordening strafbaar gestelde feiten zijn belast de bij of krachtens artikel 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren.
Artikel 7 Overgangsrecht •
•
Bijlagen
1. Het in 1999 in artikel 2 gestelde verbod voor borden was tot 30 juli 1999 niet van toepassing op borden die waren geplaatst in overeenstemming met destijds ter plaatse vigerende regelgeving ten behoeve van de bescherming van het landschapsschoon. Na 30 juli 1999 werden ook deze borden in strijd met artikel 2 gehouden (Landschapsverordening 1999, Prov. blad 188/98). 2. Het in 2002 in artikel 2 gestelde verbod ten aanzien van objecten trad pas werking met ingang van 8 weken na de dag van inwerkingtreding van de gewijzigde verordening (zijnde 30 januari 2003) voor zover het objecten betrof die vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening waren geplaatst in overeenstemming met destijds ter plaatse vigerende regelge-
35
•
ving ten behoeve van de bescherming van het landschapsschoon. Na afloop van deze overgangstermijn werden ook deze objecten in strijd met artikel 2 gehouden (Landschapsverordening 2002, Prov. blad 149/02). 3. Het besluit tot wijziging van artikel 3 eerste lid onder n, sub 1. (aantalsbeperking tankstations) treedt pas in werking vier maanden na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit van 22 juni 2006. Na afloop van deze overgangstermijn worden alle borden die in afwijking met het gewijzigde voorschrift artikel 3 lid 1 onder n. zijn geplaatst in strijd met artikel 2 gehouden; ook de borden die vóór de datum van inwerkingtreding van de wijziging zijn geplaatst in overeenstemming met destijds ter plaatse vigerende regelgeving ten behoeve van de bescherming van het landschapsschoon en/of het wegbeheer.
Artikel 8 Titel Deze verordening kan worden aangehaald als "Landschapsverordening Noord- Brabant "(2002). De integrale tekst van de verordening zal na elke wijziging met de bijbehorende toelichting in het Provinciaal Blad worden geplaatst. Daarbij wordt het jaartal waarin de laatste wijziging is vastgesteld toegevoegd aan de titel.
Artikel 9 Inwerkingtreding Deze verordening treedt ingevolge de Tijdelijke referendumwet op 5 december 2002 in werking, zijnde 6 weken na bekendmaking van dit besluit in het Provinciaal Blad (149/02, datum van uitgifte: 23 oktober 2002) en treedt in de plaats van de Landschapsverordening Noord-Brabant 1999. 's-Hertogenbosch, 18 oktober 2002 Provinciale Staten van Noord-Brabant, De voorzitter De griffier mr. F.J.M. Houben M. Bruinsma
36
Bijlagen
Algemene toelichting Nadat in 1988 de toenmalige Landschapsverordening Noord-Brabant was ingetrokken, ontstond er geleidelijk een situatie waarin sprake was van een aantasting van de landschappelijke kwaliteiten van het buitengebied door een wildgroei van reclameborden. Vanuit het provinciaal beleid gezien is dit een ongewenste situatie. Na afweging is daarom besloten om aan deze wildgroei van reclameborden een eind te maken door het opnieuw invoeren van een provinciale verordening gericht op de bescherming van het Brabantse landschapsschoon. Ondanks het feit, dat in de loop der jaren veel van het karakteristieke Brabantse landschap verloren is gegaan, is de huidige kwaliteit nog steeds zo aantrekkelijk en afwisselend dat handhaving ervan geboden is. Bovendien heeft de provincie inmiddels een beleid ontwikkeld, waarin de bescherming van het Brabantse landschap hoge prioriteit heeft gekregen. Het provinciale landschapsbeleid is gericht op het ontwikkelen c.q. behouden van een duurzame landschapsstructuur als uitdrukking van het economisch en ecologisch functioneren van het buitengebied uitgaand van historisch bepaalde verschillen in het landschap. Het plaatsen en aanwezig zijn van borden strookt niet met deze doelstellingen. In beginsel kan elk bord beschouwd worden als een visuele aantasting van het landschap.
De Landschapsverordening (hierna ook: LSV) heeft tot doel het landschapsbelang te beschermen. Dit belang is met name aanwezig in de gebieden buiten de bebouwde kom. Derhalve is in artikel 2 LSV een algeheel verbod voor borden buiten de bebouwde kom neergelegd. Het verbod geldt niet voor gebieden gelegen binnen de bebouwde kom of gebieden die daarmede zijn gelijk te stellen, zoals bijvoorbeeld bedrijven- en industrieterreinen. Het plaatsen van borden in deze gebieden behoeft uit landschappelijk oogpunt geen bezwaar te zijn. Dit betekent niet dat geen regels hiertoe gesteld kunnen worden. De regeling voor deze borden wordt overgelaten aan de gemeentebesturen. Uitgangspunt van de LSV is, dat elk bord, spandoek, vlag of object inclusief de constructies ten behoeve daarvan (zoals bijvoorbeeld karretjes met of zonder wielen) en voor reclamedoeleinden gebezigde vervoer- en/of transportmiddelen, in beginsel een aantasting vormen van het landschapsschoon. Onder omstandigheden kan deze aantasting aanvaardbaar zijn. De regels houden hier rekening mee door in artikel 3 LSV categorien van borden, spandoeken, vlaggen en objecten vast te leggen die niet onder de werking van het verbod van artikel 2 LSV vallen. De regeling kent een algeheel verbod, behoudens de hiervoor vermelde uitzonderingen. In bijzondere gevallen kan dit leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
Gelet hierop is in de verordening een hardheidsclausule opgenomen. Toepassing van de hardheidsclausule zal naar verwachting slechts in zeer sporadische gevallen aan de orde zijn.
Bijlagen
37
De verordening kan zowel bestuurlijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd. Van strafrechtelijke handhaving zal met name gebruik gemaakt worden, indien er sprake is van steeds terugkerende borden of indien er sprake is van het geplaatst houden van borden voor een zeer korte periode. In het laatste geval gaat het met name om borden die niet via de bestuursrechtelijke weg aangepakt kunnen worden. Hierbij kan gedacht worden aan een veelvoud van borden die evenementen aankondigen. Wijzigingen van de Landschapsverordening sinds 1999 In januari 1999 is de Landschapsverordening Noord-Brabant (1999) van kracht geworden. Deze is in 2002 voor de eerste keer herzien. Daarbij zijn enkele technisch-inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd, en is de centrale verbodsbepaling van de Landschapsverordening uitgebreid met een verbod voor (reclame-)objecten die het landschap kunnen aantasten. Verder zijn enkele vrijstellingen voor toeristisch-recreatieve borden toegevoegd. In 2005 is de werking van de herziene Landschapsverordening (2002) geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie is medio 2006 de Landschapsverordening opnieuw gewijzigd. Voor wat betreft de vrijstellingen voor verwijs- en bouwborden is aansluiting gezocht bij de normen van de wegbeheerder, om tegenstrijdig beleid te voorkomen. Tankstations mogen niet langer een onbeperkt aantal borden plaatsen.
Verder is de verordening onder voorwaarden verruimd op het punt van de verkoop van agrarische streekproducten, het plaatsen van tijdelijke evenementenborden en aanduidingen bij primaire watergangen. Overgangsrecht Voor borden die vóór de inwerkingtreding van de Landschapsverordening in 1999 waren geplaatst conform ter plaatse geldende regelgeving ten behoeve van de bescherming van het landschapsschoon (bijvoorbeeld met een bouwvergunning), was in de Landschapsverordening (1999) een overgangstermijn van zes maanden opgenomen. Deze overgangstermijn is inmiddels verstreken. Dit betekent dat sindsdien elk bord buiten de bebouwde kom in beginsel onder de werkingssfeer van het verbod van artikel 2 LSV valt. Bij de verbreding van deze verordening in 2002 is vanwege het niet meer relevant zijn van de oorspronkelijke overgangstermijn uit 1999, het oude overgangsrecht doorgehaald in de tekst van de verordening. Bij die gelegenheid is wel een nieuwe, vergelijkbare overgangsregeling opgenomen voor het toegevoegde verbod ten aanzien van objecten (inmiddels ook gexpireerd). Bij de wijziging in 2006 is specifiek voor de nieuwe( aantals-)beperkingen voor borden, spandoeken en vlaggen op of in de onmiddellijke nabijheid van tankstations en ANWB-wegenwachtstations een overgangstermijn opgenomen. Naar aanleiding van jurisprudentie hebben Provinciale Staten bij die gelegenheid ook besloten de
38
Bijlagen
oude (gexpireerde) overgangsregelingen met hun bronvermelding toch weer op te nemen c.q. te handhaven in de tekst van de verordening. Dit, om expliciet vast te leggen dat het de bedoeling van het bestuur is dat n die overgangtermijnen alle borden en objecten in strijd met de LSV worden gehouden, tenzij ze onder een vrijstelling vallen (zie ook hierna, de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7). Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Onderdeel a: Er wordt aangesloten bij het begrip bebouwde kom uit artikel 20a Wegenverkeerswet 1994. Hierdoor is er sprake van een objectief vast te stellen grens waar de verordening van toepassing is. Deze bebouwde kom wordt door de gemeenteraad vastgesteld. Onderdeel b: Er wordt een ruime definitie van het begrip "borden" gehanteerd. Hierdoor vallen nagenoeg alle vormen van reclame-uitingen onder de reikwijdte van de verordening. Dit betekent dat ook borden op wielen, oude voertuigen met reclame, enz. onder de werkingssfeer van de verordening vallen. Onderdeel c, d en e: Wat voor borden geldt, geldt in feite ook voor vlaggen, spandoeken en (reclame)objecten Onderdeel i: Er wordt aansluiting gezocht bij de normen van de wegbeheerder. Dit heeft geleid tot opname van het strokenbord en wijziging van art. 3 lid 1 onder p. Het zogenaamde Modelbordenbesluit van Gedeputeerde Staten (Prov. Blad 74/00) is ingetrokken.
Artikel 2 Eerste lid: Uitgangspunt is een algeheel verbod voor borden buiten de bebouwde kom, behoudens nader genoemde uitzonderingen. Het verbod richt zich tot meerdere personen. Zo geldt het verbod voor degene die een bord wil plaatsen maar ook voor de eigenaar, gebruiker, huurder of pachter van de grond waarop een bord is of wordt geplaatst. Dit betekent dat in geval van overtreding van het verbod, die personen daarop kunnen worden aangesproken. Tweede lid:
Bijlagen
39
Borden, spandoeken, vlaggen en objecten die niet zichtbaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats zoals de openbare weg, een publiek vaarwater of een spoorweg, zijn van het verbod uitgezonderd. Derde lid: Gerealiseerde bedrijven- en industrieterreinen vallen buiten de werkingssfeer van de algehele verbodsbepaling van de verordening, omdat hier vanuit landschappelijk oogpunt in beginsel geen bezwaar bestaat tegen borden. Voor bedrijven- en industrieterreinen is de gemeente overigens veelal bevoegd een regeling te treffen in het kader van de ruimtelijke ordening. Het plaatsen van borden, spandoeken, vlaggen of objecten op groenstroken, die dienen als een zogenaamde bufferzone om het bedrijven- of industrieterrein heen, kan in sommige gevallen leiden tot een niet-aanvaardbare aantasting van het landschapsschoon. Vierde lid: Sportterreinen, zoals bijvoorbeeld voetbalvelden, zijn vaak omzoomd door borden, spandoeken en vlaggen. Borden, spandoeken en objecten mogen op een sportterrein geplaatst worden, mits de zijde met de tekst of de afbeelding naar het speelveld toe is gericht.
Artikel 3 In dit artikel worden categorien van borden genoemd waarvoor het verbod van de Landschapsverordening niet geldt. NB: Als een bord onder de Landschapsverordening is vrijgesteld, kunnen niettemin op grond van andere regelgeving beperkingen gelden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Woningwet, de Wegenverkeerswet, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken en de Wegenverordening Noord-Brabant 1993. In dat geval kan er voor het plaatsen toch een vergunning, bijvoorbeeld krachtens de Wegenverordening noodzakelijk zijn. • Artikel 3.1.a • - Hierbij valt te denken aan restaurants, hotels of maneges waarop borden, spandoeken of vlaggen zijn aangebracht. Alleen borden die tegen de gevel zijn geplaatst zijn toegestaan. Het bord mag bijv. niet op het dak zijn aangebracht. Bovendien moet er een relatie bestaan tussen het bord of spandoek en de functie van het gebouw. • Artikel 3.1.b • - Hierbij kan met name gedacht worden aan borden die zichtbaar zijn door een raam. • Artikel 3.1.c
40
Bijlagen
- Hieronder vallen bijvoorbeeld borden die ingevolge de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant moeten worden aangebracht ter aanduiding van bijzondere gebieden zoals "Grondwaterbeschermingsgebied" of "Stiltegebied", of borden die op grond van EG-voorschriften moeten worden geplaatst bij projecten die bijvoorbeeld uit de Structuurfondsen van de Gemeenschap worden gefinancierd. Artikel 3.1.d • - Het betreft borden, vlaggen of spandoeken die betrekking hebben op de uitoefening van een dienst, beroep of bedrijf, die niet op het gebouw zelf zijn aangebracht, maar wel in de onmiddellijke nabijheid daarvan. Meestal zal het gaan om bedrijfsgebouwen, maar het kan ook gaan om een woning, waarin een beroep wordt uitgeoefend. Gelet op het voorafgaande mogen landbouwbedrijven geen borden plaatsen op teeltpercelen die wel tot het bedrijf behoren maar verwijderd van het bedrijfsgebouw gelegen zijn. Alleen bij het bedrijfspand van de desbetreffende landbouwer c.q. kweker mogen conform dit artikel twee borden geplaatst worden. Artikel 3.1.e • - Borden of spandoeken waarvan het niet meer noodzakelijk is dat zij nog aanwezig zijn, vallen binnen de werking van het verbod. Hierbij kan worden gedacht aan borden met de tekst "huis te koop" als het huis inmiddels verkocht is.
De borden of spandoeken moeten geplaatst worden op of in de onmiddellijke nabijheid van de te verhuren/verkopen/ verpachten/etc. onroerende zaak. Onder `onroerende zaken' worden in dit geval niet met de grond verenigde beplantingen verstaan. Artikel 3.1.f • - Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan borden waarop de uitvoering van werken in het kader van onderhoud aan wegen staan vermeld of een naamlijst van opdrachtgevers, aannemers e.d. Artikel 3.1.g • - Borden, spandoeken en vlaggen die niet onder dit artikel vallen, zullen binnen de bebouwde kom moeten worden geplaatst, met dien verstande dat gemeentelijke regelgeving in acht moet worden genomen. Artikel 3.1.h • - Noord-Brabant kent een traditie dat agrarische streekproducten ter plaatse te koop worden aangeboden. De mogelijkheid om de verkoop van agrarische streekproducten •
•
•
•
•
•
Bijlagen
41
•
•
•
•
aan te kondigen op het bedrijf zelf, kan hiermee gecontinueerd worden. De borden of spandoeken moeten echter wel geplaatst zijn in de onmiddellijke nabijheid van het gebouw waar de producten verkocht worden. Sinds de wijziging van de LSV in 2006 is n extra bord op een verder weg gelegen perceel toegestaan. Gelet op de doelstelling van de verordening wordt het niet wenselijk geacht dat meer dan 1 bord in het vrije veld worden geplaatst. • - Borden met een algemene oproep aan het publiek om koopgedrag te stimuleren vallen niet onder dit artikel en zijn derhalve niet vrijgesteld. Artikel 3.1.i • - De verbodsbepaling van de Landschapsverordening is van toepassing buiten de bebouwde kom, ook op beheersgebied van Rijkswaterstaat. Binnen dat gebied is tevens het beleid van de Minister van Verkeer en Waterstaat van kracht. Borden die conform de richtlijnen van de Minister zijn geplaatst ( betreft met name bewegwijzering) zijn op grond van dit onderdeel vrijgesteld. Ook overige (moderne) vormen van (dynamische) informatie op borden van de wegbeheerder aan de weggebruikers en het verkeer, zoals het zogenaamde `tovergroen' en DRIPS zijn op grond van dit artikel vrijgesteld. Voor zover het provinciale wegen betreft is het beleid relevant dat in het kader van de Provinciale Wegenverordening 2006 is geformuleerd.
Artikel 3.1.k • - Dit betreft borden en spandoeken van bijvoorbeeld 3VO of andere borden die worden geplaatst in het kader van een campagne ten behoeve van de verkeersveiligheid, zoals borden en spandoeken die waarschuwen voor modder op de weg tijdens de bietenoogst. Artikel 3.1.l • - Reclame en aankondigingen op de zogenoemde abri's tasten het landschap nauwelijks meer aan dan de abri's zelf. Uit veiligheidsoverwegingen zijn deze vaak verlicht. Artikel 3.1.m • - Het betreft borden en informatiezuilen met informatie over natuurterreinen of bezienswaardigheden langs fietsroutes. Het betreft in het algemeen borden met educatieve en/of geografische informatie die uit een belang van bescherming van natuur, educatie en recreatie wenselijk zijn. Hierbij kan gedacht worden aan informatieborden met daarop een gebiedsaanduiding (bijvoorbeeld: `De Peel'), of borden van bijvoor-
42
Bijlagen
•
•
•
Bijlagen
beeld Natuurmonumenten met informatie over het achterliggende gebied. Tevens vallen hieronder borden die een lands-, gemeente- of provinciegrens aanduiden en borden met de aanduiding "verboden toegang" of die waarop een terreinbeherende instantie is aangegeven. In 2006 is een uitbreiding opgenomen voor plaatsing van borden door de waterbeheerder langs watergangen. Deze borden mogen alleen langs primaire watergangen worden geplaatst. De toegestane afmetingen van deze borden zijn afgeleid van de normen vanuit het wegbeheer voor strokenborden (met maximaal twee regels informatie, zonder pictogrammen of pijlen). Artikel 3.1.n • - Borden, spandoeken en vlaggen die geen betrekking hebben op de activiteiten in het tankstation of ANWB Wegenwachtstation, vallen niet onder de vrijstelling van het verbod. Sinds het wijzigingsbesluit van 2006 geldt er een beperking aan het aantal borden, spandoeken en vlaggen dat mag worden geplaatst. Ook aan de grootte van borden zijn voorschriften gesteld. De borden bij tankstations die de brandstofprijzen aangeven (de zogenaamde blikvangers) mogen maximaal 7,5 meter hoog vanaf het maaiveld zijn. Dit is de standaardhoogte van deze borden. De breedte van de blikvangers (maximaal 2,40 m) is gebaseerd op het beleid van de provincie als wegbeheerder, zoals opgenomen in de Beleidsnota Wegenbeheer, module bewegwijzering.
Overige borden mogen maximaal 2,5 meter hoog zijn op grond van artikel 3 lid 5. Artikel 3.1.o. • - Onder borden, spandoeken en vlaggen die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden ook verkiezingsborden verstaan. Artikel 3.1.p • - Deze bepaling houdt rekening met de belangen van bedrijven die bijvoorbeeld niet op een bedrijventerrein gevestigd zijn, of anderszins moeilijk vindbaar zijn voor bezoekers of leveranciers. De behoefte aan een verwijsbord zal met name bestaan bij bedrijven en toeristischrecreatieve voorzieningen met bovenlokale betekenis zoals restaurants, campings e.d., maar ook andere bedrijven of bezienswaardige objecten waarvoor verwijzing noodzakelijk is, kunnen gebruik maken van deze vrijstelling. Verwijsborden hebben hun betekenis door plaatsing direct bij de weg. Derhalve dienen de verwijsborden geplaatst te worden conform de voorschriften van de desbetref-
43
•
•
•
fende wegbeheerder, zijnde de provincie of gemeente. Er dient te worden verwezen door middel van borden, behorende tot de reguliere bewegwijzering (RVV 1990) of door middel van strokenborden. Artikel 3.1.q • - Uit verkeerstechnisch oogpunt kan het wenselijk zijn de route naar een evenement e.d. toe te bewegwijzeren. Deze vrijstelling geldt tevens voor tijdelijke borden die geplaatst zijn ten behoeve van evenementen als fiets- en wandeltochten, wielerrondes, puzzelritten, etc. Ook het geleiden van het bouwverkeer naar een werk in uitvoering, bijvoorbeeld een nieuw te realiseren woonwijk, is om dezelfde reden noodzakelijk gebleken. Zolang deze tijdelijke bewegwijzering geen handelsreclame bevat, maar bedoeld is om het verkeer te geleiden, zijn dergelijke borden vergelijkbaar met bewegwijzering en kunnen zij uit het oogpunt van verkeersveiligheid wenselijk zijn. Of zodanige borden noodzakelijk zijn bepaalt de wegbeheerder. In de provinciale Wegenverordening 2006 is het begrip `beheersgebied' komen te vervallen; in de betreffende vrijstellingen van de LSV (voorheen q sub 1, maar ook p. sub 1.,) is daarom bij de wijziging van 2006 de formulering op dit punt aangepast. De borden dienen te worden geplaatst conform de voorschriften van de betrokken wegbeheerder.