CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering Boxtel 16 december 2025, gemeente boxtel36.425 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

meente Boxtel de omgeving niet grondig in aanzien veranderen, maar

de contouren van de strategie voor besparing, grootschalige opwek van

de bestaande sterke punten van de gemeente beter benutten.

duurzame energie en de warmtetransitie.

In de structuurvisie wordt aangegeven dat de gemeente het thema duurzaamheid wil integreren binnen projecten van andere thema’s. Daar-

De energieopgave voor de regio Noordoost Brabant is minimaal 1,6

naast wil de gemeente onderzoeken welke duurzaamheidprojecten juist

TWh hernieuwbare elektriciteit. Hiermee draagt de regio bij aan 4,3%

voor deze regio kansrijk zijn, gelet op de hier aanwezige beschikbare

van de totale landelijke opgave (35 TWh). De regio beoogt zonne- en

duurzame natuurlijke hulpbronnen, aanwezige grondstof f en, inf rastruc-

windenergie als de voornaamste methoden het doel voor de opwekking

tuur en geologie. De ambitie van de gemeente is om bij deze projecten

van energie te verwezenlijken. Voor beide hernieuwbare bronnen zijn

als regio voorop te lopen met betrekking tot duurzaamheid.

zoekgebieden aangewezen, waarin zonne- en windenergie mogelijk is. Doorwerking plangebied Doorwerking plangebied

Met het vaststellen van de Omgevingsvisie Boxtel is de structuurvisie

Voorliggend plan is op de zoekgebieden Zonne-energiekaart van de

verf rissend Boxtel komen te vervallen. Deze structuurvisie is echter wel

RES NOB gelegen in een gebied aangewezen als zowel gemeentelijk

de basis geweest voor de selectie van het zonnepark in de tender, door-

zoekgebied voor zon op land als voor technische potentie voor zon op

dat in die structuurvisie onderhavige locatie voor verstedelijk af weeg-

land (f iguur 7). De zonneweide draagt met ca. 7,1 ha. aan zonnepane-

baar is aangemerkt. Een nadere uitwerking van deze ambitie is beschre-

len bij aan de regionale doelstellingen om te komen tot minimaal 1,6

ven in de ‘Visie duurzaam Boxtel 2030’ en ‘Visie zonne- en windenergie

TWh duurzaam opgewekte elektrische energie. Het zonnepark wordt landschappelijk ingepast, waarbij rekening wordt gehouden met de ge-

Figuur 7: Uitsnede zoekgebieden zonne-energie. Plangebied rood omcirkeld. (bron: Energie Werkplaats Brabant)

Boxtel’.

biedskenmerken van het gebied met oog voor ontwikkeling van f lora en

5.5.2

Visie duurzaam Boxtel 2030

f auna. Meervoudig ruimtegebruik vormt naast het zonnepark een inte-

De gemeente Boxtel heef t het beleid ‘Visie duurzaam Boxtel 2023’ vast-

grale opgave voor de gehele ontwikkeling. Bij inpassing worden de in-

gesteld. In deze visie heef t de gemeente als doelstelling gegeven om zo snel mogelijk energieneutraal te zijn. De gemeenteraad van Boxtel heef t

Zonnepark De Vorst te Boxtel

21

in 2011 al een f orse ambitie uitgesproken door het vaststellen van de

en monitort deze opgave binnen de gemeente Boxtel, waarbij de op-

nota “Boxtel Energieneutraal 2040”. In 2016 heef t de raad deze ambitie

gave zal moeten worden ingevuld met grootschalig zon op gebouw,

nog verder aangescherpt door zich uit te spreken voor energieneutrali-

grootschalig zon op veld en grootschalig wind. Onderhavig planvoorne-

teit in 2030. Duurzaamheid staat nu internationaal en nationaal hoog op

men sluit aan op de ontwikkeling van zon op land.

de politieke agenda. De samenleving groeit en de behoef te aan grondstof f en neemt alleen maar toe. De vraag is nu al zo groot, dat dit het

Bij de opwekking van duurzame energie wordt de zonneladder, die ook

herstellend vermogen van onze planeet overschrijdt. Dit heef t conse-

in het provinciale en landelijke beleid is opgenomen, gehanteerd (zie f i-

quenties voor toekomstige generaties.

guur 8). Vanwege de aanscherping van de zonneladder is, zoals eerder vermeld, een overgangsrecht opgenomen voor plannen die op het mo-

Doorwerking plangebied

ment van inwerkingtreding van de gewijzigde regeling in een vergevor-

In deze visie is besproken dat het verwachte energieverbruik 1,94 PJ

derd stadium verkeren, zoals onderhavig planvoornemen. Dit betekent

bedraagt. Dit staat gelijk aan circa 486 hectare aan zonnevelden. Om de

dat de zonneladder met 3 treden uitgangspunt is.

doelstellingen te behalen geef t de gemeente aan dat de energietransitie in versnelling dient te komen, waarbij ook de mogelijkheden van groot-

Daarbij dient de zonneladder niet volgordelijk, maar volgtijdelijk doorlo-

schalige energieopwekking wordt bekeken. De ontwikkeling van circa

pen te worden. Dit betekent dat de eerste trede niet volledig benut hoef t

7,1 hectare zonnepark draagt bij aan en is in lijn met de Visie duurzaam

te zijn voordat de volgende trede in aanmerking komt. De volgende tre-

Boxtel 2030.

den zijn opgenomen in de zonneladder: 1.

Zon op dak (gebouwgebonden);

5.5.3

2.

Zon op maaiveld (grondgebonden);

3.

Zonne-initiatieven met maatschappelijk draagvlak (grondgebonden).

Visie zonne- en windenergie Boxtel

In 2020 heef t de gemeente Boxtel de Visie zonne- en windenergie Boxtel vastgesteld. Deze visie vormt een af wegingskader voor zonneparken en een verkenning van het potentieel voor windparken. Deze visie is in

Uitgangspunt is dat de voorkeur geniet op zonnepanelen op daken te

navolging op het beleid Visie duurzaam Boxtel 2030, waarbij de ambitie

plaatsen en binnen stedelijke omgeving. Als laatste geniet het de voor-

is uitgesproken om in 2030 energieneutraal te zijn.

keur van zonneparken buiten bestaand stedelijk gebied. De gemeente erkent wel in haar visie dat als de treden na elkaar worden ingevuld het

De gemeente Boxtel heef t daarom een onderzoek laten verrichten naar

niet lukt om de opgave tijdig te realiseren. Daarnaast kun je eigenaren

de potentiële behoef te aan energie in 2030 in combinatie met de moge-

niet verplichten om zonnepanelen op daken te plaatsen. De gemeente

lijkheden voor opwekking van duurzame energie. In totaal kan hiermee

Boxtel wil aan de hand van deze visie maximaal 50 hectare (= 50 MW)

1,4 TJ aan duurzame energie worden opgewerkt, echter voorziet dit

aan zonneparken in de gemeente toestaan, waarbij per zonnepark de

slechts in 61% van de toekomstige vraag aan elektriciteit.

omvang niet groter zijn dan 20 hectare. De gemeente zal wel de zonneladder aanhouden, waarbij initiatieven die in trede 2 vallen de voor-

Die opwekopgave aan duurzame energie voor de gemeente Boxtel be-

keur genieten. Echter blijkt uit de visie dat de ruimte in trede 2 te beperkt

draagt 0,08 TWh. Het Nationaal Programma RES (NPRES) ondersteunt

is voor de gehele opgave en dat grondgebonden zonne-initiatieven in

Figuur 8: Zonneladder uit de Visie zonne- en windenergie Boxtel 2020

In de visie zonne- en windenergie is de uitgif te van de 50 hectare zonneparken in de vorm van een tender opgenomen. Vanuit die tender zijn vier initiatief nemers, waaronder de gemeente Boxtel zelf , door een onaf hankelijke commissie geselecteerd. De locaties van de vier geselecteerde initiatieven zijn weergegeven in f iguur 9 en bestaan uit: 1.

Zonnepark Tussen de Renbaan en de Esschebaan.

2.

Zonnepark Boxtel Beerze.

3.

Zonnepark De Vorst.

4.

Zonnepark Ontginningsweg.

Zonneparken die (grotendeels) in trede 2 liggen krijgen voorrang ten opzichte van trede 3, daar deze relatief eenvoudiger te realiseren zijn omdat er geen – of in mindere mate – participatie of medewerking van (grond)eigenaren benodigd is. Ook wordt op gebieden waar een verste-

trede 3 noodzakelijk zullen zijn.

Zonnepark De Vorst te Boxtel

22

5.5.4

delijking af weegbaar is, verwacht dat in de toekomst een stedelijke ontwikkeling zal plaatsvinden. De realisatie van een zonnepark op deze locaties is daarom minder wenselijk. Trede 2 gebieden liggen met name in

Duurzaamheidsagenda Boxtel 2022-2026

De Duurzaamheidsvisie 2030 die in 2017 door de gemeenteraad van Boxtel is vastgesteld, vormt de basis voor het Boxtelse duurzaamheids-

1

beleid en de uitvoering daarvan. Sinds 2017 zijn op dit vlak al stappen in

de Noordwest hoek en nabij de Vorst waardoor de zonneparken de Vorst en Renbaan-Esschebaan voorrang hebben gekregen.

de goede richting gezet.

Doorwerking plangebied

Uit recente internationale rapporten blijkt echter dat klimaatverandering veel sneller gaat dan eerder werd aangenomen en dat de gevolgen

Onderhavige ontwikkeling is gesitueerd op de locatie De Vorst, één van

steeds duidelijker merkbaar worden. Dit betekent dat de uitvoering van

de vier geselecteerde locaties. De ontwikkeling is gelegen op een pas-

het duurzaamheidsbeleid ook in Boxtel sneller en grootschaliger moet

sende locatie voor opwekking van zonne-energie en levert een signif i-

worden aangepakt. Met deze Duurzaamheidsagenda 2022 – 2026 wordt

cante bijdrage aan de doelstellingen op het gebied van energietransitie.

een overzicht gegeven van de trajecten en projecten waar de komende

Onderhavige planontwikkeling is daarmee passend binnen de visie

jaren op in wordt gezet.

zonne- en windenergie Boxtel. Tevens staat in de adviesbrief van de commissie zonneparken van de gemeente Boxtel (d.d. f ebruari 2022) opgenomen dat de gemeente in eerste instantie alleen initiatieven uit trede 2 in behandeling neemt. Als de beoogde beschikbare ruimte niet

Bij de vertaling van de Duurzaamheidsvisie 2030 naar een concrete

2

agenda voor 2022 – 2026 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

wordt benut of als initiatieven uit trede 2 onvoldoende kwaliteit bezitten, pas dan komen initiatieven in trede 3 in aanmerking. 3

4

Figuur 9: Tenderlocaties uitgifte zonneparken Boxtel

•

De basisuitgangspunten blijven hetzelf de.

•

Aandacht voor duurzaamheid is niet meer vrijblijvend.

•

Communicatie en participatie zijn onze belangrijkste instrumenten.

•

We f ocussen op de meest urgente duurzaamheidsthema’s: −

Energietransitie: besparen en naar aardgasvrij;

−

Energietransitie: grootschalige opwek van duurzame elektriciteit;

−

Klimaatadaptatie, groen en biodiversiteit;

−

Circulair en lokaal.

•

We hanteren duurzaamheid als rode draad bij alles wat we doen.

•

We bieden ruimte aan innovatie.

Per duurzaamheidsthema worden alle trajecten en projecten waar al aan wordt gewerkt of mee aan de slag wordt gegaan beschreven. Hierbij wordt er ook aangegeven met welke indicatoren (KPI’s of kritieke prestatie-indicatoren) de uitvoering wordt gemonitord. De onderwerpen Warmtetransitie en Klimaatadaptatie en het Duurzaamheidsakkoord met de woningcorporaties worden de komende periode nog verder uitgewerkt.

Zonnepark De Vorst te Boxtel

23

Ten aanzien van deze onderwerpen zal de Duurzaamheidsagenda dus nog worden aangevuld, wat ook consequenties heef t voor de middelen die uiteindelijk nodig zijn en de KPI’s waarmee de uitvoering wordt bewaakt. Duurzaamheid is geen thema wat op zichzelf staat. Het is de ambitie om het als een rode draad te verweven in alles wat in Boxtel wordt gedaan. Het gaat om het verankeren van ambities in het gemeentelijke beleid ten aanzien van gebieds- en plattelandsontwikkeling, mobiliteit, bouwen en wonen, economie en de gemeentelijke bedrijf svoering. Zo wordt de inzet versterkt en wordt duurzaam handelen vanzelf sprekend. De gemeente voert de Duurzaamheidsagenda niet alleen uit. Er wordt gewerkt met inwoners, bedrijven en organisaties in Boxtel en daarbuiten. In ze agenda wordt beschreven hoe de samenwerking wordt georganiseerd en welke rol de gemeente daarin speelt. Doorwerking plangebied In hoof dstuk vijf van de Duurzaamheidsagenda wordt ingegaan op de energietransitie door middel van grootschalige opwekking van duurzame elektriciteit. Van deze energietransitie maakt de realisatie van zonneparken onderdeel uit. De realisatie van grootschalige opwekking is gestart door o.a. het uitzetten van een tender voor zonneparken. Dit zonnepark doet mee in deze tender. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in lijn is met de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Boxtel.

Zonnepark De Vorst te Boxtel

24

6

Omgevingsaspecten

tijdelijkheid van de verkeersbewegingen en het relatief beperkte aantal

Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings-

zal het initiatief geen negatieve ef f ecten in verkeerskundig opzicht ople-

plichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbe-

6.1

Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

veren.

sluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevings-

6.1.1

besluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heef t als ingang (eerste ko-

Toetsingskader

Bij het toelaten van een nieuwe f unctie moet worden aangetoond of

Parkeren

lom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoorde-

sprake is van een (extra) parkeerbehoef te voor auto’s en f ietsen en wat

Het zonnepark betref t een bedrijf smatige f unctie, maar van vaste werk-

lings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de

het ef f ect is op de bereikbaarheid en de verkeersaf wikkeling. Er mag

nemers of verblijvende personen ter plaatse is geen sprake. Incidenteel

m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de

geen onaanvaardbaar ef f ect op de omgeving optreden.

zal er sprake zijn van een parkeerbehoef te bij onderhouds-, beheer-,

toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de om-

controlewerkzaamheden e.d. In dat geval kan gebruik worden gemaakt

gevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog

Om te bepalen wat de ef f ecten van de activiteit op de verkeersaantrek-

van een toegang tot het terrein. Met de inrijroute wordt rekening gehou-

gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de ver-

kende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt

den met de bestaande landschapselementen. Het parkeren vindt hier-

gunning op basis van de Kernenergiewet.

van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in

mee plaats binnen het hekwerk op eigen terrein. De incidentele, mini-

Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht

grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publi-

male parkeerbehoef te kan daarmee in voldoende mate worden opge-

geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de

catie 381). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indica-

vangen op eigen terrein binnen het hekwerk. In het geval dat gepar-

voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een

tie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie.

keerd dient te worden in de berm, zal dit gezien de incidentele en mini-

m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen.

male parkeerbehoef te niet leiden tot belemmeringen van de bereikbaar-

De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan af geweken kan worden.

heid ter plaatse. Gelet op de beperkte aanwezigheid van personen voor

Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aan-

Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeer-

onderhouds-, beheer-, controlewerkzaamheden is het aanleggen van

zienlijke milieuef f ecten heef t, wordt beoordeeld door het bevoegd ge-

normen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten vol-

permanente parkeerplaatsen in beginsel niet noodzakelijk. In het plan-

zag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:

doen.

voornemen wordt echter wel voorzien in enkele parkeerplaatsen met

a.

half verharding.

b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles

6.1.2

Onderzoek

of andere beoordelingen van milieuef f ecten die op grond van veror-

Verkeer

6.1.3

In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit agrarische gronden.

Voor wat betref t het aspect Verkeersgeneratie, -af wikkeling en parkeren

Verdrag betref f ende de werking van de Europese Unie zijn verkre-

De nieuwe f unctie heef t een verwaarloosbare verkeersaantrekkende

is er sprake van een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties.

gen.

werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van incidenteel verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer van het zonnepark en de groene inpassing. Hierbij is uitgegaan van maximaal 120 motorvoertuigbewegingen per jaar. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande inf rastructuur.

6.2

6.2.1

Conclusie

de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;

Milieueffectrapportage (m.e.r.) Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieuef f ectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omge-

In de aanlegf ase van het zonnepark zal wel (tijdelijk) een toename

deningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het

Een initiatief nemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.

vingswet en af deling 11.2 van het Omgevingsbesluit.

plaatsvinden van verkeer. Het gaat hier onder meer in de vorm van vrachtwagens en busjes die de materialen komen leveren. Gelet op de

Zonnepark De Vorst te Boxtel

25

6.2.2

Onderzoek

Op basis van het Omgevingsbesluit kan een zonnepark (mogelijk) worden beschouwd als een: •

Stedelijk ontwikkelingsproject;

•

Landinrichtingsproject;

•

Industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom, en warm water.

In bijlage V van het Omgevingsbesluit is onder categorie C. Energie-Industrie een zonnepark niet opgenomen als m.e.r. plichtig. Verder is op basis van jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) vastgesteld dat de realisatie van een zonnepark geen stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een landinrichtingsproject of een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Op basis hiervan is er geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. 6.2.3

doeld in de Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r.(-beoordeling) is derhalve niet benodigd.

6.3.1

•

deling 5.1.2.5);

lang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.

opslaan en bewerken van ontplof bare stoffen voor civiel gebruik (af -

•

exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (af deling 5.1.2.5);

Kwetsbare gebouwen en locaties

•

opslaan en bewerken van ontplof bare stof f en voor militair gebruik (af deling 5.1.2.5 Bkl).

In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1.

Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);

Plaatsgebonden risico

2.

Kwetsbaar (gebouwen en locaties);

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt

3.

Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).

door een ongeluk met een gevaarlijke stof . De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden

Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal

voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar af standen tot

personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en

gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar

in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De

worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour

aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat

10-6-contour van een activiteit vallen.

in bijlage VI van het Bkl. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden

Conclusie

Het planvoornemen voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling als be-

6.3

leef omgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot be-

Omgevingsveiligheid Toetsingskader

Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heef t betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Binnen het

Risicobronnen

Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat

Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage

het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties

VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen.

moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

Het gaat om de volgende soorten activiteiten:

Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen

activiteiten met gevaarlijke stof fen bij bedrijven. Dit zijn verschillende

overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen

milieubelastende activiteiten uit het Bal;

een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aan-

•

het Basisnet vervoer gevaarlijke stof f en over weg, water en spoor;

dachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl):

•

buisleidingen met gevaarlijke stof f en die zijn aangewezen als milieu-

1.

brandaandachtsgebied;

belastende activiteit in het Bal;

2.

explosieaandachtsgebied;

windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in

3.

gif wolkaandachtsgebied.

•

•

het Bal.

beoogde planvoornemen is rekening gehouden met de adviezen, zoals deze door Brandweer Nederland zijn opgesteld. Binnen het plan is tevens een bluswatervoorziening opgenomen met een capaciteit van minimaal 60 m3/uur. Daarnaast is het beperken van schade aan de f ysieke

Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beNaast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden be-

perkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied

schouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobron-

moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet ad-

nen:

vies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl).

•

opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (af deling 5.1.2.4);

Zonnepark De Vorst te Boxtel

26

6.3.2

Onderzoek

Conf orm de kaart ‘externe veiligheid’ van de Atlas Leef omgeving is het plangebied (gedeeltelijk) gelegen binnen de risicocontour ‘PR 10-8’. Ook ligt het plangebied gedeeltelijk binnen een gif wolkaandachtsgebied. Het dichtstbijzijnde explosieaandachtsgebied ten oosten is met circa 40 meter buiten de contouren van het plangebied gelegen. Verder is het plangebied vrijwel volledig gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding A-527. Het zonnepark betref t een f unctie waarbij geen permanente aanwezigheid van personen plaatsvindt. Het terrein is niet publiek toegankelijk en

wordt uitsluitend incidenteel bezocht voor inspectie en onderhoud. Hierdoor is het aantal blootgestelde personen zeer beperkt en is er geen sprake van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object.

6.3.3

Conclusie

Voor wat betref t het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties.

Gezien de aard van de beoogde f unctie en het f eit dat er geen sprake is van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, noch van handelingen met gevaarlijke stof f en, wordt verwacht dat de ontwikkeling ook geen signif icante invloed heef t op de veiligheid van de directe omgeving.

6.4

6.4.1

Activiteiten en milieuzonering Toetsingskader

Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige f uncties in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de f ysieke leef omgeving. Dit kan in hoof dzaak op twee manieren: 1.

menging van milieugevoelige en milieubelastende f uncties waar het kan én gewenst is;

2.

scheiding van milieugevoelige en milieubelastende f uncties waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leef omgeving. Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leef omgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende f uncties te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specif iek te begrenzen, zodat die activiteit op een specif ieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige f unctie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specif iek zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leef omgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of Figuur 10: Uitsnede kaart Externe veiligheid (bron: Atlas Leefomgeving)

Zonnepark De Vorst te Boxtel

mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus

27

belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat

(milieugevoelige f uncties) niet onevenredig wordt aangetast door de ont-

betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specif iek

wikkeling van het zonnepark. Daarbij is specif iek aandacht besteed aan

te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die

mogelijke milieuhinder, zoals geluid, geur en stof . Van de zonnepanelen

voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige f unctie,

zelf wordt geen relevante milieuhinder verwacht. Voor de bijbehorende

net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet

installaties, zoals omvormers, het inkoopstation en transf ormatoren (ver-

op een milieugevoelige f unctie is het dus noodzakelijk te bepalen of er

mogen < 10 MVA), kan enige geluidproductie optreden.

sprake is van een aanvaardbare woon- en leef omgeving. Deze installaties kunnen worden aangemerkt als een activiteit vergelijkHandreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’

baar met een elektriciteitsdistributiebedrijf (SBI-code 40, Nr. C1), waar-

De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder

voor in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering (2024) een

de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en ver-

richtaf stand van 50 meter geldt bij een rustig woongebied. Deze af stand

vangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de

is gebaseerd op een indicatieve geluidbelasting van 45 dB(A) op de ge-

oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer

vel van omliggende woningen. Binnen deze zone dient te worden beoor-

van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijf sindeling

deeld of sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en

code (SBI-code) en de daarbij behorende richtaf standen. In plaats daar-

leef klimaat. Buiten deze zone wordt in beginsel aangenomen dat geen

van wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor

sprake is van relevante geluidhinder.

geluid en geur. De systematiek drijf t op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende as-

Het gebied heef t overwegend een agrarisch karakter, met weinig bebou-

pect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specif ieke regels

wing. In de wijde omgeving van het projectgebied zijn wel enkele wonin-

voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gel-

gen gesitueerd. De locatie voor de batterijopslag is gelegen in het

den aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omge-

noordwesten van het plangebied (zie f iguren 3 en 11). De dichtstbij-

vingsplan van gemeenten.

zijnde woning ten opzichte van de plek waar ruimte voor de batterijen en techniek is beoogd, betref t het adres De Bocht 4 en is gelegen op een

6.4.2

Onderzoek

ruime af stand van circa 130 meter.

In het kader van een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woonen leef klimaat bij het projectgebied. Het beoogde zonnepark betref t geen milieugevoelige f unctie. Omliggende milieubelastende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor het oprichten van een zonne-

Figuur 11: Afstand gevels omgeving t.o.v. batterij en het hekwerk’

De beoogde batterijopslag binnen het projectgebied heef t een capaciteit van 8 MW / 32 MWh (zie ook specif icaties van het batterij-pack in bijlage 6). Bij de installatie van een BESS is het essentieel om de geluidsemissies te beheersen om overlast (zelf s op een af stand van 130 meter) voor de omgeving te voorkomen. Geluid van de batterijopslag komt voornamelijk van het koelsysteem, de omvormers en de transf ormatoren. Om geluidsoverlast te minimaliseren, worden de volgende maatregelen genomen: •

van geluidsisolerende materialen en behuizingen om het geluid te

park waardoor een toets aan de omliggende milieubelastende bestemmingen achterwegen worden gelaten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoor-

Geluidsisolerende behuizing: De batterijopslag wordt voorzien dempen.

•

Afstand en locatie: De batterijopslag wordt geplaatst op een voldoende af stand van woongebieden en andere gevoelige locaties.

deeld of het woon- en leef klimaat ter plaatse van omliggende woningen

Zonnepark De Vorst te Boxtel

28

• •

Geluidsmuren: Geluidsmuren worden geïnstalleerd rondom de bat-

luidsniveau, veroorzaakt door af zonderlijke of gecombineerde onderde-

terijopslag om geluidsemissies te beperken.

len van het EOS, te allen tijde binnen de door de Omgevingsdienst vast-

Monitoring en onderhoud: Regelmatige monitoring en onderhoud

gestelde maximale geluidsgrenswaarden zal blijven.

van het koelsysteem en andere componenten om ervoor te zorgen

woon- en leef omgeving. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair

beperkt tot incidentele onderhoudswerkzaamheden en de werking van

als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen

transf ormatoren. In lijn met de richtlijnen uit de VNG-uitgave Bedrijven

aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven

en milieuzonering, editie 2024, wordt het zonnepark aangemerkt als een

en slapen.

elektriciteitsdistributiebedrijf met een transf ormatorvermogen < 10 MVA. Voor deze categorie geldt dat in een zone ‘beperkt’ de geluidsbelasting

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescher-

op een af stand van 50 meter van de grens van het zonnepark, gemeten

ming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of

op een beoordelingshoogte van 5 meter, niet hoger mag zijn dan:

35 dB(A) in de nachtperiode (23:00–07:00 uur)

aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Geluidsgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgf unctie heef t. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de ge-

Deze grenswaarden zullen worden vastgelegd in de omgevingsvergunning. Hiermee wordt geborgd dat het initiatief voldoet aan de geldende normen voor geluid en dat er geen sprake is van een onaanvaardbare

meente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel Figuur 12: Uitsnede Noise Transfer Calculation Tool

(EOS) tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 130 meter (De Bocht 4); zie af beelding 11. De door Novar opgestelde ‘Noise Transf er Calculation Tool’, gebaseerd op een geluidsonderzoek van een vergelijkbaar energieopslagsysteem in Sluiskil (EOS Bontepolder), toont aan dat de geluidswaarden binnen de maximaal toegestane grenswaarden blijven. Hoewel dit het geval is, verbinden initiatief nemer zich ertoe dat het ge-

Zonnepark De Vorst te Boxtel

4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties.

milieubelasting voor de omgeving. De af stand van de beoogde locatie van het energieopslagsysteem

gen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachts-

standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare

tref t een installatie zonder continue geluidsproductie; geluidsemissie is

•

Er dient rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)we-

gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de

belemmeringen op het gebied van geluid verwacht. Het zonnepark be-

40 dB(A) in de avondperiode (19:00–23:00 uur)

Toetsingskader

baar te zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Indien het geluid op een geluidgevoelig

woningen, in combinatie met de getrof f en maatregelen, worden geen

•

Geluid – (spoor)wegverkeer

dachtsgebied, dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaard-

Gelet op de aard van de activiteit en de geruime af stand tot omliggende

45 dB(A) in de dagperiode (07:00–19:00 uur)

6.5.1

gebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaan-

dat ze ef f iciënt en stil werken.

•

6.5

6.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen oprichting van een zonnepark in het plangebied.

6.5.2

Onderzoek

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een zonnepark. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeer wordt verplicht als er sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig object als bedoeld in het Bkl. Een zonnepark is geen geluidgevoelig gebouw als bedoeld in het Bkl. Er verblijven geen personen langdurig binnen het plangebied waarbij er sprake van zijn van geluidsoverlast van wegverkeer. Nader

29

onderzoek in de vorm van akoestisch onderzoek naar (spoor)wegver-

het planvoornemen geen gebouwen of bodemgevoelige f uncties moge-

Weging van het waterbelang

keer kan dan ook redelijkerwijs achterwegen blijven. De gevolgen van

lijk gemaakt. Tevens is bij de realisatie van een zonnepark geen sprake

Het terrein vertoont een gering hoogteverschil variërend tussen ca. 7,9

geluidsuitstraling van het zonnepark op gevoelige f uncties in de omge-

van een bodembedreigende f unctie. Er worden dus geen bodemgevoe-

tot 8,8 m +NAP. Globaal gezien is het plangebied af lopend in noorde-

ving is nader onderzocht onder paragraaf 6.4.

lige gebouwen gerealiseerd of andere vormen van bebouwing waar

lijke richting met lokaal een verlaging richting de aanwezige greppels.

mensen verblijven. Tevens zijn op de locatie geen verontreinigingen be-

De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt (GHG) op ca. 7,6 tot 8,4m

6.5.3

Conclusie

Voor wat betref t het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige

kend. Nader onderzoek naar het aspect bodem kan dan ook redelijker-

+NAP. Dit komt overeen met een ontwateringsdiepte van ca. 0,2 tot 0,4

wijs achterwegen blijven.

m -mv.

6.6.3

Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige

toedeling van f uncties aan locaties.

6.6

6.6.1

Bodem

Toetsingskader

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw

Conclusie

Voor wat betref t het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige

grondwaterstanden worden gehandhaaf d of zelf s verhoogd. Gezien het

toedeling van f uncties aan locaties.

toekomstige gebruik als zonnepark (geen bewoonde bebouwing en in-

6.7

6.7.1

Water

Toetsingskader

of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen

Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden

meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook

in de ef f ecten van de ontwikkeling op stedelijk af valwater, grondwater en

de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het

hemelwater (par. 5.1.3.1 Bkl). De weging van het waterbelang zorgt er-

bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de ge-

voor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem

meente rekening houdend met de interventiewaarden voor de verschil-

en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de plan-

lende stof f en en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij over-

vorming worden betrokken. Daarbij is het van belang dat er op een ge-

schrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als

structureerde wijze af stemming tussen waterschap en de gemeente

de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere bescher-

plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende af stemming van

mende maatregelen worden getrof f en.

belang is.

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grond-

6.7.2

verzet in de bodemf unctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie

Ten behoeve van het planvoornemen is door onderzoeksbureau Aeres

ingedeeld, rekening houdend met de f unctie van de locatie. Ook kunnen

een onderbouwing van het waterbelang opgesteld. De belangrijkste con-

in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

clusies zijn navolgend beschreven. Het volledige rapport is opgenomen

Onderzoek

in de bijlage 2 van onderhavige motivering. 6.6.2

Onderzoek

Bij de realisatie van onderhavig zonnepark zal enkel sprake zijn van

stallaties op stellingen) speelt het grondwater geen belemmerende f actor behoudens ter plaatse van de benodigde transf ormatorhuis(jes). Voor de benodigde transf ormatorhuisjes wordt aanbevolen deze eventueel verhoogd boven het maaiveld te plaatsen om wateroverlast te voorkomen. Deze transf ormators worden binnenplans opgenomen, geclusterd achter elkaar, parallel aan de panelen, langs één centrale lijn op onderling gelijke af stand georganiseerd. Indien er toegangswegen worden aangelegd is een lichte verhoging van 10 cm boven het bestaand maaiveld geadviseerd zodat (grond)water geen overlast oplevert. Bij normale wegen wordt een minimale ontwateringsdiepte van 70 cm geadviseerd maar omdat het eigen toegangswegen zijn voor een beperkt toegankelijk gebied, is een minimale ontwateringsdiepte minder van belang en mag hiervan af geweken worden. Toekomstige onderhoudswegen worden net als de bestaande paden bij voorkeur voorzien van een grof grindpakket op een doorlatend geotextiel (dikte af hankelijk van de benodigde draagkracht) waardoor grondwater geen overlast zal veroorzaken en water lokaal in de bodem kan wegzijgen.

zeer beperkt bodemroerende werkzaamheden. Bovendien worden met

2

Aeres Milieu, Weging van het waterbelang, 27 maart 2025

Zonnepark De Vorst te Boxtel

30

Conf orm het geldende beleid is compensatie vereist vanaf een verhar-

Aanliggende eigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor beheer en onder-

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

dingstoename van meer dan 500 m2 en kan tot 10.000

houd (en dus voor het reserveren van voldoende ruimte hiervoor). Mo-

Conf orm artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedepu-

m2 gebruik gemaakt worden van de rekenregel (zie Algemene regels

menteel wordt minimaal 1 meter ruimte gehouden tussen de insteek en

teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-

verhard oppervlak Brabantse waterschappen). Vanuit de gemeente

landschappelijke inpassing zodat onderhoud mogelijk is/blijf t voor de

houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd

dient compensatie aangelegd worden vanaf 250 m2.

aangrenzende eigenaren. De initiatief nemer hanteert dit reeds zo bij an-

‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebie-

dere zonneparken waar dit geen probleem oplevert.

den aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland

De geplande verharding bij de Vorst is circa 226m2 (inf o opdrachtgever). Dit omvat de transf ormatoren (45,4 m2), het inkoopstation (36 m2)

6.7.3

en de batterij 144,6 m2). De toegangsweg en de veiligheidszones om de

Door de voorgenomen landschappelijke inpassing, beperkte verhar-

van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-

traf o’s, het inkoopstation en de batterij heen worden half verhard (grind-

dingstoename welke lokaal kan inf iltreren op eigen terrein in de bodem,

lijke structuurvisies en verordeningen. De provincie Gelderland be-

verharding) uitgevoerd (ca. 1.527m2). Derhalve is er geen verplichting

het toepassen van waterdoorlatende verharding voor o.a. de toegangs-

schermt de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en

tot compensatie van de verhardingstoename. Het af stromend hemelwa-

weg en rekening te houden met het bestaand oppervlaktewater wordt

versterkt de samenhang door natuurgebieden in het Gelders natuurnet-

ter zal direct nabij de verharding lokaal oppervlakkig af geleid worden en

door het planvoornemen hydrologisch gezien neutraal ontwikkeld en is

werk uit te breiden en verbindingszones aan te leggen in de Groene ont-

in de bodem inf iltreren.

er ter plaatse en in de directe omgeving door het planvoornemen geen

wikkelingszone (GO). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden,

verhoogd risico op wateroverlast te verwachten. Voor wat betref t het as-

natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als

Door de aanleg van een zonnepark (panelen op stellingen met open

pect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van f uncties aan

doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch

grondoppervlak) is geen aanvullende compensatie noodzakelijk voor het

locaties.

gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan

planvoornemen. Hemelwater kan verder rechtstreeks tussen de panelen op eigen perceel inf iltreren in de bodem welke ingezaaid wordt met gras. Af hankelijk van de invulling en type verharding dient voor enkele toegangswegen en de transf ormators lokale wateropvang ingepast te worden in het omliggende groen. Rondom wordt namelijk een struweel en bloem- en kruidenrijk grasland aangelegd. Binnen en rondom het plangebied zijn meerdere watergangen aanwezig. Voor het dempen van een overige watergang is geen vergunning benodigd. Doordat deze op eigen perceel ligt, vormt dit ook geen overlast voor derden.

6.8

6.8.1

Conclusie

(NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen

Natuur en landschap Toetsingskader

Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heef t voor wat betref t gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs signif icante ef f ecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voor-toets. Projecten en activiteiten die een signif icant negatief ef f ect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn ver-

Er vinden geen wijzigen plaats in/nabij de B-watergangen. Wanneer voor de ontsluiting van het zonnepark een dam met duiker nodig is in een B-watergang, dan gelden hiervoor algemene regels vanuit de Waterschapsverordening. B-watergangen hebben geen beschermingszone.

gunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige ef f ecten te verwachten zijn, welke niet signif icant zijn, geldt de specif ieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.

natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes

als ze geen negatieve ef f ecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conf orm Omgevingswet, heef t betrekking op alle zelf standige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom (bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetref f ende provincie (artikel 11.126 Bal). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelf de grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Zonnepark De Vorst te Boxtel

31

Onder de Omgevingswet geldt een specif ieke zorgplicht voor houtop-

de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-

vergunning voor een f lora- en f auna-activiteit met schadelijke handelin-

standen (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding

den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige

gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk be-

bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt,

opzichten minder streng zijn.

lang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De onthef f ing / vergunning kan dan on-

geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten.

De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan af stemmen op de situatie in de provincie. De

der voorwaarden worden verleend.

Soortenbescherming

soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het alge-

6.8.2

Onderzoek

Conf orm de Omgevingswet is een f lora- en f auna-activiteit een ‘activiteit

meen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schade-

Ten behoeve van het planvoornemen is door BRO een quickscan f lora

met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of

lijke gevolgen. Een onthef f ing hierop wordt voor de Nationaal be-

en f auna uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn navolgend be-

planten’. Dit heef t betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en

schermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de

schreven. Het volledige rapport is opgenomen in de bijlage 3 van onder-

hiervoor geldt de specif ieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een ver-

vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het

havige motivering.

gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-

verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde

als beschreven in paragraf en 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal.

soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.

Wettelijke gebiedsbescherming

Onder de Omgevingswet is een specif ieke zorgplicht opgenomen voor

Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een zonnepark be-

De Ow heef t, voor wat betref t soortenbescherming, betrekking op alle in

alle ‘f lora- en f auna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-

tref t, is een toename aan stikstof uitstoot te verwachten tijdens de aan-

Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen

delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of onge-

legf ase. Een toename van stikstof depositie op een Natura 2000-gebied

en amf ibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere

daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten

is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-be-

en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal

van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leef gebieden of na-

rekening voor zowel de aanlegf ase als de gebruiksf ase dient uit te wij-

vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

tuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige ge-

zen of er een toename van stikstof depositie plaatsvindt. Dit onderzoek is

•

Vogels (artikel 11.37 Bal);

volgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen pre-

uitgevoerd en als separate bijlage van voorliggende motivering toege-

•

Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal);

ventieve maatregelen te worden getrof f en om nadelige gevolgen te

voegd. De conclusie van dit onderzoek is later in deze paragraaf opge-

•

Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).

voorkomen.

nomen onder ‘Aerius-berekening (stikstof depositie)’.

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betref f en soorten uit ‘bij-

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes

lage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde

voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit ef f ecten heef t

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

soorten vanuit Europees oogpunt betref f en soorten uit Bijlage IV van de

op de beschermde soorten. Treden er ef f ecten op, dan dient er gekeken

Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde on-

Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bij-

te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet

derdeel van het NNB ligt ongeveer 400 meter ten westen van het plan-

lage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-

door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een

gebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omge-

richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergun-

alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief ef f ect kan

vingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke ken-

ning-plichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese

plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een onthef f ing / omgevings-

merken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonder-

soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en

3

zoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

BRO, quickscan flora en fauna Zonnepark de Vorst te Boxtel, 31 oktober 2024

Zonnepark De Vorst te Boxtel

32

de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten Houtopstanden

en potentiële schadelijke handelingen zijn niet aan de orde. In het kader

Aerius-berekening (stikstof depositie)

Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn bin-

van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegf ase als de

nen het plangebied is toetsing aan het onderdeel houtopstanden con-

dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.

gebruiksf ase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.

f orm de Omgevingswet bij dit plan niet aan de orde.

Daarmee kunnen op voorhand negatieve ef f ecten op Natura 2000-geReptielen

Soortenbescherming

Negatieve ef f ecten en schadelijke handelingen ten aanzien van reptie-

Vogels

len zijn op voorhand uitgesloten.

bieden vanwege stikstof depositie uitgesloten worden. Omdat signif icant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoef t voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er

Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kun-

Amfibieën

van het project geen signif icant negatieve gevolgen te verwachten zijn,

nen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de

De voorgenomen plannen zullen geen af name van geschikt essentieel

geldt ook geen vergunningplicht op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl.

betref f ende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het op-

habitat van een amf ibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige

gaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs

staat van instandhouding van populaties en potentiële schadelijke han-

Conclusie

geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels.

delingen zijn dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorg-

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan

In de wetteksten wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broed-

plicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventu-

alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het

seizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half

eel passerende individuen.

provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits vooraf gaand en tijdens

augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van

het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt geno-

een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijf el over de aan/af -

Vissen

men:

wezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van

Negatieve ef f ecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

•

een houtduif ) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De

schermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstof depositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen. Op

voorgenomen plannen zullen geen af name van essentieel broedhabitat

basis van de berekening is gebleken dat tijdens de aanleg- en ge-

veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van in-

Ongewervelde diersoorten

standhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.

Negatieve ef f ecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

bruiksf ase geen sprake is van toename aan stikstof depositie. •

schermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.

Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een con-

Vleermuizen Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn

Vaatplanten

van (potentiële) schadelijke handelingen met betrekking tot vaste rust- of

Negatieve ef f ecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

verblijf plaatsen, vliegroutes of f oerageergebied voor vleermuizen. In de

schermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

toekomstige situatie zal er geen verlichting worden geplaatst.

trole moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. •

In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van in-

Invasieve exoten

dividuen te voorkomen.

Grondgebonden zoogdieren

In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend

Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijf plaatsen

van de reuzenbalsemien, smalle waterpest en de grote waternavel. Bin-

6.8.3

van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)

nen het plangebied zijn echter geen waarnemingen van deze soorten

Op basis van de bevindingen uit de quickscan f lora en f auna kan wor-

leef gebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op

gedaan tijdens het veldbezoek.

den geconcludeerd dat, met inachtneming van de daarin geadviseerde

Zonnepark De Vorst te Boxtel

Conclusie

33

maatregelen, sprake is van een evenwichtige toedeling van f uncties aan

1.

aangewezen categorie blijf t. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’

locaties ten aanzien van natuur en landschap.

6.9

6.9.1

vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet

Luchtkwaliteit

wel onder een bepaalde omvang blijven conf orm artikel 5.54 van het

Toetsingskader

Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet bin-

De hoof dlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter be-

nen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detail-

scherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels in

berekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt

het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstof dioxide (NO2) en f ijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).

Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijf t:

Zonnepark De Vorst te Boxtel

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een

overschreden. 2.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit

6.10

6.10.1

Geur

Toetsingskader

Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijf s- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden: •

indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten;

•

indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.

Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via

Geurveroorzakende activiteiten

het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). 6.9.2 Onderzoek

belasting of af stand acceptabel wordt geacht:

Het Bkl geef t enkel voor drie bedrijf smatige activiteiten aan welke geur-

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een zonnepark

1.

zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);

welke een zeer lage verkeersaantrekkende werking kent. Er zal uitslui-

2.

houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);

tend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden gesteld dat

3.

enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).

het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat er geen sprake is van een gevoelige f unctie, is een onderzoek naar de

Voor bedrijf smatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen

achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leef klimaat niet aan

waarden en af standen toegekend, enkel de algemene bepalingen van

de orde. Het projectgebied ligt bovendien niet binnen een aandachtsge-

subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen

bied luchtkwaliteit.

dient er rekening te worden gehouden met de geur af komstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

6.9.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige

Geurgevoelige gebouwen en locaties

toedeling van f uncties aan locaties.

Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende f uncties onderbrengt:

34

•

woonf unctie en nevengebruiksf uncties daarvan;

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erf goed is

reel erf goed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan ver-

•

onderwijsf unctie en nevengebruiksf uncties daarvan;

sinds 2016 ondergebracht in de Erf goedwet. Samen met de Erf goedwet

plicht de vijf elementen van cultureel erf goed mee te nemen in de belan-

•

gezondheidszorgf unctie met bedgebied en nevengebruiksf uncties

maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel

genaf weging.

daarvan;

erf goed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevings-

bijeenkomstf unctie voor kinderopvang met bedgebied en nevenge-

plan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erf goed

6.11.2

en werelderf goed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van

Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1994’ van de gemeente Boxtel kent

het erf goed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is.

geen dubbelbestemmingen voor cultuurlandschap op onderhavig plan-

Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen,

Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het om-

gebied. Tevens is het gebied niet aangewezen als cultuurhistorisch

zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geur-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=70a93309-a294-4c05-b518-fc4214641d2f