CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering Boxtel 8 februari 2022, gemeente boxtel33.752 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

De proefplaatsing wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Daarin wordt opgenomen welk doel de proefplaatsing heeft, wat de werkzaamheden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt. 4. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner na de proefplaatsing en bij goed functioneren een betaalde baan wil aanbieden. 5. Tijdens de proefplaatsing wordt een loonwaardemeting uitgevoerd. 6. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 7. Een proefplaatsing kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde inwoner bij dezelfde werkgever een werkstage is ingezet gedurende de maximale periode van 6 maanden. 3.3.7 Detacheringsbaan [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep begeleiden naar een dienstverband met een werkgever die de inwoner detacheert bij een inlener. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en de inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. De inlenende organisatie betaalt een detacheringsvergoeding waarbij rekening wordt gehouden met de vastgestelde loonwaarde van de werknemer. 4.

In de regel biedt de werkgever de werknemer een dienstverband van 38 uur per week aan. 5. Minder dan 38 uur per week is mogelijk als de gemeente dit nodig vindt vanwege in de persoon gelegen factoren. 3.3.8 Scholing [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk voor een langere periode te maken; 2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de talenten en mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt. 3. Scholing is een onderdeel van een re-integratietraject. 4. Kosten van scholing: a. worden ten laste gebracht van het Participatiebudget; b. kunnen niet ten laste van het Participatiebudget komen als de inwoner voor de kosten van de scholing een beroep kan doen op een andere voorziening. 5. Bij toekenning van scholing kunnen de volgende kosten ten laste van het Participatiebudget worden vergoed: a. opleidingskosten en cursusbijdragen b. kosten voor boeken en leermiddelen die door het opleidingsinstituut verplicht zijn gesteld c. examengeld

11

3.3.9 Persoonlijke ondersteuning [PW, IOAW, IOAZ] 1. Persoonlijke ondersteuning kan aangeboden worden als persoonlijke coaching of als jobcoaching. 2. Bij persoonlijke coaching gaat het om begeleiding bij persoonlijke problemen of problemen in de thuissituatie. Met persoonlijke coaching wil de gemeente bereiken dat er een stabiele situatie bij de inwoner ontstaat en de inwoner gemotiveerd wordt om een vorm van financiële, sociale, medische of psychische hulpverlening te accepteren. 3. Bij job coaching gaat het om begeleiding op de werkplek op vaste tijden en gedurende een langere periode waardoor de werknemer beter in staat is om zijn taken uit te voeren. Het doel is om zelfstandig optimaal te functioneren waardoor een hogere loonwaarde ontstaat. 3.3.10 MijnWerkDichtbij [PW, IOAW, IOAZ] 1. MijnWerkDichtbij is een werkmethode die toegepast wordt bij alle inwoners die een beroep doen op een uitkering op grond van de Participatiewet (bijstand, Ioaw en Ioaz) en bij inwoners die als nietuitkeringsgerechtigde ondersteuning vragen aan de gemeente. 2. Door toepassing van MijnWerkDichtbij wordt de inwoner direct aan werk geholpen op een werklocatie, wat ook een reguliere werkgever kan zijn.

Op basis van de observaties en bevindingen in de diagnosefase wordt een voorstel gemaakt voor een passend vervolgtraject waarin de inwoner met ondersteuning van de voorzieningen in dit hoofdstuk naar (regulier) werk, een leertraject of een zorgtraject wordt geleid. 3.3.11 Solliciteren [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente organiseert jaarlijks verschillende activiteiten om een inwoner aan een baan te helpen, zoals begeleiding bij solliciteren, een banenmarkt of speeddates met werkgevers. 3.3.12 Nazorg [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen. 3.3.13 Parttime ondernemerschap [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente biedt de inwoner die een uitkering ontvangt de mogelijkheid om op kleine schaal als zelfstandig ondernemer te werken als de inwoner niet voldoet aan het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz). 2. De gemeente stelt nadere regels vast over het werken als zelfstandige op kleine schaal dat niet voldoet aan het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz). 3.3.14 Low-risk-polis [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente biedt een werkgever een Low-riskpolis aan als: a. de werkgever voor een periode van minimaal 6 maanden een arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; b. de werknemer voor de start van de arbeidsovereenkomst behoort tot de doelgroep van de gemeente, c.

de werknemer een structurele functionele of andere beperking heeft en de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt; d. artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is; en e. de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente; f. de werkgever niet in aanmerking komt voor de No-risk-polis van UWV. 2. De Low-riskpolis biedt de werkgever in elk geval, rekening houdend met een eigen risico van twee weken per ziektemelding, een vergoeding van de loonschade gedurende de ziekteperiode van de werknemer tot het einde van de dekkingsduur. De vergoeding bedraagt niet meer dan het loon dat de werkgever op grond van artikel 7:629, eerste lid, Burgerlijk Wetboek verplicht zou zijn te betalen. 3. De vergoeding als bedoeld in het tweede lid zal verrekend worden met de door de gemeente verstrekte loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet, zodanig dat de som van de loonkostensubsidie en aanvullende vergoeding voor de loonschade even hoog is als de hoogte van de vergoeding als bedoeld in het tweede lid. 4. De periode van vergoeding van de loonschade (dekkingsduur) loopt niet langer door dan de duur van de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer.

12

5. De gemeente betaalt de vergoeding op grond van de Low-riskpolis tot uiterlijk 5 jaar na de start van de arbeidsovereenkomst. 3.3.15 Aanbodversterking [PW, IOAW, IOAZ] Onder aanbodversterking worden re-integratieactiviteiten of re-integratievoorzieningen verstaan die nodig zijn om de inwoner de stap naar werk te laten zetten. Het kunnen diverse voorzieningen zijn. 3.3.16 Sociale activering [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep sociale activering aanbieden als aannemelijk is dat de inwoner in de toekomst betaald werk zal kunnen verrichten. 2. De gemeente stemt de sociale activering af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. 3.3.17 Onkostenvergoeding [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kent een vergoeding voor onkosten toe aan: a. De inwoner met een uitkering van de gemeente, die onkosten heeft vanwege de inzet van een voorziening in dit hoofdstuk. De vergoeding is gelijk aan de aantoonbare kosten. b. De inwoner zonder uitkering van de gemeente, die onkosten heeft vanwege de inzet van een voorziening in dit hoofdstuk, en die een inkomen heeft dat hoger is dan de bijstandsnorm. De vergoeding is gelijk aan de aantoonbare kosten. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met de nadere regels over draagkracht voor bijzondere bijstand. 2.

De gemeente kent een vergoeding voor verwervingskosten toe aan de inwoner, die na een voorziening gericht op het krijgen van werk, algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard en aantoonbare verwervingskosten heeft. 3. De vergoeding van verwervingskosten is mogelijk gedurende maximaal 6 maanden, gerekend vanaf de datum van werkaanvaarding. 4. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor verwervingskosten wordt rekening gehouden met de nadere regels over draagkracht voor bijzondere bijstand. 5. Vergoeding van onkosten en verwervingskosten is niet mogelijk als de kosten op grond van een andere regeling worden vergoed. 3.3.18 Tegemoetkoming kinderopvang [PW-IOAW-IOAZ] 1. Inwoners komen in aanmerking voor een tegemoetkoming kinderopvang als: a. de inwoner zoals afgesproken in het verslag meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, of b. de inwoner op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft, en c. opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. 2. Kosten van kinderopvang die voor rekening van de inwoner blijven en niet via de Belastingdienst (Kinderopvangtoeslag) worden vergoed, kunnen worden vergoed door de gemeente. 3.3.19 Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding (OAD) [PW, IOAW, IOAZ, Wmo] 1.

OAD is maatschappelijke participatie door het bieden van een ingevulde dag met arbeidstaken. Hiervoor worden: a. structuur en ritme aangereikt; b. sociale vaardigheden bevorderd; c. arbeidsvaardigheden ontwikkeld in een arbeidsomgeving met collega’s. 2. Doel is om te zien of er op den duur loonwaarde kan ontstaan die voldoende is om toch in aanmerking te komen voor betaald werk met loonkostensubsidie. 3.3.20 Andere voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ, Wmo] De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.

3.4 Tegenprestatie 3.4.1. Doel van de tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier vindt om de inwoner iets terug te laten doen voor de samenleving. De gemeente legt inwoners met een grote kans op werk pas een tegenprestatie op in bijzondere situaties.

13

2. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving om iets terug te doen voor de inspanningen van de gemeente voor de inwoner. 3. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de interesses en capaciteiten van de inwoner. 3.4.2. Doelgroep [PW, IOAW, IOAZ] 1. Deze regeling is bedoeld voor inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen en die arbeidsvermogen hebben. 2. Uitgezonderd om een tegenprestatie naar vermogen te leveren zijn inwoners met een uitkering die: a. mantelzorg geven aan een hulpbehoevende; b. maatschappelijke activiteiten en/of vrijwilligerswerk verrichten; c. actief zijn in een traject naar werk, of geen ondersteuning krijgen richting werk omdat ze tot de doelgroep worden gerekend die in staat is om 80% tot 100% wettelijk minimumloon te verdienen; d. al betaald werk verrichten voor minimaal 20 uur per week. 3.4.3. Opdragen en inhoud van participatie naar vermogen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die aanvullend van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid; d. niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 2.

Bij het bepalen van de aard, de duur en de omvang van de maatschappelijke participatie houdt de gemeente rekening met de individuele omstandigheden van de inwoner. 3.4.4. Duur en omvang [PW, IOAW, IOAZ] 1. De duur en omvang van de tegenprestatie wordt individueel bepaald. Hierin spelen de volgende factoren een rol: - de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de inwoner; - de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de inwoner; - het arbeidsvermogen van de inwoner. 2. De omvang van de tegenprestatie is maximaal 26 weken van 10 uur, of 260 uur op jaarbasis. 3. Zo lang de geldende maximale omvang en duur van de tegenprestatie nog niet is bereikt zal de gemeente de inwoner controleren en wijzen op deze plicht. 4. Op vrijwillige basis en op eigen verzoek kan de inwoner een tegenprestatie leveren als de geldende maximale duur en omvang van de tegenprestatie is bereikt. 3.4.5. Zoektijd en begeleiding [PW, IOAW, IOAZ] 1. De inwoner krijgt zelf de gelegenheid binnen 2 maanden nadat de verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is opgelegd, maatschappelijk nuttige werkzaamheden bij een organisatie te zoeken. 2. Wanneer de inwoner niet binnen deze periode zelf een maatschappelijk nuttige activiteit heeft gevonden, kan door de gemeente een passende plek worden gezocht.

14

Hoofdstuk 4: Gezond en veilig opgroeien Kinderen en tieners in onze gemeente moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders/verzorgers, de jeugdigen zelf en hun (sociale) netwerk. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdigen en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Als zij daarbij ondersteuning nodig hebben, dan kunnen zij zich melden bij de gemeente. Vervolgens wordt samen bekeken wat mogelijk is. Wanneer een beroep op ondersteuning of hulp nodig is dan wordt deze ondersteuning of hulp zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te beperken. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Kernwaarden:  De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien.  De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.  De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.  De hulp wordt afgestemd op de inwoner en op andere vormen van hulp.  We hebben extra zorg voor kwetsbare groepen.

 Vrij toegankelijke hulp gaat voor individuele voorzieningen

4.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet] 1. Alle hulp en ondersteuning is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun sociale netwerk. 2. De gemeente betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 3. Algemene voorzieningen en de eigen kracht of inzet van het sociale netwerk worden eerst onderzocht en wanneer mogelijk ingezet. De algemene voorzieningen zijn gericht op preventie. Wanneer het gewenste effect niet mogelijk is wordt gekeken of jeugdigen en ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening.

4.2 Algemene voorzieningen [Jeugdwet] 1. De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken biedt de gemeente aan (kwetsbare) jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk de volgende algemene voorzieningen aan a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen; b. informatie, advies en voorlichting; c. kinderopvang en buitenschoolse opvang; d. jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, jeugdarts); e. activiteiten voor jeugdigen gericht op de ontwikkeling van talent; f. lichte Opvoedondersteuning (geboden door o.a. GGD of wijkteam); g. jeugdgezondheidszorg; h. (school)maatschappelijk werk; i. online hulpverlening; j. voorzieningen voor spoedeisende situaties. Deze hulp is vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders heeft hiervoor geen verwijzing nodig. 2. De gemeente kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

15

4.3 Individuele voorzieningen [Jeugdwet] 1. De gemeente kan de volgende vormen van “individuele voorzieningen” aanbieden: a. consultatie en advies; b. respijtzorg; c. begeleiding; d. daghulp; e. orthopedagogische behandeling; f. GGZ-behandeling; g. dyslexiezorg; h. specialistische intensieve netwerkondersteuning; i. pleegzorg; j. gezinsvervangende/gezinsgerichte zorg; k. verblijf l. crisishulp Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders hebben daarvoor een verwijzing nodig van een huisarts, een medisch specialist, een jeugdarts, een gecertificeerde instelling, een medisch specialist, een kinder- of jeugd(straf)rechter, de raad voor de kinderbescherming, de Officier van Justitie, of een besluit van de gemeente. 2. De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis aan. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. 3. De gemeente kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

4.4. Criteria individuele voorzieningen [Jeugdwet] 1. Jeugdigen en/of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: i. gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; ii. voldoende financiële draagkracht om zelf de hulp te kunnen bieden; iii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. b. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. door gebruik te maken van een andere voorziening die een passende oplossing biedt. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan de gemeente hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover de gemeente de noodzaak van de hulp, de mate waarin deze passend is, en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 3. De voorziening als bedoeld in het tweede lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. 4.

De gemeente kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid.

4.5 Afstemming met andere vormen van hulp [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over: a. Procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; b. Communicatie met andere organisaties en de gemeente; c. Afbakening van taken en verantwoordelijkheden; d. Aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en specialistische hulp. De afspraken worden vastgelegd in een protocol of in een andere geschikte vorm.

16

Hoofdstuk 5: Leven en wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). Het gaat om inwoners die vanwege een beperking, chronische psychische, of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk mee kunnen doen. Kernwaarden:  De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.  Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven in hun eigen omgeving.  We hebben extra zorg voor kwetsbare groepen.  De hulp wordt afgestemd op de inwoner.

5.1 Uitgangspunten, doelen en resultaten [Wmo] 1. De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. De maatwerkvoorzieningen van de gemeente stellen de inwoner in staat om: a. zo lang mogelijk zelfstandig en veilig te wonen; b. een huishouden te voeren; c. de woning normaal te gebruiken; d. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; e. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan; f. zelf regie te voeren over het dagelijkse leven; g. Een dagstructuur te hebben. 2. De inwoner kan voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van de wet en deze verordening. 3. Een inwoner komt alleen in aanmerking voor hulp op basis van de Wmo als: a. de hulp langdurig noodzakelijk is; b. de hulp het goedkoopst en meest passend is. 4. De gemeente kan niet altijd hulp geven. De gemeente geeft geen hulp, als a. de inwoner niet in de gemeente woont behalve als het gaat om beschermd wonen en opvang; b. de inwoner de noodzaak voor hulp had kunnen voorkomen; c. de inwoner de noodzaak voor hulp had kunnen verwachten en zich daarop voor had kunnen bereiden, waardoor de hulp voorkomen had kunnen worden; d. de hulp algemeen gebruikelijk is; e.

de inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen; f. de inwoner de gevolgen van zijn beperkingen kan verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren; g. de inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorziening of van zijn eigen kracht of van zijn sociale netwerk; h. de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft geregeld of aangeschaft nadat hij zich bij de gemeente heeft gemeld voor hulp, maar voordat een besluit is genomen. Dit geldt niet als de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend of als achteraf kan worden vastgesteld dat de hulp noodzakelijk was; i. de aanvraag een voorziening betreft die al eerder aan de inwoner is verstrekt en die bij normaal gebruik nog niet aan vervanging toe zou zijn. Dit geldt niet als: i. de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; ii. de inwoner (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

17

iii. de eerder verstrekte voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner. j. de voorziening een therapeutisch doel heeft; k. de inwoner onvoldoende meewerkt, zodat de gemeente niet kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is; l. De voorziening niet grotendeels op de inwoner zelf is gericht. 5. De gemeente stelt nadere regels vast waarin de door de gemeente te bereiken doelen en resultaten, zoals beschreven in de artikelen in dit hoofdstuk, zijn toegelicht en uitgewerkt.

5.2 Zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 Woonvoorzieningen [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een woonvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning niet (meer) mogelijk is. De woonvoorziening stelt de inwoner in staat de woning te bereiken en zich in en om de woning te verplaatsen. 2. Een woonvoorziening kan bestaan uit een verhuiskostenvergoeding. Dit is een vast geldbedrag om de inwoner tegemoet te komen in de kosten van verhuizing en inrichting. 3. Een verhuiskostenvergoeding heeft voorrang op andere woonvoorzieningen, behalve als een verhuiskostenvergoeding voor de inwoner niet de goedkoopste voorziening is die nodig is. 4. De gemeente verstrekt niet altijd hulp in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen hulp in de volgende situaties: a. De inwoner woont niet het grootste deel van zijn tijd in de woning waar hij een voorziening voor vraagt. b. De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt of de slechte staat van onderhoud van de woning. c. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekker woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een onzelfstandige woning. d.

De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte. e. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. f. Het gaat om een voorziening die in ieder geval gerenoveerd moet worden. g. De inwoner is verhuisd vanuit: i. een woonruimte die niet bestemd is om daar het hele jaar te wonen; of ii. vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning. h. De inwoner verhuist naar: i. een Wlz-instelling of andere zorginstelling; ii. een woning die niet geschikt is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daarvoor vooraf schriftelijke toestemming heeft verleend. i. De inwoner is verhuisd terwijl hiervoor geen aanleiding bestond op grond van zijn beperkingen en er was geen belangrijke reden voor verhuizing. 5.2.2 Hulp bij het huishouden [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp bij het huishouden kan krijgen. Hiermee wil de gemeente bereiken dat de inwoner: a. de woning schoon en leefbaar kan houden; b. kan zorgen voor de eerste levensbehoeften; c. kan beschikken over schone kleding; d. thuis kan zorgen voor de kinderen uit het gezin.

5.2.3 Verplaatsen in en om de woning [Wmo] De gemeente zorgt voor maatwerkvoorzieningen waarmee de inwoner met een beperking in staat wordt gesteld zich voldoende te verplaatsen in en om de woning, of de woning te kunnen bereiken. 5.2.4 Beschermd wonen [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen in de vorm van beschermd wonen als de inwoner als een direct gevolg van psychiatrische, psychosociale of

18

meervoudige sociale problematiek een reële noodzaak heeft om in een beschermde woonomgeving te verblijven. 2. De inwoner komt niet in aanmerking voor beschermd wonen indien: a. de inwoner zelfstandig kan wonen en permanent beschikbare bescherming of begeleiding niet noodzakelijk is; b. de inwoner geen medisch vastgestelde diagnose kan overleggen waaruit de noodzaak tot beschermd wonen blijkt; c. de inwoner wel een medisch vastgestelde behoefte tot een beschermd verblijf heeft, maar nog dagelijks onder medische behandeling staat.

5.3 Maatschappelijke opvang [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Hiermee wil de gemeente bereiken dat de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen, wordt opgevangen. 2. De inwoner wordt geplaatst in een opvangvoorziening in de regio Den Bosch. Dit geldt niet als er binnen deze regio geen opvangvoorziening beschikbaar is die het beste past bij de behoefte van de inwoner. 3. Er bestaat geen recht op een voorziening voor maatschappelijke opvang als: a. de inwoner ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het verrichten van basale huishoudelijke taken; b. de inwoner een fysieke of zintuigelijke beperking heeft waardoor de opvang niet of onvoldoende toegankelijk is; c. er duidelijke indicaties bestaan voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleid kan worden en/of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening; d. de inwoner ernstig verstandelijk beperkt is en daardoor binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden; e.

de inwoner niet akkoord wenst te gaan met de huisregels en de verblijfsvoorwaarden van de opvanginstelling waaronder het meewerken aan een zekerheidsstelling voor de betaling van de bijdrage; f. de inwoner zich (na toegang tot de voorziening) ernstig misdraagt jegens andere inwoners in de opvangvoorziening of jegens de medewerkers van de instelling. g. de inwoner zelfstandig kan wonen en permanent beschikbare bescherming of begeleiding niet noodzakelijk is;

5.4 Begeleiding en dagbesteding [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die onvoldoende in staat zijn om zelf overzicht te houden over het dagelijks leven, hulp kunnen krijgen. Hiermee wil de gemeente bereiken dat de inwoner: a. voor zichzelf kan zorgen; b. om kan gaan met sociale situaties in het dagelijks leven, zoals thuis en met vrienden en familie. c. kan zorgen voor structuur in de dag en nacht. d. een zinvolle dagbesteding heeft, waarin iemand zijn vaardigheden zoveel als mogelijk verbetert of behoudt; e. Zelf besluiten kan nemen en overzicht kan houden; 2. De hulp kan in houden dat inwoners mee doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor een of meer dagdelen per week. 3. De hulp kan inhouden dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan individueel of in een groep plaatsvinden. Het betekent dat de begeleider toezicht houdt op de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving te communiceren. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën, maar neemt deze niet volledig over.

19

5.5 Vervoer [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp kunnen krijgen als zij geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer of een vervoermiddel. 2. De hulp houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen, mensen kunnen ontmoeten en sociale verbanden aan kunnen gaan. Om vervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief vervoer, voordat andere voorzieningen aan de orde kunnen komen. 3. De gemeente verstrekt geen vervoersvoorziening gericht op woon-werk verkeer en zakelijk verkeer.

5.6 Mantelzorg 5.6.1 Ondersteuning mantelzorger [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven in een situatie waarin steeds toezicht nodig is, ondersteuning kunnen krijgen zodat zij in staat zijn om de mantelzorg vol te houden. 2. De ondersteuning kan inhouden dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen, zo nodig door een professional. We noemen dit respijtzorg. 5.6.2. Mantelzorgwaardering [Wmo] 1. De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking die wonen in onze gemeente. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantel-zorgwaardering is om een blijk van waardering aan de mantelzorgers te geven. 2. De mantelzorgwaardering kan bestaan uit een éénmalig geldbedrag per jaar, een attentie of een andere wijze van waardering, of een combinatie hiervan. 3. De gemeente zorgt voor voldoende informatie en voorlichting over de mantelzorgwaardering. 5.6.3 Voorwaarden mantelzorgwaardering [Wmo] Een mantelzorgwaardering kan worden toegekend aan de inwoner die mantelzorg geeft en die geen betaalde hulp biedt aan de inwoner.

20

Hoofdstuk 6: De vorm van hulp De hulp die de gemeente geeft is in principe ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). Daarnaast kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen. Kernwaarden:  De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.  De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.  De zelfredzaamheid van de inwoner wordt versterkt.  De hulp wordt afgestemd op de inwoner.

6.1 Vormen van hulp [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet] De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), in geld, in bruikleen of in eigendom, tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. In de toekenningsbeschikking wordt de vorm van de hulp vermeld.

6.2 Hulp in natura [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een maatwerkvoorziening de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een maatwerkvoorziening de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft. 3. De leverancier informeert de inwoner over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product.

6.3 Hulp in geld [Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet, Awb] 1. De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. 2. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen zes weken nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling 3. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon of een leverancier betalen. 4. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. 5. De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd, als bij de overboeking voldoende duidelijk wordt gemaakt waarom de betaling wordt gedaan.

6.4 Persoonsgebonden budget 6.4.1 Voorwaarden pgb [Jeugdwet, Wmo] 1. In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen.

21

2. De inwoner stelt een pgb-plan op. In dit pgb-plan is opgenomen: a. de motivatie waarom de beschikbare hulp in natura van de gemeente niet passend is; b. de beoogde uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de hulp georganiseerd wordt; c. op welke wijze de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in het aantal eenheden en het tarief. 3. De gemeente stelt nadere regels over het recht, de hoogte en voorwaarden voor het verkrijgen en het besteden van een pgb. 4. De gemeente kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de regels in lid 3 niet worden nageleefd. 5. De gemeente weigert een pgb in de volgende situaties: a. de inwoner heeft geen volledig ingevuld pgb-plan overgelegd volgens het door de gemeente vastgestelde model; b. de inwoner weigert het pgb-plan desgevraagd met de gemeente te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het pgb-plan te bespreken; c. de inwoner, of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, en één van diens ouders of voogden, heeft surseance van betaling aangevraagd of is failliet verklaard; d.

voor de inwoner of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, voor één van diens ouders of voogden, is de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard, of is een verzoek daartoe bij de rechtbank ingediend; e. de inwoner heeft zich niet gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen; f. naar het oordeel van de gemeente is onvoldoende aannemelijk dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit; g. het ernstige vermoeden bestaat dat de inwoner problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget; h. de inwoner laat het beheren van het persoonsgebonden budget over aan de aanbieder die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze aanbieder i. het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door de gemeente op basis van de eisen die zijn opgenomen in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de VNG. 6.4.2 Pgb en hulp uit het sociale netwerk [Jeugd, Wmo] 1. Alvorens de inwoner een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij een beroep doet op zijn eigen kracht, die van het gezin en het sociale netwerk. 2.

Onder het sociaal netwerk wordt de informele hulpverlener verstaan, hieronder vallen onder andere ouders, familie, vrienden en kennissen van de budgethouder. 3. Geen pgb voor ondersteuning door het sociale netwerk mag worden ingezet, indien de persoon die de zorg wil verlenen hier naar verwachting niet in staat zal zijn. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken via informele hulp voor zover er geen sprake is van daghulp of verblijf. 6.4.3 Hoogte en tarief persoonsgebonden budget Wmo [Wmo] 1. Het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld pgb-plan inzake de besteding van het pgb; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura; d. kan door de gemeente aangepast worden door een lager pgb-tarief te hanteren voor het betrekken van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van personen die behoren tot het sociale netwerk of zzp-ers. 2.

Het bedrag van het pgb voor hulp bij het huishouden bedraagt maximaal:

22

a. 100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao. Hierbij vindt afstemming plaats op de tarieven van de Regeling dienstverlening aan huis; b. 87,50% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt; c. 87,50% van het van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. 3. Het bedrag van het pgb voor begeleiding bedraagt maximaal: a. 100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao; b. 85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt; c. 50% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. 4. Het pgb voor dagbesteding bedraagt maximaal: a. 100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao; b. 85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt; c.

50% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. 5. Het pgb budget voor kortdurend verblijf bedraagt maximaal: a. 100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao; b. 85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of een zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt; c. 30% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. 6. Het pgb voor beschermd wonen bedraagt maximaal: a. Bij pgb beschermd wonen all-inclusive: 88% van het tarief voor hulp in natura beschermd wonen all-inclusive; b. Bij pgb beschermd wonen thuis: 86% van het tarief voor hulp in natura beschermd wonen thuis; c. Bij pgb beschermd wonen begeleid: 88% van het tarief voor hulp in natura beschermd wonen begeleid. 7. De hoogte van een pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt maximaal de huur of de aanschafprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door de gemeente aan de aanbieder zou zijn verschuldigd. 8. De gemeente stelt op basis van de systematiek en tariefdifferentiatie genoemd in de leden 1 tot en met 7 nadere regels over het pgb en de tarieven vast.

6.4.4 Hoogte en tarief persoonsgebonden budget Jeugd [Jeugdwet] 1. Het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld plan inzake de besteding van het pgb; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp, van derden te betrekken; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura; d. kan door de gemeente aangepast worden door een lager pgb-tarief te hanteren voor het betrekken van diensten, en andere maatregelen van personen die behoren tot het sociaal netwerk of zzp-ers. 2. Het pgb bedraagt: a. de hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt maximaal 100% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende PGB-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. b. de hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. c.

indien de budgethouder concreet en onderbouwd kan aantonen dat in zijn situatie het pgb-tarief niet toereikend is om passende ondersteuning in te kopen, kan in uitzonderlijke gevallen aanpassing plaatsvinden, passend bij de situatie.

23

3. 4. 5.

De tarieven zoals bedoeld in lid 1 en 2 zijn vastgesteld in de nadere regels jeugdhulp 2021. De gemeente kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een PGB wordt vastgesteld. Jaarlijks vindt indexering van de tarieven plaats conform de indexering van de tarieven voor zorg in natura.

6.4.5 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk [Jeugdwet, Wmo] De in dit hoofdstuk genoemde pgb-tarieven voor hulp van een persoon uit het sociaal netwerk zijn niet lager dan het minimum uurloon inclusief vakantietoeslag, zoals bedoeld in de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 6.4.6 Kwaliteitseisen voor formele hulp met pgb [Jeugd, Wmo] De kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. Zorgverleners die zorg verlenen die wordt betaald uit een pgb: a. staan ingeschreven staan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel; b. hebben adequaat opgeleid personeel in dienst; c. kunnen een recente VOG overleggen van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers); d. zijn verzekerd tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid; e. staan ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd). 6.4.7 Verantwoording pgb [Jeugdwet, Wmo] 1.

Als een inwoner hulp op maat in de vorm van een pgb krijgt, dan komen alleen de kosten van hulp die daadwerkelijk is geleverd ten laste van het pgb. 2. De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe, en voor welke kosten het pgb is besteed. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen.

6.5 Eigen bijdrage Wmo-voorzieningen 6.5.1 Kostprijs voorzieningen [Wmo] 1. De kostprijs van een voorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de voorziening in natura betrekt van een aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten. 2. De kostprijs van een pgb is gelijk aan het bedrag van het pgb. 3. De gemeente stelt nadere regels over (het bepalen van) de kostprijs, waarbij de kostprijs in afwijking van het eerste en tweede lid op een lager bedrag kan worden vastgesteld. 6.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen [Wmo] 1. De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorzieningen in natura, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt; 2. De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorzieningen in de vorm van een pgb gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, tot maximaal de kostprijs van de voorziening; 3. De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. woningaanpassingen; b. hulpmiddelen; c. vervoersvoorzieningen; d. hulp in de huishouding; e. individuele begeleiding; f. groepsbegeleiding; g. kort verblijf. 4. De gemeente stelt nadere regels over de hoogte van de eigen bijdrage.

6.5.3 Geen eigen bijdrage bij minimum inkomen [Wmo] Voor maatwerkvoorzieningen is de inwoner die een bijdrageplichtig inkomen heeft lager dan 120% van het sociaal minimum geen eigen bijdrage verschuldigd.

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=5cfae250-456a-44c3-8c4b-54c6850a7d49