CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

1253371 bijlage 1_ Woningbouw De Kleine Aarde Toelichting.pdf

Raadsvergadering Boxtel 8 juni 2021, gemeente boxtelBij agendapunt: (Van agenda gehaald) Bestemmingsplan Woningbouw De Kleine Aarde (regnr 1253371)14.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden. Conclusie Het verhard oppervlakte in het plangebied neemt door onderhavige ontwikkeling toe. Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen zijn echter geen nadere compenserende maatregelen noodzakelijk. Het aspect water vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.4 Bodem Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Doorwerking plangebied Door de bestemmingswijziging van ‘Maatschappelijk’ naar ‘Wonen’ wordt de functie van het plangebied gevoeliger. Derhalve moet inzicht worden verkregen in bodemkwaliteit. Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd5. De complete rapportage is als bijlage 5 bij dit bestemmingsplan opgenomen, in deze paragraaf volgen enkel de conclusies van het onderzoek. De gronden ter plaatse van de voormalige kas worden in gebruik genomen als parkeerplaats.

5

Verkennend bodemonderzoek Munselse Hoeve te Boxtel, Econsultancy, projectnummer 6920.001, 20 juni 2018

Hoofdstuk 4

28

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. In de ondergrond komen tevens vanaf circa 1,30 sterk zandige leemlagen voor met een dikte van circa 20 à 30 cm. De ondergrond is bovendien vanaf 0,60 m -mv zwak tot sterk gleyhoudend. De diepere ondergrond is bovendien zwak leemhoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk (oostelijk terreindeel) licht verontreinigd is met koper en zink. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze verontreiniging is mogelijk, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. De vooraf gestelde hypothese dat het plangebied als "onverdacht" kan worden beschouwd is op basis van de lichte verontreinigingen niet geheel bevestigd.

Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Wanneer aan de afstanden worden voldaan is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Doorwerking plangebied In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Zo kan er sprake zijn van ‘gemengd gebied’ waarbij de richtafstanden één categorie verlaagd mogen worden.

De VNG-publicatie verstaat onder gemengd gebied het volgende: “Een gebied met een matige tot

Hoofdstuk 4

29

sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.” Het plangebied ligt op het terrein van De Kleine Aarde waar maatschappelijke functies en bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Er kan daardoor sprake zijn van gemengd gebied. De omgeving wordt echter beschouwd als rustige woonwijk, op deze manier wordt de worst-case situatie van milieuzonering in beeld gebracht. Het plangebied ligt op het terrein van De Kleine Aarde waar maatschappelijke functies plaats vinden. De activiteiten op De Kleine Aarde hebben maximaal milieucategorie 2 met een grootste richtafstand van 30 meter. De afstand van de grens van het nieuwe bouwvlak voor het appartementencomplex tot de grens van het bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’ van De Kleine Aarde bedraagt ca. 33 meter. Er is derhalve geen sprake van een belemmering. In het plangebied zelf gaan geen activiteiten plaatsvinden die tot hinder kunnen leiden bij omliggende milieugevoelige functies. Er zijn vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.6 Kabels en leidingen In het noordelijke gedeelte van het plangebied ligt een gasleiding. De beschermingszone van deze leiding is overgenomen op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan. Voor een verantwoording van de leiding in dit bestemmingsplan wordt verwezen naar paragraaf 4.10 ‘Externe veiligheid’. Verder wordt een klic-melding uitgevoerd wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.

4.7 Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Ook dient hierbij gekeken te worden dat bepaalde te ontwikkelen inrichtingen geen negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies.

Hoofdstuk 4

30

Doorwerking plangebied Met dit plangebied worden nieuwe geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Het plangebied ligt in de geluidzone van de A2, derhalve is door onderzoeksbureau Antea Group een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd6. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidbelasting van de Schijndelsweg meegenomen. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. De geluidbelasting als gevolg van de A2 en Schijndelseweg bedraagt respectievelijk ten hoogste 48 en 42 dB (inclusief aftrek ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ingevolge de Wet geluidhinder. Nadere beschouwing naar maatregelen kan daarmee achterwege blijven. De cumulatieve geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai bedraagt ten hoogste 49 dB (inclusief aftrek ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder). Met een standaard gevelwering (minimaal 20 dB) wordt voldaan worden aan het vereiste binnenniveau van 33 dB. De Wet geluidhinder legt geen restricties op aan het plan, daarnaast is er sprake van een goed woonen leefklimaat.

4.8 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en parkeren. Doorwerking plangebied Verkeer Een woning van het type ‘huur, huis, sociale huur’ heeft een verkeersgeneratie van 4,5 motorvoertuigen per etmaal. Dit betekent een totale verkeersgeneratie van 100 motorvoertuigen per etmaal. De woningen worden via het Klaverblad of de Munselse Hoeve ontsloten op de Schijndelseweg. De lokale infrastructuur kan een dergelijke verkeersbewegingen gemakkelijk verwerken. Parkeren Uitganspunt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het realiseren van een parkeeroplossing op eigen terrein. De ontwikkeling van het appartementencomplex maakt onderdeel uit van de gehele herontwikkeling van De Kleine Aarde. Het is dan ook noodzakelijk de parkeerbehoefte van alle functies op het terrein in beeld te krijgen. In navolgende tabel worden de verschillende functies, inclusief het beoogde appartementencomplex, beschouwd:

6

Akoestisch onderzoek appartementencomplex De Kleine Aarde, Antea Group, rapportnummer 433788, d.d. 5 juli 2018

Hoofdstuk 4

31

Gebruikers gebied

Functies

Beoogd woongebouw

Appartementen

Kas

-

Van Coothoeve

Wonen

Bezoekerscentrum

BVO(m2)

Aantal

Norm Boxtel

Benodigd

22

1*

22

1

2

2

Bedrijven

400

2,5 per 100m2 bvo

10

Horeca

200

6 per 100m2 bvo

12

B&B (hotel)

16

opleidingsruimte

1

kantoren

100

Schuur

-

Veldschuur

2 werkplekken

2

Leslokaal MBO

1

Biomassacentrale

1 per kamer

50 % bezetting

8

6 per lokaal

6

2,5 per 100m2 bvo

3

2 6 per lokaal

6

-

Toerit vrachtwagen

Voedselbos

*

Vijver/Imker

1

Voedseltuin

20-30 vrijwilligers

Bolwoning

-

1 2

Totaal

74

*= omdat het om een project gaat met een erg hoge duurzaamheidsambitie (die ook zal worden doorgelegd aan de toekomstige huurders), is het de bedoeling om te experimenteren met het gebruiken van 1 parkeerplaats per appartement zodat het gebruik van andere vervoersmiddelen, zoals het openbaar vervoer, wordt gestimuleerd. De gemeente Boxtel wijkt daarmee af van de parkeernorm 1,5 parkeerplaats per woning uit het gemeentelijke parkeerbeleid.

De totale parkeerbehoefte bedraagt dus 74 parkeerplaatsen. Bovenstaande functies en parkeerbehoefte zijn in navolgend tabel uiteengezet tegen de aanwezigheidspercentages zoals die in het gemeentelijke parkeerbeleid zijn opgenomen: Werkdag

Werkdag

Werkdag

overdag

middag

avond

Beoogd woongebouw

11

13,2

22

Bedrijven/kantoren

15

15

0,75

Dagonderwijs

12,0

12,0

0,0

Sociaal cultureel (B&B)

0,8

3,2

8,0

Horeca

3,6

4,8

Totaal

42,4

48,2

Koopavond

Zaterdag

Zaterdag

Zondag

middag

avond

18

13,2

13,2

15,4

1,5

0,75

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

8,0

4,8

7,2

2,0

10,8

10,2

9,0

12,0

5,4

41,55

37,7

27,75

32,4

22,8

De daadwerkelijke parkeerbehoefte in de worst-case situatie bedraagt afgerond 49 parkeerplaatsen. Op het terrein van De Kleine Aarde zijn in de huidige situatie 29 parkeerplaatsen aanwezig, deze zijn bij de entree van het terrein gesitueerd. De overige parkeerplaatsen worden als volgt gerealiseerd. Direct ten zuiden van het nieuwe appartementencomplex worden 6 parkeerplaatsen aangelegd. Deze parkeerplaatsen zijn bedoeld voor kort

Hoofdstuk 4

32

parkeren. Deze worden ontsloten op de Munselse Hoeve. Daarnaast is ten zuidwesten van het nieuwe appartementencomplex een voormalige kas gesloopt en daar is ruimte om in totaal 36 parkeerplaatsen te realiseren. Hier worden in ieder geval 21 parkeerplaatsen gerealiseerd zodat aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. Als blijkt dat de parkeerdruk toch te hoog is worden de overige 15 parkeerplaatsen alsnog gerealiseerd. Er kan dan ook voldaan worden aan de parkeerbehoefte van 1,5 parkeerplaatsen per woning conform het gemeentelijke parkeerbeleid. Op het terrein van De Kleine Aarde is genoeg ruimte om in de parkeerbehoefte te voorzien. Figuur 4.2 geeft een impressie van de parkeerplaatsen in de toekomstige situatie.

Figuur 4.2 Impressie van de terreininrichting met de parkeerplaatsen.

4.9 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid 7: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

7

let wel op een zorgvuldige belangenafweging, en het (toekomstige) Besluit gevoelige bestemmingen

Hoofdstuk 4

33

b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO 2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. Dit volgt uit artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM. b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn.

Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Er zijn immers alleen categorieën van gevallen aangewezen, waarvan aannemelijk is dat de toename van de concentraties in de betreffende gevallen niet de 3% grens overschrijdt. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. De Regeling NIBM geeft vooralsnog invulling aan de volgende categorieën:  woningbouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan;  Inrichtingen. Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Veehouderijen van beperkte omvang zijn nog niet in de Regeling NIBM opgenomen, dit zal op een later moment wel gebeuren. Daarnaast is een voorschrift gereserveerd voor defensie-inrichtingen, maar hieraan is nog geen invulling gegeven. Met betrekking tot woningen is het volgende opgenomen:  1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg;  3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2).

Hoofdstuk 4

34

Het initiatief valt onder de voornoemde categorieën. Het gaat om 22 wooneenheden. Het initiatief blijft ruim onder de gestelde criteria. Het initiatief zorgt dan ook niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Woon- en leefklimaat Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijn stof en stikstofdepositie bepaald met behulpt van de Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. In onderstaande tabel zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven.

2016 2025 Norm

Totale concentratie (µg/m3) NO2 25-30 15-20 40

Totale concentratie (µg/m3) PM10 20-22 18-20 40

Totale concentratie (µg/m3) PM2,5 12-14 10-12 25

Conclusie Het onderhavige project valt onder voornoemde lijst met categorieën van gevallen. Een luchtkwaliteitsonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat het onderliggende initiatief geen nadelige invloed heeft op de luchtkwaliteit. Ook is sprake van een goed woonen leefklimaat.

4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico (dat aan activiteiten verbonden is) voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvisie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid (meer personen toevoegen aan een gebied) kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

Hoofdstuk 4

35

Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Boxtel Het doel van de Beleidsvisie externe veiligheid (2010) is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het ruimtelijke scheiden van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten. Er wordt in de visie invulling gegeven aan de omgang met risiconormen en richtlijnen voor drie verschillende gebiedstypen:  risicoluw gebied;  gemengd gebied en  intensief gebied. Voorliggend plangebied kan worden gekenmerkt als risicoluw gebied. Blijkens de beleidsvisie externe veiligheid zijn dit locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en gemengde activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente wil de burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving bieden en daarom worden er geen risicovolle inrichtingen toegelaten. Onderhavig initiatief maakt enkel één woning mogelijk op een voormalig bedrijfsperceel. Er is dan ook geen sprake van strijd met de beleidsvisie. Doorwerking plangebied Door Antea Group is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd 8. Het gehele onderzoek is als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan opgenomen, in deze paragraaf worden enkel de belangrijkste resultaten uiteengezet.

In de omgeving zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig: de Rijksweg A2 en de hogedruk aardgastransportleiding Z-544-01 die gedeeltelijk door het plangebied loopt. Rijksweg A2  De maximale PR 10-6-contour van de snelweg is 0 meter. Het plaatsgebonden risico levert daarom geen belemmeringen op;  De weg heeft geen plasbrandaandachtsgebied;  Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevt van toepassing. In het onderzoek externe veiligheid zijn elementen aangedragen ter verantwoording van het groepsrisico. Hogedruk aardgastransportleiding  Uit de risicoberekening blijkt dat de leiding geen PR 10-6-contour heeft. Het plaatsgebonden risico levert daarom geen belemmeringen op;  Vanuit het Bevb geldt een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de buisleiding waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht. Deze bepaling dient als zodanig op te worden genomen in de planregels en bijbehorende verbeelding;

8

Externe Veiligheid De Kleine Aarde, Antea Group, projectnummer 0433612.00, d.d. 16 oktober 2018

Hoofdstuk 4

36

Het groepsrisico van de leiding neemt in de toekomstige situatie toe ten opzichte van de huidige situatie, maar is in beide situaties lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde;  Verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevb van toepassing. In het onderzoek externe veiligheid zijn elementen aangedragen ter verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording zijn het nemen van objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen. De in het onderzoek voorgestelde maatregelen worden hieronder benoemd. Per maatregel is aangegeven of en hoe dat verwerkt wordt in het nieuwe gebouw: - Centrale afzuiging van het gebouw bij een gifwolk; De ventilatie van de woningen wordt per appartement gerealiseerd. Het realiseren van een centrale afzuiging is niet mogelijk. - Accentueren van de gasleiding door dit op te neen in het ontwerp van het gebied; In het landschapsontwerp voor de inrichting van de gronden rondom de bebouwing wordt de accentuering van de leiding verwerkt door middel van het realiseren van een voetpad of andere markering. - Materiaalgebruik van het bouwwerk/bouwtechnische veiligheidsmaatregelen conform artikel 4.90 tot en met 4.95 Besluit bouwwerken leefomgeving; Dit wordt meegenomen in het brandveiligheidsadvies en het ontwerp van het gebouw.

- Vluchtroute faciliteren door hittewerkende borstwering van minimaal 1 meter hoog bij de galerij aan de noordzijde van het gebouw; Vanwege daglichttoetreding en zicht op de omgeving vanuit de appartementen wordt vooralsnog vastgehouden aan een open balustrade. - Uit- en ingangen van de trappen van de leiding af richten; De uitgangen van het gebouw en de vervolgen vluchtrichting liggen afgekeerd van de gasleiding. De uitgangen zijn afgeschermd door middel van wanden. - Afstemmen van interne vluchtwegen op externe veiligheid door een externe veiligheidsparagraaf op te nemen in het ontruimingsplan; Met dit plan worden individuele woningen gerealiseerd, daarvoor hoeft geen ontruimtingsplan te worden opgesteld. - Alarmering verbeteren door actieve risicocommunicatie; - Rampoefeningen organiseren; Dit zijn forse maatregelen die niet aansluiten bij de schaal/omvang van het nieuwe gebouw. Advies veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft in het kader van het vooroverleg gereageerd op het bovenstaande in de vorm van het ‘Advies Externe veiligheid bestemmingsplan woningbouw de Kleine Aarde’. Dit advies is als bijlage bij deze toelichting gevoegd en biedt bouwstenen ten behoeve van het opstellen van de groepsrisicoverantwoording. Hieronder wordt het advies kort samengevat: 1.

Het eerste relevante scenario is een toxische stof, die vrijkomt bij een ongeluk op de A2. Gezien de afstand tot de A2 van ca. 340 meter is het niet aannemelijk dat mensen, die binnen kunnen schuilen (het beste handelingsperspectief) , met letsel worden geconfronteerd. De woningen zullen voorzien worden van een afschakelbare ventilatie met instructiekaart. 2. Het andere relevante scenario is een fakkelbrand vanwege de hogedruk aardgasleiding. Dan zullen de mensen het beste kunnen vluchten. Er zal vooral ingezet moeten worden op het voorkomen van een fakkelbrand. Daartoe worden een aantal maatregelen geadviseerd. De

Hoofdstuk 4

37

kans op een fakkelbrand is erg klein en wordt kleiner als 1 of meerdere adviezen worden opgevolgd. Als er desondanks een fakkelbrand optreedt wordt geadviseerd om o.a. een lage borstwering op de eerste verdieping van het pand aan de noordzijde te plaatsen waarachter de mensen beschermd tegen de hoge hittestraling de trappenhuizen kunnen bereiken. Reactie van initiatiefnemer op advies veiligheidsregio Naar aanleiding van dit advies heeft de initiatiefnemer bekeken hoe hiermee om te gaan. Dit heeft geleid tot het volgende: 1. Algemene beschouwing veiligheidssituatie Vormt geen belemmering om op deze locatie de voorgenomen bestemming wonen te realiseren. 2. Mogelijke ruimtelijke veiligheidsmaatregelen Niet van toepassing omdat het plangebied binnen de 100% letaliteitszone ligt en de afstand tot de risicobron niet tot meer dan 80m gebracht kan worden. Het reduceren van het aantal woningen om tot een lagere personendichtheid te komen is vanwege de haalbaarheid van het plan geen optie. 3. Mogelijke bronmaatregelen Specifiek gaat het hier om te nemen maatregelen t.a.v. de gasleiding. Bronmaatregelen zijn het meest effectief en daarom wenselijk om uit te voeren. Het advies om door middel van markering het risico te reduceren wordt overgenomen.

Tijdens de bouw wordt de leiding en de totale belemmeringsstrook van 8 meter breed geaccentueerd door middel van piketpalen, afzetlint en hekwerken. Een goed uitvoerbare permanente maatregel is het verhogen van de gronddekking op de leiding door gebruik te maken van de afgegraven grond uit de bouwput. Deze heeft echter consequenties op de inrichting van het gebied de Kleine Aarde en zal instemming moeten krijgen van de gebruikers van het gebied (met name het voedselbos). 4. Mogelijke object gerelateerde veiligheidsmaatregelen Het betreft hier bouwtechnische maatregelen die de veiligheid kunnen verhogen. Materialisering Het treffen van aanvullende brandwerende maatregelen in materialisatie om de brandwerendheid te verhogen naar 60 min heeft gezien de afstand tot de gasleiding en de oriëntatie van de ingangen van de woningen richting de gasleiding geen doeltreffend effect. Voor de gevel en glazen puien zullen dan ook geen verhoogde waarden aangehouden worden. Vluchtmaatregelen/vluchtroutes Daarom wordt het advies gevolgd om met name te concentreren op de vluchtmaatregelen, omdat deze - afhankelijk van de afstand van de calamiteit tot het gebouw - de overlevingskans kunnen vergroten. Concreet betekent dit afscherming tegen hitte gewenst is op de koppen van het gebouw, rekening houden met een incident op grotere afstand tot het gebouw. De warmtebron is vooral gericht op

Hoofdstuk 4

38

de kopgevels. Aan de westzijde ligt het gebouw met de begane grond in een aarden wal welke bescherming biedt. Op de verdieping schermt het dichte trappenhuis de galerij af. Aan de oostzijde bevindt zich op de verdieping een dichte hoek als balustrade die bescherming biedt. Het trappenhuis aan de oostzijde is zoveel mogelijk gesloten en de uitgang is zo ver mogelijk van de gasleiding af gericht. De galerij heeft vluchtroutes in twee richtingen, waardoor altijd van de bron af gevlucht kan worden. De woningen op de begane grond hebben deze afscherming van de galerij niet. Vanuit het karakter van de Kleine Aarde zijn muren of andere gesloten afscherming voor de woningen niet wenselijk. Ventilatie In geval van een calamiteit met toxische stoffen hebben de bewoners de mogelijkheid om de ventilatie unit in het appartement handmatig uit te schakelen door middel van een schakelaar. Deze schakelaar is duidelijk zichtbaar aanwezig in nabijheid van de unit en wordt door middel van een gevarensticker extra gemarkeerd. In de handleiding wordt een uitgebreide omschrijving gegeven van de toedracht van deze toepassing. Alarmering en oefening Aan de bewoners zal een toelichting / handleiding verstrekt worden met daarop de risico’s in kaart gebracht en de procedures die gevolgd kunnen worden in geval van een calamiteit.

In de meterkast wordt een sticker opgehangen met de veiligheidsprocedures en de vluchtroutes. Voor de gehele Kleine Aarde zal in samenspraak met de verschillende gebruikers een plan van aanpak bij calamiteit opgesteld worden waarin ook de bezoekers en externe aanwezigen opgenomen worden. In basis beperkt dit zich tot risicocommunicatie. Het houden van rampoefeningen zal gebeuren op initiatief van de gemeente. Algehele conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.11 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk.  Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld.

Hoofdstuk 4

39

Doorwerking plangebied Met dit plan wordt een appartementencomplex met in totaal 22 woningen gebouwd. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. De ontwikkeling van 22 woningen is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. De aanmeldingsnotitie is toegevoegd als bijlage bij dit bestemmingsplan. In de aanmeldingsnotitie wordt geconcludeerd dat voor de verdere planvorming van dit bestemmingsplan geen milieueffectrapportage is vereist.

Hoofdstuk 4

40

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels De regels geven aan wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn binnen het plangebied. Uitgangspunt voor de regeling is het geldende bestemmingsplan ‘Noord-Oost’. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2 en 5.3.

5.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen ‘Groen’ en ‘Wonen’ ingetekend. Verder zijn de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Gas’ en ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen.

5.3 Toelichting op de bestemmingen Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de verschillende bestemmingen. Groen Het gehele gebied rondom het nieuwe appartementengebouw heeft de bestemming ‘Groen’ gekregen, omdat dit gebied ‘groen’ zal worden ingericht. Het is een globale bestemming, waarbinnen bijvoorbeeld ook parkeer- en speelvoorzieningen zijn toegestaan en paden (o.a. ter ontsluiting van parkeervoorzieningen). Ter plaatse van een wat groter parkeerterrein is de aanduiding ’parkeerterrein’ opgenomen.

Hoofdstuk 5

41

Het is de bedoeling dat een deel van deze gronden ook wordt ingericht als leef- en foerageergebied voor de poelkikker en de wezel. Besloten is om niet exact aan te geven waar dat zal gebeuren, omdat een en ander nog nader moet worden uitgewerkt. Binnen de bestemming is ook een voedselbos toegestaan. Gebouwen mogen niet worden gebouwd binnen de bestemming Groen. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Wonen Binnen deze bestemming is wonen toegestaan in gestapelde woningen (appartementen) al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis. Het appartementencomplex mag gebouwd worden binnen het bouwvlak. De maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter. Dubbelbestemming Leiding – Gas Deze bestemming voorziet in het behoud en de bescherming van de aardgasleiding, die in het plangebied is gelegen. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1 Deze bestemming voorziet in het behoud en de bescherming van de in de grond mogelijk aanwezige archeologische waarden.

5.4 Toelichting op de regels Hieronder volgt een toelichting op hoofdstuk 1, 3 en 4 van de regels. Hoofdstuk 1. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van bouwwerken te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.

Hoofdstuk 5

42

Hoofdstuk 3. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is verplicht overgenomen uit het Bro (art. 3.2.4.) en is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat een algemene regeling ten aanzien van het overschrijden van het bouw- en bestemmingsvlak door ondergeschikte bouwdelen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan een omgevingsvergunning tot afwijken kan worden verleend. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Ook is een regeling opgenomen voor zend- en ontvangen/of sirenemasten. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarbij een wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht De overgangsregeling is overgenomen uit het Bro (art. 3.2.1 en 3.2.2).

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 5

43

6.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Boxtel verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Boxtel besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Echter is met de ontwikkelende eigenaar van de gronden een anterieure overeenkomst gesloten zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro, voordat het bestemmingsplan is vastgesteld. Ook zijn er geen redenen om nadere eisen te stellen dan wel het plan te faseren, zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt. In de anterieure overeenkomst is het verhaal van kosten op afdoende wijze vastgelegd. Financiële haalbaarheid De ontwikkelaar beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren.

De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 6

44

7.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart.

7.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan plan zijn geïnformeerd. Veiligheidsregio Brabant-Noord Allereerst is er een reactie binnengekomen van de Veiligheidsregio Brabant-Noord in de vorm van het ‘Advies Externe veiligheid bestemmingsplan woningbouw de Kleine Aarde’. Dit advies is als bijlage bij deze toelichting gevoegd en biedt bouwstenen ten behoeve van het opstellen van de groepsrisicoverantwoording. Hieronder wordt het advies kort samengevat: 1. Het eerste relevante scenario is een toxische stof, die vrijkomt bij een ongeluk op de A2. Gezien de afstand tot de A2 van ca. 340 meter is het niet aannemelijk dat mensen, die binnen kunnen schuilen (het beste handelingsperspectief) , met letsel worden geconfronteerd. De woningen zullen voorzien worden van een afschakelbare ventilatie met instructiekaart. 2. Het andere relevante scenario is een fakkelbrand vanwege de hogedruk aardgasleiding. Dan zullen de mensen het beste kunnen vluchten.

Er zal vooral ingezet moeten worden op het voorkomen van een fakkelbrand. Daartoe worden een aantal maatregelen geadviseerd. De kans op een fakkelbrand is erg klein en wordt kleiner als 1 of meerdere adviezen worden opgevolgd. Als er desondanks een fakkelbrand optreedt wordt geadviseerd om o.a. een lage borstwering op de eerste verdieping van het pand aan de noordzijde te plaatsen waarachter de mensen beschermd tegen de hoge hittestraling de trappenhuizen kunnen bereiken. De vooroverlegreactie van de Veiligheidsregio heeft geleid tot wijzigingen in de toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf 4.10). De toelichting is aangevuld met bovenstaande korte samenvatting van het advies en met een reactie van de initiatiefnemer wat gedaan zal worden met dit advies. Provincie Noord-Brabant De provincie heeft geen opmerkingen over het plan.

Hoofdstuk 7

45

Waterschap De Dommel Het Waterschap stemt in met het bestemmingsplan. Er wordt op een zeer goede manier omgegaan met de waterhuishoudkundige belangen. Voorgesteld wordt om een voorwaardelijke verplichting op te nemen in de bestemming ‘Wonen - 1’ om de realisatie van de benodigde waterberging te borgen. Besloten is dit voorstel over te nemen. Conclusie Er zijn drie vooroverlegreacties binnengekomen. Deze geven aanleiding tot één wijziging in de regels van het bestemmingsplan. In de bestemming ‘Wonen - 1’ is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met als doel de aanleg en instandhouding van de benodigde waterberging te borgen.

7.2 Procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Afhankelijk van deze zienswijzen wordt het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

7.3 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Hoofdstuk 7

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=bebba8b7-3e85-459e-abf0-03c108a212a2